Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
20-003844-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8260, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht. Veroordeling van een bestuurder van een rechtspersoon ter zake van het feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk overtreden van artikel 8.1 en 18.18 van de Wet milieubeheer alsmede het feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk overtreden van artikel 25 van het Lozingenbesluit bodembescherming, meermalen gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 51
Wet milieubeheer 8.1
Wet milieubeheer 18.18
Wet bodembescherming 6
Lozingenbesluit bodembescherming 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003844-13

Uitspraak: 22 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-994876-08 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank is de verdachte – kort weergegeven – veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 169 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede tot betaling van een geldboete van € 25.000,-, subsidiair 160 dagen hechtenis, en vrijgesproken van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis beperkt hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd.

De meervoudige economische kamer van de rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg partieel vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde, namelijk telkens voor wat betreft het tweede gedachtestreepje. Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat dit beschermde vrijspraken betreft.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering [hierna aangeduid als: Sv] staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde voor wat betreft het tweede gedachtestreepje en van het onder 3 ten laste gelegde voor wat betreft het tweede gedachtestreepje.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 169 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest, een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede een geldboete van € 12.500,-, subsidiair 96 dagen hechtenis.

De verdediging heeft primair vrijspraak, in ieder geval partiële vrijspraak, bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige economische kamer van de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1.

[medeverdachte 1; rechtspersoon] in of omstreeks de periode januari 2007 tot en met september 2008 te [plaats] , al dan niet opzettelijk, een in of op het perceel [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] gelegen inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, vanaf 1 januari 2008 behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie inrichting, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod geldt,

nadat die inrichting was veranderd en/of de werking van die inrichting was veranderd, door

a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of

b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of

c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater,

voormelde inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, althans ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

2.
[medeverdachte 1; rechtspersoon] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 18 oktober 2007 tot en met 4 maart 2008 te [plaats] , terwijl aan [bedrijf 2] door Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant bij besluit van 3 juli 2001 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] in werking hebben van een inrichting bestemd voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en

vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers werd de inrichting niet schoon en zindelijk gehouden en/of verkeerde de inrichting niet in goede staat van onderhoud, (voorschrift 1.4.4.), immers waren diverse rioolputten op het terrein verstopt met slib en/of andere afvalstoffen en/of overgelopen en/of liep afvalwater en/of percolaat over de opstaande randen van de opslagvakken en/of lekten één of meer naden van keerwanden van opslagvakken en/of vond vermenging van afvalwaterstromen plaats en/of stond op rijwegen/rijpaden en inspectiepaden een (grote) hoeveelheid afvalwater en/of percolaat,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);


3.
[medeverdachte 1; rechtspersoon] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 15 oktober 2007 tot en met 17 juni 2008 te [plaats] , al dan niet opzettelijk, een lozing van overige vloeistoffen (te weten afvalwater, in elk geval verontreinigd water) in de bodem van en/of nabij een terrein aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] heeft uitgevoerd, te weten:

- op of omstreeks 15 oktober 2007 in de bodem en in een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en/of

- op of omstreeks 28 november 2007 in de bodem op een strook grond en/of van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en/of

- op of omstreeks 10 januari 2008 in de bodem van het terrein en/of van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en/of

- op of omstreeks 18 januari 2008 en/of 27 januari 2008 in de bodem van een terrein aan de [adres] en/of

- op of omstreeks 28 maart 2008 in de bodem in een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en/of in de bodem van een terrein aan de [adres] en/of

- op of omstreeks 31 maart 2008 in de bodem van een terrein aan de [adres] en/of

- op of omstreeks 17 juni 2008 in de bodem van een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en/of in de bodem van het terrein aan de [adres] ,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1; rechtspersoon] op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 17 oktober 2007 tot en met 17 juni 2008 te [plaats] , op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten het lozen en/of sproeien en/of uitrijden van afvalwater, in elk geval verontreinigd water, op en langs een terrein aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] en/of het op dat terrein opslaan en/of laten staan van afvalwater, in elk geval verontreinigd water, en/of het van dat terrein laten afvloeien van afvalwater, in elk geval verontreinigd water, naar een terrein aan de [adres] en/of een terrein aan de [adres] , terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden/kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken,

hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beroep op vormverzuimen in de zin van art. 359a Sv en op bewijsuitsluiting wegens onbetrouwbare processen-verbaal

De verdediging heeft zich primair, op de gronden als nader in de pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek hetgeen zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering en dat processen-verbaal onbetrouwbaar zijn. De verdediging heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat vormvoorschriften bedoeld in (onder meer) de artikelen 152 en 153 Sv zijn geschonden, processen-verbaal onjuistheden bevatten en de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om de juistheid van deze processen-verbaal te controleren. Hetgeen de verdediging ter onderbouwing van deze verweren heeft aangevoerd komt in de kern op het volgende neer.

A.

De processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] zijn niet betrouwbaar en ongeloofwaardig. Het geheugen van verbalisant [verbalisant 1] is immers onbetrouwbaar gebleken en er zijn aanwijzingen dat de inhoud van de door hem opgemaakte processen-verbaal niet klopt. De onbetrouwbaarheid van de informatie uit het geheugen van [verbalisant 1] kan alleen maar zijn gecorrigeerd door de aantekeningen waarvan hij gebruikmaakte bij het opstellen van zijn processen-verbaal. Voorts zijn de processen-verbaal pas lange tijd na de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt en gesloten. Dit alles maakt de noodzaak tot controle op de juistheid van de processen-verbaal alleen maar groter en de verdediging heeft deze controlemogelijkheid niet meer, omdat de aantekeningen niet meer beschikbaar zijn.

B.

De in het dossier opgenomen processen-verbaal vormen geen waarborg dat deze naar waarheid zijn opgemaakt. De processen-verbaal bevatten onjuistheden. Zo zijn er ernstige redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van – onder meer – de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] . Zo heeft verbalisant [verbalisant 2] in strijd met de waarheid gerelateerd dat het proces-verbaal van 17 juni 2008 betreffende het horen van [naam 1] (pag. 407 e.v.) is opgesteld door verbalisant [verbalisant 3] en hemzelf, terwijl dat niet klopt. Evenzo heeft verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat [naam 1] als verdachte is gehoord, terwijl verbalisant [verbalisant 3] heeft verklaard dat [naam 1] als getuige is gehoord. Daarnaast klopt de datum en plaats van de ondertekening van het proces-verbaal niet. De door – onder meer – [verbalisant 2] en [verbalisant 3] gehanteerde werkwijze bij het opmaken en vaststellen van de processen-verbaal biedt geen waarborg voor de juistheid van de inhoud van die processen-verbaal.

C.

Ook de processen-verbaal die zijn opgesteld door meerdere verbalisanten gezamenlijk zijn onbetrouwbaar, in ieder geval wekken die processen-verbaal een onjuiste indruk van de gang van zaken. In de betreffende processen-verbaal is immers onvermeld gebleven dat de tweede verbalisant niet tekende of instond voor andermans bevindingen, dat een verbalisant slechts tekende voor zijn eigen bevindingen, dat het proces-verbaal niet gezamenlijk is opgemaakt door de ondertekenende verbalisanten en dat de ondertekenende verbalisanten niet instaan voor de waarheid van het geheel van de processen-verbaal. Daarnaast zijn de datum en plaats van ondertekening in een aantal processen-verbaal onnauwkeurig en onjuist vermeld.

D.

Er zijn veel processen-verbaal pas lange tijd na de bevindingen van de desbetreffende verbalisant(en) opgemaakt en gesloten.

De conclusie van de verdediging is dat ambtsedige processen-verbaal onjuistheden bevatten en dat in een aantal gevallen verbalisanten dat moeten hebben geweten. Dit is een zeer ernstig verzuim. Gelet op de onbetrouwbaarheid van de inhoud van de processen-verbaal is het voor de verdediging van groot belang om de inhoud te kunnen controleren en verifiëren. Deze mogelijkheid is de verdediging ontnomen omdat aantekeningen en concept-verklaringen niet meer beschikbaar zijn. Door dit alles zijn de belangen van de verdediging onherstelbaar geschaad. Er is sprake van dermate onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de opgemaakte processen-verbaal dan wel tot strafvermindering. In ieder geval dienen deze processen-verbaal wegens onbetrouwbaarheid van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de vraag of de vormverzuimen dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof begrijpt hieruit dat geen beroep is gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het hof ziet ambtshalve geen reden om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, op grond van art. 359a, eerste lid, aanhef en onder b, Sv kan bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit. Ingevolge het tweede lid van art. 359a Sv houdt de rechter bij de toepassing van het eerste lid rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

A. Processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1]

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal van [verbalisant 1] te twijfelen. De processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] zijn op ambtsbelofte opgesteld en [verbalisant 1] heeft bij de raadsheer-commissaris onder het verband van de belofte verklaard dat hij zijn processen-verbaal heeft opgesteld aan de hand van door hem gemaakte foto’s en aantekeningen. De aantekeningen heeft hij naar eigen zeggen direct na zijn waarnemingen opgesteld waarbij hij begint met dag, datum en tijd; vervolgens worden de waarnemingen vrij gedetailleerd vermeld.

Weliswaar heeft de verdediging niet de beschikking over de aantekeningen gekregen, omdat deze in het ongerede zijn geraakt, maar de verdediging heeft zowel bij de rechter-commissaris als bij de raadsheer-commissaris uitvoerig de gelegenheid gehad om [verbalisant 1] en andere getuigen te bevragen naar de juistheid van hetgeen in de processen-verbaal is gerelateerd. [verbalisant 1] is daarbij niet op de inhoud van zijn processen-verbalen teruggekomen. De afgelegde verklaringen geven het hof geen aanleiding om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal te twijfelen. Daar komt nog bij dat de in het dossier aanwezige foto’s de in de processen-verbaal beschreven waarnemingen verduidelijken en bevestigen.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van het geheugen van [verbalisant 1] , ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de (mede) door [verbalisant 1] opgestelde processen-verbaal over zijn waarnemingen en bevindingen. Te meer nu deze processen-verbaal zijn opgemaakt aan de hand van de destijds beschikbare, gedetailleerde aantekeningen, die bovendien worden ondersteund door de ten tijde van de bevindingen gemaakte foto’s, welke bij de betreffende processen-verbaal zijn gevoegd ter illustratie van de geverbaliseerde waarnemingen. Dat [verbalisant 1] niet (meer) weet wat er met zijn aantekeningen is gebeurd brengt nog niet mee dat de inhoud van zijn processen-verbaal over hetgeen hij heeft waargenomen onbetrouwbaar zou zijn.

Ook hetgeen door de verdediging is aangevoerd aangaande hetgeen door [verbalisant 1] in zijn processen-verbaal is opgenomen met betrekking tot de monstername door [naam 2] brengt niet mee dat de processen-verbaal van [verbalisant 1] onbetrouwbaar zouden zijn.

Het hof wijst in dit verband nog op het volgende.

Door [naam 2] zijn op meerdere data op het bedrijf van [medeverdachte 1; rechtspersoon] monsters genomen van afvalwater. In een aantal processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] wordt gerelateerd wat [naam 2] daarover aan [verbalisant 1] heeft meegedeeld en wordt tevens het monsternummer vermeld. Zo vermeldt het proces-verbaal d.d. 28 januari 2008 (pag. 652-653) dat [naam 2] op 16 november 2007, na het onderzoek op het bedrijf, onder meer heeft verklaard dat hij de monsterflessen reeds heeft voorzien van een etikettering met daarop vermeld de datum en plaats van monstername en dat het watermonster op het laboratorium van het waterschap is ingeschreven onder een uniek monsternummer, namelijk 2072911 dat op het analyserapport staat vermeld. De monsters heeft hij diezelfde dag overgebracht naar het laboratorium en ter beschikking gesteld van het hoofd aldaar met het verzoek deze te laten analyseren.

Uit de inhoud van de betreffende processen-verbaal volgt dat het hier niet gaat om afzonderlijke, door [naam 2] ten overstaan van de verbalisant afgelegde getuigenverklaringen, maar om een zakelijke weergave van hetgeen door monsternemer [naam 2] aan de verbalisant is medegedeeld, namelijk (onder andere) dat watermonsters zijn genomen en dat deze van een specifiek nummer zijn voorzien en voor analyse aan het laboratorium van het waterschap ter beschikking zijn gesteld.

Gebleken is dat de monsternummers al bekend kunnen zijn op het moment van monstername. Zo heeft [naam 2] bij de rechter-commissaris d.d. 3 februari 2011 onder meer verklaard:

De monsters nam ik in de daarvoor geprepareerde flessen, die werden vervolgens voorzien van een etiket met datum, plaats en dergelijke. Als ik van te voren wist waar de monsters moesten worden genomen dan liet ik de geleidebrieven plannen. Die brieven werden gemaakt door het laboratorium. Dat werd dan van te voren ingepland. Als wij van te voren wisten dat die monsters genomen moesten worden. We wisten in die gevallen van te voren ook om welke parameters het ging. Als dat van te voren niet bekend was dan werden ter plaatse monstergeleidebrieven ingevuld. Formeel heet zoiets een monstergeleidebrief. Het wordt ook wel eens aangeduid als monstergeleidelijst. Op dat moment waren in dit soort gevallen de nummers niet bekend”.1

[verbalisant 1] heeft hierover bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 mei 2017 verklaard:

De monsternemer wordt altijd bevraagd op welke wijze hij gehandeld heeft en wanneer de monsters het laboratorium zijn ingegaan. Dat wordt dus wel geverifieerd. U houdt mij voor dat het monsternummer soms wordt vermeld, soms ook niet. De monsternummers waren er vaak al. Er zijn vaak al flessen met stickers.” 2

Dat in de processen-verbaal wordt verwezen naar analyserapporten die pas later zijn opgemaakt maakt niet dat de inhoud van de processen-verbaal onjuist zou zijn. Uit de verklaring van [verbalisant 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 24 mei 2017 blijkt immers dat de verwijzing slechts in algemene zin is bedoeld:

“U [mr. Van Doveren; raadsman van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] ] houdt mij voor het proces-verbaal van 31 maart 2008, pagina 1903. U [mr. Van Doveren] houdt mij voor dat in het proces-verbaal in de bevraging van de monsternemer wordt verwezen naar een analyserapport, maar u zegt mij dat dat analyserapport later is opgemaakt. U vraagt mij hoe dat kan. Er staat een verwijzing naar het analyserapport in om aan te geven dat het unieke monsternummer ook op het analyserapport wordt vermeld. Het unieke monsternummer moet matchen met het latere analyserapport. Ik heb dit in algemene zin bedoeld.

Dat [verbalisant 1] bij zijn verhoor op 24 mei 2017 zich niet precies kan herinneren hoe hij op de specifieke, in de processen-verbaal genoemde data op de hoogte is geraakt van de monsternummers (hij heeft dit ten tijde van de monstername dan wel achteraf van [naam 2] vernomen), acht het hof, gelet op het tijdsverloop, niet verwonderlijk en op zichzelf geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door hem destijds opgemaakte processen-verbaal.

Voor wat betreft het verweer dat de monsters in de praktijk werden afgegeven aan de dienstdoende medewerker van het laboratorium, zoals door [naam 2] is verklaard, staat evenmin aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal in de weg. Uit de verklaring van [naam 2] bij de rechter-commissaris volgt dat hij dit gelijkstelt aan de afgifte aan het hoofd van het laboratorium (verhoor rechter-commissaris, pag. 3).

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 24 januari 2008 niet juist zou zijn omdat de monstername in de avond plaats vond en het monster niet diezelfde dag naar het laboratorium kan zijn gebracht omdat het laboratorium dan is gesloten, verwijst het hof naar de verklaring van [naam 2] bij de rechter-commissaris inhoudende dat hij, [naam 2] , beschikte over een sleutel van het laboratorium en dat hij de monsters ook wel diezelfde avond naar het laboratorium bracht (pag. 4).

Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat [verbalisant 1] in zijn processen-verbaal d.d. 4 juni 2008 (pag. 1904) en 10 juni 2008 (pag. 1919) heeft verwezen naar analyserapporten en/of conclusies daaraan heeft verbonden, terwijl die rapporten op het moment van het sluiten van de processen-verbaal nog niet bestonden.

Wat betreft de processen-verbaal d.d. 4 juni 2008 en 10 juni 2008 wijst het hof erop dat als ‘datum afgewerkt’ op de laboratoriumrapporten 23 april 2008 (pag. 1907 e.v.) respectievelijk 22 mei 2008 (pag. 1920) staat vermeld, zodat het verweer niet opgaat.

Naar het oordeel van het hof hebben [naam 2] en [verbalisant 1] voldoende duidelijkheid verschaft omtrent de gang van zaken met betrekking tot de monsternames en zijn er geen aanwijzingen dat de inhoud van de processen-verbaal, inhoudende de waarnemingen en bevindingen van de verbalisant, onbetrouwbaar zou zijn.

Ook de omstandigheid dat de processen-verbaal pas maanden na de waarnemingen en bevindingen zijn gesloten en getekend, brengt niet mee dat aan de inhoud van de processen-verbaal moet worden getwijfeld. Immers: [verbalisant 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de processen-verbaal (gedeeltelijk) eerder zijn opgemaakt, maar deze processen-verbaal later zijn getekend en gesloten vanwege calamiteiten, werkdruk of in afwachting van de bevindingen van c.q. ondertekening door anderen of resultaten van het laboratorium. Hij heeft zijn processen-verbaal opgesteld aan de hand van door hem gemaakte foto’s en aantekeningen. De aantekeningen heeft hij direct na zijn waarnemingen opgesteld waarbij hij begint met dag, datum en tijd; vervolgens zijn de waarnemingen vrij gedetailleerd vermeld.

Ook in hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de processen-verbaal van [verbalisant 1] .

Processen-verbaal van (onder meer) de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]

Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 3] en/of [verbalisant 2] slechts ten aanzien van één proces-verbaal, zijnde het proces-verbaal waarin de verklaring van de heer [naam 1] is gerelateerd3, is komen vast te staan dat de conceptversie niet volledig overeenkomt met de definitieve versie. Zo is in de conceptversie, die door [naam 1] is doorgelezen en ondertekend, vermeld dat [naam 1] als getuige is gehoord, terwijl in het proces-verbaal op pag. 407 e.v. is vermeld dat [naam 1] als verdachte is gehoord. Verder zijn er inhoudelijk enkele verschillen die niet relevant zijn gebleken voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben over het betreffende proces-verbaal bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd.

[verbalisant 3] heeft bij de rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2012 verklaard:

Volgens mij heb ik de afspraak voor het verhoor gemaakt. Ik heb die afspraak telefonisch gemaakt. (…) [naam 1] zou als getuige worden gehoord en dat heb ik ook telefonisch medegedeeld. (…) Ten tijde van dit verhoor werkten wij nog met BPS. Naar het verhoor hebben wij een laptop meegenomen waarin in een Worddocument het verhoor werd vastgelegd. [verbalisant 2] moest typen en ik mocht praten. [verbalisant 2] is de heer [verbalisant 2] . (…) Als het dossier wordt ingeleverd bij het OM moet dit volledig in BPS zijn gemaakt. (…) Voordat ik de eindversie van het proces-verbaal van verhoor teken lees ik de inhoud globaal door en bij herkenning ga ik ervan uit dat het concept-pv goed in BPS is gezet. Je mag de inhoud niet veranderen, daarom mag ik daarvan uit gaan. Bij een handgeschreven concept kan dat mogelijk anders zijn, maar daarvan was hier geen sprake. (…) U houdt mij voor dat in het BPS-pv staat vermeld dat [naam 1] als verdachte is gehoord. Dat is niet zo. (…) U houdt mij voor dat er inhoudelijke verschillen bestaan tussen de tekst van het Worddocument en het BPS-document. Die inhoudelijke verschillen kunnen ontstaan door overtikken.4

[verbalisant 2] heeft bij de rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2012 verklaard:

Een concept-pv kan op twee manieren worden gemaakt: met de hand of op de laptop. Met de hand betekent dat het concept met de hand wordt geschreven en ondertekend door de verbalisant en de verhoorde persoon. Met de laptop betekent dat er een Worddocument op de laptop wordt gemaakt en ingevuld en dat dat wordt afgedrukt en ondertekend door de verbalisant en de verhoorde persoon. (…) [verbalisant 3] en ik waren geen vast verhoorkoppel. (…) De enige werkbare methode om de inhoud van dat concept-pv in BPS te krijgen is overtypen van de tekst. Dat doet meestal de verbalisant zelf, een van de twee verbalisanten als iemand door beiden is gehoord. De tweede verbalisant tekent het eind proces-verbaal indien deze het eens is met de inhoud daarvan. Daarvoor moet de eindversie worden doorgelezen. Overzetting van Word naar BPS gebeurde pas als het concept-pv af was. (…) Voor zover ik mij herinner heb ik de tekst van het concept-pv overgetypt in BPS. Daarna heb ik de door mij al ondertekende eindversie van het proces-verbaal bij [verbalisant 3] gebracht. Die zat op een andere kamer. Hij kon het toen doorlezen en ondertekenen. (…) U vraagt mij hoe het kan dat er verschillen in zitten. Ik denk omdat het overgetypt is. (…) De mededeling in de eindversie dat [naam 1] als verdachte is gehoord komt niet door het overtypen. Voor zover ik mij herinner is [naam 1] als verdachte verhoord. (…) [naam 1] heeft inhoudelijke opmerkingen gemaakt op het concept-pv. Naar aanleiding daarvan is het concept-pv aangepast. [naam 1] heeft geen op- of aanmerkingen gemaakt over de vermelding dat hij als getuige werd gehoord.5

De omstandigheid dat er een aantal verschillen zijn tussen de conceptverklaring van [naam 1] en het proces-verbaal met zijn verklaring op pag. 407 van het dossier, dan wel dat volgens de verdediging de datum en plaats van de ondertekening niet zou kloppen, is voor het hof geen aanleiding om aan de inhoud van de voor het bewijs gebruikte processen-verbaal te twijfelen. De verschillen tussen de conceptverklaring en het proces-verbaal op pag. 407 brengt nog niet mee dat in het dossier opgenomen processen-verbaal niet naar waarheid zouden zijn opgemaakt.

Er zijn voorts geen aanwijzingen dat de gehanteerde werkwijze aanleiding zou zijn om aan de inhoud van de processen-verbaal te twijfelen. Ten overvloede overweegt het hof dat het proces-verbaal waarin de verklaring van [naam 1] is gerelateerd, niet tot het bewijs wordt gebezigd

Processen-verbaal die zijn opgesteld door meerdere verbalisanten

Het hof stelt allereerst voorop dat ervan mag worden uitgegaan dat verbalisanten relateren wat zij zelf hebben waargenomen. Voorts wijst het hof erop dat veelal uit de inhoud van het proces-verbaal blijkt wie welke waarneming heeft gedaan. [verbalisant 1] heeft dit ook bevestigd bij de raadsheer-commissaris voor zover hij heeft verklaard:

in zijn algemeenheid is het zo dat als er ‘wij’ staat, het bevindingen zijn die door alle verbalisanten zijn gedaan en als er namen bij staan, het bevindingen zijn van die verbalisant of verbalisanten.

Er zijn geen aanwijzingen dat de door de verbalisanten gehanteerde werkwijze aanleiding zou zijn om aan de inhoud van de processen-verbaal te twijfelen. De verdediging heeft ook niet gesteld, noch is het hof gebleken, dat de inhoud van de specifieke, in de processen-verbaal weergegeven waarnemingen of bevindingen niet juist zou zijn. Het hof merkt in dit verband op dat de verdediging de verbalisanten heeft kunnen bevragen wie wat heeft gerelateerd, mocht zij daarover meer duidelijkheid hebben willen verkrijgen, en of hetgeen is gerelateerd als zijnde de waarnemingen en bevindingen van de betreffende verbalisant(en) correct in het proces-verbaal is vermeld. Daaruit zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die voor het hof aanleiding vormen de processen-verbaal onbetrouwbaar te achten.

Voor wat betreft de door de verdediging gestelde onnauwkeurigheid en onjuistheid van de vermelding van de plaats en de datum waarop een proces-verbaal is gesloten en ondertekend merkt het hof nog op dat, zo hiervan al sprake zou zijn, dit nog niet betekent dat aan de inhoud van de processen-verbaal met betrekking tot hetgeen de verbalisanten hebben waargenomen en ondervonden, geen waarde kan worden gehecht.

Veel processen-verbaal zijn verlaat opgemaakt en gesloten

De omstandigheid dat de processen-verbaal pas maanden later na de waarnemingen en bevindingen zijn gesloten en getekend, brengt nog niet mee dat aan de inhoud van de processen-verbaal moet worden getwijfeld. Voor wat betreft de processen-verbaal van [verbalisant 1] verwijst het hof naar hetgeen is overwogen onder A.

Het hof ziet in hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal te twijfelen.

Conclusie

Het hof komt tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat de zich in het dossier bevindende processen-verbaal onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Van een vormverzuim tijdens het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv is evenmin sprake. Het hof merkt in dit verband op dat de verdediging weliswaar niet de beschikking heeft gehad over alle aantekeningen op basis waarvan de processen-verbaal zijn opgemaakt, maar wel de mogelijkheid heeft gehad om verbalisanten te bevragen over hun waarnemingen en bevindingen. Bovendien hebben de verbalisanten hun processen-verbaal voorzien van foto’s van de situatie ter plaatse met behulp waarvan kan worden gecontroleerd of de in de processen-verbaal beschreven waarnemingen correct zijn weergegeven.

Het hof verwerpt de verweren in alle onderdelen.

Voor wat betreft de verklaringen van [getuige 1] , bestuurder van de tractor met de watertank, overweegt het hof het volgende.

Door [getuige 1] zijn in november 2008 belastende verklaringen afgelegd over onder meer het lozen van afvalwater. Deze verklaringen wijken op onderdelen af van zijn aanvankelijk op 20 februari 2008 en 3 juni 2008 afgelegde verklaringen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [getuige 1] . Hij heeft, toen hij de belastende verklaringen aflegde, uitgelegd waarom hij aanvankelijk anders heeft verklaard, namelijk dat hij bang was dat hij anders ontslagen zou worden. Deze uitleg acht het hof aannemelijk.

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot bewijsuitsluiting zouden moeten leiden.

Partiële vrijspraak van het onder 1, aanhef onder a. en b. ten laste gelegde

[medeverdachte 1; rechtspersoon] wordt onder 1 verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer [hierna aangeduid als: Wm].

Deze bepaling luidde ten tijde van het ten laste gelegde als volgt:

“Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort:

o a. op te richten;

o b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

o c. in werking te hebben.”

Kort weergegeven is aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] ten laste gelegd dat zij in de ten laste gelegde periode een inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, althans die inrichting heeft veranderd en/of die veranderde inrichting zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad. In de tenlastelegging zijn drie specifieke situaties [hof: onder a., b. en c.] opgenomen, waardoor de (werking van de) inrichting zou zijn veranderd, te weten:

a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of

b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of

c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater.

Aan het hof ligt de beantwoording van de vraag voor of de onder a. en b. weergegeven situaties met betrekking tot de verwerking van de afvalwaterstromen binnen de inrichting ertoe hebben geleid dat zonder vergunning de (werking van de) inrichting is veranderd.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Het hof stelt voorop dat hetgeen onder 1 is ten laste gelegd uitsluitend betrekking heeft op de vergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer [hierna aangeduid als: Wm-vergunning] die op 3 juli 2001 door de Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant [hierna aangeduid als: de Provincie] is verleend aan de voorganger van [medeverdachte 1; rechtspersoon] .

Het hof stelt in dit verband vast dat blijkens onderdeel 4 van het besluit (het ‘dictum’; pag. 2193) niet alle onderdelen van de aanvraag deel uitmaken van de Wm-vergunning, maar slechts hoofdstuk 5, onderdelen Stof en Geur, het monitoringsvoorstel TOP I en II hoofdstuk 5, onderdeel Bodem en voorts het bedrijfsnoodplan en het akoestisch rapport.

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag hoe de Wm-vergunning dient te worden uitgelegd.

Daaromtrent is het volgende van belang.

Bij brief van 13 december 2007 is namens [bedrijf 3] door een advocaat van Simmons & Simmons aan de Provincie het verzoek gedaan tot – kort gezegd – handhavend optreden jegens [medeverdachte 1; rechtspersoon] dan wel aanpassing/intrekking van de Wm-vergunning van [medeverdachte 1; rechtspersoon] .6 Daartoe is (onder meer) aangevoerd dat voorheen bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] sprake was van drie waterstromen (schoon hemelwater, grijs water en zwart water), maar dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] haar bedrijfsvoering heeft gewijzigd door grijs en zwart water samen te voegen. Bovendien zou afvalwater mogelijk worden uitgereden over gereinigde grond.

De Provincie heeft voornoemd verzoek tot handhavend optreden per brief d.d. 11 januari 2008 afgewezen en heeft dat als volgt gemotiveerd:

“Op 26 september 2007 en 21 december 2007 heeft een medewerker van de Regionale Milieudienst West-Brabant een milieucontrole bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] uitgevoerd. Tijdens deze controles zijn van de gecontroleerde onderdelen geen veranderingen ten aanzien van de huidige milieuvergunning geconstateerd. Het door u naar voren gebrachte uitrijden van afvalwater over (verontreinigde) grond is niet bij deze controles betrokken. Ten aanzien van afvalwaterstromen wijkt de werkwijze van [medeverdachte 1; rechtspersoon] af van hetgeen in de aanvraag is beschreven. Echter, dit onderdeel van de aanvraag is niet in de huidige vergunning opgenomen, omdat het niet vermeld staat in het dictum van onze vergunning van 3 juli 2001, onder de onderdelen van de gewaarmerkte aanvraag. Dat betekent dat artikel 8.1 Wm niet wordt overtreden. Wij zijn dan ook van oordeel dat handhavend optreden ten aanzien van artikel 8.1 Wm niet aan de orde is.” 7

De Provincie heeft een afschrift van deze brief verzonden naar [medeverdachte 1; rechtspersoon] .8

Hieruit volgt dat de vergunningverlener op dit onderdeel een restrictieve uitleg heeft gegeven aan de inhoud van de Wm-vergunning. Daaruit blijkt dat de verwerking en afvoer van het bedrijfsafvalwater op het openbaar riool en het niet meer gescheiden verwerken en afvoeren van de verschillende afvalwaterstromen volgens de vergunningverlener geen onderdeel uitmaakten van de Wm-vergunning. Volgens de vergunningverlener heeft [medeverdachte 1; rechtspersoon] , door te handelen zoals in de tenlastelegging is omschreven, dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 8.1 Wm.

Het hof volgt de interpretatie van de Provincie. Het betreft hier immers het standpunt van de vergunningverlenende instantie zelf, welk standpunt in de ten laste gelegde periode ook expliciet is gecommuniceerd met [medeverdachte 1; rechtspersoon] . Daarbij merkt het hof op dat de interpretatie van de Wm-vergunning door de Provincie niet op voorhand als onbegrijpelijk of onjuist kan worden beschouwd.

Het hof merkt op dat wel in strijd is gehandeld met de Wvo-vergunning, maar dit is niet ten laste gelegd.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] de onder a. en b. ten laste gelegde handelingen voor wat betreft feit 1 heeft begaan, waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van het feitelijke leidinggeven aan die gedragingen.

Partiële vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

Door de verdediging is – als verwoord in de pleitnota – vrijspraak bepleit (onder meer) voor wat betreft de lozingen op 18 januari 2008, 27 januari 2008 en 31 maart 2008 op het terrein van het bedrijf [bedrijf 5] aan de [adres] en op 28 maart 2008 in de bodem in een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en/of in de bodem van een terrein aan de [adres] .

Het hof volgt de verdediging in de conclusie om tot vrijspraak te komen ten aanzien van deze feiten en overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van lozingen op 18 januari 2008, 27 januari 2008 en 31 maart 2018 (terrein aan de [adres] )

Zowel op 18 januari 2008, 27 januari 2008 als op 31 maart 2008 zijn bij controles door verbalisanten waarnemingen gedaan, waarbij afvalwater van het terrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] naar het aangrenzende bedrijfsterrein van [bedrijf 5] aan de [adres] liep. Het verwijt dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] in dit verband wordt gemaakt is het uitvoeren van lozingen op voornoemde data in de bodem van een terrein aan de [adres].

Uit het proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 24 maart 2011 komt naar voren dat de getuige [getuige 2] , die vanaf juli 2003 tot maart 2010 werkzaam is geweest bij [bedrijf 5] als uitvoerder grondreiniging aan de [adres] te [plaats] , heeft verklaard dat de gehele ondergrond van het terrein van [bedrijf 5] op de locatie [adres] te [plaats] vloeistofdicht was.

Krachtens artikel 1 van het Lozingenbesluit is pas dan sprake van “lozen in de bodem”, indien vloeistoffen definitief in de bodem worden gebracht. Uitgaande van de verklaring van [getuige 2] , inhoudende dat de gehele ondergrond van het terrein van [bedrijf 5] op de locatie [adres] vloeistofdicht was, en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding geen concrete gegevens bevatten op grond waarvan met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat een deel van de bodem van [adres] waarover het afvalwater stroomde niet vloeistofdicht was, zal het hof [medeverdachte 1; rechtspersoon] en daarom ook de verdachte vrijspreken van het “lozen in de bodem” op de locatie [adres] te [plaats] .

Gelet op voorgaande zal het hof de verdachte partieel vrijspreken van het feitelijke leidinggeven aan de onder feit 3 ten laste gelegde lozingen die zouden zijn gepleegd op of omstreeks 18 januari 2008, op of omstreeks 27 januari 2008 en op of omstreeks 31 maart 2008, telkens in de bodem van een terrein aan de [adres] .

Ten aanzien van de lozing op 28 maart 2008 in de bodem in een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte

De verdediging heeft aangevoerd dat [verbalisant 4] heeft gerelateerd dat hij zag dat [getuige 1] met een tractor en giertank “op het voorterrein (westelijke zijde) van TOP III stond.” Hij zag dat de combinatie “naast een in de bodem gegraven kuil stond, welke geheel was gevuld met afvalwater.” Welke kuil [verbalisant 4] precies bedoelt, is niet duidelijk en waaruit [verbalisant 4] heeft afgeleid dat de kuil was gevuld met afvalwater, is evenmin duidelijk. Het door [getuige 1] uitgesproeide water is niet bemonsterd en derhalve is niet bekend of sprake is van “verontreinigd water”, zoals ten laste is gelegd, aldus de verdediging. De rechtbank heeft overwogen dat het water wel is bemonsterd en dat sprake was van licht verontreinigd afvalwater. De verdediging stelt dat het klopt dat het water dat vanuit de sloot, via het terrein van [bedrijf 3] in de bedrijfsriolering van [bedrijf 3] stroomde, is bemonsterd. Dit is echter ander water dan het water dat op 28 maart 2008 door [getuige 1] is uitgesproeid over TOP III, aldus de verdediging.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging kan worden gekomen en overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] was toegestaan om ‘schoon hemelwater’ uit te rijden over op TOP III opgeslagen (thermisch gereinigde) grond. Er mocht geen gebruik worden gemaakt van ‘grijs water’ (hemelwater afkomstig van rijpaden en controlestroken, weegbrug, wasplaats en afkomstig uit de lege opslagvakken) of van ‘zwart water’ (percolaat).

In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4]9 wordt gerelateerd dat hij op 28 maart 2008 bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] heeft gezien dat [getuige 1] , werknemer bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] , met een tractor en een daarachter gekoppelde ‘giertank’ [het hof heeft uit de stukken afgeleid dat het om een op een giertank gelijkende watertank gaat] op de voorzijde van TOP III stond bij een kuil “gevuld met afvalwater”, dat er een aanzuigslang aan de zijkant van de giertank was gekoppeld en dat het andere eind van deze slang in het ‘afvalwater’ hing. Op enig moment hoorde [verbalisant 4] aan het geluid van de pomp op de giertank dat er water werd opgezogen, teneinde de giertank te vullen. Vervolgens zag [verbalisant 4] dat [getuige 1] met de tractor en de aangekoppelde giertank richting de achterzijde van TOP III reed. Daar aangekomen is [getuige 1] met een op de achterzijde van de giertank bevestigde mestverspreider water gaan versproeien. [verbalisant 4] zag dat het water met een grote waaier op de onbeschermde bodem van TOP III terechtkwam en dat het water vanaf de bodem van TOP III afstroomde naar de aan de achterzijde van TOP III liggende sloot en zo in het zich in de sloot bevindende water liep.

Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de sloot onderdeel uitmaakte van TOP III.

Het hof overweegt dat op basis van voorgaande bevindingen weliswaar kan worden vastgesteld dat door [getuige 1] op 28 maart 2008 water over TOP III is uitgesproeid, maar naar het oordeel van het hof biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de kuil was gevuld met ‘grijs water’ of ‘zwart water’ (percolaat) en dat sprake was van een lozing. Het hof merkt in dit verband op dat de kuil gevuld kan zijn met hemelwater dat niet in contact is geweest met de andere afvalwaterstromen van het bedrijf. Zodoende kan niet tot een bewezenverklaring van dit feit worden gekomen.

Ten aanzien van 28 maart 2008 in de bodem van een terrein aan de [adres]

Met de rechtbank, de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat vrijspraak moet volgen voor wat betreft de ten laste gelegde feitelijke leidinggeven aan de lozing op 28 maart 2008 in de bodem van een terrein aan de [adres] (bedrijfsterrein van [bedrijf 3] ), reeds omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat afvalwater in de bodem is geloosd. Het water lag immers op het geasfalteerde wegdek van het bedrijfsterrein van [bedrijf 3] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

[medeverdachte 1; rechtspersoon] in de periode januari 2007 tot en met september 2008 te [plaats] opzettelijk een op het perceel [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] gelegen inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28.4 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, vanaf 1 januari 2008 behorende tot een bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer aangewezen categorie inrichting, waarvoor het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod geldt, nadat de werking van die inrichting was veranderd, door

c. het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater,

voormelde inrichting ten aanzien van die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad,

hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;

2.
[medeverdachte 1; rechtspersoon] in de periode 18 oktober 2007 tot en met 4 maart 2008 te [plaats] , terwijl aan [bedrijf 2] door Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant bij besluit van 3 juli 2001 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente op het perceel [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] in werking hebben van een inrichting bestemd voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich opzettelijk heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers werd de inrichting niet schoon en zindelijk gehouden en verkeerde de inrichting niet in goede staat van onderhoud (voorschrift 1.4.4.), immers waren diverse rioolputten op het terrein verstopt met slib of andere afvalstoffen en/of overgelopen en liep afvalwater en/of percolaat over de opstaande randen van de opslagvakken en lekten naden van keerwanden van opslagvakken en vond vermenging van afvalwaterstromen plaats en stond op rijwegen/rijpaden en inspectiepaden een (grote) hoeveelheid afvalwater en/of percolaat,

hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;


3.
[medeverdachte 1; rechtspersoon] op tijdstippen in de periode 15 oktober 2007 tot en met 17 juni 2008 te [plaats] opzettelijk een lozing van overige vloeistoffen (te weten afvalwater, in elk geval verontreinigd water) in de bodem van en/of nabij een terrein aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] heeft uitgevoerd, te weten:

- op 15 oktober 2007 in de bodem en in een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en

- op 28 november 2007 in de bodem op een strook grond en van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en

- op 10 januari 2008 in de bodem van het terrein en van een greppel aan de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 en

- op 17 juni 2008 in de bodem van een greppel op/langs het TOP III terreingedeelte en in de bodem van het terrein aan de [adres] ,

hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedragingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

1. Inleidende overwegingen

[medeverdachte 1; rechtspersoon] was in de ten laste gelegde periode de drijver van de inrichting gelegen aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] . [verdachte] was destijds bestuurder en indirect enig aandeelhouder van [medeverdachte 1; rechtspersoon] .10 In de ten laste gelegde periode fungeerde [medeverdachte 2; bedrijfsleider] als bedrijfsleider van [medeverdachte 1; rechtspersoon] . [medeverdachte 2; bedrijfsleider] had de algemene leiding bij de vestiging van [medeverdachte 1; rechtspersoon] aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] .

Het terrein van de inrichting van [medeverdachte 1; rechtspersoon] bestond hoofdzakelijk uit opslagvoorzieningen ten behoeve (gevaarlijke) bedrijfsafvalstoffen (TOP I en II) en categorie I bouwstoffen (TOP III). TOP I en II zijn waren geheel voorzien van een vloeistofdichte asfaltverharding welke in combinatie met de betonnen keerwanden de opslagvakken vormden. Een aantal van deze opslagvakken was voorzien van een dak en zijwanden. In deze vakken werden de afvalstoffen opgeslagen. Onder de asfaltverharding bevond zich als tweede veiligheid een 2 mm dikke HDPE-folie.11 TOP III was voorzien van een halfverharding; hierop werden alleen bouwstoffen behorende tot categorie I uit het Bouwstoffenbesluit opgeslagen.12 TOP III bood geen bescherming tegen bodemverontreiniging. Deze locatie was derhalve niet geschikt voor de opslag van bodembedreigende materialen.13

Voor het bevoorraden van de opslagvakken en handeling van materialen waren over het gehele terrein van TOP I, II en III rijroutes aanwezig welke het voor een vrachtwagen mogelijk maakten alle opslagvakken te bereiken en te kunnen manoeuvreren op het terrein. Zowel de rijroutes op TOP I en II als die op TOP III waren voorzien van een asfaltverharding.

De inrichting was verder voorzien van een weeg- en registratieruimte, een weegbrug en een afspuitplaats voor transportvoertuigen. Tevens was een afvalwaterbehandelingsinstallatie op het terrein aanwezig14.

Binnen de inrichting kon verontreinigd materiaal worden opgeslagen dat een potentiële bodemverontreiniging of verontreiniging van oppervlaktewater als gevolg van uitloging kan veroorzaken indien hiertoe geen doelmatige voorzieningen zijn aangebracht. Tevens konden stoffen binnen de inrichting worden opgeslagen als ongerijpt slib, land- en tuinbouwfolie die, indien hiervoor geen geurbeperkende voorzieningen worden getroffen, geuroverlast naar de omgeving tot gevolg kunnen hebben.15

Blijkens de Wvo-vergunning was, om vermenging van verschillende (afval)waterstromen te voorkomen, een meervoudig gescheiden rioolstelsel op het terrein aangebracht, te weten:

- schoonwaterriool: niet verontreinigd regenwater, afkomstig van 7.000 m² dakoppervlak van het kantoor en loodsen, en van lege opslagvakken. Het niet verontreinigd regenwater werd geloosd op oppervlaktewater;

- grijswaterriool: (mogelijk) verontreinigd regenwater, afkomstig van wegen en controlestroken, weegbrug en wasplaats voor voertuigen (reiniging banden). Dit afvalwater en mogelijk verontreinigd regenwater wordt na behandeling in de zuivering geloosd op het vuilwaterriool van het Havenschap [plaats] ;

- zwartwaterriool: percolaat, afkomstig van de opgeslagen verontreinigde materialen. Dit percolaat wordt via het zwartwaterriool opgevangen in een buffer en per as afgevoerd naar een externe verwerker;

- huishoudelijk afvalwater: afvalwater afkomstig van de sanitaire voorzieningen (circa 125 m³/jaar). Dit afvalwater werd via een separaat huishoudelijk afvalwaterrioolstelsel geloosd op het vuilwaterriool van het Havenschap [plaats] .16

De compartimenten TOP I en de rijroutes en controlestroken van TOP II beschikten over drie aansluitingen op respectievelijk het niet verontreinigd schoon water-, het grijswater- en het zwartwaterriool. Afhankelijk van het in gebruik zijn van het compartiment, de aangebrachte afdekking en de samenstelling van het opgeslagen materiaal werd het hemelwater afgevoerd via één van de drie genoemde rioolstelsels. De vakken van TOP II zijn alleen aangesloten op het schoonwater- en zwartwaterriool.17

Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Waterschap Brabantse Delta de lozingsvoorzieningen op de riolering en het oppervlaktewater van [medeverdachte 1; rechtspersoon] afgesloten omdat deze artikel 30a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en een aantal voorschriften had overtreden. Pas in november 2008 werd die verzegeling opgeheven.

Vergunningen

Uit het wettelijk systeem, waarbij overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer op grond van de Wet op de economische delicten [hierna aangeduid als: Wed] strafbaar gesteld worden, volgt dat het verboden is om zonder vergunning of ontheffing of in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften bepaalde handelingen of bepaalde activiteiten te verrichten dan wel de inrichting of werking van de inrichting te veranderen. De vragen welke activiteiten of welke handelingen verboden zijn en wanneer sprake is van een verboden wijziging van (de werking van) de inrichting dienen te worden beantwoord aan de hand van de omschrijving van de vergunde activiteiten in de verleende vergunning of ontheffing. Er is hierbij sprake van een gelede normstelling. Die beantwoording dient - in beginsel - te geschieden in samenhang met de voorschriften die aan de vergunning of ontheffing zijn verbonden. In de vergunning dient het bevoegd gezag daarbij zo duidelijk mogelijk aan te geven voor welke vergunningplichtige activiteiten de vergunning is verleend. In het wettelijk systeem behoeft daarbij de aanduiding van de activiteiten niet in extenso in de vergunning zelf te worden opgenomen en kan worden verwezen naar (delen van) de aanvraag op basis waarvan de vergunning wordt verleend.

Op 15 januari 2001 is er namens [bedrijf 2] een aanvraag ingediend teneinde een Wm-vergunning te verkrijgen voor de inrichting gelegen aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] .18 Gedurende de aanvraagprocedure is de naam van de aanvrager veranderd naar [bedrijf 2]19 De Provincie heeft op 3 juli 2001 besloten om de Wm-vergunning te verlenen aan [bedrijf 2]20

Op 27 november 2002 is namens [bedrijf 4] verzocht een Wvo-vergunning te verlenen voor de inrichting gelegen aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] .21 Deze vergunning is verleend door het Hoogheemraadschap van West-Brabant op 3 juli 2003.22

In de tenlastegelegde periode was [medeverdachte 1; rechtspersoon] de drijver van de inrichting.

De vergunning op grond van de Wet milieubeheer

Het hof stelt vast dat aan de Wm-vergunning een considerans en voorschriften zijn verbonden. Voorts heeft de Provincie zich op het standpunt gesteld dat niet de gehele aanvraag deel uitmaakt van de Wm-vergunning, maar slechts:

a. De beschreven maatregelen ter voorkoming van stofemissie (hoofdstuk 5, onderdeel Stof);

b. De beschreven maatregelen ter voorkoming van geurhinder (hoofdstuk 5, onderdeel Geur);

c. Het monitoringsvoorstel TOP I en II (hoofdstuk 5, onderdeel Bodem);

d. Het bedrijfsnoodplan (bijlage 14 van de aanvraag);

e. Het akoestisch rapport (bijlage 19 van de aanvraag) en de daarbij behorende aanvulling (kenmerk WMB 20000170b, ontvangen op 12 maart 2001).23

Hierna zullen per feit – voor zover van belang – de relevante onderdelen van de Wm-vergunning (alsmede de vergunningsvoorschriften) worden vermeld.

2. Ten aanzien van feit 1 onder c (het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater)

2.1

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 sub c ten laste gelegde. Op gronden zoals verwoord in haar pleitnota heeft de verdediging aangevoerd dat de twee silo’s reeds in vak 31 waren aangebracht voordat [medeverdachte 1; rechtspersoon] de drijver van de inrichting werd, één ervan (voor opslag van percolaat) staat zelfs op de tekening behorende bij de Wm-vergunning), en dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] dus om die reden niet de (werking van de) inrichting heeft veranderd. Voorts heeft de verdediging – kort weergegeven – aangevoerd dat de betrokkenheid van [medeverdachte 1; rechtspersoon] bij het afgraven op TOP III dan wel vullen van die afgraving met water niet kan worden vastgesteld, laat staan dat die afgraving als bassin kan worden geduid. Bovendien zag [medeverdachte 1; rechtspersoon] de opslag van water in de opslagvakken 39, 40 en 41 als een nuttige toepassing en niet als een verandering van de (werking van de) inrichting. Op het moment dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] duidelijk werd gemaakt door de Provincie dat het niet was toegestaan water te brengen naar de opslagvakken, zijn de desbetreffende opslagvakken geleegd. Dit wordt bevestigd door de bezoekverslagen van de controlebezoeken d.d. 12, 16, 19 en 23 september 2008 van de toezichthouder. In ieder geval kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] het opzet heeft gehad de onder c ten laste gelegde handelingen te verrichten, nu de Wm-vergunning en Wvo-vergunning allerminst duidelijk zijn en zelfs op punten strijdig met elkaar, [medeverdachte 1; rechtspersoon] het beleid van haar voorganger heeft voortgezet en de bezoekverslagen bevestigden dat conform de vergunning werd gehandeld.

2.2

Overwegingen van het hof

2.2.1

Vooropstelling door het hof

Het hof herhaalt – zoals is verwoord onder het kopje ‘Partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde’ – dat het hof als uitgangspunt neemt dat hetgeen onder 1 is ten laste gelegd uitsluitend betrekking heeft op de Wm-vergunning. Het hof stelt vast dat – voor zover van belang – het volgende in de Wm-vergunning is opgenomen.

2.2.2

Opslag van afvalwater in opslagvakken

Uitgangspunt is dat de inrichting bestemd was voor het opslaan van vaste, al dan niet gevaarlijke afvalstoffen, categorie I bouwstoffen en communaal slib.

In voorschrift 6.1.4 en 6.1.7 staat opgenomen dat binnen de inrichting uitsluitend bepaalde – van buiten de inrichting afkomstige – afvalstoffen worden opgeslagen en overgeslagen. Afvalwater staat in dat voorschrift niet vermeld.24 De voorschriften 6.1.4 en 6.1.7 zijn opgenomen in onderdeel 6, Afval- en reststoffen. Afvalwater wordt besproken in een ander onderdeel, namelijk onderdeel 7 van de voorschriften.

Vervolgens stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.

In de loop van het onderzoek zijn door verbalisanten diverse bedrijfscontroles verricht op het terrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] aan de [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] . Hierbij is op verschillende momenten geconstateerd dat er veel water in de opslagvakken stond. Zo werd op 10 januari 2008 door verbalisanten waargenomen dat de opslagvakken 39, 40 en 41 op TOP II in gebruik waren genomen als opslagbassins voor afvalwater. De inrijopeningen van deze vakken waren afgedamd met een rug afval, zoals gebroken puin en slib, met als doel het afvalwater in de vakken te houden. Gezien werd dat in de bassins nog afval was opgeslagen en dat de vrije ruimte in deze vakken vol met afvalwater stond.25

Ook bij het bedrijfsbezoek op 27 januari 2008 werd waargenomen dat op TOP II in zowel opslagvak 39 als 41 een opslagbassin was gecreëerd voor afvalwater. In de in- en uitrijopeningen van beide vakken was een wal met afval van ongeveer 100 tot 125 cm hoogte aangebracht, teneinde het afvalwater in het vak te kunnen houden.26 Bij de bedrijfscontroles op 20 en 21 februari 2008 is gebleken dat de opslagvakken 39, 40 en 41 nog steeds waren ingericht als waterbassins met daarin een grote hoeveelheid water, waarbij de wanden werden gevormd door betonwanden en een dijk van grond.27

Door de verbalisanten is – gelet op de waargenomen wijze van bedrijfsvoering – geconcludeerd dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] geen scheiding meer maakte tussen de verschillende afvalwaterstromen binnen de inrichting.28

Werknemer [getuige 1] heeft in dit verband verklaard dat in de vakken 39, 40 en 41 opvangbassins voor water zijn gecreëerd en dat [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en [naam 3] de vakken met steenpuin en grond hebben dichtgeschoven.29 Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat [medeverdachte 2; bedrijfsleider] met het idee kwam om van een aantal opslagvakken opvangbassins te maken. In deze bassins werd het afvalwater uit het grijswaterbassin aan de voorzijde van het terrein geloosd. [getuige 1] nam dit afvalwater in met de giertank en loosde het afvalwater in de bassins. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en hijzelf wisten dat dit afvalwater vermengd was met percolaat dat afkomstig was uit de vakken.30

Uit de verklaring van [verdachte] dienaangaande volgt dat hij op de hoogte was van het feit dat de opslagvakken 39, 40 en 41 als opvangbassins voor afvalwater waren ingericht en dat dit was gebeurd op initiatief van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en hemzelf.31 Tevens heeft [verdachte] verklaard dat een depot in een vak werd gemaakt indien er te veel water op het terrein stond. Het water werd dan tijdelijk in dat depot opgeslagen. Volgens [verdachte] maakte het niet uit welk soort water het was. Water is water, aldus [verdachte] . Al het water binnen de inrichting werd tenslotte op het terrein gebruikt.32

Door bedrijfsleider [medeverdachte 2; bedrijfsleider] is verklaard dat de opslagvakken 39, 40 en 41 werden gebruikt om grijs water op te slaan. Tevens heeft [medeverdachte 2; bedrijfsleider] verklaard dat de dammen in deze opslagvakken door hemzelf waren aangelegd met de shovel dan wel dat hij daartoe iemand anders de opdracht had gegeven. Hiervoor werd gebroken en ongebroken puin gebruikt.33 Voorts heeft [medeverdachte 2; bedrijfsleider] verklaard dat als gevolg van een discussie tussen het Waterschap en [naam 4] niet meer mocht worden geloosd op het riool. Als oplossing is [medeverdachte 2; bedrijfsleider] noodbassins aan gaan leggen.34

Gelet op de inhoud van de Wm-vergunning, de vorenstaande bevindingen van de verbalisanten alsmede de verklaringen van [getuige 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater de werking van de inrichting was veranderd en dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] opzettelijk de inrichting ten aanzien van die veranderde werking zonder vergunning in werking heeft gehad. Het opslaan van (een overschot aan) afvalwater in de opslagvakken was niet vergund. Blijkens vergunningsvoorschriften 6.1.4. en 6.1.7 mochten binnen de inrichting immers uitsluitend de in die voorschriften genoemde afvalstoffen – waarbij afvalwater niet werd genoemd – worden opgeslagen en overgeslagen. Het afvalwater is in een afzonderlijk onderdeel van de voorschriften geregeld. Daar is niet opgenomen dat het afvalwater in de opslagvakken zou mogen worden opgeslagen. De Wm-vergunning is op dit onderdeel duidelijk en er is geen strijd met de Wvo-vergunning.

Het hof merkt nog op dat ook de Provincie in haar brief van 23 april 2008 (het voornemen tot oplegging van een dwangsom) zich op het standpunt heeft gesteld dat uit ingesteld onderzoek is gebleken dat is geconstateerd dat opslag van afvalwater in de opslagvakken bestemd voor de opslag van vaste afvalstoffen en slib plaatsvond, dat dit niet is vergund en dat door [medeverdachte 1; rechtspersoon] daarmee in strijd wordt gehandeld met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. De Provincie heeft vervolgens aan verdachte op 3 juli 2008 een dwangsombeschikking opgelegd. [medeverdachte 1; rechtspersoon] diende binnen vier weken na verzending van voormelde brief van 3 juli 2008 de overtreding van artikel 8.1 Wm te beëindigen door het afvalwater dat in vakken bestemd voor de opslag van vaste afvalstoffen werd opgeslagen, naar een erkende verwerker af te voeren.35 Deze dwangsombeschikking is door de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in stand gelaten.36 De controles waarover de verdediging spreekt (van 12, 16, 19 en 23 september 2008) hebben alle plaatsgevonden na het verstrijken van de aangekondigde dwangsomtermijn.

2.2.3

Silo’s

Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat beoogd is gedragingen ten laste te leggen die het gevolg zijn geweest van het waterhuishoudingsbeleid van [medeverdachte 1; rechtspersoon] waarbij het afvalwater niet meer gescheiden werd verwerkt en afgevoerd. Zowel door [verdachte] als [medeverdachte 2; bedrijfsleider] is verklaard dat de silo’s reeds in vak 31 waren aangebracht vóórdat [medeverdachte 1; rechtspersoon] de drijver van de inrichting werd. Het openbaar ministerie heeft dit niet weersproken. Het hof gaat er dan ook van uit dat het plaatsen van de silo’s is gebeurd door de voorganger van [medeverdachte 1; rechtspersoon] .

Gelet hierop zal het hof de silo’s niet betrekken bij zijn oordeel over het onder feit 1 ten laste gelegde.

2.2.4

Afgraving TOP III

Voor wat betreft de afgraving op TOP III heeft het hof niet op grond van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat deze afgraving bestemd was voor de opslag en/of het laten bezinken van afvalwater en/of hemelwater, zodat deze afgraving niet zal worden betrokken bij het bewezen verklaarde.

2.3

Daderschap rechtspersoon

Het hof overweegt – in lijn met het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank – als volgt.

Een rechtspersoon kan als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de desbetreffende (verboden) gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Een gedraging die in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden kan in beginsel aan de rechtspersoon worden toegerekend. Daarvan kan sprake zijn indien zich één of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op voorkoming van de gedraging.

Voor de beantwoording van de vraag of de desbetreffende (verboden) gedraging redelijkerwijs aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] kan worden toegerekend wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden die hiervoor in de bewijsoverwegingen en in de bewijsmiddelen staan vermeld. Uit die feiten en omstandigheden volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] , enig bestuurder respectievelijk bedrijfsleider van [medeverdachte 1; rechtspersoon] , op enig moment hadden besloten om de opslagvakken 39, 40 en 41 te gaan gebruiken voor de opslag van afvalwater. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en [naam 3] hebben de opslagvakken geschikt gemaakt voor de opslag van afvalwater en [getuige 1] heeft het afvalwater in die opslagvakken gebracht. Deze handelswijze van de werknemers van [medeverdachte 1; rechtspersoon] maakte deel uit van de nieuw ingezette bedrijfsvoering om afvalwater niet meer gescheiden te verwerken en af te voeren doch binnen de inrichting te houden. De gedraging paste dan ook in de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is [medeverdachte 1; rechtspersoon] dienstig geweest doordat er niets meer per as hoefde te worden afgevoerd (voor zover lozing ingevolge de Wvo-vergunning aanvankelijk was toegestaan, waren de lozingsvoorzieningen in de ten laste gelegde periode afgesloten) en geen, althans minder, water voor besproeiing hoefde te worden gekocht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de ten laste gelegde gedraging kan worden toegerekend aan de rechtspersoon.

2.4

Opzet rechtspersoon

Dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] opzet heeft gehad op de onder c ten laste gelegde handeling, leidt het hof af uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] , respectievelijk bestuurder en bedrijfsleider met de algemene leiding bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] , te weten dat zij op de hoogte waren van de inhoud van de aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] verleende vergunningen en vergunningsvoorschriften. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] opzettelijk heeft gehandeld. De omstandigheid dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] na het optreden van de Provincie de betreffende vakken heeft geleegd, leidt niet tot een ander oordeel.

2.5

Feitelijke leiding geven door [verdachte]

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] als directeur van de rechtspersoon feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van [medeverdachte 1; rechtspersoon] .

Naar het oordeel van het hof dient deze vraag bevestigend beantwoord te worden. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [verdachte] in dit verband heeft verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat de opslagvakken 39, 40 en 41 als opvangbassins waren ingericht, dat dit was gebeurd op initiatief van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en hemzelf en hij kennis had van de inhoud van de Wm-vergunning.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 bewezen verklaarde gedraging en dat [verdachte] daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

3. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

3.1

Standpunten verdediging

  1. Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie in feit 2 ervan uitgaat dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] in strijd heeft gehandeld met de vergunning en in feit 1 dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] een inrichting in werking heeft gehad zonder vergunning. De verdediging voert aan dat dit strijdig is met elkaar en dat indien het hof dat bestandsdeel van feit 1 bewezen acht, het hof [medeverdachte 1; rechtspersoon] alleen al om die reden zou moeten vrijspreken van feit 2.

  2. Voorts is door de verdediging bepleit dat de tenlastegelegde omstandigheden – ook al zouden deze bewezen kunnen worden – niet aantonen dat de inrichting van [medeverdachte 1; rechtspersoon] niet schoon en zindelijk werd gehouden en niet in goede staat van onderhoud verkeerde, zodat van overtreding van voorschrift 1.4.4. van de Wm-vergunning geen sprake is. Ter onderbouwing heeft de verdediging aangevoerd:

a. dat de omstandigheid dat op de vier genoemde momenten rioolputten (waarvan niet is gebleken dat het steeds om dezelfde rioolputten ging) waren overgelopen of verstopt met afvalstoffen, nog niet inhoudt dat de rioolputten niet werden schoongemaakt, mede bezien de verklaring van [naam 5] d.d. 2 juni 2008, pag. 383 van het dossier;

b. dat het lopen van afvalwater over de opstaande randen van opslagvakken naar de vloeistofdichte vloer van de paden, geen onreinheid of gebrekkig onderhoud aantoont;

c. dat de omstandigheid dat in de tenlastegelegde periode een aantal keer is geconstateerd dat afvalwater door een keerwand is getreden, niet duidt op een onvoldoende staat van onderhoud of het onvoldoende schoonhouden van de inrichting als geheel. De vergunning schrijft niet voor dat keerwanden vloeistofdicht dienden te zijn;

d. dat indien het hof bewezen zal verklaren dat vermenging van afvalwaterstromen plaatsvond, dat nog geen bewezenverklaring van overtreding van voorschrift 1.4.4. van de Wm-vergunning met zich brengt en bovendien niet is aangetoond dat een ongeoorloofde vermenging van afvalwaterstromen plaatsvond;

e. dat de omstandigheid dat zich afvalwater op de rij- en inspectiepaden bevond, geen bewijs oplevert voor het verwijt dat de inrichting niet schoon en zindelijk en in goede staat van onderhoud werd gehouden. Dat zich water op de rijpaden bevond, is niet in strijd met enige vergunning. Integendeel, de Wm-vergunning verplicht ertoe dat “de rijroutes worden natgehouden door deze frequent met water te besproeien.”

3.2

Overwegingen van het hof

3.2.1

Vooropstelling door het hof

Het hof stelt voorop dat aan [bedrijf 2] bij besluit van 3 juli 2001 door de Provincie een Wm-vergunning was verleend tot het in die gemeente op het perceel [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] in werking hebben van een inrichting bestemd voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen. Aan die vergunning was (onder meer) verbonden voorschrift 1.4.4, luidende:

De inrichting moet schoon en zindelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.37

Ter beoordeling van voornoemd feit heeft het hof op basis van het onderzoek onder meer het navolgende vastgesteld.

3.2.2

Door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden

Ten aanzien van de waarnemingen op 18 oktober 2007

Op 18 oktober 2007 bevond verbalisant [verbalisant 4] zich op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] , gevestigd te [vestigingsadres medeverdachte 1; rechtspersoon] te [plaats] , en constateerde de volgende situatie38, welke door hem fotografisch werd vastgelegd. [verbalisant 4] zag dat over de breedte van de opslagvakken 39 en 40 drie straatkolken waren aangebracht, die deel uitmaakten van het vuilwaterriool. Bij twee van deze putten zag [verbalisant 4] dat het afvalwater ongeveer 5 à 6 cm boven de put stond en dus niet wegliep. Op het moment dat [verbalisant 4] met een stuk boomtak, tussen de spijlen van de putdeksel door, in de put stak, bemerkte en zag hij dat beide putten helemaal vol met slib zaten.

Voorts werd gezien dat de geasfalteerde rijweg, gelegen achter de opslagvakken met de nummers 14, 15, 16, 38 en 41 op de achterzijde van TOP I en II, nagenoeg geheel onder stond met afvalwater, gemiddeld stond er ongeveer 7 à 8 cm afvalwater op de rijweg. [verbalisant 4] zag dat er langs beide zijden van de geasfalteerde rijweg straatkolken aanwezig waren, maar dat deze door de grauwbruine kleur van het afvalwater nagenoeg niet te zien waren. [verbalisant 4] zag dat er op de meeste plaatsen ongeveer 7 à 8 cm afvalwater boven de rioolputten stond. Tevens werd gezien dat bij de keerwanden van de opslagvakken 15 en 16 op TOP I afvalstoffen en percolaat op de rijweg lagen. [verbalisant 4] zag dat dit door de naden van de keerwanden was gedrongen en dat de zich in de naden bevindende rubberen afdichtingen lekten en het doorgedrongen percolaatwater in plasjes op de weg stond. Tussen het betonnen afvalwaterbassin in de meest zuid-oostelijk gelegen hoek achter TOP I en het hekwerk aan de zuid-oostelijke zijde van het bassin lag een strook betonnen vloer van ongeveer één meter breed. Deze strook betonnen vloer was besmeurd met een laag zwarte smurrie. [verbalisant 4] zag en rook dat het een op afgewerkte olie lijkende stof betrof. Tevens zag hij dat de goot ter hoogte van het bassin en ter hoogte van de achterzijde van opslagnummer 17 helemaal volstond met de op afgewerkte olie lijkende en ruikende stof. De straatkolken, welke in de goot waren aangebracht, stonden vol met deze op afgewerkte olie gelijkende stof. Bij één van de straatkolken stond zelfs een laag van ongeveer 4 cm met deze op afgewerkte olie lijkende stof boven het rooster van de put.

Aan de achterzijde van opslagnummer 17 op TOP I zag [verbalisant 4] dat er afval door een naad in de keerwand was gedrongen en dat dit afval zich had opgehoopt op een strook betonnen vloer buiten de opslagvakken. Deze strook grensde aan de erfafscheiding van TOP I. Het bergje afval was ongeveer 40 à 50 cm hoog. Door het feit dat dit afval zich buiten het opslagvak bevond, kon regenwater zich met het afval vermengen en uitstromen over de rijpaden en het vuilwaterriool.

Ten aanzien van de waarnemingen op 20 november 2007

Op 20 november 2007 werd door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] geconstateerd39 dat op TOP I en II heel veel water in de opslagvakken stond en dat op diverse plaatsen het water in de vakken op gelijke hoogte met het geasfalteerde wegdek van de rijpaden stond. Bij diverse opslagvakken werd gezien dat de verhoogde, met voertuigen overrijdbare, afscheiding tussen de vakken en de rijpaden was beschadigd dan wel geheel of deels ontbrak. Op verschillende plaatsen vermengde het percolaatwater uit de opslagvakken zich met het vuilwater op de rijpaden. Op enkele plaatsen stroomde dit vermengde water af naar in de rijpaden aangebrachte straatkolken, welke deel uitmaakten van het vuilwaterriool.

In opslagvak 7 op TOP I werden diverse soorten afval aangetroffen, onder andere steenpuin, waarover een grote hoeveelheid grijskleurige holle pijpjes, geperste staafjes en "kogels" van ongeveer 2,5 cm doorsnede, bestaande uit steenachtig materiaal, waren uitgestort. Verbalisanten zagen dat dit laatst genoemde afval in het percolaatwater in het vak was gelegen en dat dit water vanuit het opslagvak afvloeide naar een in het rijpad aangebrachte straatkolk. Dit afvloeien kon plaats vinden, omdat een stuk van de verhoogde afscheiding tussen het vak en de rijweg ontbrak.

Ten aanzien van de waarnemingen op 28 november 2007

Op 28 november 2007 werd door verbalisant [verbalisant 4] geconstateerd40 dat in opslagvaknummer 7 op TOP I een grote hoeveelheid diverse soorten met elkaar vermengd afval lag. In dit vak stond een grote hoeveelheid percolaatwater, hetgeen zo hoog stond, dat het over de keerdorpel liep. Het percolaatwater stroomde vanuit het vak het rijpad op, vermengde zich op de rijweg met aldaar staand afvalwater en stroomde in een in het midden van de rijweg gelegen straatkolk. Deze straatkolk maakte deel uit van het vuilwaterriool.

In opslagvaknummer 9 op TOP I zag [verbalisant 4] een grote hoeveelheid diverse soorten met elkaar vermengd slibachtig afval liggen. Ook in dit vak stond een grote hoeveelheid percolaatwater, hetgeen zo hoog stond, dat het over de keerdorpel liep. Ook hier stroomde het percolaatwater vanuit het vak het rijpad op, vermengde zich op de rijweg met aldaar staand afvalwater en stroomde in een in het midden van de rijweg gelegen straatkolk, welke deel uitmaakte van het vuilwaterriool.

Ten aanzien van de waarnemingen op 10 januari 2008

Op 10 januari 2008 werd door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] het volgende geconstateerd.41

Opslagvak 17 bevond zich naast een opslagbassin voor afvalwater op de zuid-oostelijke punt van TOP I. Naast en achter het opslagvak was een looppad aanwezig. Het looppad aan de achterzijde van het vak bevond zich tegen de erfafscheiding van TOP I en het aangrenzende terrein van het Havenschap [plaats] . Aan de achterzijde van vak 17 lag een plas met een vettige op olie gelijkende vloeistof op het looppad. Deze olie was afkomstig uit het opslagvak en sijpelde door één van de naden in de keerwand van het vak naar het looppad aan de buitenzijde van het vak. De olie liep af over het looppad naar een goot, welke in de betonnen vloer was aangebracht. De olie vloeide via deze goot af naar een straatkolk, die deel uitmaakte van het vuilwaterriool. Tevens stond verderop in de goot ook een laag met olie. Door verbalisant [verbalisant 1] werd op de plaats waar de olie doorsijpelde een glazen monsterflesje schuin tegen de betonnen keerwand geplaatst. Het flesje werd door [verbalisant 1] afgesloten met een schroefdop en voorzien van een zegel met monsternummer. Op het monster werd een analyse uitgevoerd in het laboratorium van het Waterschap Brabantse Delta te [plaats] . Uit het laboratoriumonderzoek bleek dat de vloeistof die uit het opslagvak sijpelde voor nagenoeg 100% uit minerale olie bestond.42

Door [verbalisant 1] is gerelateerd43 dat hij die dag zag dat in twee opslagvakken voorzien van de nummers 17/19, gelegen aan de zuidoostzijde op het terreingedeelte TOP I, sterk minerale oliehoudend afval lag opgeslagen. Als gevolg van het feit dat de afdichtingen aan de achterzijde van de opslagvakken niet meer vloeistofdicht waren, zag [verbalisant 1] dat daar via deze afdichtingen bij voortduring minerale olie of zeer ernstig met minerale olie verontreinigd water buiten deze vakken sijpelde. Deze vloeistof kwam vervolgens in de opvanggoot achter de opslagvakken. Het was [verbalisant 1] ambtshalve bekend dat die goot deel uitmaakt van het zogenaamde grijswaterriool van [medeverdachte 1; rechtspersoon] . Het omliggende verharde bedrijfsterrein was als gevolg van de opslag van deze afvalstoffen in de onmiddellijke omgeving sterk verontreinigd met minerale olie. Dergelijke minerale olie dreef ook op het aldaar naast deze opslagvakken aan de zuid-oostzijde gelegen driehoekige opslagbassin voor de opvang van afvalwater. Duidelijk waarneembaar was dat aan het afval zaagsel was toegevoegd met kennelijk het doel om uittredende vloeistoffen daaraan te binden.

Op 14 januari 2008 zag [verbalisant 1] dat bij de betreffende opslagvakken nog steeds sprake was van het uittreden van minerale olie als waargenomen op 10 januari 2008 en dat door [medeverdachte 1; rechtspersoon] in de betreffende goot en in de directe omgeving op de verharding meer zaagsel was toegepast om de minerale olie op te nemen.

Tijdens de rondgang over het bedrijfsterrein van TOP I en II op 10 januari 2008 zagen [verbalisant 5] en [verbalisant 4] voorts dat op veel plaatsen in de rijwegen de straatkolken en vermoedelijk ook de riolering verstopt waren. Zij zagen straatkolken waar het afvalwater in een plas boven de putten stond en dat op het hele bedrijfsterrein straatkolken vol zaten met slib.44

Bij de afvalwaterbassins aan de westelijke zijde van TOP I/II stond het percolaatwaterbassin tot aan de rand vol met afvalwater. Het afvalwater stroomde af over de betonnen rand van het bassin en vloeide af naar de betonnen vloer. Tevens zagen de verbalisanten dat het afvalwater uit het percolaatwaterbassin ook afstroomde in het er tegenaan gelegen afvalwaterbassin, bestemd voor het grijswater.45

Tevens werd geconstateerd dat de opslagvakken 39, 40 en 41 op TOP II in gebruik waren genomen als opslagbassins voor afvalwater, dat de inrij-openingen daarvan waren ingedamd met een rug afval als gebroken puin, slib enz., dat in de bassins nog afval was opgeslagen en dat de vrije ruimte in deze vakken vol met afvalwater stond, gemiddeld 50 à 60 cm hoog.

Bij opslagvak 41 drong afvalwater op diverse plaatsen door de betonnen keerwanden van het vak. Ook stroomde er afvalwater door de naden in de keerwanden de rijweg op en spoot er afvalwater de rijweg op via scheuren in de betonnen wanden. Het uitstromende afvalwater liep over de rijweg en stroomde af naar straatkolken welke deel uit maakten van de vuilwaterriolering (grijs water).46

Verbalisanten zagen dat aan de achterzijde van de opslagvakken met de nummers 41 t/m 46 nog een strook betonnen vloer was gelegen. Toen verbalisanten achter opslagvak 41 de betonnen strook opliepen, zagen zij dat in de betonnen keerwanden aan de achterzijde van de opslagvakken diverse grote ronde gaten zaten met een doorsnede van ongeveer 12 cm. Uit deze gaten stroomde afval en percolaatwater, hetgeen over de wand naar beneden liep en zich op de betonnen vloer met afvalwater vermengde. Op de vloer lag een dikke sliblaag van ca. 5 à 6 cm dik. De strook betonnen vloer stond over de gehele lengte tot de bovenzijde van de keerdorpel vol met afvalwater.47

Ten aanzien van de waarnemingen op 18 januari 2008

Op 18 januari 2008 is door verbalisant [verbalisant 4] geconstateerd48 dat er in het meest zuidelijke rijpad op TOP I enorm veel water op de weg stond. [verbalisant 4] zag dat in verschillende opslagvakken waarin afval lag het percolaatwater zo hoog stond dat het vanuit de vakken over de keerdorpels c.q. goten het rijpad opliep en zich daar vermengde met het grijze water op de paden. Bij enkele vakken in dit rijpad ontbraken stukken van keerdorpels of waren deze in het geheel niet aanwezig, waardoor het percolaatwater ongehinderd het rijpad opliep.

Op 10 januari 2008 had [verbalisant 4] in opslagvak 17 op TOP I een partij afval zien liggen,

waarvan werd vastgesteld dat het een zeer kleverig goedje betrof. Op 18 januari 2008 zag [verbalisant 4] ditzelfde afval weer liggen in opslagvak 17. Echter, nu lag het afval geheel verspreid door het opslagvak en was het vermengd met ander afval. Tevens zag [verbalisant 4] dat er een olieachtige vloeistof uit dit afval wegstroomde over de bodem van het vak. Er stonden diverse plasjes met olie op het afval en op de bodem ernaast. Op het looppad aan de achterzijde van opslagvak 17 lag een enorme hoeveelheid olie in een goot aan de rand van de betonnen vloer, afkomstig uit vak 17. De olie drong door één van de naden in de betonnen keerwand van het vak en stroomde af over het looppad naar de goot. De olie had zich in de goot vermengd met afvalwater (grijs water). [verbalisant 4] zag dat de olie zich boven één van deze straatkolken had verzameld, en dat er een hele plas olie boven het rooster van de straatkolk stond. Kennelijk was de straatkolk c.q. het riool verstopt, omdat de zich boven de put verzamelde olie niet wegzakte in de kolk.

Ten aanzien van de waarnemingen op 27 januari 2008

Op 27 januari 2008 hebben verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 2] en [verbalisant 6] geconstateerd49 dat aan de voorzijde van TOP I/II bij de drie betonnen opslagbassins voor percolaatwater (zwart water), vuilwater (grijs water) en schoonwater (hemelwater), het percolaatwaterbassin tot de rand vol stond met afvalwater. Het percolaatwater stroomde aan de zijkant van het bassin over en het water stroomde over de betonnen rand van het bassin af naar de betonnen vloer. Het afstromende percolaatwater vermengde zich op de betonnen vloer met het vuilwater wat op de vloer stond en stroomde af naar een straatkolk in de omgeving van het bassin.

Op TOP I/II stonden de geasfalteerde rijpaden geheel onder water. Op veel plaatsen vormde het percolaatwater in de vakken één geheel met het water op de wegen. Dit was voornamelijk het geval op plaatsen waar de waterkering tussen de vakken en de rijweg geheel of gedeeltelijk ontbrak. In alle vakken waarin het percolaatwater en het vuilwater op de rijpaden één plas vormde, was afval opgeslagen. Nergens op de wegen stroomde afvalwater via de aanwezige straatkolken weg. Er stond ongeveer 10 tot 15 cm water op de wegen aan de voorzijde van TOP I. Ook de rijweg op de achterzijde van TOP I/II en de inspectiegang tussen TOP I en II stond helemaal blank. In deze gang zijn vier punten waar de inspectieputten zitten voor de drains welke onder en boven de betonnen vloer zijn gelegen. Geen van deze putten was bereikbaar voor inspectie. Op twee plaatsen stond ongeveer 15 cm afvalwater boven de putdeksels en waren de putten niet bereikbaar omdat er ongeveer 15 tot 20 cm afval op de putdeksels lag. Verbalisanten bemerkten dat dit afval niet van de putdeksels te verwijderen was, omdat het keihard was.

Op de scheiding van TOP II en III zagen de verbalisanten in de betonnen keerwanden aan de achterzijde van de opslagvakken 43, 44 en 45, grote ronde gaten zitten. Deze gaten zaten ongeveer 30 cm boven de betonnen vloer en waren c.a. 12 cm in doorsnede. Er liep afval en percolaatwater vanuit de opslagvakken, door deze gaten over de wand naar beneden. Het afval en het percolaatwater stroomde af naar de laag vies stinkend afvalwater op de rand van de vloer. Tevens drong er afval en percolaatwater door de naden in de betonnen keerwanden en stroomde dit afval en percolaatwater eveneens af naar de laag vies stinkend afvalwater op de rand van de vloer.

Op het looppad naast het zuid-oostelijk gelegen betonnen opslagbassin op TOP I stonden nog steeds plassen met olie. Voorts stond de goot aan de rand van de vloer nog steeds vol met door elkaar gemengde olie en afvalwater. De straatkolken die in de goot waren aangebracht, waren niet te zien. Er stond namelijk een laag water met olie boven de putdeksels. Verbalisanten zagen dat er deels hardhoutzaagsel over de olie was gestrooid.

Aan de achterzijde van opslagvak 17 op TOP I werd gezien dat er een bergje afval op het looppad lag en was naast het afval een grote olievlek op de vloer te zien. De olie liep van onder de hoop afval over het looppad. Tevens drong het afval en vermoedelijk ook de olie door een naad in de betonnen keerwand van vak 17. In opslagvak 17 waren diverse soorten afval opgeslagen. De afvalstoffen lagen allemaal in een laag percolaatwater, waarop olievlekken dreven.

Ten aanzien van de waarnemingen op 20 februari 2008

Door verbalisant [verbalisant 7] is op 20 februari 2008 geconstateerd50 dat nagenoeg alle rioolputjes op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] verstopt waren en vol zaten met materiaal. Hierdoor kon het aanwezige terreinwater niet via het bestaande rioolsysteem worden afgevoerd (verpompt) naar de hiervoor aanwezige opvangbakken aan de voorzijde van het terrein.

Het gehele terrein is opgedeeld in opslagvakken met hiertussen paden. Grote delen van deze paden stonden onder water. Aan de voorzijde van het bedrijfsterrein zijn drie opvangbakken aanwezig, bestemd voor de opvang van hemelwater, grijswater en een voor de opvang van percolaatwater. De opvangbak, bestemd voor de opvang van percolaatwater, was kennelijk overstroomd. [verbalisant 7] zag dat de drijflaag op dit water was afgestroomd naar het terrein. Restanten van deze drijflaag waren zichtbaar op de rand van het bassin en de verharding direct rondom dit bassin.

Ten aanzien van de waarnemingen op 4 maart 2008

Op 4 maart 2008 is door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] geconstateerd51 dat de rijpaden op TOP I en II grotendeels blank stonden met afvalwater. Verbalisanten zagen dat het percolaatwater in de opslagvakken met afvalstoffen op diverse plaatsen in directe verbinding stond met het water op de paden. [verbalisant 4] zag dat vaknummer 41 geheel gevuld was met naar schatting 70 á 80 cm afvalwater. Het water spoot op diverse plaatsen door de kieren en scheuren van de betonnen keerwanden aan de oostelijke zijde van het vak en vermengde zich weer met het afvalwater op het rijpad.

3.2.3

Verklaringen

Bij de politie heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] regenwater, grijs water en percolaat c.q. zwart water had. Volgens [verdachte] werd het hemelwater opgeslagen in het eerste bassin (SWB), het grijswater in het tweede bassin (GWB) en het zwartwater (percolaat) in het derde bassin (ZWB) vanaf de ingang.52 Vanaf de overname van het bedrijf is door hen bij het sproeien geen verschil gemaakt in de verschillende soorten van water.53 [verdachte] was op de hoogte van de op 20 februari 2008 geconstateerde situatie dat een groot aantal rioolputjes (grijswater/percolaatwater) op het terrein van TOP I en II nagenoeg verstopt was en vol zat met materialen, waardoor het aanwezige terrein- en percolaatwater niet via het bestaande rioolsysteem naar de drie opslagbassins kon worden afgevoerd. [medeverdachte 1; rechtspersoon] liet het water op het terrein staan omdat de bassins vol zaten en het water niet werd afgevoerd. Wanneer er teveel water op het terrein stond, werd volgens [verdachte] een depot in een vak gemaakt, waar het water tijdelijk werd opgeslagen. Het maakte daarbij niet uit welk soort water het was. “Water is water”, aldus [verdachte] .54 In 2007 en 2008 is er tot de ontmanteling geen water van het terrein afgevoerd.55 De rijpaden maakten volgens [verdachte] ook onderdeel uit van de opslag van het water. Als het water op de paden echt te hoog werd, werd het in een vak gepompt.56 [verdachte] was ervan op de hoogte dat, als er op het terrein teveel water was, dit werd opgeslagen in de vakken 39, 40 en 41, waarna het weer werd gebruikt als sproeiwater. Dit was op initiatief van hem en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] . [verdachte] was ervan op de hoogte dat met alle soorten water (regen-, grijs- en zwartwater) binnen TOP I, II en III werd gesproeid.57 [verdachte] heeft bij de politie tevens erkend op de hoogte te zijn geweest dat op 20 februari 2008 percolaat over de betonnen rand van vak nr. 16 sijpelde en onder het afschot van het rijpad TOP I naar de straatkolk van het grijswatersysteem stroomde.58

[medeverdachte 2; bedrijfsleider] heeft verklaard dat er vanaf de overname nooit afvalwater van het terrein is afgegeven aan een inzamelaar; dat heeft [verdachte] zo beslist.59 Over de opslag van de verschillende soorten water heeft [medeverdachte 2; bedrijfsleider] verklaard dat het bedrijf drie opslagbassins heeft, één voor hemelwater, één voor grijs water en één voor percolaatwater. In het hemelwaterbassin werd het water van de daken opgeslagen. In de vakken zaten afvoerputten. Hierin zaten afsluiters die omgezet konden worden. Toen [medeverdachte 1; rechtspersoon] het bedrijf overnam, zijn alle afsluiters omgezet naar grijs water. Gevraagd naar de kwaliteit van de afsluiters heeft [medeverdachte 2; bedrijfsleider] verklaard dat deze allemaal vastgeroest waren. In het grijswaterbassin kwam alles van het hele terrein, zowel het water van de wegen als het water uit de vakken. Het percolaatwaterbassin is in de loop der jaren regelmatig overgelopen op de straat, via de putjes in het grijswaterbassin.60

[medeverdachte 2; bedrijfsleider] heeft tevens verklaard dat het regelmatig voorkwam dat rioolputjes dichtslibden.61

Werknemer [getuige 1] heeft op 3 november 2008 het volgende verklaard62:

“De afgelopen jaren heb ik met de trekker en giertank water ingenomen uit de vakken bestemd voor het grijze water. Als het niveau van het grijze afvalwater te laag was, nam ik het water uit het percolaatbassin in. Het afvalwater bestaande uit grijswater of percolaatwater heb ik met behulp van de giertank uitgereden op TOP I en II.

(…)

Dat het afvalwater in dit driehoekig bassin zo sterk naar olie rook kwam als volgt. In vak nr. 17 hebben afvalmaterialen (bioslib) gelegen die sterk oliehoudend waren. Wanneer het dan regende vermengde het bioslib zich met het regenwater en stroomde het vak uit en kwam op het pad terecht. Vervolgens stroomde het afvalwater de putjes in en kwam in het driehoekig bassin terecht.

(…)

[medeverdachte 2; bedrijfsleider] kwam met het idee om van een aantal opslagvakken opvangbassins te maken. In deze bassins werd het afvalwater uit het grijswater bassin aan de voorzijde van het terrein geloosd. Ik nam dit afvalwater in met de giertank en loosde het afvalwater in de bassins. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en ik wisten dat dit afvalwater vermengd was met percolaat dat afkomstig was uit de vakken.

(…)

Ik kreeg opdracht van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] om uit een opslagvak het afvalwater (percolaat) in de giertank in te nemen en dit uit te sproeien over TOP I en II.

(…)

Het klopt als u zegt dat in het grijswaterbassin ook percolaatwater komt. Het percolaatwater stroomt bij regen weer op de paden. Via het bedrijfsriool komt het percolaatwater samen met het regenwater in het grijswaterriool terecht. In het grijswaterbassin zit dus ook percolaatwater. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en ik waren hiervan op de hoogte. Toch hebben wij dit grijs afvalwater met percolaat uitgereden over de paden etc. Ik had het beheer over de hoogte van het afvalwater in de drie bassins aan de voorzijde van het bedrijf. Het kwam voor dat ik percolaatwater uit de vakken innam en dit loosde in het percolaatbassin. Als het niveau te hoog werd, dan stroomde het percolaatwater uit dit bassin en vermengde zich met het grijswater en kwam in het grijswaterbassin terecht. De blauwe straatveegwagen nam het afvalwater en percolaatwater van de paden in en loosde dit in vakken waarin grond lag. Nadat de grond in het afvalwater en percolaatwater was bezonken, zoog ik het water met de giertank weer op en loosde dit in opslagvak nr. 39 en 41. Ook sproeide ik dit afvalwater met percolaat wel eens uit over TOP I en II.” 63

De getuige M.J.M. [naam 5] , werkzaam als chauffeur op een veegwagen, heeft verklaard dat het klopt dat in opslagvak 40 op TOP II veel water heeft gestaan, omdat de riolering in dit vak helemaal verstopt zat. [naam 5] heeft verklaard dat hij nooit heeft geprobeerd om de riolering in dat vak schoon te maken, omdat de meeste afvalvakken geen water meer afvoeren naar het riool. In de vakken zijn nagenoeg alle rioleringen kapot, aldus [naam 5] . Ten aanzien van de afvalwaterstromen heeft [naam 5] verklaard dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] geen apart regenwater, grijs water of zwart water meer had, omdat alle drie de waterstromen bij elkaar kwamen.64

3.3

Bespreking verweren

Het hiervoor onder 1) vermelde standpunt van de verdediging is onjuist. De opslag van afvalwater, zoals is bewezen verklaard onder feit 1, was niet vergund. Het niet schoon houden van de inrichting is een voorschrift waaraan [medeverdachte 1; rechtspersoon] diende te voldoen. Beide gedragingen staan los van elkaar.

Voor wat betreft het onder 2) aangevoerde verweer overweegt het hof het volgende

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de inrichting niet schoon en zindelijk werd gehouden en niet in goede staat van onderhoud verkeerde.

Uit het voorgaande is gebleken dat meerdere bedrijfscontroles bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] hebben plaatsgevonden gedurende een periode van bijna vijf maanden tussen oktober 2007 en maart 2008. Bij deze controles is telkens en herhaaldelijk geconstateerd dat de inrichting op bepaalde punten niet schoon en opgeruimd was en niet in goede staat van onderhoud verkeerde. Zo volgt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat diverse rioolputten op het terrein verstopt waren met slib of andere afvalstoffen, waardoor deze overliepen, en liep afvalwater over de opstaande randen van de opslagvakken, lekten naden van de keerwanden van opslagvakken en stond op rijwegen/rijpaden en inspectiepaden een hoeveelheid afvalwater. Door de verdediging is gewezen op de verklaring van [naam 5] , waaruit zou blijken dat de inrichting zeer regelmatig schoon werd gehouden. Het hof stelt vast dat [naam 5] heeft verklaard dat hij één keer per week met zijn veegwagen op het bedrijf kwam om het bedrijfsterrein schoon te houden. Op basis van de waarnemingen van de verbalisanten met betrekking tot de aangetroffen toestand op het bedrijfsterrein, stelt het hof vast dat deze werkwijze van schoonhouden van het terrein duidelijk niet afdoende is geweest.

Voor wat betreft de ten laste gelegde vermenging van de afvalwaterstromen is door de verdediging primair aangevoerd dat het oneigenlijk is om een onderdeel dat expliciet geen deel uitmaakt van de vergunning, met een omweg aan verdachte onder feit 2 te verwijten als maakte het onderdeel wél deel uit van de vergunning. Subsidiair is aangevoerd dat niet is aangetoond dat ongeoorloofde vermenging van afvalwaterstromen plaatsvond.

Het hof volgt de verdediging aangaande het primaire en subsidiaire standpunt niet. Weliswaar stelt de onderhavige Wm-vergunning niet als voorwaarde dat de afvalwaterstromen op het terrein gescheiden moeten worden gehouden, maar dit staat naar het oordeel van het hof los van de vraag of bij het – al dan niet geoorloofde – vermengen van afvalwaterstromen sprake kan zijn van handelen in strijd met vergunningsvoorschrift 1.4.4. Het hof heeft vastgesteld dat de bedrijfsvoering bij [medeverdachte 1; rechtspersoon] ten tijde van het ten laste gelegde in beginsel erop gericht was om geen water meer af te voeren via het riool, met als gevolg dat het water op het bedrijfsterrein bleef. Afvalwater liep over de opstaande randen van de opslagvakken en rijpaden kwamen onder water te staan. Bassins raakten overvol. De afvalwaterstroom is in contact gekomen met de op het bedrijf aanwezige afvalstoffen. Er zijn rioolputten overvol geraakt en verstopt met slib en andere afvalstoffen waardoor water niet meer kon wegstromen en op de paden bleef staan. Paden zijn vervuild geraakt met afvalstoffen en met afvalwater dat in contact is geweest met afvalstoffen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dan ook dat in strijd met voorschrift 1.4.4. is gehandeld.

Het verweer wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.

3.4

Daderschap van de rechtspersoon

Het hof is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De verplichting om zich te gedragen in overeenstemming met de aan de vergunning verbonden voorschriften rustte op degene die de inrichting dreef, derhalve op [medeverdachte 1; rechtspersoon] .

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het beleid om geen afvalwater meer te lozen op het riool meebracht dat het afvalwater binnen het bedrijf bleef en niet meer op milieu-verantwoorde wijze kon worden beheerd. Afvoeren van rioleringen functioneerden niet meer. Het onderhoud was zeer onvoldoende. Gelet op de waarnemingen was de omvang van het probleem aanzienlijk. [medeverdachte 1; rechtspersoon] heeft in strijd met het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.4.4., zoals hiervoor is beschreven, gehandeld. De gedragingen vonden plaats met medeweten van de leiding van het bedrijf. Het op deze wijze handelen paste in de normale bedrijfsvoering en was dienstig aan het door [medeverdachte 1; rechtspersoon] uitgeoefende bedrijf.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] kan worden toegerekend.

3.5

Opzet van de rechtspersoon

Voor de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] zich opzettelijk in strijd met vergunningsvoorschrift 1.4.4. heeft gedragen, overweegt het hof het volgende. Uit voornoemde verklaringen van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] alsmede de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [naam 5] komt naar voren dat de leiding van [medeverdachte 1; rechtspersoon] het (afval)water bewust op het terrein heeft laten staan en dat de bassins vol zaten en het water niet via het riool werd afgevoerd. Door deze werkwijze werd het zogenaamd zwart water (percolaat) vermengd met ander afvalwater, rioolputten raakten verstopt, afvalwater liep over de randen van de opslagvakken en er stond afvalwater op de rijpaden. [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] waren van het beleid op de hoogte.

3.6

Feitelijke leiding geven door [verdachte]

Het waarborgen dat door [medeverdachte 1; rechtspersoon] in overeenstemming met de vergunningsvoorschriften werd gehandeld lag feitelijk op de weg van de leiding van

[medeverdachte 1; rechtspersoon] , onder wie [verdachte] , als directeur, en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] , als bedrijfsleider.

Zij waren ervan op de hoogte dat het afvalwater niet meer werd afgevoerd en op het terrein bleef. Zij hadden moeten voorkomen dat afvalwater dat in contact was gekomen met afvalstoffen zich vermengde met het overige water op het terrein als gevolg waarvan vervuiling optrad. Zij hadden uit hoofde van hun positie binnen het bedrijf de bevoegdheid en de mogelijkheid om de nodige maatregelen te treffen op het moment dat bleek dat diverse rioolputten op het terrein verstopt waren met slib en afvalstoffen, afvalwater over de randen van de opslagvakken lekte en op de rijpaden afvalwater stond. Ook hier geldt dat zij niet de zorg hebben betracht die in redelijkheid van hen kon worden gevergd met het oog op het schoon, zindelijk en in goede staat houden van de inrichting.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] door het veroorzaken en het in stand houden van de ontstane situatie opzettelijk heeft gehandeld, dat sprake is van het zich opzettelijk gedragen in strijd met vergunningsvoorschrift 1.4.4. en dat [verdachte] daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

4. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

4.1.

Standpunten verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] moet worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde feiten. Daartoe is het volgende aangevoerd.

a. a) [medeverdachte 1; rechtspersoon] wordt onder 3 verweten in strijd te hebben gehandeld met het in artikel 25, eerste lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming opgenomen verbod “een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren”. Krachtens artikel 1 van dit besluit wordt onder het lozen in de bodem verstaan “het definitief in de bodem brengen of doen brengen van vloeistoffen” en wordt onder “overige vloeistoffen” verstaan: “vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk water of koelwater”. Van een dergelijke lozing is geen sprake, omdat het Lozingenbesluit bodembescherming, dat in 2013 is vervallen, enkel zag op handelingen die tot doel hebben vloeistoffen definitief in de bodem te brengen, terwijl de verweten lozingen, indien bewezen, onbedoeld in de bodem zijn geraakt. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de Nota van Toelichting bij het besluit (Stb. 1990/217). Van “lozen in de bodem” is volgens voornoemde Nota van Toelichting sprake als het gaat om handelingen “waarbij vloeistoffen door middel van een pijp, buis, zakput, afgedamde sloot, greppel of anderszins onder vrij verval, dan wel onder druk, tot infiltratie in de bodem wordt gebracht”. De handelingen en omstandigheden die door de verbalisanten in onderhavige zaak zijn beschreven, vallen hier niet onder.

b) De verdediging heeft subsidiair per ten laste gelegde lozing bepleit – kort weergegeven – dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van die betreffende lozing te komen.

4.2

Overwegingen van het hof met betrekking tot het Lozingenbesluit bodembescherming

In de Nota van Toelichting bij het Lozingenbesluit bodembescherming [hierna aangeduid als: het Lozingenbesluit] staat onder meer het volgende:

Ҥ 2.1.

Het besluit is gericht op handelingen die tot doel hebben vloeistoffen definitief in de bodem te brengen. Het strekt zich niet alleen uit tot lozingen van vloeistoffen waarin verontreinigingen van chemische of biologische aard voorkomen, maar het betreft ook het lozen van koelwater in de bodem.

Het gaat bij het lozen in de bodem om handelingen waarbij vloeistoffen door middel van een pijp, buis, zakput, afgedamde sloot, greppel of anderszins onder vrij verval, dan wel onder druk, tot infiltratie in de bodem wordt gebracht. Het besluit strekt zich ook uit tot het verregenen, bevloeien en besproeien van vloeistoffen op de bodem, als daarbij de vloeistoffen tevens voor een deel in de bodem treden.

(…) Het onderhavige besluit is niet van toepassing ingeval vloeistoffen niet in de bodem worden gebracht, doch onbedoeld in de bodem geraken ten gevolge van een kapotte opslagtank of lek- en morsverliezen bij over- en opslag” [cursiveringen hof].

Uit deze Toelichting volgt naar het oordeel van het hof niet, zoals door de verdediging is bepleit, dat het definitief in de bodem (doen) brengen van overige vloeistoffen doelbewust moet geschieden in de zin van opzet als oogmerk, doch dat het gaat om gedragingen die ertoe strekken, die naar hun aard geschikt zijn, om deze vloeistoffen definitief in de bodem te (doen) brengen en waarbij deze vloeistoffen tenminste voor een deel ook definitief in de bodem zijn getreden. Dat volgt met name uit de passage over het “verregenen, bevloeien en besproeien van vloeistoffen op de bodem, als daarbij de vloeistoffen tevens voor een deel in de bodem treden”. Het daarbij voor een deel in de bodem treden van de vloeistoffen is dan niet persé het doel, maar veeleer een bijkomend gevolg van een gedraging die naar zijn aard hiertoe geschikt is. Het doel van deze gedragingen is veelal vochtvoorziening, schoonmaken van gewassen of het voorkomen van verstuiving van op de bodem aangebrachte materialen. Dat ook deze handelingen, die het definitief in de bodem (doen) brengen van overige vloeistoffen niet tot doel hoeven te hebben (naast de limitatief opgesomde handelingen, zoals door de verdediging naar voren gebracht, die wél tot doel hebben vloeistoffen definitief in de bodem te brengen), op zichzelf onder het (verbod in het) Lozingenbesluit zouden vallen, blijkt eveneens uit artikel 2, eerste lid, onder d van dit Lozingenbesluit. Hierin wordt als uitzondering bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op een lozing in de bodem indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op de vochtvoorziening van gewassen, het schoonmaken van gewassen op het veld of het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen.

Ten overvloede wijst het hof in dit kader op het feit dat ingevolge de artikelen 1a, eerste lid, in verband met artikel 2, eerste lid, van de Wed overtreding van dit verbod mogelijk is in de vorm van een overtreding, alsmede in de vorm van een misdrijf in het geval dit verbod opzettelijk wordt overtreden. Indien enkel doelbewuste lozingen tot een overtreding van dit verbod zouden kunnen leiden, zou de afzonderlijke strafbaarstelling van een overtredingsvariant niet zinvol zijn.

Het primaire verweer van de verdediging, kort gezegd inhoudende dat het Lozingenbesluit uitsluitend ziet op de limitatief opgesomde handelingen die tot doel hebben overige vloeistoffen definitief in de bodem te brengen, gaat dan ook niet op en wordt derhalve ten aanzien van alle hierna te bespreken lozingen verworpen.

Uit het bovenstaande volgt derhalve dat sprake is van een lozing van overige vloeistoffen (niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater) in de bodem in de zin van het verbod uit artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming indien het gaat om een gedraging die ertoe strekt, die naar zijn aard geschikt is, om deze vloeistoffen definitief in de bodem te (doen) brengen en deze vloeistoffen daarbij tenminste voor een deel ook definitief in de bodem zijn getreden. Van een dergelijke lozing is tevens sprake bij het besproeien van overige vloeistoffen op de bodem, als daarbij de vloeistoffen tevens voor een deel definitief in de bodem treden en dit niet is geschied met uitsluitend grondwater met het oog op de vochtvoorziening van gewassen, het schoonmaken van gewassen op het veld of het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen.

4.3

Overwegingen van het hof ten aanzien van de bewezen verklaarde lozingen

4.3.1

Vooropstelling door het hof

Door het waterhuishoudingbeleid van het bedrijf vond vermenging van waterstromen plaats: het (verontreinigde) water op de wegen en paden (grijs water) vermengde zich met percolaat (zwart water), afkomstig van afvalstoffen, c.q. met water dat in contact was gekomen met afvalstoffen. Gelet daarop is sprake van verontreinigd afvalwater. Dat niet telkens monsters van het afvalwater zijn genomen, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg.

4.3.2

Ten aanzien van de lozing op 15 oktober 2007

Door de verdediging is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat op 15 oktober 2007 daadwerkelijk water uit opslagvak 13 is uitgereden over TOP III. Hiertoe is aangevoerd dat gezien de afstand die verbalisant [verbalisant 1] had ten opzichte van de locatie waar de tankwagen zich bevond, de kans aanzienlijk is dat [verbalisant 1] het geluid dat hij waarnam, onterecht heeft aangemerkt als ‘kenmerkend’ voor het opzuigen van afvalwater. Bovendien is het afvalwater uit de tank niet bemonsterd. Daarmee is niet vast te stellen of het water waarmee werd gesproeid, water was waarmee niet mocht worden gesproeid over de opgeslagen materialen van TOP III. Er is daarnaast geen bewijs waaruit zou blijken dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] tot doel had om dit water definitief in de bodem te brengen.

Het hof overweegt als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd. Op maandag 15 oktober 2007 omstreeks 15.00 uur zag de verbalisant op het bedrijfsterrein van TOP I en II een landbouwtrekker met giertank in opslagvak 13 staan. [verbalisant 1] hoorde, aan het kenmerkende geluid ervan, dat met deze voertuigcombinatie water uit het opslagvak werd gezogen. De feitelijke zuigwerkzaamheden kon [verbalisant 1] , gelet op het feit dat hij buiten de inrichting stond, niet waarnemen, maar wel zag hij dat deze voertuigcombinatie vervolgens over het bedrijfsterrein reed in de richting van de achterzijde van het terreingedeelte van TOP III. Aangekomen op het terreingedeelte van TOP III zag [verbalisant 1] dat de bestuurder van de landbouwtrekkercombinatie zijn lading, door middel van de mestverspreider aan de achterzijde van de tank, al rijdend over het bedrijfsterrein van TOP III uitsproeide. Nadat [verbalisant 1] zag en hoorde dat de tank leeggereden was, reed de bestuurder via dezelfde route terug naar vak 13 op TOP I en II en stopte daar. Wederom hoorde [verbalisant 1] dat met deze voertuigcombinatie water uit het opslagvak werd gezogen. [verbalisant 1] zag en hoorde vervolgens dat wederom naar TOP III werd gereden en op een zelfde wijze de lading werd uitgereden op de onverharde bodem van TOP III. Door [verbalisant 1] werd daarna waargenomen dat de over het terrein van TOP III uitgereden vloeistof in de onverharde bodem trok en afstroomde naar en in een gegraven sloot c.q. greppel, gelegen binnen de inrichting van TOP III. Zowel van het water uit de sloot c.q. greppel als het water uit opslagvak 13 werd die avond omstreeks 22.00 uur respectievelijk 21.00 uur een monster genomen.65 Het bleek om sterk verontreinigd water te gaan.66

De chauffeur die het betreffende water van opslagvak 13 over TOP III heeft uitgereden, [getuige 1] , heeft hierover het volgende verklaard:

“Ik heb het percolaatwater uit vak nr. 13 uitgereden op TOP III omdat het percolaatwater uit dat opslagvak moest. (…) Tevens wil ik hierbij verklaren dat van alles wat ik hiervoor over het lozen en uitrijden (sproeien) van afvalwater (percolaatwater) heb verklaard, [medeverdachte 2; bedrijfsleider] op de hoogte was.” 67

In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zoals is gerelateerd in voornoemd proces-verbaal van bevindingen, kort gezegd inhoudende dat water uit opslagvak 13 is uitgereden over TOP III, vervolgens in de onverharde bodem is getrokken en is afgestroomd naar een greppel binnen de inrichting van TOP III. Zijn waarnemingen worden bevestigd door [getuige 1] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat – verontreinigd – afvalwater werd uitgereden. De omstandigheid dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, het water uit de tank niet is bemonsterd en onderzocht, doet aan voorgaande niet af. Door het uitrijden van afvalwater over de onverharde bodem van TOP III waarbij het tevens in de greppel is terechtgekomen, is (een deel van) het afvalwater definitief in de bodem gebracht.

Uit bovenstaande volgt dat er op 15 oktober 2007 sprake was van een lozing die valt onder het verbod van artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming.

4.3.3

Ten aanzien van de lozing op 17 juni 2008

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde lozing op 17 juni 2008. Zo stelt de verdediging dat er geen monsters van het water zijn genomen, waarmee [getuige 1] heeft gesproeid, als gevolg waarvan de kwaliteit van dat water niet te controleren is. Van sproeien met verontreinigd water, zoals ten laste gelegd, is derhalve niet gebleken. De rechtbank heeft overwogen dat door de verbalisant is waargenomen dat een hoeveelheid afval in vak 11 in een grote plas water lag. Volgens de rechtbank dient dit water aangemerkt te worden als percolaatwater nu daarin het afval lag. Die overweging rechtvaardigt geen bewezenverklaring van dit onderdeel, aldus de verdediging. Dat afval in een plas water ligt, betekent nog niet dat dat water is getreden door het afval en aldus moet worden gekwalificeerd als percolaatwater.

Door verbalisant [verbalisant 4] is het volgende gerelateerd.68

Op 17 juni 2008 zag [verbalisant 4] op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] dat medewerker [getuige 1] met de tractor en giertank in opslagvak 11 stond. Hierop hoorde [verbalisant 4] aan het geluid van de pomp op de giertank dat er water werd ingenomen. [verbalisant 4] zag vervolgens dat [getuige 1] de giertank achteruit in het vak had gereden en dat er een aanzuigslang aan de achterzijde van de tank was gekoppeld. [verbalisant 4] zag dat de slang in het water lag en dat [getuige 1] water aan het innemen was.

Vervolgens reed [getuige 1] de rijweg op richting de voorzijde van TOP I/II en richting TOP III. [verbalisant 4] zag ondertussen dat in opslagvak 11 een grote hoeveelheid afval was opgeslagen en hij zag dat dit afval in een grote plas ‘percolaatwater’ lag. Aan de achterzijde van TOP III is [getuige 1] daarna aangevangen met het versproeien van het ‘percolaatwater’. [verbalisant 4] zag dat [getuige 1] ook langs de grenssloot reed, welke naast het hekwerk van het bedrijf [bedrijf 3] is gelegen. [verbalisant 4] zag dat het water ook in de sloot en op de onbeschermde bodem van het braakliggende achterterrein van [bedrijf 3] terecht kwam.

[getuige 1] heeft dienaangaande het volgende verklaard:

“Het afvalwater dat ik uitreed op TOP III (sproeien) haalde ik meestal uit de vakken van TOP I en II, wanneer er water in stond en er nieuwe materialen in opgeslagen moesten worden. Dit betrof dus percolaatwater. (…)

Tevens wil ik hierbij verklaren dat van alles wat ik hiervoor over het lozen en uitrijden (sproeien) van afvalwater (percolaatwater) heb verklaard, [medeverdachte 2; bedrijfsleider] op de hoogte was.” 69

Met de verdediging heeft het hof geconstateerd dat geen onderzoek is gedaan naar de samenstelling van het water waarmee [getuige 1] op 17 juni 2008 heeft gesproeid. Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat dit gegeven niet tot de conclusie leidt dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zou moeten worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat sprake is geweest van afvalwater. In artikel 25 van het Lozingenbesluit is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren. Onder “overige vloeistoffen” moet worden verstaan, “vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk water of koelwater”. Het hof heeft reeds vastgesteld dat op het bedrijfsterrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] (TOP I en II) geen sprake meer was van gescheiden afvalwaterstromen, waardoor een vermenging heeft plaatsgevonden van percolaatwater met ander afvalwater. Dit heeft tot gevolg gehad dat één grote – verontreinigde – afvalwaterstroom is ontstaan, niet zijnde huishoudelijk water of koelwater. Voorgaande brengt met zich dat naar het oordeel van het hof [getuige 1] met verontreinigd afvalwater heeft gesproeid.

Uit bovenstaande volgt dat er op 17 juni 2008 sprake was van een lozing die valt onder het verbod van artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming.

4.3.4

Ten aanzien van de lozingen op 28 november 2007 en 10 januari 2008

De verdediging heeft aangevoerd dat de waarnemingen van de betreffende verbalisanten onvoldoende zijn om de lozingen door [medeverdachte 1; rechtspersoon] op voornoemde data te kunnen aantonen. Daartoe is aangevoerd dat [verbalisant 4] op 28 november 2007 niet heeft gezien of het water dat over de keerrand stroomde, afkomstig was van de betreffende opslagvakken (42 t/m 44). Monsters van het water zijn niet genomen; de kwaliteit van het water is daardoor niet vastgesteld, aldus de verdediging. Bovendien is uiterst onwaarschijnlijk dat de planten geheel zijn afgestorven als gevolg van een lozing op 28 november 2007, als op dezelfde dag zou zijn waargenomen dat de vegetatie is afgestorven.

Ten aanzien van de gestelde lozing op 10 januari 2008 is aangevoerd dat de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] niet hebben vastgesteld wat de herkomst en de kwaliteit is geweest van het water dat “over de betonnen keerdorpel afstroomde naar de (…) onbeschermde bodem.” TOP II bevat geen onbeschermde bodem. Daarmee is onduidelijk wat de verbalisanten precies hebben gezien, aldus de verdediging.

Door verbalisant [verbalisant 4] is gerelateerd dat hij op 28 november 2007 het volgende heeft waargenomen. Aan de meest noordelijke zijde van TOP II is achter de keerwanden van de opslagvakken met de nummers 41 t/m 46 ruim één meter betonnen vloer gelegen. Deze vloer is op de rand voorzien van een betonnen verhoging, welke moet voorkómen dat er afvalwater van de vloer afstroomt en in de onbeschermde bodem dringt. Deze betonnen strook is nagenoeg tegen de scheiding van TOP II en III gelegen. Naast de betonnen strook is op TOP II nog een strook onbeschermde bodem gelegen van ongeveer één meter breed. Op de scheiding zelf is een gazen hekwerk geplaatst. Aan de andere zijde van het hekwerk is op TOP III een diepe en brede greppel gelegen. Ter hoogte van de achterzijde van de opslagvakken 42 t/m 44 zag [verbalisant 4] dat het afvalwater op de betonnen strook zo hoog stond dat het over de betonnen keerrand stroomde en daar in de onbeschermde bodem drong. Tevens zag [verbalisant 4] dat het water afstroomde naar het reeds in de greppel staande water.70

Door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 4] is gerelateerd dat zij op 10 januari 2008 bij en achter opslagvak 41 de betonnen strook opliepen en zich vanaf de achterzijde van TOP II naar de straatzijde begaven. Zij zagen dat in de betonnen keerwanden aan de achterzijde van de opslagvakken diverse grote ronde gaten zaten met een doorsnede van ongeveer 12 cm. Zij zagen dat er afval en ‘percolaatwater’ uit deze gaten stroomde, hetgeen over de wand naar beneden liep en zich op de betonnen vloer met afvalwater vermengde. Op de vloer lag een dikke grijs/beigekleurige sliblaag van ongeveer 5 á 6 cm dik. De strook betonnen vloer stond over de gehele lengte tot de bovenzijde van de keerdorpel vol met afvalwater. Op het moment dat de verbalisanten zich ongeveer ter hoogte van de achterzijde van de opslagvakken 43 en 44 bevonden, zagen zij dat het afvalwater op de vloer over de betonnen keerdorpel afstroomde naar de naast gelegen onbeschermde bodem. Dit was over een lengte van ongeveer 10 meter het geval. Het afstromende afvalwater liep naar een greppel die de scheiding vormde tussen TOP II en III. De greppel was nagenoeg geheel gevuld met water en de greppel liep op een paar plaatsen over. Ook stonden er plassen met afvalwater op de onbeschermde bodem van TOP II. Het afvalwater in de greppel en op de bodem van TOP II kon volgens [verbalisant 5] en [verbalisant 4] ongehinderd in de bodem wegzakken.71

[verdachte] heeft verklaard dat de rijpaden ook deel uitmaakten van de opslag van het water.72

Het hof heeft geen reden om aan de waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten te twijfelen. Daaruit volgt onder meer dat de boden van een strook grond van TOP II niet beschermd was.

Het hof is van oordeel dat de verweren van de verdediging worden weerlegd door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Uit deze bewijsmiddelen volgt immers dat op beide voornoemde data sprake is geweest van een hoeveelheid afvalwater dat ter hoogte van de opslagvakken 43 en 44 over de betonnen keerrand stroomde, daar in de onbeschermde bodem drong en tevens afstroomde naar de greppel. Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat geen sprake is van een lozing in de zin van artikel 25 van het Lozingenbesluit, omdat de waarnemingen van de verbalisanten niet duiden op een handeling die tot doel had om het water definitief in de bodem te brengen, overweegt het hof dat reeds door het hof is vastgesteld dat sprake is van een lozing van overige vloeistoffen (niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater) in de bodem in de zin van het verbod van artikel 25 Lozingenbesluit bodembescherming indien het gaat om een gedraging die ertoe strekt, die naar zijn aard geschikt is, om deze vloeistoffen definitief in de bodem te (doen) brengen waarbij deze vloeistoffen daarbij tenminste voor een deel ook definitief in de bodem zijn getreden. Daarvan was hier sprake. Het hof overweegt in dit verband dat de bedrijfsvoering van [medeverdachte 1; rechtspersoon] erop gericht was afvalwater niet meer gescheiden te verwerken en af te voeren, waardoor al het afvalwater op het bedrijfsterrein bleef. Mede door het slechte onderhoud van de putten heeft het waterhuishoudingsbeleid tot gevolg gehad dat het afvalwater niet meer kon worden afgevoerd naar de bassins en onder meer op wegen en paden bleef staan. De binnen het bedrijf aanwezige opslagbassins hadden onvoldoende capaciteit om al het water op te kunnen slaan en er moesten bassins worden aangelegd om het overtollige afvalwater op te slaan. Afvalwater werd zelfs uitgereden over het onverharde deel van het terrein. Het bedrijfsterrein was niet ingericht voor de opslag van dergelijke hoeveelheden afvalwater. De keerranden waren niet hoog genoeg om het water dat op de wegen en paden stond binnen de vloeistofdichte voorzieningen te houden. Daardoor liep afvalwater over de keerranden. Dit was een voorzienbaar gevolg van het waterhuishoudingsbeleid. Dit beleid hield in dat wegen en paden werden gebruikt als opslag van afwater waardoor op 28 november 2007 en 10 januari 2008 afvalwater over de keerranden liep en in de onbeschermde bodem terecht kwam. Door op deze wijze te handelen is sprake van het opzettelijk lozen van afvalwater.

4.3.5

Ten aanzien van alle bewezenverklaarde lozingen

Het hof overweegt tot slot dat in al de bewezenverklaarde lozingen van feit 3 geen sprake is geweest van het onbedoeld als gevolg van een calamiteit in de bodem geraken van de vloeistoffen.

4.4

Daderschap van de rechtspersoon

Hiervoor, bij de bespreking van feit 1, is de maatstaf voor de beoordeling van de daderschap van de rechtspersoon al weergegeven. Het hof is, gelet daarop, van oordeel dat het lozen van het afvalwater aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Hiervoor is reeds opgemerkt dat de leiding van [medeverdachte 1; rechtspersoon] het afvalwater niet meer gescheiden heeft verwerkt en afgevoerd, waardoor het afvalwater op het terrein bleef staan. De bassins zaten vol. Door deze werkwijze vond vermenging van afvalwaterstromen plaats waarbij ‘grijs water’ zich vermengde met ‘zwart water’, raakten rioolputten verstopt, stond afvalwater op de (rij)paden en liep verontreinigd afvalwater op 28 november 2007 en 10 januari 2008 over de keerranden naar de onbeschermde bodem van [medeverdachte 1; rechtspersoon] . De sproeiwerkzaamheden van 15 oktober 2007 en 17 juni 2008 werden telkens verricht door haar werknemer [getuige 1] , met medeweten van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] . Deze werkzaamheden pasten in de normale bedrijfsvoering en waren dienstig aan de rechtspersoon. Zo hoefde het afvalwater immers niet te worden gebracht naar een inzamelaar. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde aan [medeverdachte 1; rechtspersoon] kan worden toegerekend.

4.5.

Opzet van de rechtspersoon

Het hof overweegt met betrekking tot het opzet ten aanzien van de werkzaamheden als volgt.

[verdachte] heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat met alle soorten water [het hof begrijpt: zowel schoon-, grijs- als zwart water] binnen TOP I, II en III werd gesproeid.73

Tegenover de politie heeft [medeverdachte 2; bedrijfsleider] verklaard74 dat hij de dagelijkse leiding over de werknemers op het bedrijf van [medeverdachte 1; rechtspersoon] had en dat hij normaliter geen verantwoording hoefde af te leggen bij [verdachte] . [medeverdachte 2; bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij van alle werkzaamheden op het terrein van [medeverdachte 1; rechtspersoon] op de hoogte was en dat hij 5 dagen in de week werkzaam was op het terrein.75

Voorts bezigt het hof tot het bewijs de verklaring van werknemer [getuige 1] , zoals afgelegd tegenover de politie op 3 november 200876, voor zover hier van belang inhoudende:

“Over het lozen van het afvalwater met de giertank (inhoud 5m³) kan ik het volgende verklaren:

Als ik het afvalwater direct op de sloten loosde, dan reed ik op één dag ongeveer 40 á 45 giertanks uit. Als ik het afvalwater uitreed door middel van te sproeien dan reed ik ongeveer 30 á 35 tanks. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] kwam met het idee om van een aantal opslagvakken opvangbassins te maken. In deze bassins werd het afvalwater uit het grijswater bassin aan de voorzijde van het terrein geloosd. Ik nam dit afvalwater in met de giertank en loosde het afvalwater in de bassins. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en ik wisten dat dit afvalwater vermengd was met percolaat dat afkomstig was uit de vakken. Ik heb het percolaatwater uit vak nr. 13 uitgereden op TOP III omdat het percolaatwater uit dat opslagvak moest. Er was toen geen reden om te sproeien, omdat het die dag regende. Ik kan in het algemeen verklaren dat ik met de giertank afvalwater heb uitgereden (gesproeid) terwijl het niet nodig was om verstuiving te voorkomen. Of het nu regende of de bodem nat was, dat maakte niet uit. Tevens wil ik hierbij verklaren dat van alles wat ik hiervoor over het lozen en uitrijden (sproeien) van afvalwater (percolaatwater) heb verklaard, [medeverdachte 2; bedrijfsleider] op de hoogte was. Als voorbeeld kan ik hier aanhalen dat ik opdracht van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] kreeg om uit een opslagvak het afvalwater (percolaat) in de giertank in te nemen en dit uit te sproeien over TOP I, II en III. 77

(…)

Ik heb van [medeverdachte 2; bedrijfsleider] gehoord dat hij alles wat hiervoor is omschreven over het sproeien en lozen van afvalwater en percolaat had besproken met Wim [verdachte] . Het klopt als u zegt dat in het grijswaterbassin ook percolaatwater komt. Het percolaatwater stroomt bij regenweer op de paden. Via het bedrijfsriool komt het percolaatwater samen met het regenwater in het grijswaterriool terecht. In het grijswaterbassin zit dus ook percolaatwater. [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en ik waren hiervan op de hoogte. Toch hebben wij dit grijs afvalwater met percolaat uitgereden over de paden etc. en TOP III.

(…)

Ook sproeide ik dit afvalwater met percolaat wel eens uit over TOP I, II of III. 78

Op 25 november 2008 verklaarde [getuige 1] nog: “Als wij op Top echt vol zaten met water dan kreeg ik opdracht om water uit te rijden op TOP III. Al het water wat wij uitreden op TOP III kwam namelijk niet meer terug, dat waren we echt kwijt.” 79 en “als [verdachte] op het terrein was, dan kwam hij ook gewoon koffie drinken in de kantine. Dan werd er ook gewoon gesproken over de lozingen, dus [verdachte] was gewoon op de hoogte van deze illegale lozingen”.80

Wat betreft het opzet met betrekking tot het over de keerranden laten lopen van afvalwater overweegt het hof dat de bedrijfsvoering van [medeverdachte 1; rechtspersoon] destijds zo was ingericht dat geen afvalwater meer werd afgevoerd, doch dat al het water werd opgeslagen op het bedrijfsterrein. Dat [verdachte] hiervan op de hoogte was blijkt onder meer uit zijn verklaring.

Als gevolg van het niet afdoende verwerken van het (overschot aan) afvalwater, stond het afvalwater op de betonnen strook zowel op 28 november 2007 als op 10 januari 2008 kennelijk zo hoog dat het over de betonnen keerrand in de onbeschermde bodem is gekomen. Het bedrijf was er niet op ingericht om het overschot aan afvalwater op te slaan. Het water bleef op de paden staan terwijl de keerranden niet hoog genoeg waren om het water binnen de vloeistofdichte voorzieningen te houden, waardoor het water over de randen stroomde. Door het onder deze omstandigheden laten voortbestaan van de situatie, wetende dat het bedrijf geen adequate voorzieningen (meer) had om het afvalwater op te kunnen slaan, staat naar het oordeel van het hof vast dat [verdachte] en [medeverdachte 2; bedrijfsleider] en daarmee [medeverdachte 1; rechtspersoon] bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat afvalwater over de keerranden zou stromen en zou uitvloeien in de onbeschermde bodem, waardoor het definitief in de bodem werd gebracht, zodat (voorwaardelijk) opzet bewezen kan worden.

4.6

Feitelijke leiding geven door [verdachte]

Door de verdediging is bepleit dat er geen sprake is van feitelijke leiding geven door [verdachte] aan feiten waarvan [verdachte] niet op de hoogte was. [verdachte] was immers – voor zover relevant – niet op de hoogte van het sproeien van (verontreinigd) afvalwater over TOP III en het lozen van (verontreinigd) afvalwater met de giertank, direct in de sloot tussen TOP III en [bedrijf 3] .

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hiervoor is opgenomen onder ‘opzet van de rechtspersoon’ was [verdachte] op

de hoogte van de besproeiingen en de lozingen. [verdachte] , enig bestuurder van [medeverdachte 1; rechtspersoon] , heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat met alle soorten water binnen TOP I, II en III werd gesproeid (pag. 457-458).

Wat betreft het over de keerranden laten lopen van het afvalwater overweegt het hof dat dit voortvloeit uit het gewijzigde waterhuishoudingsbeleid waarvan [verdachte] als bestuurder van [medeverdachte 1; rechtspersoon] op de hoogte was. [verdachte] wist dat het afvalwater binnen het bedrijf bleef omdat het niet meer kon worden geloosd op het riool. [verdachte] heeft deze situatie in het leven geroepen en laten voortbestaan, zulks terwijl hij ervan op de hoogte is geweest dat het bedrijf geen adequate voorzieningen had voor de opslag van al het afvalwater, waardoor het afvalwater op de wegen en paden bleef staan en uiteindelijk over de keerranden in de onbeschermde bodem stroomde. Op zijn minst genomen heeft [verdachte] , hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege gelaten en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het water over de keerranden in de onbeschermde bodem zou stromen.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat [medeverdachte 1; rechtspersoon] zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 bewezenverklaarde gedragingen en dat [verdachte] daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 3 bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

overtreding van een voorschrift krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft (subsidiair) verzocht dat het hof een ruimhartige strafvermindering toe zal passen. De verdediging heeft daartoe – kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat de redelijke termijn voor strafvervolging zeer ruim is geschonden, dat de activiteiten van [medeverdachte 1; rechtspersoon] reeds tien jaren zijn geëindigd, dat het betreffende terrein is verkocht en dat er gedurende het opsporingsonderzoek welbewust persoons- en strafvorderlijke gegevens zijn gepubliceerd door verbalisanten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

[medeverdachte 1; rechtspersoon] heeft het belang van de naleving van de vergunningsplicht miskend. Immers, heeft zij door het bewezen verklaarde handelen de mogelijkheid van de overheid om de bedrijfsactiviteiten en de gevolgen daarvan voor het milieu middels voorschriften te reguleren ondermijnd. Daarnaast heeft [medeverdachte 1; rechtspersoon] zich niet gehouden aan een voorschrift verbonden aan de verstrekte Wm-vergunning door haar inrichting niet schoon en zindelijk te houden en meermalen opzettelijk (verontreinigd) afvalwater geloosd. Door het waterhuishoudingsbeleid te wijzigen is het afvalwater niet meer gescheiden verwerkt en afgevoerd, maar op het bedrijfsterrein gebleven. De afvalwaterstromen hebben zich vermengd. ‘Zwart water’/ water dat in contact is geweest met afvalstoffen heeft zich vermengd met ‘grijs water’. Een deel van het overtollige water werd opgeslagen in vakken die daarvoor niet waren bestemd en werd opzettelijk geloosd in de onbeschermde bodem. Verdachte heeft aan voormelde gedragingen feitelijke leiding gegeven. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich niets gelegen laten liggen aan het belang van het voorkomen van een onnodige belasting van het milieu en bijgedragen aan mogelijke vervuiling van het milieu. Het hof rekent dit de verdachte aan.

De verdachte lijkt het kwalijke van zijn handelen niet in te zien. Eerdere veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden wederom strafbare feiten te begaan.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is begaan en gelet op de omstandigheid dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, kan niet worden volstaan met oplegging van een andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. Het hof zal een deels onvoorwaardelijke en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt voormelde gevangenisstraf dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast zal het hof een geldboete opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte.

In februari 2009 heeft in het blad "Handhaving" een publicatie gestaan over [medeverdachte 1; rechtspersoon] . In deze publicatie hebben de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 8] zich uitgelaten over illegale grondstromen en lozingen van afvalwater op een sloot door [medeverdachte 1; rechtspersoon] . "Handhaving" is een tijdschrift voor uitvoerders en handhavers op het gebied van ruimte, wonen en milieu, bestemd voor een kleiner publiek, echter wel een openbare bron. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een dergelijke publicatie ongewenst is. Van ernstige nadelige gevolgen voor de verdachte dan wel van een zodanige inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer dat dit aanleiding zou dienen te zijn voor het opleggen van een lagere straf is het hof niet gebleken. Het hof ziet in de publicatie dan ook geen aanleiding om te komen tot matiging van de straf.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ruim is overschreden.

Naar het oordeel van het hof is de redelijke termijn in de onderhavige zaak aangevangen op 24 november 2008, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 13 november 2013 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. Verdachte heeft op 26 november 2013 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof arrest wijst op 22 augustus 2018. In hoger beroep is de zaak derhalve niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank dan wel het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet het gehele tijdsverloop kunnen verklaren en niet voor rekening van verdachte dienen te komen. In eerste aanleg is dan ook sprake van een forse schending van de redelijke termijn en wel voor de duur van bijna 3 jaar. De redelijke termijn is ook in hoger beroep geschonden en wel voor de duur van ongeveer 2 jaar en 9 maanden. Het hof concludeert dat het recht van verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM derhalve zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in aanzienlijke mate is geschonden.

Het hof vindt in de termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan het zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd. Zonder deze schending zou het hof aan de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 140 dagen waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 25.000,- subsidiair 160 dagen hechtenis opleggen.

Vanwege de duur van de termijnoverschrijding, zal het hof – alles afwegende – aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 140 dagen waarvan 129 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 20.000,- subsidiair 135 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 6 van de Wet bodembescherming, de artikelen 8.1 en 18.18 van de Wet milieubeheer en artikel 25 van het Lozingenbesluit bodembescherming, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van het onder 2 ten laste gelegde voor wat betreft het tweede gedachtestreepje en het onder 3 ten laste gelegde voor wat betreft het tweede gedachtestreepje;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 129 (honderdnegenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 135 (honderdvijfendertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden en mr. R.A.J. van de Kamp, griffiers, en op 22 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Verhoeven-van der Heijden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal rechter-commissaris d.d. 3 februari 2011, pag. 3-4.

2 Proces-verbaal rechter-commissaris d.d. 24 mei 2017, pag. 5.

3 Pag. 407 e.v.

4 Proces-verbaal rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2012, pag. 2 en 3.

5 Proces-verbaal rechter-commissaris d.d. 22 augustus 2012, pag. 2-4.

6 Pag. 2667 e.v.

7 Pag. 2671 e.v.

8 Pag. 2673.

9 Pag. 1895 e.v.

10 Pag. 429 en pag. 23 van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (nr. 07-169569) alsmede de verklaring van [verdachte] ter zitting van 20 juni 2018.

11 Pag. 2120 en 2172.

12 Pag. 2172 en 2173.

13 Pag. 2179.

14 Pag. 2322.

15 Pag. 2154 (uit aanvraag vergunning Wet milieubeheer).

16 Pag. 2252.

17 Pag. 2252.

18 Pag. 2110 e.v.

19 Pag. 2174.

20 Pag. 2170 e.v.

21 Pag. 2316 e.v.

22 Pag. 2283 e.v.

23 Pag. 2193.

24 Pag. 2220.

25 Pag. 754

26 Pag. 835

27 Pag. 1184

28 Pag. 1509, 1639-1644 (locatie 18 m.b.t. afvalwater uit opvanggoot waarin afvalwater uit opslagvak 39 lekt), 738-1744 (locatie 29, opslagvak 40), pag. 1657-1665 (locatie 20, opslagvak 41).

29 Pag. 197 en 198.

30 Pag. 206

31 Pag. 457-458

32 Pag. 455

33 Pag. 571

34 Pag. 573

35 Pag. 2700 e.v.

36 Pag. 2734-2736.

37 Pag. 2207.

38 Pag. 632-634.

39 Pag. 679-682.

40 Pag. 720-722.

41 Pag. 752-755.

42 Pag. 807.

43 Pag. 786-787.

44 Pag. 754.

45 Pag. 754.

46 Pag. 754.

47 Pag. 755.

48 Pag. 809-811.

49 Pag. 834-838.

50 Pag. 1181-1182.

51 Pag. 1772-1773.

52 Pag. 439-440.

53 Pag. 440.

54 Pag. 455.

55 Pag. 443.

56 Pag. 461.

57 Pag. 457-458.

58 Pag. 462.

59 Pag. 482.

60 Pag. 500.

61 Pag. 569 en proces-verbaal terechtzitting eerste aanleg d.d. oktober 2013, pag. 6.

62 Pag. 205 e.v.

63 Pag. 209.

64 Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 juni 2008, pag. 385-386

65 Pag. 595-597.

66 Bijlagen 4 en 5 op pag. 627-628 en bijlagen 6 en 7 op pag. 629-630.

67 Pag. 207.

68 Pag. 1998-2001.

69 Pag. 207.

70 Pag. 720 e.v.

71 Pag. 752 e.v.

72 Pag. 461.

73 Pag. 443.

74 Pag. 485-486.

75 Pag. 503.

76 Pag. 205 e.v.

77 Pag. 207-208.

78 Pag. 209.

79 Pag. 213.

80 Pag. 215.