Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3451

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
200.179.874_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3471
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.874/01

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.H.M. Daniëls te Sittard,

tegen

[Internationaal Transport BVBA] Internationaal Transport BVBA,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 1 augustus 2017 en 19 december 2017 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/119299/HA ZA 12-335 gewezen vonnis van 10 augustus 2015.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 december 2017, waarbij het hof een deskundige heeft benoemd en [appellant] bewijs heeft opgedragen;

  • -

    de akte vermindering eis waarbij [appellant] zijn vordering met betrekking tot de vaststelling van de economische waarde van het wagenpark en de containers heeft ingetrokken, zodat het onderzoek van de deskundige niet langer nodig was;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 23 april 2018;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] , met productie;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [appellant] zichzelf, [getuige 1] en [getuige 2] als getuige laten horen. [geïntimeerde] heeft geen getuigen laten horen. Het gaat om het bewijs dat onder goodwill in de zin van de overeenkomst van 1 september 2006 dient te worden verstaan de contante/gekapitaliseerde waarde van de overwinst, dat wil zeggen de normale jaarwinst.

9.2.

[appellant] heeft zakelijk weergegeven onder meer het volgende verklaard.

“ [getuige 2] en ik zijn twee tot drie keer bij elkaar gekomen. (…) Bij die besprekingen waren [getuige 2] en ik alleen aanwezig. Van die besprekingen zijn geen verslagen opgemaakt. (…) Ik heb toen tegen dhr. [getuige 2] gezegd dat ik een stukje bonus miste in het hele verhaal. Ik heb dhr. [getuige 2] uitgelegd dat ik daarmee bedoelde dat de overwaarde op de aandelen afgerekend moest worden. Dhr. [getuige 2] gaf mij daar gelijk in en hij zei mij dat die een nieuw concept zou maken en opsturen. (…) Ik heb aan dhr. [getuige 2] gevraagd wat hij bedoelde met het woord ‘eventueel’ in dat artikel. (…) Het antwoord van [getuige 2] was dat daarmee bedoeld werd dat alles wat te maken heeft met de status van [Services Wegtransport BV (afkorting)] , dat wil zeggen dat het een en ander niet los kan worden gezien van het resultaat van [Services Wegtransport BV (afkorting)] , anders zou ik altijd een bonus kunnen eisen. Na die uitleg van [getuige 2] heb ik daar ja op gezegd. Over de vraag wat ‘Goodwill’ in dit artikel betekende, hebben wij niet gesproken. Wel zijn de woorden ‘nader te bepalen’ aan de orde geweest. Dit had namelijk te maken met het resultaat en is dus tegelijkertijd met de kwestie over de betekenis van het woordje ‘eventueel’ aan de orde gekomen. (…) Langs welke maatstaf het een en ander nader bepaald zou moeten worden, is niet besproken. (…) Na mijn ontslag heb ik nog met dhr. [getuige 1] contact gehad tot 2014. Wij hebben toen gesproken over goodwill en hij was het ermee eens dat ik daar nog recht op had. Ik noem een aantekening in mijn agenda voor mij van 26 april 2014. Daarin lees ik dat dhr. [getuige 1] zei dat hij machteloos stond om alsnog te regelen dat ik die goodwill zou krijgen. (…) Ik ben opnieuw in het dossier gedoken en ik heb gesproken met mr. Daniëls over deze zaak. Daardoor zijn er herinneringen bij mij boven gekomen. Dat is de reden dat ik nu anders verklaar dan zoals is weergegeven in 3.9.2 van het arrest van 1 augustus 2017.”

9.3.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij weinig betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst. Hij heeft niets relevants verklaard over het opgedragen bewijs.

9.4.

[getuige 2] heeft zakelijk weergegeven onder meer het volgende verklaard.

“ [appellant] wilde dat in het contract zou worden toegevoegd dat hij een vergoeding voor goodwill kreeg. Ik heb mijn bedenkingen daartegen geuit in dat gesprek. Ik heb tegen dhr. [appellant] gezegd dat ook bij de verkrijging van de aandelen niet over vergoeding van goodwill of overwinst is gesproken en dat de prijs bij in- en verkoop van aandelen een gelijke basis moeten hebben. Dhr. [appellant] wilde toch dat goodwill zou worden vergoed. Ik heb toen toegestemd met dien verstande dat ik tegen dhr. [appellant] heb gezegd dat ik een bijzondere vorm van goodwill in het contract zou opnemen. Ik heb daarbij gezegd dat die goodwill betrekking had op een eigen bijdrage die we van hem verwachtten en dat wij van hem een meer commerciële ontwikkeling wilden zien. Ik heb er toen niet bij gezegd dat die bijzondere vorm van goodwill niet zag op overwinst. Hetgeen wij in die bespreking naar aanleiding van de eerste versie hebben gedeeld, heb ik in de tweede versie opgeschreven. (…) De tweede versie van de overeenkomst waarin dus artikel 8 terecht is gekomen, is niet door mij besproken met dhr. [appellant] . Ook bij de ondertekening of op enig moment daarna is artikel 8 niet door mij besproken met dhr. [appellant] .”

9.5.

[appellant] heeft zich bij memorie na enquête beroepen op twee stukken: een e-mail van 2 april 2014 en een kopie uit zijn agenda, gedateerd 26 april 2014.

9.6.

[appellant] heeft in zijn memorie na enquête geconcludeerd dat het bewijs is geleverd. [geïntimeerde] heeft in haar antwoordmemorie na enquête geconcludeerd dat het bewijs niet is geleverd.

9.7.

Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de getuigen [appellant] en [getuige 2] , zo blijkt uit hun verklaringen, hebben gesproken over artikel 8 van de overeenkomst. Dit is het artikel waarin staat dat [appellant] aanspraak kan maken op een koopprijs, “eventueel te verhogen met een alsdan nader te bepalen ‘goodwill’”. De getuigen hebben duidelijk gemaakt dat niemand anders bij het overleg over dit artikel aanwezig is geweest. [appellant] heeft niets verklaard over (duidelijke en concrete) uitlatingen van [getuige 2] , waaruit [appellant] redelijkerwijs kon opmaken dat hij zonder meer aanspraak zou kunnen maken op een vergoeding voor goodwill in de zin van de contante/gekapitaliseerde waarde van de overwinst (de normale jaarwinst). [appellant] heeft verklaard dat de “overwaarde op de aandelen” ook volgens [getuige 2] moest worden afgerekend. Maar [appellant] heeft ook verklaard dat [getuige 2] vervolgens wat betreft de betekenis van het woord ‘eventueel’ in de concept overeenkomst een link legde naar de status en de resultaten van de onderneming. Dit is op zichzelf niet onverenigbaar met het standpunt van [geïntimeerde] in dit geschil en impliceert niet een onvoorwaardelijke aanspraak gerelateerd aan de normale jaarwinst, zoals verdedigd door [appellant] . [getuige 2] heeft duidelijk en stellig verklaard over de uitleg die hij toen heeft gegeven. Deze verklaring komt erop neer dat de mogelijke vergoeding voor goodwill gerelateerd was aan een commerciële ontwikkeling die de onderneming wilde zien. De aanspraak van [appellant] had dan ook een bijzondere invulling en was dus voorwaardelijk en niet zonder meer gekoppeld aan de contante/gekapitaliseerde waarde van de overwinst (de normale jaarwinst), aldus [getuige 2] . Dit strookt met de verklaring van [getuige 2] ter gelegenheid van het pleidooi (arrest van 1 augustus 2017, 3.10.1 slot), die [getuige 2] onder ede heeft bevestigd. [getuige 2] heeft toen verklaard dat met het woord ‘eventueel’ in de overeenkomst een voorwaarde was bedoeld, en ook zo besproken, in die zin dat het om een extra inspanning van [appellant] ging die daadwerkelijk iets had opgeleverd. De conclusie is dat de verklaringen van de getuigen niet voldoende zijn voor het door [appellant] te leveren bewijs.

9.8.

De door [appellant] overgelegde producties (9.5 hiervoor) zijn ook niet voldoende voor het opgedragen bewijs. In de e-mail van 2 april 2014 schrijft de getuige [getuige 1] dat hij zijn kop niet in het zand zou steken en dat hij zijn verantwoordelijkheid zou nemen. Dit is niet voldoende om aan te kunnen nemen dat de getuige [getuige 1] de door [appellant] verdedigde uitleg van artikel 8 van de overeenkomst wilde accepteren of dat de getuige [getuige 1] namens de onderneming de aanspraken van [appellant] als juist wenste te erkennen. Dat geldt ook voor de aantekening in de agenda van [appellant] , waarin [appellant] heeft opgeschreven dat [getuige 1] zegt machteloos te staan in de kwestie van de goodwill.

9.9.

Het hof heeft de verklaringen van getuigen en de overgelegde producties steeds in onderling verband en samenhang beschouwd en is op die grondslag tot de beoordeling gekomen die hiervoor is weergegeven.

9.10.

De vorderingen van [appellant] tot betaling van een hoger bedrag aan goodwill dan [geïntimeerde] al heeft betaald moeten in het licht van het voorgaande worden afgewezen. Het gaat om de vorderingen onder A 5 tot en met 7 en B 2, zoals weergegeven in het tussenarrest van 1 augustus 2017 onder 3.5.

9.11.

[appellant] heeft zijn vorderingen met betrekking tot de vaststelling van de economische waarde van het wagenpark en de containers ingetrokken. Het gaat, naar het hof begrijpt, om de vorderingen onder A 1 tot en met 4 en B 1, zoals weergegeven in het tussenarrest van 1 augustus 2017 onder 3.5. Deze vorderingen kunnen verder onbesproken blijven.

9.12.

De beoordeling leidt tot de volgende conclusies. [appellant] is niet geslaagd in het opgedragen bewijs. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. Het gevorderde in hoger beroep moet worden afgewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld (voor salaris advocaat: antwoord 1, pleidooi 2, akte ½, enquête ½, memorie ½, 4,5 punten, tarief V € 3.161).

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het gevorderde in hoger beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.213 voor vastrecht en op € 14.224,50 voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2018.

griffier rolraadsheer