Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3534

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
200.233.291_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1492
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw: de onder de Kredietbank rustende reserveringen dienden te worden aangewend voor het bereiken van een minnelijke regeling met alle schuldeisers, dan wel ter evenredige verdeling onder die schuldeisers.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 augustus 2018

Zaaknummer : 200.233.291/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01-326710 / FT RK 17/974

C/01/326712 / FT RK 17/976

in de zaak in hoger beroep van:

1 [appellante] ,

2. [appellant] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellante] respectievelijk [appellant]

advocaat: mr. L.T.M. Keet te Amsterdam.

Als vervolg op het door dit hof op 5 april 2018 gewezen tussenarrest.

5 Het tussenarrest van 5 april 2018

5.1.

Bij dit tussenarrest heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden tot

woensdag, 20 juni 2018, pro forma, teneinde de advocaat van [appellante] en [appellant] in de gelegenheid te stellen de volgende vragen te beantwoorden, voorzien van alle relevante bewijsstukken:

UWV (terugvordering € 6.578,78 plus boete € 1.584,66):

a. Welke bedragen zijn door [appellante] en [appellant] aan het UWV terugbetaald wegens een ten onrechte ontvangen uitkering en/of toeslag en/of boete?

b. Was dit bedrag uitsluitend afkomstig van de gereserveerde teveel ontvangen bedragen van het UWV of is hiervoor ook het spaarsaldo op de beheerrekening aangesproken?

Ter ondersteuning van dit antwoord wenst het hof tevens te vernemen hoeveel er gespaard is op de beheerrekening vanaf de datum dat [appellante] en [appellant] gebruik zijn gaan maken van budgetbeheer, te weten 7 april 2014. Het hof wenst op dat punt met name alle rekeningafschriften van de beheerrekening vanaf laatstgenoemde datum te ontvangen.

c. In het beroepschrift (onder no. 17) is vermeld dat de boete is ingetrokken. Het bewijsstuk daarvan dient nog aan het hof overgelegd te worden.

Betaling € 4.000,= achterstallig loon schoonzus:

d. Wat was de exacte hoogte van het achterstallig salaris van de schoonzus en ex-werknemer van [appellante] ? Breng de daarop betrekking hebbende loonspecificaties uit die tijd in het geding.

e. Was budgetbeheer op de hoogte van het uitzendwerk dat [appellante] verrichtte en van het rekeningnummer waarop haar salaris werd gestort?

f. Waarom is dat salaris niet naar budgetbeheer overgemaakt en toegevoegd aan het spaarsaldo ten behoeve van alle schuldeisers?

Verdere vragen:

g. De lening van de broer en schoonzoon ten behoeve van de betaling van de door [appellante] verschuldigde omzetbelasting ontbreekt op de 284-verklaring.

Wat is daarvan de reden?

Is, gelet hierop, het aanbod in de buitengerechtelijke schuldregeling wel naar behoren verlopen? Ontbreken er meerdere schulden?

h. Van productie 5 bij brief van 22 maart 2018 (brief belastingdienst) ontbreekt de eerste bladzijde). Het hof wenst alsnog de volledige brief met bijlage(n)van de belastingdienst te ontvangen.

6 De verdere loop van de procedure

6.1.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] en [appellant] van 18 juni 2018.

7 De beoordeling

7.1.

Het hof overweegt het volgende.

7.1.1.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat, gelet op de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] en [appellant] d.d. 18 juni 2018, het hof geen termen aanwezig heeft geacht om een hernieuwde mondelinge behandeling te gelasten en dat de onderhavige zaak derhalve op de stukken kan worden afgedaan.

7.2.

Met betrekking tot de betaling door [appellante] aan haar schoonzus wegens achterstallig salaris zijn, met uitzondering van de maand augustus 2013, de loonstroken overgelegd over de periode van februari 2013 tot en met oktober 2013voor een totaalbedrag van ongeveer € 4.260,--. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] desgevraagd verklaard dat zij tot betaling van deze schuld is overgegaan, omdat de schoonzus herhaaldelijk om betaling bleef vragen. Volgens [appellante] wilde de kredietbank niet meewerken aan betaling aan haar schoonzus. [appellante] is daarop in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 maart 2017 bij een uitzendbureau gaan werken, heeft haar salaris op een aparte bankrekening laten storten en vervolgens heeft zij haar schoonzus uitbetaald.

7.2.1.

Het hof overweegt dat [appellante] , handelende zoals zij heeft gedaan, welbewust haar schoonzus heeft bevoordeeld boven haar andere schuldeisers. Het (gedeeltelijk) onbetaald laten van haar andere schuldeisers is daardoor als niet te goeder trouw aan te merken.

7.2.2.

In zijn tussenarrest van 5 april 2018 heeft het hof de advocaat verzocht alle afschriften van de beheerrekening te overleggen vanaf het moment dat [appellante] en [appellant] gebruik zijn gaan maken van budgetbeheer, te weten: 7 april 2014.

Bij brief van hierboven vermelde datum heeft de advocaat uitsluitend de afschriften van de beheerrekening van [appellante] en [appellant] over de periode van 3 april 2017 tot en met 18 juni 2018 overgelegd, zodat voor het hof niet duidelijk is geworden wat de hoogte van het saldo was bij aanvang van het budgetbeheer op 7 april 2014. Uit de overgelegde afschriften heeft het hof opgemaakt dat de kredietbank ten behoeve van [appellante] en [appellant] een aantal reserveringspotjes had aangemaakt, zoals bijvoorbeeld reservering 12 “onvoorziene uitgaven”, reservering 6 “telefoon” en reservering 60 “retour ontvangen gelden.” Op 19 september 2017 bedroeg het saldo van de reservering onvoorziene uitgaven € 4.384,84, op diezelfde datum werd een bedrag € 3.000,-- opgenomen, het saldo van de reservering telefoon bedroeg € 2.018,18 waarvan een bedrag werd opgenomen van € 1.500,-- en tot slot het saldo van de reservering retour ontvangen gelden bedroeg € 615,15 waarvan een bedrag werd opgenomen van € 615,--.

Gebleken is dat de kredietbank (mede) deze opgenomen bedragen op diezelfde dag heeft aangewend om de fraudevordering van [appellante] en [appellant] aan het UWV van € 5.461,82 te betalen om daarmee te voorkomen dat de fraudevordering van [appellante] en [appellant] een struikelblok zou kunnen vormen voor toelating tot de schuldsaneringsregeling, zoals door en namens [appellante] en [appellant] is verklaard.

Immers, blijkens artikel 5.4.4. van bijlage IV van het landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventies rechtbanken worden teruggevorderde genoten uitkeringen wegens fraude aangemerkt als zijnde niet te goeder trouw ontstaan.

7.2.3.

[appellante] en [appellant] hebben onvoldoende duidelijk gemaakt of het saldo in de verschillende “potjes” mede is ontstaan door storting van de UWV-uitkering, waarvan zowel zij als de Kredietbank wisten dat die ten onrechte werd ontvangen, of dat de potjes (mede) gevoed werden uit het surplus boven het vrij te laten bedrag. Het hof is evenwel van oordeel dat in beide gevallen de onder de Kredietbank rustende reserveringen dienden te worden aangewend voor het bereiken van een minnelijke regeling met alle schuldeisers, dan wel ter evenredige verdeling onder die schuldeisers. Nu niet aldus is gehandeld deugt het aanbod van de minnelijke regeling niet en hebben [appellante] en [appellant] de andere schuldeisers benadeeld.

7.3.

Hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] en [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest.

Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden op zichzelf beschouwd voldoende ernstig om afwijzing van de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Dat betekent tevens dat de gang van zaken rond de betalingen door de broer en schoonzoon van [appellante] en [appellant] van in totaal € 5.500,--, welk bedrag door [appellante] is aangewend voor de betaling van omzetbelasting en waarvan niet duidelijk is of het nu een lening of een schenking betreft, naar het oordeel van het hof geen afzonderlijke bespreking behoeft. Hetzelfde geldt voor de vraag of [appellant] kan worden verweten in de afgelopen periode niet, dan wel onvoldoende te hebben gesolliciteerd/gewerkt en of zijn psychische problemen duurzaam beheersbaar zijn.

7.4.

Het vonnis, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd.

8 De uitspraak

Het hof:

Bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.P. Zweers-van Vollenhoven en

M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2018.