Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3535

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/00358
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2407, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Belanghebbende betoogt dat het strijdig is met artikel 110 van het VWEU dat in situaties waarin op het moment van registratie al vaststaat dat de auto slechts tijdelijk in Nederland gebruikt zal worden bij de BPM-heffing geen rekening wordt gehouden met deze (verwachte) gebruiksduur. Het Hof stelt voorop dat artikel 56 van het VWEU in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van een grensoverschrijdende dienstverlening. Het Hof toetst het BPM-systeem aan artikel 110 van het VWEU. Het Hof komt tot het oordeel dat er geen strijd is met voornoemd artikel. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op vergoeding van zogenoemde “Irimie-rente”.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 110
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-10-2018
V-N Vandaag 2018/2368
FutD 2018-2913
V-N 2018/62.1.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00358

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 april 2017, nummer BRE 15/6810, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is bij beschikking met dagtekening 3 juni 2015 (hierna: de beschikking belastingrente) een bedrag ter hoogte van € 6 aan belastingrente vergoed. Na tegen de beschikking belastingrente gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur deze bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 25 september 2015 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , verbonden aan [AA] , als gemachtigde van belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur, [B] , [C] en [D] .

1.5.

Belanghebbende heeft op deze zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft een [merk auto] met kenteken [kenteken] en VIN-nummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto) geïmporteerd. Op 8 januari 2014 heeft belanghebbende de auto in het Nederlandse kentekenregister geregistreerd en op zijn naam gesteld. Ter zake van deze registratie heeft belanghebbende op aangifte een bedrag van € 35.200 aan BPM voldaan.

2.2.

De registratie van de auto in het Nederlandse kentekenregister is beëindigd op 23 juni 2014, omdat de auto buiten Nederland is gebracht en op deze datum in het Duitse kentekenregister is geregistreerd.

2.3.

Belanghebbende heeft een “Verzoek Teruggaaf bpm van een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig” (hierna: het verzoek tot teruggaaf BPM) met dagtekening 8 juli 2014 ingediend, waarin zij verzocht heeft om teruggaaf van een bedrag ter hoogte van € 30.787.

2.4.

Bij beschikking met dagtekening 8 augustus 2014 (hierna: de teruggaafbeschikking) heeft de Inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf ter hoogte van € 30.051 verleend.

2.5.

Na tegen de teruggaafbeschikking gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur aan belanghebbende op 3 juni 2015 een aanvullende teruggaaf ter hoogte van € 737 verleend. De aan belanghebbende verleende teruggaaf bedraagt derhalve, in totaal, € 30.788.

2.6.

Bij beschikking met dagtekening 3 juni 2015 is aan belanghebbende, ter zake van de aanvullende teruggaaf ter hoogte van € 737, ex artikel 30ha, lid 1, van de AWR een bedrag aan belastingrente van € 6 vergoed.

2.7.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking belastingrente.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beschikking belastingrente terecht op een bedrag van € 6 is vastgesteld.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende hier (desgevraagd), zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd:

  • -

    Op het moment van invoer van de auto was al bekend dat de auto slechts voor een periode van zes maanden in Nederland zou worden verhuurd. Ik kan op dit punt echter geen nadere bewijsstukken overleggen aangezien een gedeelte van de afspraken mondeling tot stand is gekomen;

  • -

    In gevallen waarin op het moment van registratie al vaststaat dat de auto slechts tijdelijk in Nederland gebruikt zal worden is het strijdig met artikel 110 van het VWEU indien de te betalen belasting niet op voorhand met de bij export te verlenen teruggaaf wordt verrekend;

  • -

    De aan belanghebbende verleende teruggaaf is in twee gedeelten aan belanghebbende uitbetaald. Op 8 augustus 2014 is aan belanghebbende een teruggaaf ter hoogte van € 30.051 verleend en op 3 juni 2015 is aan belanghebbende een teruggaaf ter hoogte van € 737 verleend. Gelet op deze omstandigheid stel ik mij op het standpunt dat de Inspecteur veroordeeld dient te worden tot vergoeding van rente ter zake van de periode 8 januari 2014 tot 8 augustus 2014 over een bedrag van € 30.051 nadat dit bedrag verminderd is met het BPM-bedrag dat belanghebbende verschuldigd zou zijn geweest bij toepassing van artikel 14b van de Wet BPM 1992 en tot vergoeding van rente ter zake van de periode 8 januari 2014 tot 3 juni 2015 over een bedrag van € 737;

  • -

    Indien het Hof zou oordelen dat er geen sprake is van strijd met artikel 110 van het VWEU, betwist ik niet dat de beschikking belastingrente op het juiste bedrag is vastgesteld.

3.5.

Ter zitting heeft de Inspecteur hier (desgevraagd), zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd:

  • -

    Ik betwist dat op het moment van invoer van de auto al bekend was dat deze slechts tijdelijk in Nederland gebruikt zou worden;

  • -

    Ik ben bevoegd om ter zitting namens de Ontvanger op te treden. Ik ga akkoord met de door het Hof, vanuit praktische overwegingen, voorgestelde werkwijze dat de onderhavige beschikking belastingrente die gebaseerd is op artikel 30ha van de AWR mede aangemerkt kan worden als een ex artikel 28c van de Invorderingswet 1990 afgegeven beschikking invorderingsrente.

3.6.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot veroordeling van de Inspecteur tot het vergoeden van rente over de aan hem verleende teruggaaf met inachtneming van de onder 3.4 vermelde splitsing. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Volgens belanghebbende is het strijdig met artikel 110 van het VWEU dat in situaties waarin op het moment van registratie al vaststaat dat de auto slechts tijdelijk in Nederland gebruikt zal worden bij de BPM-heffing geen rekening gehouden wordt met deze (verwachte) gebruiksduur. Belanghebbende wijst er in dit kader op dat met betrekking tot in het buitenland geregistreerde voertuigen in artikel 14b van de Wet BPM 1992 een regeling is getroffen. Belanghebbende verzoekt, in verband met de door haar geconstateerde strijd met artikel 110 van het VWEU, om de Ontvanger te veroordelen tot vergoeding van invorderingsrente. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het arrest Hof van Justitie (hierna: HvJ) 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250.

4.2.

De Inspecteur – die ter zitting verklaard heeft mede namens de Ontvanger op te treden (zie onderdeel 3.5) – betwist dat sprake is van strijd met artikel 110 van het VWEU.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat artikel 56 van het VWEU in het onderhavige geval niet van toepassing is. Zo in de onderhavige zaak al sprake is van een situatie waarin een uit het buitenland afkomstige auto tijdelijk in Nederland is verhuurd en waarin reeds op het moment van registratie bekend was dat de auto slechts tijdelijk in Nederland zou worden gebruikt – hetgeen het Hof in het midden laat –, kan de verhuur niet aangemerkt worden als een grensoverschrijdende dienstverlening, hetgeen een voorwaarde is voor toepassing van het discriminatieverbod zoals opgenomen in artikel 56 van het VWEU. De verhuur van de auto is immers een zuiver interne aangelegenheid. Naar het oordeel van het Hof is derhalve de jurisprudentie die het HvJ gewezen heeft met betrekking tot de vraag of de Wet BPM 1992 respectievelijk registratiebelastingen die door andere landen geheven worden strijd opleveren met het vrije verkeer van diensten niet doorslaggevend bij beantwoording van de in onderdeel 3.1 opgenomen vraag.

4.4.

De onderhavige situatie valt daarentegen, naar het oordeel van het Hof, wel onder de reikwijdte van artikel 110 van het VWEU, aangezien de auto een geïmporteerde auto betreft en derhalve is aan te merken als een “product van de overige lidstaten” als bedoeld in voornoemd artikel.

4.5.

Uit vaste jurisprudentie van het HvJ volgt dat een belastingstelsel slechts verenigbaar is met artikel 110 van het VWEU, indien vaststaat dat het stelsel zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten, dat ingevoerde auto’s zwaarder worden belast dan binnenlandse auto’s. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van het HvJ dat artikel 110 van het VWEU wordt geschonden, wanneer het BPM-bedrag, dat geheven wordt van een tweedehands voertuig, hoger is dan het BPM-bedrag dat nog rust op gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte voertuigen (zie onder andere het arrest HvJ 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C-345/93, ECLI:EU:C:1995:66).

4.6.

Uit het arrest Hoge Raad 29 april 2016, nr. 15/02976, ECLI:NL:HR:2016:753, volgt dat artikel 110 VWEU niet eraan in de weg staat dat Nederland een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting onderwerpt, ongeacht de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in eerstgenoemde lidstaat of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt. In die gevallen noopt, aldus de Hoge Raad, noch het VWEU noch het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel tot een (wettelijke) regeling die voorziet in (gedeeltelijke) teruggaaf van BPM wanneer een personenauto na verloop van tijd niet meer is bestemd voor duurzaam gebruik in Nederland en voor duurzaam gebruik wordt overgebracht naar een andere lidstaat. Met betrekking tot de hoogte van het terug te geven bedrag aan BPM bij uitvoer naar een andere lidstaat kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op artikel 110 VWEU, omdat de werkingssfeer van artikel 110 VWEU zich niet uitstrekt tot gevallen waarin wegens de uitvoer van goederen uit een lidstaat naar een andere lidstaat een (gedeeltelijke) teruggaaf plaatsvindt van eerder door eerstgenoemde lidstaat rechtmatig geheven binnenlandse belastingen.

Ook overigens faalt belanghebbendes stelling. Indien het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat reeds op het moment van registratie bekend was dat de auto tijdelijk in Nederland zou worden verhuurd en na het verstrijken van de huurperiode weer geëxporteerd zou worden – het Hof laat in het midden of belanghebbende dit bewijs daadwerkelijk geleverd heeft – dient, gelet op de bij artikel 110 van het VWEU aan te leggen maatstaf, de ter zake van de registratie van de auto geheven BPM vergeleken te worden met de BPM die (nog) rust op gelijksoortige binnenlandse voertuigen die bestemd zijn om tijdelijk in Nederland verhuurd te worden en na het verstrijken van de huurovereenkomst geëxporteerd zullen worden. Aangezien op grond van artikel 14a van de Wet BPM 1992 ook bij deze referentievoertuigen pas teruggaaf wordt verleend op het moment dat deze buiten Nederland worden gebracht, faalt belanghebbendes stelling dat het strijdig is met artikel 110 van het VWEU dat bij de registratie van de auto geen rekening is gehouden met de bij export te verlenen teruggaaf.

4.7.

Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het Hof, gelet op het vorenoverwogene geen recht op vergoeding van zogenoemde “Irimie-rente”. Vergoeding van dergelijke rente komt namelijk pas aan de orde indien er sprake is van in strijd met het Europese Unierecht geheven belasting (zie het arrest HvJ 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250).

4.8.

Aangezien belanghebbende niet betwist dat de beschikking belastingrente naar een juist bedrag is vastgesteld indien er geen sprake is van strijd met het Unierecht, verklaart het Hof het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 23 augustus 2018 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.