Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3497

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
20-003840-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7687, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e Sr.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.1
Wetboek van Strafrecht 51
Wet milieubeheer 18.18
Wet bodembescherming 6
Lozingenbesluit bodembescherming 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2018/822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-003840-15 ontnemingszaak

Uitspraak: 22 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de economische kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 december 2015 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-997508-07 tegen:

[veroordeelde] ,

statutair gevestigd te [statutair adres veroordeelde] .

Hoger beroep

Namens de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de hoogte van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op het bedrag van € 1.768.357,50 minus 10% kostenaftrek in verband met schoonmaakkosten riolering, en aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel zal opleggen tot datzelfde bedrag.

Namens verdachte is primair bepleit dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen en subsidiair dat het te ontnemen voordeel moet worden geschat op maximaal € 33.315,50.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Beoordeling

Door het openbaar ministerie is de onderhavige vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op – kort gezegd – de uitgespaarde kosten door het in de grond laten lopen van het verontreinigde afvalwater dat was ontstaan door het niet langer gescheiden houden van de (afval)waterstromen. Het openbaar ministerie is tot een bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel gekomen door de kosten te berekenen die [veroordeelde] zou hebben gemaakt indien alle op Top I en II in de onderzoeksperiode gevallen neerslag minus de hoeveelheid verdamping vanaf dat terrein en in die periode per as zou zijn afgevoerd en ter verwerking zou zijn aangeboden aan een externe verwerker.

Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (oud) moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, veroordeelde wederrechtelijk voordeel – waaronder begrepen besparing van kosten – heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde c.q. van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

Het hof begrijpt dat de onderhavige vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is toegespitst op hetgeen aan [veroordeelde] onder 1 ten laste is gelegd in de strafzaak onder parketnummer 20-003843-13. Kort weergegeven is [veroordeelde] onder dat feit ten laste gelegd dat zij in de ten laste gelegde periode opzettelijk een inrichting voor het opslaan, overslaan en bewerken van (gevaarlijke) afvalstoffen en overige materialen, nadat die inrichting is veranderd, zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, althans ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad. In de tenlastelegging zijn drie specifieke situaties (hof: onder a., b. en c.) opgenomen, waardoor de (werking) van de inrichting zou zijn veranderd, te weten:

a. het niet meer afvoeren en verwerken van het bedrijfsafvalwater via het rioolstelsel en/of de afvalwaterbehandelingsinstallatie op het openbaar riool en/of

b. het niet meer gescheiden verwerken en/of afvoeren van het percolaat van de opslagvakken van afvalstoffen en het overige bedrijfsafvalwater en/of

c. het aanbrengen van één of meer bassins voor het opslaan en/of laten bezinken van afvalwater en/of regenwater.

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 22 augustus 2018 (parketnummer 20-003843-13) partieel vrijgesproken van voornoemde onder a. en b. ten laste gelegde handelingen. Wel is het hof tot een bewezenverklaring gekomen van de onder c. ten laste gelegde handeling, te weten het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater.

Nu het hof de veroordeelde bij arrest van dit hof heeft vrijgesproken van de onder a. en b. ten laste gelegde handelingen, waarop de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie (mede) is gebaseerd, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat de veroordeelde in zoverre financieel voordeel heeft genoten.

Het onder c. bewezen verklaarde (het aanbrengen van bassins voor het opslaan van afvalwater) betreft het in de periode januari 2007 tot en met september 2008 gebruiken van de opslagvakken 39, 40 en 41 voor het opslaan van afvalwater binnen het bedrijf, terwijl daartoe geen vergunning was verleend. Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat de veroordeelde hieruit enig wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, maar uit het thans voorliggende dossier kan niet worden afgeleid wat de hoogte hiervan is geweest. Zo heeft de Provincie de veroordeelde op 3 juli 2008 een dwangsombeschikking opgelegd. [veroordeelde] diende binnen vier weken na verzending van voormelde brief van 3 juli 2008 de overtreding van artikel 8.1 Wm te beëindigen door het afvalwater dat in deze vakken, bestemd voor de opslag van vaste afvalstoffen, werd opgeslagen, naar een erkende verwerker af te voeren. Dit is ook geschied, waarvoor veroordeelde kosten heeft gemaakt. Hiermee is een deel van het behaalde voordeel weer teniet gedaan. Op grond van het dossier is verder niet vast te stellen hoeveel afvalwater voordien in de bewezenverklaarde periode in de opslagvakken 39, 40 en 41 was opgeslagen (en over het terrein van [veroordeelde] is uitgereden) in plaats van per as te zijn afgevoerd.

Het hof is van oordeel dat heropening van het onderzoek, teneinde alsnog nader onderzoek te laten verrichten naar het te dien aanzien verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel, niet opportuun is, omdat het mede gelet op het tijdsverloop van de zaak niet waarschijnlijk is dat thans het wederrechtelijk verkregen voordeel nog met voldoende betrouwbare gegevens kan worden vastgesteld.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof derhalve van oordeel dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden en mr. R.A.J. van de Kamp, griffiers, en op 22 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Verhoeven-van der Heijden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.