Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
200.233.769_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:7824
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:589
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koop paardentruck

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.233.769/01

arrest van 21 augustus 2018

gewezen in het incident ex artikel 224 jo artikel 353 Rv in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Taiwan,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. P.M. Wawrzyniak,

tegen

[Dressage Stables] Dressage Stables B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. S.A. Wensing,

op het bij exploot van dagvaarding van 7 februari 2018 ingeleide hoger beroep van de tussenvonnissen van 28 september 2016 en 25 januari 2017 en het eindvonnis van 22 november 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer: 5132573 / 16-3558)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het daaraan voorafgegane incidentele vonnis van 3 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie in het incident van [geïntimeerde] met een productie;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [appellant] met twee producties.

Het hof heeft een brief van de advocaat van [appellant] , gedateerd 3 augustus 2018 ontvangen, waarbij ten behoeve van de rolzitting van 26 juni 2018 een betalingsbewijs als productie 3 wordt overgelegd, zoals aangekondigd in de memorie van antwoord in het incident. Daarbij is medegedeeld dat de advocaat van [geïntimeerde] hier geen bezwaar tegen heeft.

Het hof zal deze productie niet als gedingstuk beschouwen omdat die niet daadwerkelijk op 26 juni 2018 is overgelegd en niet op een latere roldatum bij akte in het geding is gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[geïntimeerde] vordert de veroordeling van [appellant] tot het stellen van zekerheid ten gunste van [geïntimeerde] voor de proceskosten in dit incident en in de hoofdzaak, met begroting van die proceskosten op een bedrag van € 11.885,-. De zekerheid dient binnen 14 dagen na dit arrest in incident te worden gesteld door middel van een namens [appellant] bij een met goede naam en faam bekend zijnde Nederlandse bank ten gunste van [geïntimeerde] te stellen bankgarantie conform Rotterdams bankgarantie model, althans een door het hof te bepalen wijze van het stellen van zekerheid.

3.2.

[geïntimeerde] legt aan de vordering tot zekerheidstelling ten grondslag dat [appellant] woonachtig is in Taiwan, terwijl tussen Nederland en Taiwan geen verdrag bestaat dat tenuitvoerlegging van een proceskostenveroordeling in dat betreffende land mogelijk maakt en voorts geen sprake is van één van de andere in artikel 224 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) genoemde uitzonderingen.

3.3.

[appellant] heeft aangevoerd dat de uitzondering als bedoeld in artikel 224 lid 2 aanhef en sub c Rv – kort gezegd dat geen zekerheid behoeft te worden gesteld indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn - zich hier voordoet omdat hij vermogensbestanddelen in Nederland heeft waarop [geïntimeerde] zich bij een in haar voordeel uitgesproken proceskostenveroordeling kan verhalen. Daartoe voert [appellant] , kort gezegd, het volgende aan.

Indien [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten, kan [geïntimeerde] de vordering op [appellant] wegens proceskosten verhalen op de paardentruck die [appellant] van [geïntimeerde] heeft gekocht en die onderwerp van geschil is tussen partijen. Indien het eindvonnis in eerste aanleg in stand blijft - althans indien het hof [appellant] in het ongelijk stelt – dan is [appellant] ook na afronding van het hoger beroep eigenaar van deze paardentruck omdat in dat geval de koopovereenkomst met betrekking tot de paardentruck niet vernietigd of ontbonden is. De paardentruck zal zich na het wijzen van het arrest in hoger beroep zeker nog in Nederland bevinden. Voorts is [appellant] de eigenaar van een tweetal paarden ( [paard 1] en [paard 2] ) die zich in Nederland bevinden en waarop [geïntimeerde] de vordering op [appellant] wegens proceskosten zal kunnen verhalen. Op het paard [paard 1] rust een conservatoir beslag ten behoeve van een derde zodat [appellant] dat paard niet kan verkopen en niet kan exporteren uit Nederland. Dit paard vertegenwoordigt een hogere waarde dan de vordering waarvoor het beslag is gelegd. Ten slotte voert [appellant] aan dat hij direct nadat hij daartoe door de rechtbank in eerste aanleg was veroordeeld, is overgegaan tot het stellen van zekerheid ten gunste van [geïntimeerde] voor de proceskosten in eerste aanleg door het betreffende bedrag over te maken op de derdengeldrekening van de gemachtigde van [geïntimeerde] .

3.4.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.

Krachtens het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv zijn allen die geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben en die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. Dit is slechts anders indien één van de uitzonderingen, genoemd in het tweede lid van artikel 224 Rv, zich voordoet. Het ligt op de weg van [appellant] om het bestaan van deze uitzonderingen gemotiveerd te stellen.

In artikel 353 Rv is bepaald dat artikel 224 Rv ook in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, met uitzondering van de in artikel 353 lid 2 Rv omschreven gevallen. Te dezen doet zich geen situatie voor als vermeld in het tweede lid van artikel 353 Rv.

3.6.

Vast staat dat [appellant] geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, zodat hij in beginsel verplicht is in deze procedure zekerheid te stellen. Naar het oordeel van het hof doet de in artikel 224 lid 2, aanhef en sub c Rv bedoelde uitzonderingssituatie waarop [appellant] te dezen een beroep doet zich niet voor. Niet voldoende aannemelijk is dat bij veroordeling van [appellant] in de proceskosten [geïntimeerde] die kosten zal kunnen verhalen op de paardentruck, welke zich in de feitelijke macht van [appellant] bevindt. Dat [geïntimeerde] de proceskosten zou kunnen verhalen op (één van) de twee genoemde paarden van [appellant] is evenmin voldoende aannemelijk. Zowel de paardentruck als de paarden kunnen eenvoudig buiten Nederland worden gebracht en waar tenuitvoerlegging van een veroordeling als bedoeld in artikel 224 lid 2 sub b. Rv niet mogelijk is. Dat op het paard [paard 1] naar zeggen van [appellant] conservatoir beslag is gelegd, behoeft aan het feitelijk buiten Nederland brengen niet noodzakelijkerwijs in de weg te staan. Ook de door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden met betrekking tot de paardentruck - de truck zou geregistreerd staan op naam van [geïntimeerde] , althans haar beleidsbepaler, de registratie van dit voertuig zou geschorst zijn en [appellant] zou niet in het bezit zijn van het kentekenbewijs van de paardentruck -, wat daarvan verder ook zij, maken het geenszins onmogelijk dat de paardentruck buiten Nederland en verhaal wordt gebracht.

3.7.

Op dit moment kan derhalve niet geoordeeld worden dat voldoende aannemelijk is dat de door [appellant] genoemde verhaalsobjecten (de paardentruck en de paarden [paard 1] en [paard 2] ) ook na afloop van de procedure in hoger beroep nog als verhaalsobject in Nederland voorhanden zullen zijn, waarmee het risico bestaat dat (volledig) verhaal uiteindelijk niet mogelijk zal zijn. Dat [appellant] aan de veroordeling tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in eerste aanleg naar zijn zeggen direct heeft voldaan, is in dit verband ontoereikend.

3.8.

Uit het vorenstaande volgt dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen ter zake van de proceskosten waarin hij in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, met dien verstande dat het hof, mede gelet op de stand van de procedure en de hoogte van de vordering in de hoofdzaak, de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid gesteld dient te worden zal bepalen op 4 punten van liquidatietarief III (€ 1.391,-). Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat thans in de begroting voor proceskosten punten voor voortzetting enquête, voortzetting contra-enquête en een nadere akte ter rolle moeten worden meegerekend. Datzelfde geldt voor het berekenen van punten voor zowel een comparitie van partijen als een pleidooi. Overigens staat het [geïntimeerde] vrij om gedurende de hoofdzaak aanvullende zekerheid te vorderen indien dat nodig blijkt.

Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist. In dit licht bezien dient in de begroting van de zekerheidstelling rekening te worden gehouden met deze kosten. Het hof zal uitgaan van 1 te liquideren punt van tariefgroep II (1.074,-). Het bedrag waarvoor [appellant] zekerheid dient te stellen wordt derhalve begroot op in totaal € 8.773,- (€ 1.978,- aan griffierecht, € 6.638,- aan salaris advocaat en € 157,- aan nakosten (zonder betekening).

3.9.

Wat betreft de wijze waarop zekerheidstelling op basis van artikel 224 Rv dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 6:51 Burgerlijk Wetboek. In ieder geval is van belang dat [geïntimeerde] zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Gebruikelijk is een bankgarantie, echter [appellant] is bereid om het bedrag, waarvoor zekerheid dient te worden gesteld, te storten op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerde] en is daar kennelijk ook al deels toe overgegaan. Nu dit naar het oordeel van het hof [geïntimeerde] in voldoende mate en zonder moeite verhaal biedt, is er geen bezwaar om de zekerheidstelling op deze wijze te laten plaatsvinden en zal het hof zulks bepalen op hierna te vermelden wijze.

3.10.

Het hof zal voorts op de voet van artikel 616 lid 3 sub a en b Rv de termijn waarbinnen de zekerheid moet zijn gesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [appellant] in de hoofdzaak, bepalen op vier weken na de datum van dit arrest en de termijn waarbinnen de gestelde zekerheid moet worden aanvaard dan wel geweigerd op twee weken nadien, op straffe van verval van de bevoegdheid van [geïntimeerde] om zekerheidstelling te eisen.

Voor zover [appellant] in het kader van de lopende hoger beroepsprocedure reeds is overgegaan tot het stellen van zekerheid ter zake van de proceskosten waarin hij in het onderhavige hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, door middel van storting(en) op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerde] , hoeft [appellant] voor dat betreffende bedrag daartoe uiteraard niet nogmaals over te gaan.

3.11.

De beslissing omtrent de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.12.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] . Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

4.1.

beveelt dat [appellant] ten behoeve van [geïntimeerde] zekerheid stelt voor een bedrag van

€ 8.773,- ter zake van de proceskosten waarin [appellant] in het onderhavige hoger beroep (waaronder het onderhavige incident) veroordeeld zou kunnen worden;

4.2.

bepaalt dat [appellant] voormelde zekerheid stelt door middel van een depotstorting ter hoogte van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerde] , die dit bedrag vrij zal geven aan [geïntimeerde] wanneer [appellant] door het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal zijn veroordeeld in de proceskosten.

4.3.

bepaalt dat deze zekerheid op voornoemde wijze uiterlijk op 18 september 2018 moet zijn gesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, waarna [geïntimeerde] binnen twee weken de betreffende zekerheid dient te accepteren dan wel te weigeren, op straffe van verval van de bevoegdheid om zekerheidstelling te eisen;

4.4.

houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de hoofdzaak:

4.6.

verwijst de zaak naar de rol van 2 oktober 2018 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde] ;

4.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2018.

griffier rolraadsheer