Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3493

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
20-003231-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:5716, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD): als houder van een dier aan dat dier de nodige verzorging onthouden, meermalen gepleegd. De in artikel 45 GWWD en artikel 5, vierde lid van het Besluit Welzijn Productiedieren neergelegde regeling is niet aan te merken als lex specialis ten opzichte van artikel 37 GWWD. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en taakstraf van 110 dagen, subsidiair 55 dagen hechtenis, met aftrek opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003231-16

Uitspraak : 22 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer

01-995013-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [postcode] [woonplaats verdachte] , [adres verdachte] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de eerste rechter van de in de tenlastelegging onder 1, vierde gedachtestreepje genoemde runderen met de nummers [werknummer 1] , [werknummer 2] , [werknummer 3] en [werknummer 4] en van het onder 1, vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde feit. Met de advocaat-generaal en de verdediging merkt het hof deze vrijspraken aan als beschermde vrijspraken. Aangezien een verdachte geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, moet hij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Voorts is gevorderd dat aan de voorwaardelijk op te leggen straf als bijzondere voorwaarden worden gekoppeld:

- dat verdachte zal meewerken aan controles van de NVWA en

- dat verdachte binnen twee weken na de uitspraak contact zal opnemen met de NVWA om een controle op de identificatie en registratie te laten plaatsvinden met opdracht aan de NVWA om daarover de regie te voeren.

Door en namens verdachte is primair betoogd dat de inleidende dagvaarding partieel nietig is. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit en meer subsidiair is een kwalificatieverweer gevoerd. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.

De geldigheid van de inleidende dagvaarding

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat de tenlastelegging in het geheel dient te worden beoordeeld en dat daarbij de verschillende onderdelen in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien. Ook het dossier en de proceshouding van de verdediging zijn daarbij van belang. De tenlastelegging is voldoende specifiek en verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen, zoals ook blijkt uit het verhandelde in eerste aanleg. Voor partiële nietigverklaring van de dagvaarding is dan ook geen reden, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, kort samengevat, gesteld dat de inleidende dagvaarding nietig moet worden verklaard ten aanzien van het onder 1, eerste, tweede en derde gedachtestreepje ten laste gelegde en ten aanzien van het onder 2, eerste, tweede en vierde gedachtestreepje ten laste gelegde. Volgens de verdediging zijn deze onderdelen van de tenlastelegging onvoldoende duidelijk en gespecificeerd nu uit de tenlastelegging niet blijkt op welke specifieke runderen deze verwijten betrekking hebben, terwijl evenmin is geïndividualiseerd op welke hokken en op welke hekken de ten laste gelegde verwijten betrekking hebben. Daar komt bij dat ook onduidelijk is welke concrete verwijten aan verdachte worden gemaakt (per specifiek rund).

Het oordeel van het hof

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de in de tenlastelegging opgenomen verwijten en de daarin genoemde plaats en datum, in combinatie met de inhoud van het dossier een voldoende concrete en duidelijke opgave betreffen van de verwijten die de verdachte worden gemaakt. De inhoud van de tenlastelegging mag worden bezien in het licht van de beschrijving van de door de verbalisanten waargenomen situatie zoals opgenomen in het dossier. Uit die beschrijving volgt dat het gaat om waarnemingen die in nader gespecificeerde stallen zijn gedaan en om de runderen die zich in de betreffende stallen bevonden.

De dagvaarding voldoet daarmee aan de eisen die daaraan blijkens artikel 261 Sv worden gesteld. Het hof betrekt in dat oordeel tevens de omstandigheid dat verdachte, blijkens het door hem gevoerde uitvoerige en per in de tenlastelegging opgenomen gedachtestreepje gevoerde verweer, wist waartegen hij zich diende te verdedigen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de meervoudige kamer van de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 februari 2014 te [woonplaats verdachte] , gemeente [gemeente] , als houder van één of meer runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- was de behuizing voor die dieren niet zodanig geconstrueerd en/of verkeerde die behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden en/of

- konden ongeveer 256, in elk geval één of meer runderen niet over een schone en droge ligplaats beschikken en/of waren de vloeren van de stallen waarin zij verbleven vervuild met mest en/of waren de klauwen en/of poten en/of onderbuik van deze runderen met aangekoekte mest besmet en/of

- hadden ongeveer 100, in elk geval één of meer runderen een huidinfectie en werden zij niet op passende wijze verzorgd en/of was voor die dieren geen dierenarts geraadpleegd en/of

- was het rund met het werknummer [werknummer 5] , welk rund ziek of gewond was, niet afgezonderd in een passend onderkomen;


2.
hij op of omstreeks 3 juni 2014 te [woonplaats verdachte] , gemeente [gemeente] als houder van één of meer runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- was de behuizing voor die dieren niet zodanig geconstrueerd en/of verkeerde die behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden en/of

- konden ongeveer 100, in elk geval één of meer runderen niet over een schone en droge ligplaats beschikken en/of waren de vloeren van de stallen waarin zij verbleven vervuild met mest en/of waren de klauwen en/of poten en/of onderbuik van deze runderen met aangekoekte mest besmet en/of

- waren de runderen met het werknummer [werknummer 6] en/of [werknummer 7] en/of [werknummer 8] en/of [werknummer 9] en/of [werknummer 10] en/of [werknummer 11] en/of [werknummer 12] , welke runderen ziek of gewond waren, niet op passende wijze verzorgd en/of niet afgezonderd in een passend onderkomen en/of

- hadden ongeveer 30, in elk geval één of meer runderen te lange klauwen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 1, derde gedachtestreepje, ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit deel van de tenlastelegging.

De raadsman heeft voor wat betreft het derde gedachtestreepje betoogd dat uit het dossier niet volgt voor welke runderen dit verwijt geldt, noch dat sprake is van een huidinfectie, zoals in de tenlastelegging is opgenomen. Uit het dossier blijkt enkel van een huidaantasting die kenmerken vertoont van een schimmelinfectie. De toezichthoudend dierenartsen hebben de runderen niet individueel onderzocht zodat niet vast is komen te staan dat daadwerkelijk sprake was van een schimmelinfectie.

Subsidiair is gesteld dat de enkele vaststelling dat op 11 februari 2014 sprake was van een huidinfectie onvoldoende is voor een bewezenverklaring van het opzettelijk onthouden van passende zorg, omdat onduidelijk is hoe deze infectie is ontstaan, hoe lang deze aanwezig was en welke behandeling of verzorging geïndiceerd zou zijn.

Bovendien blijkt niet dat enige verzorging van de huidaandoening noodzakelijk was, omdat deze vanzelf zou genezen.

Het hof stelt vast dat uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA zoals deze op 11 februari 2014 zijn gedaan, blijkt dat een heel groot gedeelte van de runderen in hok 1A kale plekken had, vooral op de rug, kop en flanken (pg. 77). De huidaantasting had de kenmerken van een huidinfectie. Uit de veterinaire verklaring, opgesteld door dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] , blijkt eveneens dat diverse runderen een huidaandoening hadden, lijkende op een (schimmel)infectie (pg. 97). Ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015 heeft [dierenarts B] verklaard dat zij klinische waarnemingen heeft gedaan op het bedrijf van de verdachte maar geen diagnoses heeft gesteld omdat het aan de praktiserend dierenarts is om diagnoses te stellen en met de veehouder aan de slag te gaan. Ook ter zitting van de rechtbank van 3 oktober 2016 heeft zij in die zin verklaard. Ook dierenarts [dierenarts A] heeft toen in die zin verklaard.

Het hof is van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen weliswaar volgt dat er aanwijzingen waren voor het bestaan van een huidinfectie, maar dat op grond van de aanwezige bewijsmiddelen niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de betreffende runderen daadwerkelijk leden aan een huidinfectie, zoals in de tenlastelegging is opgenomen. De enkele omstandigheid dat de runderen een huidaandoening hadden met kenmerken van een (schimmel)infectie, is daarvoor onvoldoende. Verdachte zal in zoverre dan ook worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 11 februari 2014 te [woonplaats verdachte] , gemeente [gemeente] als houder van runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- was de behuizing voor die dieren niet zodanig geconstrueerd en/of verkeerde die behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden en

- konden runderen niet over een schone en droge ligplaats beschikken en

- was het rund met het werknummer [werknummer 5] , welk rund ziek of gewond was, niet afgezonderd in een passend onderkomen.

2.
hij op 3 juni 2014 te [woonplaats verdachte] , gemeente [gemeente] , als houder van runderen, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers

- was de behuizing voor die dieren niet zodanig geconstrueerd en/of verkeerde die behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden en

- konden runderen niet over een schone en droge ligplaats beschikken en

- waren de runderen met het werknummer [werknummer 6] en [werknummer 7] en [werknummer 8] en [werknummer 9] en [werknummer 10] en [werknummer 11] en [werknummer 12] , welke runderen ziek of gewond waren, niet op passende wijze verzorgd en/of niet afgezonderd in een passend onderkomen en

- hadden ongeveer 30 runderen te lange klauwen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Volgens de advocaat-generaal gelden voor runderen in het algemeen wettelijke bepalingen waarin verzorgingsnormen zijn vastgesteld. Die normen zijn minimumnormen en gelden voor alle rassen runderen, ook voor het ras runderen dat verdachte heeft, Blonde d’Aquitaine.

Op grond van de door de rechtbank opgesomde bewijsmiddelen in het vonnis van 17 oktober 2016, de ter terechtzitting van de rechtbank afgelegde verklaringen van de dierenartsen en gedeeltelijk de verklaring van de verdachte, acht de advocaat-generaal het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje is gesteld dat het, gelet op de inhoud van de tenlastelegging – die enkel vermeldt: ‘behuizing en/of staat van onderhoud’ en niet ook de term ‘losse delen’ – enkel gaat om de waterbakken, de hekken en de steunvoet die omhoog zou staan in hok 2A. Uit het dossier volgt niet of en zo ja, hoe, de runderen zich aan deze delen zouden kunnen verwonden. Er zijn geen foto’s aanwezig waaruit zonder meer blijkt dat sprake is van scherpe delen terwijl van de hekken foto’s ontbreken.

In de veterinaire verklaring is de steunvoet niet genoemd in het kader van de aanwezigheid van ‘scherpe delen’ terwijl ten aanzien van de waterbakken sprake is van een gebrekkige verslaglegging omdat onduidelijk is waar deze zich precies bevonden. Gelet daarop kan niet worden bewezen dat de runderen zich daaraan konden verwonden.

Subsidiair, voor het geval het hof mocht oordelen dat de foto van de waterbakken op pg. 87 bovenaan ondersteunend is voor de bewezenverklaring van de scherpe delen, is gesteld dat niet is gebleken hoe lang de waterbakken al kapot zijn. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het onthouden van de nodige verzorging aan de runderen of dat verdachte op de hoogte was van die kapotte waterbakken.

Meer subsidiair is gesteld dat de waterbakken niet zodanig scherp waren dat feitelijk gevaar bestond voor het dierenwelzijn. De runderen van het ras Blonde d’Aquitaine willen zich bovendien graag kunnen krabben, zodat de aanwezigheid van de kapotte waterbakken het dierenwelzijn juist bevordert. Dierenarts [dierenarts C] heeft ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015 verklaard dat de behuizing niet direct gevaarlijk was en dat geen verwondingen zichtbaar waren die te relateren zijn aan de scherpe delen. De enkele omstandigheid dat runderen met wonden aan de huid zijn waargenomen is niet ondersteunend voor het bewijs, nu niet inzichtelijk is gemaakt op welke hoogte de scherpe delen zich zouden bevinden en op welke plek de runderen wonden zouden hebben. Bovendien zijn andere oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van de wonden, zoals bijvoorbeeld de hoorns van andere runderen.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje is gesteld dat het aantal van 256 runderen te onduidelijk is. Dat aantal kan niet worden bewezen nu wordt gerelateerd over een op de foto gezet gedeelte van hok 1A dat niet voldoet en over een percentage van 80% van de runderen dat niet over een droge en schone ligplaats zou kunnen beschikken. Hetgeen is gerelateerd kan niet worden gecontroleerd op grond van het dossier.

Voorts is gesteld dat niet blijkt dat volstrekt te weinig is ingestrooid. Juist het ras runderen dat verdachte houdt, Blonde d’Aquitaine, houdt er niet van om in een dik pak stro te liggen omdat het rund de warmte dan niet kwijt kan. Het rund zal dan op het beton gaan liggen en dat veroorzaakt klachten aan de poten van de runderen. Uit de waarneming van aangekoekte mest en het horen soppen in de stal volgt niet dat geen sprake is van een schone en/of droge ligplaats. Ook uit de foto’s volgt niet dat volstrekt te weinig is ingestrooid.

Tot slot is gesteld dat sprake was van een momentopname van de situatie waarin de runderen zich ten tijde van de controle bevonden. Verdachte beschikt over een strooiselstal waarbij sprake is van natte en droge delen, terwijl dierenarts [dierenarts C] heeft vastgesteld dat om 14.00 uur ’s middags voldoende was ingestrooid. Dit onderstreept het verweer in dit verband. Uit dit laatste volgt tevens dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk aan de runderen de nodige verzorging heeft onthouden.

De raadsman heeft ten aanzien van het vierde gedachtestreepje primair gesteld dat enkel is vastgesteld dat het rund met werknummer [werknummer 5] kreupel was op 11 februari 2014. Volgens de verdediging is die enkele vaststelling, zonder nadere onderbouwing over het ontstaan en de duur daarvan en welk gebrek in de verzorging daaraan ten grondslag ligt, onvoldoende om te stellen dat verdachte aan dat rund de nodige verzorging heeft onthouden.

Voorts is gesteld dat niet valt in te zien waarom kreupelheid van een rund met zich moet brengen dat het rund afgezonderd wordt in een ander onderkomen en dat het nalaten daarvan oplevert dat aan het rund de nodige verzorging is onthouden. Juist het ras runderen dat verdachte heeft, Blonde d’Aquitaine, geneest sneller wanneer het zich in een kudde bevindt.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje is gesteld dat dit verwijt blijkens het dossier ziet op afgebroken drinkbakken, meerdere hekken en de wanden in hok 2A. Niet kan worden vastgesteld dat deze onderdelen zodanig scherp waren dat runderen zich daaraan konden verwonden. De veterinaire verklaring beschrijft dit verwijt enkel in algemene zin. Van de hekken is bovendien geen foto gemaakt terwijl ten aanzien van de drinkbakken niet blijkt hoe lang deze al kapot waren. Niet kan worden bewezen dat daarmee de nodige verzorging aan de runderen werd onthouden. Bovendien blijkt niet dat verdachte van die gebreken op de hoogte was en dat hij opzet had.

Voorts is ten aanzien van de wand en de drinkbakken gesteld dat deze onderdelen niet dusdanig scherp zijn, dat daardoor feitelijk gevaar bestond voor het dierenwelzijn. De runderen van het ras Blonde d’Aquitaine willen zich bovendien graag kunnen krabben, zodat de aanwezigheid van onderdelen waaraan zij dat kunnen doen het dierenwelzijn juist bevordert. De enkele omstandigheid dat runderen met wonden aan de huid zijn waargenomen is niet ondersteunend voor het bewijs, nu niet inzichtelijk is gemaakt op welke hoogte de scherpe delen zich zouden bevinden en op welke plek de runderen wonden zouden hebben. Bovendien zijn andere oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van de wonden, zoals bijvoorbeeld de hoorns van andere runderen.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje is gesteld dat hetgeen is gerelateerd niet kan worden gecontroleerd op grond van het dossier. Het fotomateriaal op pg. 215 is bovendien niet ondersteunend voor het bewijs.

Primair is gesteld dat niet blijkt dat volstrekt te weinig is ingestrooid. Juist het ras runderen dat verdachte houdt, Blonde d’Aquitaine, houdt er niet van om in een dik pak stro te liggen omdat het rund de warmte dan niet kwijt kan. Het rund zal dan op het beton gaan liggen en dat veroorzaakt klachten aan de poten van de runderen. Uit de waarneming van aangekoekte mest en het horen soppen in de stal volgt niet dat geen sprake is van een schone en/of droge ligplaats. De foto’s ondersteunen de bevindingen in het dossier bovendien niet, zoals ook blijkt uit de verklaring van dierenarts [dierenarts A] ter zitting van de rechtbank van 3 oktober 2016.

Subsidiair is gesteld dat sprake was van een momentopname van de situatie waarin de runderen zich ten tijde van de controle bevonden. Verdachte beschikt over een strooiselstal waarbij sprake is van natte en droge delen. Dit onderstreept het verweer in dit verband. Uit dit laatste volgt tevens dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk aan de runderen de nodige verzorging heeft onthouden.

De raadsman heeft ten aanzien van het derde gedachtestreepje betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de 7 in de tenlastelegging genoemde runderen is enkel vastgesteld dat deze kreupel waren op 3 juni 2014. Volgens de verdediging is die enkele vaststelling, zonder nadere onderbouwing over het ontstaan en de duur daarvan en welk gebrek in de verzorging daaraan ten grondslag ligt, onvoldoende om te stellen dat verdachte aan die runderen de nodige verzorging heeft onthouden.

Voorts is gesteld dat niet valt in te zien waarom kreupelheid van een rund met zich moet brengen dat het rund afgezonderd wordt in een ander onderkomen en dat het nalaten daarvan oplevert dat aan het rund de nodige zorg is onthouden. Juist het ras runderen dat verdachte heeft, Blonde d’Aquitaine, geneest sneller wanneer het zich in een kudde bevindt.

Voor wat betreft het vierde gedachtestreepje is naar voren gebracht dat onduidelijk is op welke runderen dit ziet. Ondersteunend fotomateriaal ontbreekt terwijl de door de rechtbank genoemde foto’s op pg. 259 zien op 24 juni 2014 en niet op de ten laste gelegde datum van 3 juni 2014. Niet blijkt dat de klauwen te lang zijn, te meer gelet op de verklaring van dierenarts [dierenarts C] ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015.

Subsidiair is gesteld dat het enkel hebben van te lange klauwen niet zonder meer leidt tot de conclusie dat de nodige verzorging aan een dier is onthouden. De noodzaak tot bekappen bestaat bovendien niet in de stal van de verdachte, waar de dieren op het beton kunnen lopen en de hoeven op natuurlijke wijze afslijten. Dierenarts [dierenarts C] heeft in dat verband tegenover de rechtbank verklaard dat bekapping in algemene zin niet zonder meer noodzakelijk is, maar dat gekeken dient te worden of een dier moeizaam loopt of niet. Uit het dossier volgt niet dat alle in de tenlastelegging genoemde 30 runderen hinder ondervonden. Zowel de toezichthouders als in de veterinaire verklaring wordt onderscheid gemaakt tussen runderen met lange tenen, de moeizaam lopende runderen en de kreupele runderen. Het kreupel lopen kan volgens dierenarts [dierenarts B] bovendien ook andere oorzaken hebben dan enkel het hebben van lange klauwen.

Uiterst subsidiair is betoogd dat in de tenlastelegging geen concreet verwijt wordt gemaakt, nu niet blijkt op welk gebrek in de verzorging het hebben van te lange klauwen zou duiden en niet blijkt welk handelen is nagelaten. Ook gelet hierop kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt, voor zover door de verdediging bij meerdere onderdelen van de tenlastelegging is gesteld dat van overtreding van de GWWD geen sprake is omdat het specifieke ras runderen dat verdachte houdt, Blonde d’Aquitaine, een ander soort verzorging vraagt, voorop dat voor de juistheid van die stelling geen begin van een aanwijzing te vinden is in het dossier. In de wetgeving is geen uitzondering gemaakt voor Blonde d’Aquitaine runderen voor zover het de verzorging betreft terwijl uit de verklaringen die de toezichthoudende dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] hebben afgelegd evenmin blijkt dat dit specifieke ras een andere verzorging behoeft dan andere runderen. Integendeel, dierenarts [dierenarts B] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 14 april 2015 in dit verband verklaard: “Ik ben dierenarts en heb als specialisatie herkauwers gedaan. Daarin komt ook het ras Blonde d’Aquitaine aan bod. Het is een vleesras. Het is verder een rund zoals ieder ander rund. De fysiologie is hetzelfde. De raskenmerken hebben meer met de vleeskenmerken en de genetica te maken. Bekapping is aan de orde als de klauwen te lang worden. Het ras dat verdachte heeft wordt in het algemeen minder vaak bekapt. Als het ras buiten gehouden wordt, is er meer slijtage en zijn te lange klauwen minder een probleem. Als het dier hinder heeft als het bijvoorbeeld te lange tenen heeft moet het wel bekapt worden.”

Uit de verklaring van dierenarts [dierenarts A] ter terechtzitting van de rechtbank van 3 oktober 2016 blijkt voorts dat scherpe delen niet in de huisvesting van dieren horen, ook niet bij het ras Blonde d’Aquitaine en dat ook andere runderrassen dan de Blonde d’Aquitaine kuddedieren zijn en dat zij ook afgezonderd moeten worden bij ziekte. Daarbij kan een rund ook samen met een ander ziek rund geplaatst worden zodat er toch contact is met andere dieren.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat het ras van de door de verdachte gehouden runderen zodanig bijzondere, specifieke kenmerken bezit dat daardoor moet worden afgeweken van de algemene normen die gelden voor een goede verzorging van dieren. Zo behoren ook runderen van het ras Blonde d’Aquitaine te worden afgezonderd indien zij ziek dan wel gewond zijn. Ook voor deze runderen geldt dat indien de klauwen niet op natuurlijke wijze kunnen afslijten, deze tijdig bekapt dienen te worden en dat ook deze runderen niet behoren te worden blootgesteld aan het gevaar van verwondingen door de aanwezigheid van scherpe randen of uitsteeksels. Ook dienen de runderen over een schone en droge ligplaats te kunnen beschikken. Het hof is dan ook van oordeel dat de in dit verband gevoerde verweren niet kunnen slagen.

Voorts geldt dat het hof bij de beoordeling van het ten laste gelegde geloof hecht aan de bevindingen die de ambtenaren van de NVWA en de toezichthoudende dierenartsen hebben gedaan op het bedrijf van de verdachte en de verklaringen die deze dierenartsen daarover in eerste aanleg tegenover de rechtbank hebben afgelegd. Het hof heeft geen reden om aan die bevindingen te twijfelen en heeft deze dan ook als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van het ten laste gelegde. De enkele stelling van de verdachte dat het ras runderen dat hij houdt op bovengenoemde punten gebaat is bij een andere verzorging is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen in dit verband, nu niet is gebleken dat die stelling van de verdachte op juistheid berust.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Voor wat betreft het eerste gedachtestreepje is het hof van oordeel dat uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA genoegzaam volgt dat de runderen in stal 1 in hok 1A zich aan het in het hok aanwezige scherpe stuk ijzerdraad, de scherpe stukken afgebroken hout en de afgebroken delen van waterbakken met scherpe randen konden verwonden (pg. 77). Aan de hekken zaten diverse verbogen en losse en scherpe delen waaraan de dieren zich eveneens konden verwonden (pg. 78). In stal 2 lagen in hok 2A en 2B afgebroken stukken hout en een stuk ijzerdraad. In hok 2A stak een metalen steunvoet van het hek schuin omhoog in de huisvesting van de runderen. De dieren konden zich aan deze losse en scherpe delen verwonden.

Voorts volgt uit de veterinaire verklaring van dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] dat in enkele verblijven scherpe randen van restanten van drinkbakken, een los en verbogen stuk hekwerk en omgebogen scherpe punten van plaatwerk aan een muur aanwezig waren (pg. 96 en 97). Geconstateerd is tevens dat de runderen zich aan de behuizing konden verwonden.

Het hof verwerpt de stelling van de raadsman dat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat in de hokken ‘scherpe delen’ aanwezig waren zodat de constatering dat bijvoorbeeld ijzerdraad en stukken afgebroken hout aanwezig waren niet kan meewegen voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde. In de tenlastelegging is niet alleen opgenomen dat de behuizing niet zodanig was geconstrueerd dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden, maar ook dat de behuizing niet in een zodanige staat van onderhoud verkeerde dat dat er geen scherpe randen of uitsteeksels waren die de dieren konden verwonden. Het niet in de juiste staat van onderhoud verkeren van de behuizing omvat tevens het niet verwijderen van losse, scherpe voorwerpen, zoals bijvoorbeeld ijzerdraad of scherpe stukken hout waaraan de dieren zich kunnen verwonden.

Anders dan de raadsman heeft gesteld staat de omstandigheid dat geen foto’s aanwezig zijn van de alle geconstateerde gebreken niet aan een bewezenverklaring in de weg. Uit de bevindingen van de ambtenaren en van de dierenartsen volgt immers het bewijs van het ten laste gelegde. Eveneens anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat in de veterinaire verklaring geen sprake is van een gebrekkige verslaglegging, omdat daarin niet de steunvoet wordt genoemd en daaruit niet volgt waar de drinkbakken zich exact bevonden. Uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA volgt immers dat werd gezien dat de gebrekkige steunvoet aanwezig was, terwijl niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging wordt belegd door twee bewijsmiddelen. Voorts geldt dat zowel de ambtenaren van de NVWA als de dierenartsen de afgebroken drinkbakken hebben gezien en dit hebben gerelateerd. Het hof heeft geen reden om aan die waarnemingen en bevindingen te twijfelen.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de raadsman geldt dat, om tot een bewezenverklaring te komen, niet is vereist dat uit het dossier volgt hoe lang de drinkbakken al kapot waren. Daarvoor is voldoende dat dit het geval was ten tijde van de controle. Anders dan is gesteld door de raadsman kan het niet anders dan dat verdachte van de kapotte drinkbakken op de hoogte was, nu uit het onderzoek volgt dat verdachte dagelijks de stallen bezocht en op de hoogte moet zijn geweest van de staat van onderhoud van de behuizing van de runderen.

Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt van de raadsman verwijst het hof naar hetgeen hiervóór is overwogen met betrekking tot de, niet van andere runderen afwijkende, verzorgingsvereisten die kunnen worden gesteld voor houders van het ras Blonde d’Aquitaine. Voorts is het hof van oordeel dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat de runderen zich ook daadwerkelijk aan die behuizing hebben verwond zoals de raadsman lijkt te veronderstellen; voldoende is dat de runderen zich daaraan kunnen verwonden. Dat dit het geval was volgt in het bijzonder uit de veterinaire verklaring van [dierenarts A] en [dierenarts B] waarin is opgenomen dat de aanwezige dieren een reëel risico liepen zich te verwonden (pg. 98). Niet relevant in dat verband is dat de verwondingen van runderen eventueel ook door andere oorzaken zouden kunnen ontstaan. Het verweer faalt.

Voor wat betreft het tweede gedachtestreepje overweegt het hof dat bewezen is verklaard dat ‘runderen niet konden beschikken over een droge en schone ligplaats’, nu het hof, met de raadsman, van oordeel is dat het dossier te weinig aanknopingspunten biedt om een exact aantal runderen te noemen.

Ten aanzien van de primaire stelling van de raadsman verwijst het hof hetgeen hiervóór is overwogen met betrekking tot de, niet van andere runderen afwijkende, verzorgingsvereisten die kunnen worden gesteld voor houders van het ras Blonde d’Aquitaine. Het hof is voorts van oordeel dat uit de waarnemingen van de ambtenaren van de NVWA, de bevindingen van dierartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] en hun verklaringen ter zitting van de rechtbank op 14 april 2015 ( [dierenarts B] ) en 3 oktober 2016 ( [dierenarts A] ) genoegzaam volgt dat onvoldoende was ingestrooid. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre weerlegd door die bewijsmiddelen. Dat volgens de raadsman op de foto’s niet is te zien dat volstrekt te weinig is ingestrooid doet daaraan niet af, gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen.

Voor zover de raadsman subsidiair heeft willen stellen dat niet kan worden bewezen verklaard dat te weinig is ingestrooid indien dat enkel op één dag is geconstateerd, faalt dat verweer. Ook wanneer slechts op één moment is geconstateerd dat te weinig is ingestrooid, kan immers tot een bewezenverklaring worden gekomen. Dat dierenarts [dierenarts C] op een ander moment heeft geconstateerd dat wel voldoende was ingestrooid doet niet af aan de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen.

Daar komt bij dat deze subsidiaire stelling van de raadsman wordt weerlegd door de verklaring die dierenarts [dierenarts B] ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015 heeft afgelegd. [dierenarts B] heeft verklaard dat ook een strooiselstal voldoende ingestrooid kan zijn zodat alle dieren een schone en droge ligplaats kunnen hebben. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij op verschillende tijdstippen aanwezig is geweest op het bedrijf van de verdachte en dat zij meermalen constateerde dat onvoldoende was ingestrooid. Dat hiervan sprake was wordt bovendien bevestigd door de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in onderhavige zaak, waarbij feit 1 plaatsvond op 11 februari 2014 en het andere feit op 3 juni 2014 is geconstateerd.

Voor wat betreft het vierde gedachtestreepje overweegt het hof als volgt. Uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA volgt dat het magere rund met werknummer [werknummer 5] kreupel was aan zijn linker achterpoot en dat uit een hoornaanzet pus kwam (pg. 78).

Ook uit de veterinaire verklaringen van dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] blijkt dit (pg. 97). Dierenarts [dierenarts A] heeft ter terechtzitting van de rechtbank van 3 oktober 2016 verklaard dat, hoewel runderrassen kuddedieren zijn, zij in geval van ziekte of verwondingen toch afgezonderd dienen te worden. Voor runderen van het ras Blonde d’Aquitaine is dit niet anders. Het ten laste gelegde kan gelet op voornoemde bewijsmiddelen worden bewezen.

Anders dan de raadsman heeft gesteld is het niet aan de NVWA om vast te stellen wat de oorzaak en duur is van de kreupelheid van een bepaald rund en van welk gebrek in de verzorging sprake is. De enkele vaststelling dat een bepaald rund kreupel is en niet op passende wijze wordt verzorgd en/of niet is afgezonderd in een passend onderkomen, terwijl is gesteld noch gebleken dat voor dat rund diergeneeskundige bijstand is of zal worden verleend, is voldoende voor de bewezenverklaring dat aan dat dier de nodige verzorging is onthouden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Voor wat betreft het eerste gedachtestreepje geldt dat de ambtenaren van de NVWA op 3 juni 2014 hebben geconstateerd dat in meerdere hokken losse en scherpe delen aanwezig waren waar de runderen in deze hokken zich aan kunnen verwonden. In hok 1A zagen de ambtenaren twee afgebroken drinkbakken met scherpe randen en in de uitloop behorende bij hok 2A zagen zij 4 beschadigde en/of afgebroken drinkbakken met scherpe randen. Meerdere hekken die dienden als afscheiding van de hokken, te weten in hok 1C, D, E, en F hadden losse en scherpe delen. Verder waren de wanden van hok 2A en de daarbij behorende uitloop onder het aangrenzende afdak op meerdere plaatsen beschadigd. Op meerdere plaatsen waren er daardoor scherpe randen (pg. 207).

Uit de veterinaire verklaring van dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] volgt eveneens dat zij op 3 juni 2014 zagen en voelden dat in enkele verblijven scherpe en/of losse delen aanwezig waren waar de runderen zich aan konden verwonden. Dat betrof drie afgebroken drinkbakken en beschadigde wanden/golfplaten (pg. 223). De dieren liepen een reëel risico zich aan de scherpe en losse delen in de verblijven te verwonden (pg. 225).

Anders dan de raadsman heeft gesteld staat de omstandigheid dat geen foto’s aanwezig zijn van hekken niet aan een bewezenverklaring in de weg. Uit de bevindingen van de ambtenaren en van de dierenartsen volgt immers het bewijs van het ten laste gelegde, terwijl niet is vereist dat daaruit blijkt hoe lang de beschadigingen al bestonden. Het hof heeft geen reden aan de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA en de dierenartsen te twijfelen.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de raadsman geldt dat het niet anders kan dan dat verdachte van de geconstateerde scherpe delen en gebreken op de hoogte was, nu uit het dossier volgt dat verdachte daarop tijdens een eerdere controles ook is gewezen en verdachte dagelijks de stallen bezocht en op de hoogte moet zijn geweest van de staat van onderhoud van de behuizing van de runderen.

Ten aanzien van het meer subsidiaire standpunt van de raadsman verwijst het hof naar hetgeen hiervóór is overwogen met betrekking tot de, niet van andere runderen afwijkende, verzorgingsvereisten die kunnen worden gesteld voor houders van het ras Blonde d’Aquitaine. Voorts is het hof van oordeel dat voor een bewezenverklaring niet is vereist dat de runderen zich ook daadwerkelijk aan die behuizing hebben verwond zoals de raadsman lijkt te veronderstellen; voldoende is dat de runderen zich daaraan kunnen verwonden. Dat dit het geval was volgt uit de door de aanwezige bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de veterinaire verklaring van [dierenarts A] en [dierenarts B] waarin is opgenomen dat de aanwezige dieren een reëel risico liepen zich te verwonden (pg. 225). Niet relevant in dat verband is dat de verwondingen van runderen eventueel ook door andere oorzaken zouden kunnen ontstaan. Het verweer faalt.

Voor wat betreft het tweede gedachtestreepje overweegt het hof dat bewezen is verklaard dat ‘runderen niet konden beschikken over een droge en schone ligplaats’, nu het hof, met de raadsman, van oordeel is dat het dossier te weinig aanknopingspunten biedt om een exacte aantal runderen te noemen.

Uit de waarnemingen van de ambtenaren van de NVWA, de bevindingen van dierartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] zoals weergegeven in de veterinaire verklaring en hun verklaringen ter zitting van de rechtbank op 14 april 2015 ( [dierenarts B] ) en 3 oktober 2016 ( [dierenarts A] ) genoegzaam volgt dat onvoldoende was ingestrooid in de stallen van de verdachte. Uit de veterinaire verklaring volgt weliswaar dat in de stallen relatief (er waren minder dieren aanwezig) meer was ingestrooid dan tijdens eerdere controles het geval was, maar dat het desondanks onvoldoende was (pg. 223). De primaire stelling van de raadsman, inhoudende dat niet blijkt dat onvoldoende was ingestrooid, wordt door voornoemde bewijsmiddelen weerlegd. Ten aanzien van de stelling dat juist het ras runderen dat de verdachte houdt, Blonde d’Aquitaine, een minder ingestrooide stal behoeft verwijst het hof hetgeen hiervóór is overwogen met betrekking tot de, niet van andere runderen afwijkende, verzorgingsvereisten. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre weerlegd door die bewijsmiddelen. Dat volgens de raadsman op de foto’s niet is te zien dat volstrekt te weinig is ingestrooid doet daaraan niet af, gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen.

Voor zover de raadsman subsidiair heeft willen stellen dat niet kan worden bewezen verklaard dat te weinig is ingestrooid indien dat enkel op één dag is geconstateerd, faalt dat verweer. Ook wanneer slechts op één moment is geconstateerd dat te weinig is ingestrooid, kan immers tot een bewezenverklaring worden gekomen.

Daar komt bij dat deze subsidiaire stelling van de raadsman wordt weerlegd door de verklaring van die dierenarts [dierenarts B] ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015 heeft afgelegd. [dierenarts B] heeft verklaard dat zij op verschillende tijdstippen aanwezig is geweest op het bedrijf van de verdachte en dat zij meermalen heeft geconstateerd dat de stallen onvoldoende waren ingestrooid. Dat geen sprake was van een momentopname wordt bovendien bevestigd door de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in onderhavige zaak, waarbij feit 1 plaatsvond op 11 februari 2014 en het andere feit op 3 juni 2014 is geconstateerd.

De stelling van de verdediging dat verdachte een strooiselstal heeft waarbij sprake is van natte en droge delen doet aan het voorgaande niet af. [dierenarts B] heeft daarover ter zitting van de rechtbank van 14 april 2015 verklaard dat ook een strooiselstal voldoende ingestrooid kan zijn zodat alle dieren een schone en droge ligplaats kunnen hebben. Dit was bij verdachte echter niet het geval. Het hof gaat daarom aan deze stellingen van de verdachte voorbij.

De raadsman heeft over dit onderdeel ten slotte gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk aan de runderen de nodige verzorging heeft onthouden door onvoldoende in te strooien. Het hof stelt echter vast dat de dierenartsen in hun veterinaire verklaring onder meer hebben opgenomen dat door de slechte huisvesting en het afwezig/niet controleerbaar zijn van een goed management ten aanzien van onder meer hygiëne de dieren op dit bedrijf in hun normaal gedrag worden beperkt. De conclusie van de dierenartsen in dit verband luidt dat de dieren niet de zorg kregen die zij redelijkerwijs behoeven en dat die zorg van een dierhouder in alle redelijkheid wel verwacht mag worden (pg. 226). Uit die vaststelling, bezien in het licht van de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA en van de dierenartsen, volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte opzettelijk de nodige verzorging heeft onthouden aan de runderen door zijn (inrichting van de) huisvesting niet op orde te hebben. Uit het dossier volgt dat verdachte eerder is gewezen op de geconstateerde omissies, zodat het niet anders kan dan dat hij daarvan weet moet hebben gehad.

Voor wat betreft het derde gedachtestreepje volgt uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA dat het rund met werknummer [werknummer 6] erg kreupel was aan zijn rechter achterpoot. Het rund stond met die poot opgetrokken en kon of wilde die poot niet belasten. Het rund had zichtbaar pijn en kon zich niet goed handhaven in de groep. Het gewonde en/of ziek rund had passend verzorgd en gehuisvest moeten worden. De runderen met de werknummers [werknummer 7] , [werknummer 8] , [werknummer 9] , [werknummer 10] , [werknummer 11] en [werknummer 12] waren zo ernstig kreupel dat ze apart, passend gehuisvest en verzorgd hadden moeten worden (pg. 206).

Ook uit de veterinaire verklaring van dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] blijkt dat meerdere kreupele runderen verbleven in de groep en dat zij niet afgezonderd waren in bijvoorbeeld een ziekenboeg (pg. 223). Door de slechte huisvestging en het afwezig/niet controleerbaar zijn van een goed management ten aanzien van onder meer medische gebreken worden de dieren op dit bedrijf in hun normaal gedrag beperkt. De conclusie van de dierenartsen in dit verband luidt dat de dieren niet de zorg kregen die zij redelijkerwijs behoeven en dat die zorg van een dierhouder in alle redelijkheid wel verwacht mag worden (pg. 226).

Anders dan de raadsman heeft gesteld is het niet aan de NVWA om vast te stellen wat de oorzaak en duur is van de kreupelheid van een bepaald rund en door welk gebrek aan de verzorging de kreupelheid veroorzaakt is. De vaststelling dat een bepaald rund kreupel is en niet op passende wijze wordt verzorgd en/of niet is afgezonderd in een passend onderkomen, terwijl is gesteld noch gebleken dat voor dat rund diergeneeskundige bijstand is of zal worden verleend, is voldoende voor de bewezenverklaring dat aan dat dier de nodige verzorging is onthouden. Het hof wijst op de hiervoor aangehaalde conclusie die de dierenartsen hebben getrokken naar aanleiding van hun bevindingen op het bedrijf van de verdachte en die is opgenomen op pg. 226 van het dossier.

Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat hij niet inziet dat een dier bij kreupelheid afgezonderd moet worden wijst het hof, behalve op voornoemde bewijsmiddelen, nog op de verklaring die dierenarts [dierenarts A] ter terechtzitting van de rechtbank van 3 oktober 2016 heeft afgelegd en die inhoudt runderen kuddedieren zijn, maar in geval van ziekte of verwondingen toch afgezonderd dienen te worden. Voor runderen van het ras Blonde d’Aquitaine is dit niet anders. Daarnaast verwijst het hof in dit verband naar hetgeen hiervóór is vooropgesteld over de verzorging van dit specifieke ras runderen.

Voor wat betreft het vierde gedachtestreepje volgt uit de bevindingen van de ambtenaren van de NVWA dat zij zagen dat een groot aantal runderen, waarvan zij er 30 hebben geteld, in de hokken lang doorgegroeide klauwen had (pg. 206).

Uit de veterinaire verklaring van dierenartsen [dierenarts A] en [dierenarts B] volgt eveneens dat er 30 runderen waren met te lange klauwen (pg. 224). Door de slechte huisvesting en het afwezig/niet controleerbaar zijn van een goed management ten aanzien van onder meer klauwen worden de dieren op dit bedrijf in hun normaal gedrag beperkt. De conclusie van de dierenartsen in dit verband luidt dat de dieren niet de zorg kregen die zij redelijkerwijs behoeven en dat die zorg van een dierhouder in alle redelijkheid wel verwacht mag worden (pg. 226). In die verklaring is op pg. 227 bovendien opgenomen dat bij klauwproblemen deskundig bekapt moeten worden.

Voorts heeft dierenarts [dierenarts B] ter zitting van de rechtbank op 14 april 2015 in dit verband verklaard dat bekapping van het ras runderen dat verdachte houdt aan de orde is als de klauwen te lang worden. Het ras dat verdachte heeft wordt in het algemeen minder vaak bekapt. Als het ras buiten gehouden wordt, is er meer slijtage en zijn te lange klauwen minder een probleem. Als het dier hinder heeft als het bijvoorbeeld te lange tenen heeft moet het wel bekapt worden.

Dierenarts [dierenarts A] heeft ter zitting van de rechtbank van 3 oktober 2016 bovendien verklaard dat de dieren kreupel liepen en dat ook runderen van het ras Blonde d’Aquitaine in dat geval bekapt dienen te worden.

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde op grond van deze bewijsmiddelen bewezen kan worden. Dat ondersteunend fotomateriaal ontbreekt doet daaraan niet af.

De subsidiaire stelling van de raadsman dat het enkel hebben van te lange klauwen niet zonder meer leidt tot de conclusie dat de nodige verzorging aan een dier is onthouden, wordt weerlegd door voornoemde bewijsmiddelen, in het bijzonder door de hiervoor aangehaalde conclusie die de dierenartsen hebben getrokken naar aanleiding van hun bevindingen op het bedrijf van de verdachte en die is opgenomen op pg. 226 van het dossier.

Daar komt bij dat is gesteld noch gebleken dat de runderen voortdurend of tijdens de controle op 3 juni 2014 buiten liepen zodat te lange klauwen minder een probleem zouden zijn. Geconstateerd is dat 30 dieren te lange klauwen hadden; anders dan de raadsman heeft gesteld is niet vereist dat per dier wordt vastgesteld of een dier daardoor moeilijk liep. De constatering dat de klauwen te lang zijn, dat tijdig bekapt had moeten worden en dat de nodige verzorging aan de dieren is onthouden door dit niet te doen is voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Dat kreupelheid ook een andere oorzaak kan hebben dan enkel te lange tenen doet daaraan niet af. Het verweer van de raadsman stuit daar op af.

Ten aanzien van de ingenomen uiterst subsidiaire stelling dat niet blijkt op welk gebrek in de verzorging het hebben van te lange klauwen zou duiden en niet blijkt welk handelen is nagelaten geldt dat uit het dossier genoegzaam naar voren komt (bijvoorbeeld in de hiervóór aangehaalde conclusie van de dierenartsen in de veterinaire verklaring op pg. 226 alsook op pg. 227 waar is opgenomen dat klauwproblemen deskundig bekapt moeten worden) dat verdachte de desbetreffende dieren tijdig had moeten bekappen en dat het nalaten daarvan een gebrek in de verzorging oplevert.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft in het requisitoir gesteld dat huisvesting maar één van de elementen betreft die het welzijn voor gehouden dieren kan bepalen. De zorg voor dieren moet daarnaast bijvoorbeeld behelzen: voedsel, medicijnen, verzorging door professionals, diergeneeskundige bijstand, watervoorziening en inrichting van de melkerij. Het onthouden van zorg kan derhalve eveneens verschillende gedragingen betreffen. In de tenlastelegging zijn onder de verschillende gedachtestreepjes verschillende gedragingen opgenomen die de verfeitelijking betreffen van hetgeen aan de verdachte wordt verweten. Bovendien kwalificeert het samenstel van gedragingen als overtreding van artikel 37 GWWD. Zelfs als één van de gedachtestreepjes niet bewezen kan worden doet dit niet aan het voorgaande af. Volgens de advocaat-generaal is er geen reden verdachte van alle rechtsvervolging te ontslaan.

Bij repliek heeft de advocaat-generaal hier nog aan toegevoegd dat uit de nota van toelichting van de GWWD niet blijkt dat artikel 35 is aan te merken als lex specialis.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1, eerste gedachtestreepje en feit 2, eerste gedachtestreepje betoogd dat de rechtbank deze ten laste gelegde gedragingen ten onrechte heeft aangemerkt als overtreding van artikel 37 GWWD. Volgens de raadsman levert de aanwezigheid van scherpe delen niet het onthouden van de nodige zorg als bedoeld in dit artikel op, omdat het ‘onthouden van de nodige zorg’ bij uitstek een omissiedelict is waarbij de houder van dieren actief verzuimt dieren afdoende verzorging te bieden. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Bovendien zijn omtrent de inrichting van de hokken in het Besluit Welzijn Productiedieren dat tot 1 juli 2014 geldig was, in artikel 5, vierde lid, regels gesteld. Dit Besluit is een uitwerking van het bepaalde in de artikelen 35, 38, 45 en 111 GWWD. Overtreding van artikel 35 GWWD was zelfstandig strafbaar gesteld onder artikel 1 sub 4 van de Wet op de Economische Delicten (WED). Het voornoemd Besluit is dan ook aan te merken als een (systematische) lex specialis ten opzichte van de algemene norm van artikel 37 GWWD. De gedragingen kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als overtreding van de algemene norm van artikel 37 GWWD, zodat verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden.

Het oordeel van het hof

De regelgeving die bij de bespreking van het kwalificatieverweer van toepassing is, luidde, ten tijde van het ten laste gelegde en voor zover thans van belang, als volgt.

Artikel 37 van de GWWD:

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Overtreding van artikel 37 GWWD wordt op grond van artikel 121 en 122 GWWD aangemerkt als een misdrijf en bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie.

Artikel 35 GWWD:

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze waarop dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren mogen worden gehouden.

2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. het vastleggen of aangebonden houden van dieren;

b. het gescheiden houden van dieren van verschillende leeftijd, geslacht of soort;

c. de ruimte waarover dieren moeten kunnen beschikken.

Overtreding van artikel 35 GWWD wordt op grond van artikel 121 en 122 GWWD aangemerkt als een overtreding en, voor zover de gedragingen plaatsvinden anders dan in de uitoefening van een bedrijf waarop voorschriften gesteld op grond van artikel 45 GWWD van toepassing zijn, bestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.

Artikel 45 GWWD:

  1. Onverminderd het bepaalde krachtens artikel 35 kunnen bij algemene maatregel van bestuur voor daarbij aan te wijzen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen worden gesteld omtrent de huisvesting van dieren.

  2. De krachtens het eerste lid gestelde regelen kunnen onder meer betrekking hebben op:

- de afmetingen en uitvoeringen van kooien, hokken en stallen alsmede hun vormgeving;

- de aard van de wanden en van het vloer- en grondoppervlak van kooien, hokken en stallen, in het bijzonder de daarvoor te gebruiken materialen;

- de inrichting van kooien, hokken en stallen, in het bijzonder de daarin aan te brengen voeder- en drinkwatervoorzieningen alsook voorzieningen die het voor de dieren mogelijk maken om soorteigen gedrag te ontplooien;

- de verlichting, luchtverversing en verwarming van kooien, hokken en stallen;

- de aanwezigheid en de aard van afrasteringen;

- de voorzieningen binnen huisvestingssystemen.

Het Besluit Welzijn productiedieren, artikel 5, 4e lid (hierna: het Besluit):

4. Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

Overtreding van het krachtens artikel 45 GWWD gestelde wordt op grond van artikel 1 onder 4° van de Wet op de Economische Delicten (WED) aangemerkt als economisch delict. Ingevolge artikel 2 lid 4 WED betreft het een overtreding die ingevolge artikel 6 lid 1 onder 4° WED wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden, taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.

Het hof verwerpt de stelling van de verdediging dat artikel 37 GWWD bij uitstek een omissiedelict is waarbij de houder van dieren actief verzuimt dieren afdoende verzorging te bieden, waarvan in dit geval geen sprake is. Immers, door het nalaten om te handelen kan aan een dier de nodige verzorging worden onthouden.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat ten aanzien van de in feit 1, eerste gedachtestreepje en feit 2, eerste gedachtestreepje, opgenomen gedraging, overtreding van artikel 35 GWWD ten laste had moeten worden gelegd in verbinding met artikel 5, 4e lid van het Besluit, nu dit artikel een systematische lex specialis is ten opzichte van de in artikel 37 GWWD neergelegde generalis. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat niet artikel 35 GWWD in verbinding met artikel 5, 4e lid van het Besluit is aan te merken als lex specialis van artikel 37 GWWD, maar artikel 45 GWWD in verbinding met artikel 5, 4e lid van het Besluit.

Het hof stelt vast dat het bij artikel 45 GWWD in verbinding met artikel 5, 4e lid van het Besluit opgenomen delict niet alle bestanddelen bevat van het bij artikel 37 GWWD strafbaar gestelde feit, terwijl ook in de wettekst of de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de opvatting dat artikel 45 GWWD in verbinding met artikel 5, 4e lid van het Besluit niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling ten opzichte van artikel 37 GWWD. Voorts geldt dat de artikelen verschillende rechtsbelangen beogen te beschermen.1 Artikel 37 GWWD betreft immers een breder verbod, waarbij de verzorging van dieren centraal staat. Die verzorging omvat, ook blijkens het dossier, meerdere elementen zoals de water- en voervoorziening, de huisvesting en medische zorg, terwijl artikel 45 GWWD in verbinding met het Besluit enkel ziet op de huisvesting van productiedieren. De samenhang tussen enerzijds de bewezenverklaring van de onder feit 1 onder het eerste gedachtestreepje en feit 2 onder het eerste gedachtestreepje opgenomen gedragingen en anderzijds de overige bewezenverklaarde gedragingen, leidt tot de conclusie dat verdachte in dit geval de nodige zorg heeft onthouden aan zijn dieren, zoals bedoeld in artikel 37 GWWD. Dat één van die gedragingen (ook) zelfstandig zou kunnen worden ten laste gelegd doet daaraan niet af. Het hof verwerpt het verweer om die reden.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De raadsman heeft het hof verzocht in straf verminderende zin rekening te houden met de volgende omstandigheden:

  • -

    Het bedrijf van de verdachte is gekrompen tot een vierde deel voor wat betreft het aantal Blonde d’Aquitaine runderen.

  • -

    Na de vorige zitting hebben geen nieuwe controles plaatsgevonden.

  • -

    Verdachte is reeds gekort op de subsidie naar aanleiding van de bevindingen op 11 februari 2014 en 3 juni 2014, waardoor hij feitelijk al gestraft is.

  • -

    Over de zaak is in negatieve zin bericht door de media.

  • -

    Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn, in ieder geval in eerste aanleg.

Het hof overweegt het volgende.

Verdachte, veehouder, heeft de nodige verzorging aan zijn runderen onthouden. De verdachte heeft daarbij niet voldoende oog gehad voor de gezondheid en het welzijn van die dieren. Uit het dossier komt naar voren dat de ten laste gelegde feiten hebben kunnen plaatsvinden omdat de bedrijfsvoering structureel gebreken vertoont. Verdachte heeft op geen enkele wijze meegewerkt aan een oplossing. Hij wenst niet te communiceren met medewerkers van de NVWA en hij blijft, overtuigd van zijn gelijk, doorgaan met zijn wijze van bedrijfsvoering, zonder vatbaar te zijn voor andere standpunten daaromtrent. Ter terechtzitting van het hof is opnieuw gebleken dat verdachte niet ontvankelijk is voor kritiek van welke aard dan ook. Het hof heeft bij de strafoplegging voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 juni 2018, reeds eerder is veroordeeld voor feiten die verband houden met zijn bedrijf(svoering).

Het hof is tot een enigszins beperktere bewezenverklaring gekomen dan de rechtbank, nu niet is bewezen verklaard dat 100 runderen een huidinfectie hadden en dat zij niet op passende wijze werden verzorgd of dat voor hen een dierenarts was geraadpleegd, zoals onder 1, derde gedachtestreepje, is ten laste gelegd.

Dit is op zichzelf echter geen reden om een lagere of andere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de halsstarrige houding van de verdachte het opleggen van een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis zonder meer rechtvaardigen. Daarnaast is het hof van oordeel dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar dient te worden opgelegd. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof ziet geen aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde te verbinden aan de voorwaardelijk opgelegde straf, nu die voorwaarden zijn gericht op het oplossen van de blokkering die is toegepast op het bedrijf van de verdachte en verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij daaraan niet wil meewerken dan alleen op zijn eigen voorwaarden.

Dat het bedrijf van de verdachte inmiddels is gekrompen en hij niet opnieuw is gecontroleerd merkt het hof niet aan als een straf verminderende omstandigheid. Evenmin acht het hof van belang dat verdachte is gekort op de Europese subsidies, nu verdachte daarmee immers enkel inkomenssteun heeft verloren die hij verkreeg door in alle vrijheid aanspraak te maken op een regeling. Door het maken van die aanspraak heeft hij zich geconformeerd aan de daarvoor geldende randvoorwaarden en door niet (meer) te voldoen aan die randvoorwaarden geldt die steunmaatregel voor verdachte niet meer. Derhalve heeft ook deze omstandigheid geen matigende invloed gehad op te aan de verdachte op te leggen straf, evenals de door de verdediging gestelde negatieve publiciteit die er is (geweest) over deze zaak.

Het hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is geschonden. Verdachte is op 11 februari 2014 in verzekering gesteld waarna de rechtbank – naar aanleiding van zittingen op 14 april 2015, 19 januari 2016 en 3 oktober 2016 – op 17 oktober 2016 vonnis heeft gewezen. Tussen de inverzekeringstelling en het vonnis van de rechtbank is derhalve een periode van 2 jaar en 8 maanden verstreken, waardoor de redelijke termijn met 8 maanden is overschreden. Nu de zaak niet alleen is aangehouden om de door de raadsman verzochte getuigen en deskundigen te horen, maar ook in afwachting van arresten die in vergelijkbare zaken door hogere instanties dan de rechtbank zijn gewezen, is het hof van oordeel dat het tijdsverloop niet enkel aan de verdediging is te wijten.

Daar komt bij dat het dossier op 21 augustus 2017 bij het hof is binnengekomen, terwijl hoger beroep was ingesteld op 25 oktober 2016. De inzendtermijn is dan ook met een maand overschreden. In hoger beroep is de zaak afgedaan binnen twee jaar nadat hoger beroep was ingesteld, zodat in deze instantie geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft vanwege de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg evenwel aanleiding gezien om – naast de hiervoor genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf – in plaats van een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, te volstaan met het opleggen van een taakstraf van 110 uur, subsidiair 55 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 37, 121 en 122 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de in de tenlastelegging onder 1, vierde gedachtestreepje genoemde runderen met de nummers [werknummer 1] , [werknummer 2] , [werknummer 3] en [werknummer 4] en voor zover gericht tegen het onder 1, vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1, derde gedachtestreepje ten laste gelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 110 (honderdtien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 22 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Vgl. HR 20 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7427.