Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:347

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
200.188.240_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bezit, verkrijgende verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.188.240/01

arrest van 30 januari 2018

in de zaak van

1 [appellante 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellante 3],
wonende te [woonplaats] ,

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. R.R.E. Nobus te Terneuzen,

tegen

Gemeente Rucphen,

zetelende te Rucphen,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. K. Meijering te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 december 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellanten c.s.] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en de gemeente als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/296183 / HA ZA 15-165)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede het tussenvonnis van 17 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het exploot van anticipatie;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellanten c.s.] met producties;

  • -

    de antwoordakte van de gemeente.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. De gemeente is sinds 5 november 1965 eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Rucphen, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] (hierna het gemeenteperceel).

  2. De gemeente heeft plannen gemaakt voor de aanleg van de nieuwe Omleidingsweg [omleidingsweg] . Deze weg zal onder meer over het gemeenteperceel lopen.

  3. Het gemeenteperceel grenst aan de zuidkant aan het perceel dat appellanten sub 3
    en 4 op 19 september 1995 in eigendom hebben verkregen. Dit perceel is kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] (hierna perceel [sectienummer 2] ).

  4. Appellanten sub 3 en 4 hebben ten behoeve van hun ouders, appellanten sub 1 en 2, een recht van gebruik en bewoning ex art. 3:226 BW gevestigd op perceel [sectienummer 2] .

  5. Bij een kadastrale inmeting op 29 november 2013 ten behoeve van de genoemde Omleidingsweg is gebleken dat een gedeelte van het gemeenteperceel, ter grootte van circa 2 a en 15,4 ca (hierna: het perceeldeel) door [appellanten c.s.] als tuin wordt gebruikt.

  6. Bij brieven van 22 april 2014 en 11 augustus 2014 (prod. 4 inleidende dagvaarding) heeft de gemeente [appellanten c.s.] verzocht het gebruik van het perceeldeel te staken. [appellanten c.s.] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

De eerste aanleg

3.2.1.

De gemeente heeft in eerste aanleg in conventie, na wijziging en vermeerdering van eis, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat het perceeldeel in eigendom toebehoort aan de gemeente;

2. [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het perceeldeel leeg en ontruimd (inclusief verwijdering van de daarop aanwezige beplanting, het daarop aanwezige hekwerk en het daarop gestorte tuinafval) aan de gemeente op te leveren, alsmede om het perceeldeel ontruimd te houden, met machtiging van de gemeente, voor het geval [appellanten c.s.] aan het vonnis niet vrijwillig mocht voldoen, de ontruiming van het perceeldeel zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van de politie;

3. [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om aan de gemeente te voldoen een dadelijk opeisbare dwangsom van € 2.500,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [appellanten c.s.] nalaat te voldoen aan het gevorderde onder 2.;

4. [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om, indien [appellanten c.s.] niet vrijwillig voldoet aan het gevorderde onder 2. en de gemeente de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan de gemeente de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;

5. [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW aan de gemeente te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten, te bepalen aan de hand van de staffel buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW over deze kosten, indien niet binnen twee weken na betekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden;

6. [appellanten c.s.] hoofdelijk veroordeelt, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, om op grond van artikel 6:96 lid 2 onder c BW aan de gemeente te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten, te bepalen aan de hand van de staffel uit het Rapport (B)GK Integraal 2013, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten, indien niet binnen twee weken na betekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden;

7. [appellanten c.s.] veroordeelt tot betaling van de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten, indien niet binnen twee weken na betekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden;

8. [appellanten c.s.] veroordeelt in de nakosten, in deze procedure begroot op € 205,- (zonder betekening) respectievelijk € 273,- (met betekening) aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over deze kosten, indien niet binnen twee weken na betekening van het vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.

3.2.2.

[appellanten c.s.] heeft in eerst aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor recht verklaart dat de vordering in conventie, strekkende tot revindicatie van het perceeldeel, is verjaard en voor recht verklaart dat [appellanten c.s.] door middel van verjaring eigenaar is geworden van het perceeldeel, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2.3.

In het tussenvonnis van 17 juni 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015.

3.2.4.

In het eindvonnis van 16 december 2015, waarvan beroep, heeft de rechtbank de vorderingen in conventie onder 1.-6. toegewezen, inclusief de gevorderde rente, de te verbeuren dwangsommen gemaximeerd tot € 250.000,-, de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid gesteld op € 1.850,- en de buitengerechtelijke kosten op
€ 1.850,- en [appellanten c.s.] ten slotte hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten met nakosten en rente. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten c.s.] in reconventie afgewezen.

3.2.5.

De rechtbank heeft ten aanzien van het perceeldeel overwogen en beslist: (1) dat [appellanten c.s.] volstrekt onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij en zijn rechtsvoorgangers naar verkeerssopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefenen en dat hij en zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel voor zichzelf houden, (2) dat het verweer van [appellanten c.s.] dat de rechtsvordering van de gemeente is verjaard, aangezien hij op grond van bevrijdende verjaring ex ar. 3:105 BW eigenaar is geworden van het perceeldeel, wordt verworpen, (3) dat voor de begroting van de gevorderde redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid aansluiting wordt gezocht bij het in het Rapport (B)GK Integraal 2013 geadviseerde tarief voor vorderingen van onbepaalde waarde, (4) dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten conform de aanwijzing in het Rapport (B)GK Integraal 2013 wordt begroot en (5) dat [appellanten c.s.] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vorderingen en grieven

3.3.1.

[appellanten c.s.] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellanten c.s.] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in reconventie en tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente in conventie, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties, zowel in conventie als in reconventie.

3.3.2.

De gemeente heeft vervolgens geantwoord, concluderend dat het hof het bestreden vonnis in stand dient te laten, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daaronder begrepen.

3.4.

Met grief 1 maakt [appellanten c.s.] bezwaar tegen het passeren van het aanbod van [appellanten c.s.] tot het leveren van getuigenbewijs. Volgens [appellanten c.s.] had hij hiertoe in de gelegenheid moeten worden gesteld. Met grief 2 maakt [appellanten c.s.] bezwaar tegen de beslissing van de rechtbank dat geen sprake is van verjaring. Volgens [appellanten c.s.] kan de gemeente het perceeldeel niet revindiceren omdat hij door bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 BW eigenaar is geworden. Met grief 3 maakt [appellanten c.s.] bezwaar tegen de toewijzing van de vordering in conventie en de afwijzing van zijn vordering in reconventie. Met de grieven 4 en 5 maakt [appellanten c.s.] bezwaar tegen de veroordeling in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

De verjaring, algemeen

3.5.1.

Het hof stelt in verband met de beoordeling van de grieven voorop dat de vorderingen van de gemeente zijn gebaseerd op haar eigendomsrecht van het perceeldeel en dat [appellanten c.s.] tegen die vorderingen uitsluitend verweer voert met een beroep op eigendomsverkrijging door verjaring zoals geregeld in de artikelen 3:105 BW jo. 3:306 BW Op grond van artikel 3:105 BW komt de eigendomsverkrijging vast te staan als [appellanten c.s.] - of een rechtsvoorganger - bezitter was van het perceeldeel op het moment dat de verjaring van de door de gemeente in te stellen rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit werd voltooid. De verjaring treedt op grond van artikel 3:306 BW in door verloop van twintig jaren. Zij begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden van het perceeldeel of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de onrechtmatige toestand waarvan dit bezit de voortzetting vormt. De verjaringstermijn loopt door zolang een derde bezitter is. Niet van belang is hoeveel opvolgende bezitters er zijn geweest en hoe zij hun bezit hebben verkregen. Niet van belang is verder of het bezit door ieder van de bezitters al dan niet te goeder trouw is verkregen. Vereist is wél dat op het moment van de voltooiing van de verjaringstermijn ondubbelzinnig sprake is (geweest) van bezit.

3.5.2.

Of dit laatste het geval is, moet worden beoordeeld op grond van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen inzake het bezit en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW).

Het hof overweegt in dit verband dat de onderhavige zaak er één is van vele, waarin een strook grond die eigendom is van een gemeente en die grenst aan een particulier perceel, in gebruik wordt genomen door de particulier. In veel gevallen zal dat gebruik plaatsvinden zonder een aanwijsbare juridische basis daarvoor, waarna de desbetreffende gemeente dat gebruik vervolgens gedoogt. In dit verband zal een rol spelen dat de bevoegdheid van de eigenaar tot het exclusieve gebruik van zijn eigendom ten aanzien van de hier bedoelde stroken publieke grond minder sterk op de voorgrond treedt dan de exclusieve gebruiksbevoegdheid van een particulier ten aanzien van zijn perceel. Het particuliere gebruik van de stroken publieke grond zal in de regel dan ook niet op bezwaren van de gemeente stuiten, zo lang dat gebruik (bijvoorbeeld) niet afdoet aan de verkeersveiligheid en het ook niet verhindert dat de gemeente toegang heeft tot de strook grond als dat vanuit haar overheidstaak nodig is. Dat de gemeente niet optreedt tegen particulier gebruik van stroken als hier bedoeld mag daarom niet snel worden uitgelegd als een blijk van desinteresse van de gemeente voor haar eigendommen, ook niet als de gemeente gebruik gedoogt dat een particuliere eigenaar niet van zijn buurman zou dulden. Als in situaties als deze het gedogen té snel het risico in zich bergt dat het leidt tot verlies van eigendom aan de zijde van de gemeente, kan dat de uitoefening van overheidstaken waarvoor de toegang tot de strook en/of het gebruik ervan noodzakelijk is, bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Deze consequentie zou voor de gemeente ook aanleiding kunnen zijn om dat gebruik - en vergelijkbaar gebruik in alle andere gevallen - voortaan niet meer te gedogen. Particulier én gemeente missen dan de beperkte, maar niet te verwaarlozen voordelen van het tot dan toe gedoogde gebruik van de strook publieke grond. Het is mede tegen deze achtergrond dat het hof van oordeel is dat, waar in het algemeen bij onroerende zaken al niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende pleegt te worden aangenomen, dit des te meer geldt bij stroken publieke grond als de onderhavige.

3.5.3.

Het tot 1 januari 1992 geldende BW kende de op artikel 3:105 BW gebaseerde wijze van eigendomsverkrijging niet. Dat sluit niet uit dat bij de toepassing van artikel 3:105 BW rekening wordt gehouden met een bevrijdende verjaring waarvan de termijn is aangevangen vóór 1 januari 1992. In dat geval zijn mogelijk relevant de artikelen 73 en 93 Overgangswet NBW, die een uitgestelde werking van één jaar vanaf 1 januari 1992 tot gevolg hebben en op grond waarvan de eigendomsverkrijging niet eerder dan op 1 januari 1993 kan hebben plaatsgevonden.

Het perceeldeel in kwestie en bezit

3.6.1.

[appellanten c.s.] stelt zich op het standpunt - zo begrijpt het hof - dat hij sinds 1995 bezitter is van het perceeldeel. Ook in de periode daarvoor was de gemeente haar bezit van het perceeldeel al kwijt, namelijk aan de rechtsvoorgangers van [appellanten c.s.] De verjaringstermijn van twintig jaar ex artikel 3:306 BW is daarmee ná 1995, maar ruim vóór 2015 voltooid, waardoor de gemeente op dat moment haar eigendom van het perceeldeel verloren heeft aan [appellanten c.s.]

Ter onderbouwing van deze stelling voert [appellanten c.s.] aan dat hij en zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel in bezit hebben genomen, omdat zij zich daarover de feitelijke macht hebben verschaft. Zij hebben het perceeldeel als tuin gebruikt. Het perceeldeel is onderhouden en er zijn andere beplantingen aangebracht dan op de gemeentegrond, waar sprake was van verwilderde bebossing. De gemeente heeft bij de aanplant op haar (overige) perceel rekening gehouden met het gebruik van het perceeldeel door [appellanten c.s.] en zijn rechtsvoorgangers. De gemeente plantte vanwege dat gebruik namelijk geen bomen of struiken op het perceeldeel.

Het gebruik van het perceeldeel als tuin was openlijk en als zodanig onderscheidend van het gebruik van het overige deel van het gemeentelijke perceel, zodat sprake was van ondubbelzinnig bezit. Voldoende is dat sprake was van zodanige openlijke en uiterlijke bezitsdaden dat het de daadwerkelijke eigenaar, de gemeente, duidelijk was dat [appellanten c.s.] en zijn rechtsvoorgangs pretendeerden eigenaar te zijn van het perceeldeel. Daarbij is niet van belang dat het perceeldeel niet volledig omheind was. Dat een deel dat wel zichtbaar was vanaf de openbare weg omheind was, was voldoende om de gemeente kennis te geven van de eigendomspretenties, aldus nog steeds [appellanten c.s.]

3.6.2.

De gemeente stelt op haar beurt dat uit de door haar overgelegde luchtfoto’s volgt dat [appellanten c.s.] en zijn rechtsvoorgangers in ieder geval tot 1 april 1999 geen gebruik hebben gemaakt van het perceeldeel. Het perceeldeel werd in ieder geval tot 1999 niet als tuin gebruikt. Daarnaast heeft [appellanten c.s.] verklaard dat er afspraken zijn gemaakt over/toestemming zou zijn verleend voor het gebruik van het perceeldeel. Dit maakt [appellanten c.s.] houder van het perceeldeel en dan kan hij, mede gezien het interversieverbod, geen bezitter van het perceeldeel zijn of worden. De gemeente betwist dat het gebruik vanaf de openbare weg zichtbaar was en zodanig onderscheidend is geweest van het gebruik van het overige gedeelte van het gemeentelijk perceel. Het beplanten van een klein deel van het perceeldeel en het aanbrengen van een hekje dat niets omsluit is niet voldoende om van bezit te spreken. Het perceeldeel is altijd voor iedereen toegankelijk geweest en werd ook wel eens door anderen gebruikt. Het passief handelen van de gemeente of het ‘respecteren van het bezit van Kerkhof’ door de gemeente kan niet tot bezit leiden. De gemeente heeft geen beplanting aangebracht op het perceel. De beplanting die daarop aanwezig was, is namelijk spontaan opgekomen en betreft dus wildgroei. Het tijdelijk aanwezig zijn van een bouwkeet en van bouwafval betreft geen gebruik dat (minimaal) 20 jaar heeft voortgeduurd, aldus nog steeds de gemeente.

3.6.3.

Voor het slagen van het beroep op eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW jo. artikel 3:306 BW is vereist dat op het moment dat de verjaringstermijn is voltooid sprake is geweest van het bezit van de strook door de eigenaar van het belendende perceel (zie rov. 3.5.1). Zoals het hof heeft overwogen in r.o. 3.6.1., volgt uit de stellingen van [appellanten c.s.] dat deze zich op het standpunt stelt dat de verjaringstermijn in of na 1995 is voltooid. De vraag die rijst is of naar verkeersopvatting uit de (gestelde) uiterlijke feiten volgt dat op dat moment sprake is geweest van het bezit van het perceeldeel door [appellanten c.s.] Het hof is van oordeel dat de stellingen van [appellanten c.s.] niet tot een bevestigend antwoord op deze vraag kunnen leiden.

Uit de door de gemeente overgelegde foto’s - die een duidelijke weergave bieden van het gebruik van het perceeldeel door de jaren heen - blijkt dat het perceeldeel vóór 1999 in het geheel niet gebruikt werd door [appellanten c.s.] (en zijn rechtsvoorgangers). [appellanten c.s.] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de gemeente de foto’s zou hebben bewerkt en dat niet is gebleken wanneer genoemde foto’s zijn genomen. Ter verduidelijking van de plaatselijke situatie zijn door de gemeente lijnen en pijlen op de foto’s aangebracht, hetgeen iets anders is dan de door [appellanten c.s.] bedoelde bewerking. Ook blijkt op de aan de achterzijde van de foto’s aangebrachte stickers wanneer de foto’s zijn genomen.

Ook als zou worden aangenomen dat [appellanten c.s.] (en zijn rechtsvoorgangers) het perceeldeel vóór 1999 feitelijk hebben gebruikt, door het toe te voegen tot hun tuin, door daarop andere beplanting aan te brengen dan op het overige deel van het gemeenteperceel, door het perceeldeel te onderhouden en door daarop een hek te plaatsen voor zover het perceeldeel zichtbaar is vanaf de openbare weg, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat toen sprake is geweest van het bezit van het perceeldeel. Uit deze feitelijke situatie hoefde de gemeente naar verkeersopvatting niet af te leiden dat [appellanten c.s.] en/of zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel ondubbelzinnig en uitsluitend voor zichzelf hielden en dat stilzitten door de gemeente kon meebrengen dat de eigendom van de strook grond op den duur gevaar liep. Datzelfde is het geval geweest vanaf het moment dat het hekwerk op het perceeldeel dat zichtbaar is vanaf de openbare weg is geplaatst. Dit is een zodanig beperkt gebruik van de strook, dat uit het plaatsen en houden van het hekwerk niet kan worden afgeleid dat [appellanten c.s.] en zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel als geheel voor zichzelf zijn gaan houden. Het perceeldeel was en is nog steeds voor eenieder, in het bijzonder de gemeente, toegankelijk doordat het niet is omheind.

[appellanten c.s.] heeft nog aangevoerd dat de gemeente met het bezit van [appellanten c.s.] rekening heeft gehouden door het perceeldeel niet te beplanten zoals zij op het overige deel van het gemeenteperceel wel deed. Die stelling is door de gemeente echter gemotiveerd betwist, door te stellen dat zij in het geheel geen bomen of struiken heeft geplant op het perceeldeel zodat sprake is van wildgroei. [appellanten c.s.] heeft in het licht van dat verweer zijn eigen stellingen niet nader onderbouwd en heeft ook geen andere uiterlijke feiten gesteld die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van bezit van het perceeldeel.

3.6.4.

Het bewijsaanbod van [appellanten c.s.] wordt gepasseerd, nu, gezien het voorgaande, [appellanten c.s.] geen feiten heeft gesteld die, wanneer bewezen, het hof kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van enig bezit dat aanleiding kan zijn geweest voor de eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW.

Grief 1 faalt.

3.6.5.

Nu het hof tot het oordeel komt dat [appellanten c.s.] op het moment dat de verjaringstermijn ex artikel 3:306 BW zou kunnen zijn voltooid geen bezitter is geweest van het perceeldeel, kan met betrekking tot het perceeldeel geen sprake zijn van eigendomsverkrijging op grond van artikel 3:105 BW. Dit betekent dat geen grond bestaat om het verweer van [appellanten c.s.] te honoreren en dat het vonnis van de rechtbank ten aanzien van het onder 1. tot en met 4. (zie rov. 3.2.1) in conventie gevorderde terecht heeft toegewezen en de vorderingen in reconventie terecht heeft afgewezen.

[appellanten c.s.] heeft nog gesteld dat de kosten van ontruiming waartoe hij door de rechtbank is veroordeeld te onbepaald zijn om te worden toegewezen. [appellanten c.s.] is door de rechtbank onder 4.2 van het beroepen vonnis veroordeeld om het perceeldeel leeg en ontruimd (inclusief verwijdering van de daarop aanwezige beplanting, het daarop aanwezige hekwerk en het daarop gestorte tuinafval) aan de gemeente op te opleveren. Indien [appellanten c.s.] niet vrijwillig aan deze veroordeling voldoet, komen alleen de kosten van de ontruiming op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming van de door de gemeente in te schakelen gerechtsdeurwaarder voor rekening van [appellanten c.s.] De kosten van de ontruiming zijn daarmee voldoende specifiek bepaald.

Grieven 2 en 3 falen.

Tot slot

3.7.1.

Grief 4 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank inzake de buitengerechtelijke kosten.

[appellanten c.s.] stelt dat de vorderingen tot betaling van buitengerechtelijke kosten in strijd zijn met artikelen 6:96 BW. Dat artikel is volgens [appellanten c.s.] niet van toepassing, omdat de gemeente niet een hoofdvordering tot het vergoeden van schade heeft ingesteld.
Deze stelling faalt. De kosten zoals gevorderd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW zijn kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. In verband met de kosten zoals gevorderd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c is niet relevant of de hoofdvordering al dan niet strekt tot betaling van een schadevergoeding.
Grief 4 faalt.

3.7.2.

Grief 5 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om [appellanten c.s.] in conventie en reconventie de proceskosten en nakosten te betalen. De grief faalt nu het hof in hoger beroep tot hetzelfde oordeel komt als de rechtbank in eerste aanleg.

3.7.3.

Het hof zal [appellanten c.s.] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De door de gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling en de gevorderde nakosten zullen op de na te melden wijze worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente op € 718,- aan griffierecht en op € 1.341,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest, voor zover het veroordelingen bevat, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.I.M.W. Bartelds en W.J.J. Beurskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 januari 2018.

griffier rolraadsheer