Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:345

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
20-001005-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3976, Overig
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2017:418
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:598
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding. Het hof is van oordeel dat bij het handelen van de verdachte geen sprake was van een conflict van plichten (noodtoestand), zodat hem geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toe komt.

De Nederlandse wetgeving is bovendien niet in strijd met art. 8 EVRM zodat die wetgeving niet buiten toepassing zal worden gelaten, zoals was verzocht door de verdediging.

Vanwege het ontbreken van een noodtoestand faalt ook het beroep op verontschuldigbare noodtoestand.

Het hof verwerpt ten slotte ook het beroep op psychische overmacht en legt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/97
NBSTRAF 2018/89
GJ 2018/14 met annotatie van prof. mr. T.M. Schalken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001005-17

Uitspraak : 31 januari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 oktober 2013, parketnummer 06-950537-10 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie en de verdachte hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende voor zover het de strafbaarheid van het feit, de strafbaarheid van de verdachte en de op te leggen straf betreft, de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

Door en namens verdachte is betoogd dat:

  • -

    verdachte een beroep op overmacht toekomt in verband met het bestaan van een noodtoestand waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    art. 294 lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr) overbindend dient te worden verklaard omdat dit art. in strijd is met art. 8, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM);

  • -

    verdachte een beroep op overmacht toekomt in verband met het bestaan van een verontschuldigbare noodtoestand waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt waardoor hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    indien het hof toekomt aan het opleggen van een straf, aanleiding bestaat toepassing te geven aan art. 9a Sr.

Procesgang

De meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij vonnis van 22 oktober 2013 bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 opzettelijk behulpzaam is geweest bij de zelfdoding van mevrouw [stiefmoeder verdachte] (hierna: [stiefmoeder verdachte] ) en haar daartoe de middelen heeft verschaft, terwijl de zelfdoding is gevolgd. De rechtbank heeft het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand en het beroep op psychische overmacht afgewezen en bepaald dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Nadat het openbaar ministerie op 29 oktober 2013 en de verdachte op 31 oktober 2013 hoger beroep tegen dit vonnis hadden ingesteld, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, arrest gewezen op 13 mei 2015. Het gerechtshof heeft het ten laste gelegde bewezen verklaard gelijkluidend aan het vonnis van de rechtbank. Het beroep op overmacht noodtoestand is gehonoreerd, waarbij het hof het handelen van de verdachte heeft getoetst aan de zorgvuldigheidseisen die op grond van art. 293 lid 2 Sr in verbinding met art. 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) hen art. 7 lid 2 van de Wet op de Lijkbezorging gelden voor artsen. Het hof heeft de verdachte vervolgens ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het openbaar ministerie heeft op 22 mei 2015 cassatieberoep ingesteld tegen deze beslissing. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bij arrest van 14 maart 2017 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft het door voornoemd hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging. In dat verband heeft de Hoge Raad overwogen:

“Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen zoals de in de art. 293 en 294 Sr genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist. Dat kan het geval zijn indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard, mede in het licht van de omstandigheid dat de wetgever naar huidig recht (…) heeft voorzien in een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Het eerbiedigen van deze terughoudendheid bij de aanvaarding van een dergelijk beroep op noodtoestand is tevens geboden in het licht van het (…) maatschappelijke en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.”

De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat het hof in essentie niet meer heeft gedaan dan het als referentiekader hanteren van de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen, hoewel de verdachte de bijzondere hoedanigheid van arts miste. Volgens de Hoge Raad is niet begrijpelijk dat het hof het slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden beroep op noodtoestand in de onderhavige omstandigheden gegrond heeft bevonden. Daarbij heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte zelfs niet heeft voldaan aan de eisen van het door het hof gehanteerde kader.

De zaak is aansluitend verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het cassatieberoep is voor het overige verworpen.

1 Vonnis waarvan beroep

Het hof stelt vast dat thans niet meer voorligt de vraag of en in hoeverre het vonnis van de rechtbank vernietigd dient te worden, nu de Hoge Raad het arrest van hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, in stand heeft gelaten, met uitzondering van het door het hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging.

Daarmee is de door het in het arrest van 13 mei 2015 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, opgenomen bewezenverklaring onherroepelijk geworden. Die bewezenverklaring luidt als volgt:

Mevrouw [stiefmoeder verdachte] (verder: [stiefmoeder verdachte] ) in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in [plaats 1] zelfdoding heeft gepleegd (door het innemen van een combinatie van pillen), waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in [plaats 1] en/of in [plaats 2] en/of in [plaats 3] , althans in Nederland,

opzettelijk [stiefmoeder verdachte] behulpzaam is geweest en

opzettelijk [stiefmoeder verdachte] middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

- contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan [stiefmoeder verdachte] en/of aan verdachte, welke consulent [stiefmoeder verdachte] en verdachte heeft geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding

en

- een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld 'Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging', aangeschaft en geraadpleegd en gebruikt ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van [stiefmoeder verdachte]

en

- [stiefmoeder verdachte] geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

- een dag gepland (tezamen met [stiefmoeder verdachte] ) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

- een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van uitvoeren van de zelfdoding

en

- voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van [stiefmoeder verdachte], instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen

en

- aan [stiefmoeder verdachte] (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4, zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75, Nivaquine/Chloroquine pillen en ongeveer 45, Oxazepam pillen en ongeveer 35, Temazepam pillen

en

- ongeveer 45, Oxazepam pillen fijn gemaakt in een bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en ongeveer 75, Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan [stiefmoeder verdachte]

en

- ongeveer 35, Temazepam pillen in een bakje gedaan en aangereikt aan [stiefmoeder verdachte]

en

- drinken aan [stiefmoeder verdachte] aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde / te gebruiken pillen mee weg te spoelen.

2 Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

2.1.

Standpunt verdediging

Door de verdediging is nadrukkelijk opgemerkt dat deze zaak beoordeeld dient te worden tegen de achtergrond van een langdurige moeder-zoonrelatie en niet speelt op het veld van de Wtl en de daarin genoemde zorgvuldigheidseisen.

Voorts is door de verdediging opgemerkt dat, nu sprake is van een bijzondere regeling op het gebied van euthanasie/hulp bij zelfdoding, een beroep op overmacht noodtoestand weliswaar slechts bij hoge uitzondering kan worden aanvaard, maar dat op grond van de door de verdediging genoemde feitenvaststellingen desondanks geldt dat de verdachte heeft gehandeld uit overmacht noodtoestand. Enerzijds bestond voor verdachte de plicht om de wet (art. 294 lid 2 Sr) na te leven. Verdachte was van die bepaling en de jurisprudentie rond dat artikel op de hoogte. Daar tegenover stond de ongeschreven morele plicht/maatschappelijke plicht/zorgplicht van de verdachte om zijn 99-jarige stiefmoeder te helpen bij het realiseren van een pijnloze, vredige en waardige dood. Bij de verdachte ontstond een conflict tussen hoofd en hart. Verdachte heeft een keuze gemaakt waarbij hij handelde uit liefde. Hij heeft de zwaarstwegende plichten en belangen laten prevaleren. Dit deed hij op een moment waarop de nood acuut werd en dat was het moment waarop duidelijk werd dat [stiefmoeder verdachte] mogelijk de daad bij haar wens om te sterven zou voegen met de door haar bewust opgespaarde, maar voor het doel ongeschikte eigen medicijnen. De verdachte bood zijn stiefmoeder op dat moment een alternatief dat zekerder en veiliger was.

De verdachte heeft daarbij zeer zorgvuldig gehandeld. Er was geen twijfel over mogelijk dat sprake was van een doorleefde doodswens, er is contact opgenomen met een consulent van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), er is aan de hand van het zogenaamde WOZZ-boekje een protocol opgesteld dat is geverifieerd door de betreffende consulent en nauwgezet is gevolgd. [stiefmoeder verdachte] heeft afscheid kunnen nemen van haar naasten en uit de opgenomen gesprekken met [stiefmoeder verdachte] blijkt dat zij erg blij was met het handelen van de verdachte.

Daarnaast heeft de verdachte gehandeld met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft, met inachtneming van de wens van [stiefmoeder verdachte] , gekozen voor een kort, vredig en pijnloos stervensproces. De verdachte had geen minder vergaand middel kunnen aanwenden of andere acties hoeven te ondernemen dan hij heeft gedaan. Versterven was geen optie voor [stiefmoeder verdachte] en zij was zelf niet in staat de benodigde medicijnen te verzamelen. Het raadplegen van een andere arts dan haar toenmalige huisarts [huisarts A] – die had geweigerd haar medewerking te verlenen aan het euthanasieverzoek van [stiefmoeder verdachte] – met de vraag of deze wel wilde meewerken aan een euthanasieverzoek, behoorde in 2008 niet tot de mogelijkheden omdat dergelijke verzoeken destijds kansloos waren. Dit wordt bevestigd door [deskundige] en huisarts [huisarts A] . Het gewijzigde standpunt van de KNMG in dat verband dateert pas van 23 juni 2011. Volgens de verdediging komt de verdachte een beroep toe op overmacht noodtoestand en dient de verdachte van alle rechtsvervolging te worden ontslagen omdat het feit niet strafbaar is.

Voorts heeft de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat art. 294, tweede lid Sr buiten toepassing dient te worden verklaard, nu onverkorte toepassing ervan een ontoelaatbare schending oplevert van verdachte’s recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer zoals beschermd door art. 8, eerste lid EVRM. In de eerste plaats omdat zij geen legitiem beperkingsdoel dient en subsidiair omdat de noodzaak van de beperking in een democratische samenleving ontbreekt. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging, verkort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. De verdachte heeft zijn stiefmoeder geholpen bij haar eigen gekozen levensbeëindiging. Haar diepgewortelde en meermalen bestendigde wens valt onder de bescherming van art. 8 EVRM. Bovendien had zij al een begin van uitvoering gemaakt met het verwezenlijken daarvan. Onder deze omstandigheden kon niet meer van de verdachte worden verlangd dat hij zich aan bedoelde hulp zou onttrekken, weshalve hem eveneens bescherming op de voet van art. 8 EVRM toekomt.

2.2.

Standpunt openbaar ministerie

Volgens het openbaar ministerie kan verdachte zich niet beroepen op overmacht in de zin van noodtoestand, nu geen sprake was van een (actuele) objectiveerbare noodtoestand. Bovendien is de afweging van alle conflicterende belangen door verdachte niet met voldoende zorgvuldigheid geschied en voldoet het handelen van de verdachte niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. In de periode tussen het moment waarop de datum voor de zelfdoding was vastgesteld, maar voordat de zelfdoding was uitgevoerd, heeft de verdachte weinig tot geen overleg gevoerd met artsen of andere professionele hulpverleners. Het contact met de vrijwilliger van de NVVE heeft niet als zodanig te gelden omdat een dergelijke vrijwilliger niet is aan te merken als een onafhankelijk deskundige of professioneel hulpverlener. De inschatting dat huisartsen in 2008 in het algemeen niet zouden meewerken aan een euthanasieverzoek is te mager. Van de verdachte had in redelijkheid gevergd kunnen worden dat hij de mogelijkheid zou onderzoeken of een euthanasieverzoek (mede) gebaseerd zou kunnen worden op de medische klachten van [stiefmoeder verdachte] . In dat verband is gesteld dat de verdachte een gesprek met een SCEN-arts of de voormalig huisarts van [stiefmoeder verdachte] of een andere (onafhankelijke) arts had kunnen aanvragen. Dit geldt temeer nu de verdachte per definitie heel persoonlijk bij de situatie was betrokken en elke (professionele) distantie ontbrak.

De verdachte had deskundige expertise moeten inroepen van een arts om een beoordeling te (laten) maken van het lijden van [stiefmoeder verdachte] , om haar psychische gesteldheid te beoordelen en om alle opties in de zin van art. 2 lid 1 onder d Wtl te bespreken.

De verdachte heeft onvoldoende belang gehecht aan de wijze waarop de zelfdoding heeft plaatsgevonden en te weinig oog gehad voor de risico’s en nadelen die kleefden aan de gekozen wijze van zelfdoding. Daarnaast heeft de verdachte zich te weinig transparant en toetsbaar opgesteld en zijn handelen niet gemeld, ook niet toen de dienstdoende huisarts op 8 juni 2008 een verklaring van natuurlijk overlijden had afgegeven op het moment dat de dood van [stiefmoeder verdachte] geconstateerd was. Gelet op al het voorgaande faalt een beroep op overmacht noodtoestand.

Het openbaar ministerie heeft zich, ten aanzien van het verweer van de verdediging dat art. 294 tweede lid Sr buiten toepassing dient te worden verklaard, nu onverkorte toepassing ervan een ontoelaatbare schending oplevert van art. 8 EVRM eerste lid, primair op het standpunt gesteld dat het handelen van de verdachte niet valt onder de reikwijdte van art. 8 EVRM. Verder wijst het openbaar ministerie erop dat art. 294 Sr een in art. 8 tweede lid EVRM bedoeld legitiem doel dient, zodat het standpunt van de verdediging in zoverre feitelijke grondslag mist. Tenslotte wordt volgens het openbaar ministerie door de verdediging miskend dat het binnen de ‘margin of appreciation’ van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Dit brengt met zich dat het niet in strijd is met art. 8 EVRM om hulp bij zelfdoding enkel toe te staan onder de in art. 293 lid 2 Sr genoemde voorwaarden, waarnaar de tweede zin van art. 294 lid 2 Sr verwijst.

2.3.

Het oordeel van het hof

2.3.1.

Inleiding

Het hof stelt voorop dat in de artikelen 293 en 294 Sr het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie strafbaar is gesteld. Enkel in het geval het feit is begaan door een arts en is voldaan aan de in art. 293 lid 2 Sr genoemde zorgvuldigheidseisen, die zijn neergelegd in art. 2 lid 1 van de Wtl, is het feit niet strafbaar. Aldus heeft de wetgever een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers.

Uitzonderlijke omstandigheden, aldus de Hoge Raad, kunnen in een individueel geval met zich brengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en 294 Sr genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist. Dat kan het geval zijn indien die persoon heeft gehandeld in een noodtoestand en derhalve, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Daar kan slechts bij hoge uitzondering sprake van zijn, gelet op de door de wetgever vastgelegde bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften.

Het hof ziet zich, met inachtneming van bovenstaande overwegingen van de Hoge Raad, voor de vraag gesteld of op grond van het dossier voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte stond voor met elkaar strijdig zijnde plichten en belangen, waarbij hij vervolgens de zwaarstwegende heeft laten prevaleren en aldus, of de verdachte heeft gehandeld uit overmacht noodtoestand, als bedoeld in art. 40 Sr.

Voor een geslaagd beroep op overmacht in de zin van noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele, concrete nood, die is geëigend aan die nood (het belangenconflict) een einde te maken en die voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

2.3.2.

Vaststaande feiten

Bij de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 8 februari 2010 is op televisie de documentaire ‘ [naam documentaire] . Een zelf geregisseerde dood’ uitgezonden door het televisieprogramma ‘Netwerk’. In die documentaire heeft [stiefmoeder verdachte] te kennen gegeven dat zij haar leven wil beëindigen en is te zien dat de verdachte, stiefzoon van [stiefmoeder verdachte] , bij dat overlijden behulpzaam is en dat hij daartoe middelen verschaft. De raadsman heeft – op verzoek van verdachte – de documentaire onder de aandacht van het openbaar ministerie gebracht, waarna een justitieel onderzoek is gestart.

De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij een afspraak heeft gemaakt met de huisarts van zijn stiefmoeder, drs. [huisarts A] . De huisarts heeft op 24 maart 2010 een brief gezonden aan de recherche waarin zij onder meer mededeelt dat zij op 8 februari 2008 een gesprek heeft gevoerd met [stiefmoeder verdachte] over haar wens om haar leven te beëindigen. De huisarts werkte daaraan toen niet mee omdat, zo begrijpt het hof, zij van oordeel was dat ondanks de veelheid van klachten waaraan [stiefmoeder verdachte] leed, aan de zorgvuldigheidseisen waar art. 294 lid 2 Sr naar verwijst niet was voldaan. Vervolgens heeft op 4 april 2008 weer een gesprek plaatsgevonden waarin het euthanasieverzoek nogmaals is gedaan. Naar aanleiding van dat gesprek is door de huisarts, in overleg met [stiefmoeder verdachte] , besloten de medicatie die [stiefmoeder verdachte] kreeg voor haar hart- en nierfalen te beëindigen.

Ook op 31 mei 2008 vond een gesprek plaats met genoemde huisarts, waarin [stiefmoeder verdachte] haar verzoek heeft herhaald. Ook dit laatste verzoek heeft niet geleid tot wijziging van de beslissing van de huisarts [huisarts A] .

De betreffende huisarts is op 3 februari 2015 gehoord door de raadsheer-commissaris van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Zij heeft verklaard dat er geen indicatie bestond voor het toewijzen van het verzoek om euthanasie van [stiefmoeder verdachte] . Er is wel gekeken naar mogelijkheden om het [stiefmoeder verdachte] meer naar de zin te maken in het leven, maar eigenlijk bleek al snel dat die mogelijkheden er niet waren. Voorts is de mogelijkheid van versterving besproken, maar dat was geen optie voor [stiefmoeder verdachte] . Nu de huisarts van oordeel was dat niet voldaan was aan de zorgvuldigheidseisen om de euthanasie op [stiefmoeder verdachte] te verrichten heeft zij ook geen SCEN-arts ingeschakeld. De huisarts dacht dat een andere arts toen ook niet zou willen meewerken aan het verzoek.

De verdachte heeft tegenover de politie onder meer verklaard dat hij, na de weigering van de huisarts [huisarts A] om mee te werken aan euthanasie, contact heeft gezocht met de NVVE. De heer [getuige] , consulent van de NVVE, heeft [stiefmoeder verdachte] in de periode van april en mei 2008 drie maal bezocht. [stiefmoeder verdachte] maakte tijdens die gesprekken duidelijk dat zij ‘klaar was met haar leven’. [getuige] heeft zowel met [stiefmoeder verdachte] gesproken als met de verdachte. Ook kwam het WOZZ-boekje tijdens die gesprekken aan de orde. Het boekje kent als titel ‘Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging’, dateert uit 2008 en is afkomstig van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding.

Op enig moment is het de verdachte gebleken dat [stiefmoeder verdachte] zelf pillen had verzameld met als doel zelf een einde aan haar leven te maken, maar dat die pillen voor dat doel ongeschikt waren. Dit laatste heeft verdachte na eigen onderzoek voor zichzelf vastgesteld. De verdachte heeft toen aangeboden om [stiefmoeder verdachte] te helpen; hij beschikte zelf onder meer over malariapillen (Nivaquine) en heeft tevens de door [stiefmoeder verdachte] in te nemen anti-braakpillen verschaft. [stiefmoeder verdachte] beschikte voor een deel zelf over pillen zoals Oxazepam. De door haar verzamelde Temazepam-pillen waren niet genoeg. De verdachte heeft die pillen, met hulp van anderen, die dit middel voorgeschreven kregen, aangevuld. De verdachte heeft een protocol opgesteld en op de avond van 7 juni 2008 heeft de verdachte een aantal pillen fijngestampt en vermengd met yoghurt. [stiefmoeder verdachte] heeft aldus de verdachte de yoghurt met daarin de middelen Nivaquine, Oxazepam en Temazepam opgegeten en daarbij bovendien Martini gedronken.

Blijkens forensisch onderzoek kan inname van 30 tot 60 tabletten à 100 mg chloroquine (merknaam: Nivaquine) tot de dood leiden. Voorts is gebleken dat een soortgelijke pil als door de verdachte aan [stiefmoeder verdachte] verstrekt, een hoeveelheid van tussen de 89 en 99 mg chloroquine bevat. Tevens is door de deskundige prof. dr. D.A. Uges, forensisch en klinisch toxicoloog-farmacoloog, vastgesteld dat de door verdachte aan [stiefmoeder verdachte] verstrekte chloroquinepillen gezamenlijk ongeveer 7 gram chloroquine bevatten, welke dosis hij als letaal beschouwt.

[stiefmoeder verdachte] is overleden in de nacht van 7 op 8 juni 2008, alleen en niet in het bijzijn van verdachte, die – volgens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep – naar huis is gegaan om te slapen.

2.3.3.

Beroep op overmacht in de zin van noodtoestand

Door de verdediging is een beroep gedaan op, kort gezegd, gerechtvaardigde overmacht in de zin van noodtoestand.

Onder verwijzing naar het door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 maart 2017 voor de beoordeling van dit verweer geschetste kader (in r.o. 4.2.1) moet het volgende voorop worden gesteld. Het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie zijn strafbaar gesteld bij art. 293 en art. 294 Sr, zoals deze artikelen ten tijde van het handelen van de verdachte luidden. Het feit is niet strafbaar indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2, eerste lid, Wtl. Aldus is een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van de persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers.

Uitzonderlijke omstandigheden kunnen meebrengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en 294 Sr genoemde handelingen die strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is gepleegd door iemand die de hoedanigheid van arts mist, onder meer indien daarbij moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Hiervan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn, aldus de Hoge Raad.

Het hof overweegt verder dat naarmate de situatie waarin de dader zich bevindt minder acuut is, de eisen die aan een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand worden gesteld zullen toenemen. Het gedrag van de dader moet bovendien de toetsing van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

Bij de beoordeling van het beroep op overmacht in de zin van noodtoestand heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op navolgende feiten en omstandigheden.

Uit de door de verdachte ter terechtzitting van dit hof afgelegde verklaring van 4 december 2017 volgt dat de verdachte op de hoogte was van de in art. 293 en 294 Sr beschreven verboden en de bijbehorende jurisprudentie. Verdachte heeft ervoor gekozen om zijn stiefmoeder hulp te bieden bij haar zelfdoding. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij niet wilde dat zijn stiefmoeder op een willekeurig moment en in haar eentje zou overlijden en hij voelde druk omdat zij zelf medicijnen was gaan verzamelen. [stiefmoeder verdachte] wilde geen 100 jaar worden en was bang om de regie over haar leven te verliezen, aldus de verdachte. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij, na de afwijzing van het euthanasieverzoek van [stiefmoeder verdachte] door de huisarts op 8 februari 2008, bij welk gesprek hij aanwezig was, besloten had dan zelf zijn stiefmoeder te helpen bij haar zelfdoding, waartoe hij korte tijd hierna contact heeft gezocht met de NVVE.

De huisarts heeft later in een brief van 24 maart 2010 verklaard dat [stiefmoeder verdachte] tijdens dit gesprek medicatie vroeg om haar leven te beëindigen, waarna zij aan [stiefmoeder verdachte] heeft aangegeven dat zij hier moeite mee had. [stiefmoeder verdachte] had volgens de huisarts weliswaar een beperkte levensverwachting door haar hart- en nierproblemen en haar hoge leeftijd, maar zij had er in deze situatie moeite mee om mee te werken aan euthanasie. Ook uit de verklaringen van verdachte volgt dat de lichamelijke aandoening van [stiefmoeder verdachte] maar zeer beperkt meespeelde bij haar wens te overlijden en zou, aldus de verdachte, het een drogreden zijn om euthanasie uit te voeren vanwege een medische grondslag. Feitelijk lagen immers niet de, reeds jarenlang aanwezige, gezondheidsklachten van [stiefmoeder verdachte] ten grondslag aan haar doodswens, maar de gedachte dat zij ‘klaar was met leven’. De verdachte stond achter de wens van [stiefmoeder verdachte] , kon die wens begrijpen en voelde zich niet in de positie om tegen die wens in te gaan. Op de vraag in hoeverre zijn moeder aan hem duidelijk heeft gevraagd om haar te helpen om haar leven te beëindigen, heeft de verdachte op 23 februari 2010 bij de politie verklaard dat hij dat eigenlijk niet goed weet. Het was voor hem echter duidelijk dat ze dat graag wilde, zo verklaart hij en, gelet op het feit dat [stiefmoeder verdachte] ‘gewoon dood’ wilde en niemand wilde verleiden tot het plegen van een strafbaar feit, heeft hij een andere arts (dan de huisarts mevrouw [huisarts A] ) niet nogmaals willen verzoeken mee te werken aan euthanasie.

In het daarop volgende gesprek op 4 april 2008 reageerde de huisarts wederom terughoudend op een hernieuwd euthanasieverzoek. In overleg is toen besloten om te stoppen met de medicatie voor hart- en nierproblemen van [stiefmoeder verdachte] . Ook in het volgende gesprek met de huisarts heeft [stiefmoeder verdachte] haar verzoek wederom heeft herhaald, zonder dat dit volgens de huisarts verandering in haar standpunt heeft gebracht.

Bovendien is gekeken naar alternatieven, dat wil zeggen pogingen van de huisarts om het [stiefmoeder verdachte] meer naar de zin te maken in het leven. Huisarts [huisarts A] geeft in haar verklaring tegenover de raadsheer-commissaris d.d. 3 februari 2015 verder aan dat zij zeker weet dat er is gesproken over de mogelijkheid van versterven, maar dat dit voorstel door [stiefmoeder verdachte] resoluut van de hand werd gewezen. De huisarts kon zich tenslotte niet voorstellen dat er een andere arts bereid zou zijn gevonden om, binnen de bestaande wetgeving, de euthanasiewens van [stiefmoeder verdachte] uit te voeren kennelijk, zo begrijpt het hof haar verklaring, omdat het zijn van levensmoe de hoofdreden was en niet het ziek zijn.

Volgens de verdachte was het, gelet daarop en ingevolge het Brongersma-arrest van de Hoge Raad, ondenkbaar dat een arts [stiefmoeder verdachte] zou helpen in 2008, omdat dit ook voor een arts verboden was in de gegeven omstandigheden. De verdachte durfde daarom ook niet om een (andere) arts een dergelijke vraag voor te leggen; een arts zou daardoor in een ongemakkelijke situatie worden gebracht en dat wilde verdachte niet. De verdachte heeft daarom niet verder gezocht naar een (andere) arts en niet geverifieerd of het Brongersma-arrest – dat dateert van 24 december 2002 – nog steeds actueel was en onverkort gold. In plaats daarvan heeft hij, op verzoek van [stiefmoeder verdachte] , contact opgenomen met de NVVE. De consultatie van een vrijwilliger van de NVVE heeft naar het oordeel van het hof evenwel niet te gelden als de consultatie van een arts, nu is gesteld noch gebleken dat die vrijwilligers op enigerlei wijze medisch zijn geschoold of deskundig zijn op medisch gebied.

Vast is komen te staan dat bij [stiefmoeder verdachte] ten tijde van haar overlijden geen sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lichamelijk lijden, voortkomende uit een medische oorzaak. Anders dan dat zij levensmoe was en een stervenswens had, is ook niet, althans onvoldoende objectief, komen vast te staan dat sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk geestelijk lijden, voortkomende uit een medische oorzaak. De verdachte heeft derhalve eigenmachtig en in strijd met de wet, de zelfstandige beslissing genomen om [stiefmoeder verdachte] behulpzaam te zijn bij haar wens om te sterven, en daarbij willens en wetens voorbijgaand aan de zorgvuldigheidseisen die samenhangen met een dergelijke zwaarwegende beslissing. Het hof stelt vast dat de verdachte bij zijn uiteindelijke beslissing om zijn stiefmoeder actief te helpen bij haar zelfdoding zich enkel heeft laten leiden door die wens van zijn stiefmoeder en daarbij niet dan wel onvoldoende heeft betrokken dat zijn handelen strafbaar was. In dit kader betrekt het hof ook de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 4 december 2017, waar hij op de vraag of het respect voor het feit dat de wens van [stiefmoeder verdachte] om de regie te behouden diende te eindigen bij het verbod tot hulp bij zelfdoding, heeft geantwoord dat de consequenties die zijn handelen zou hebben voor hemzelf niet hebben meegespeeld bij zijn beslissing om [stiefmoeder verdachte] te helpen. De verdachte was zich wel bewust van die consequenties, maar vond dat het voor [stiefmoeder verdachte] geen rol moest spelen op dat moment. Ook heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat hij niet met de heer [getuige] , de consulent van het NVVE met wie verdachte contact had, heeft besproken of de heer [getuige] een andere arts kende die mogelijk wél wilde meewerken aan de door [stiefmoeder verdachte] gewenste euthanasie.

Nadat de verdachte [stiefmoeder verdachte] op de avond van haar overlijden heeft geholpen met het innemen van een dodelijke hoeveelheid medicijnen, is hij weggegaan en heeft haar alleen gelaten. Het hof acht dit volstrekt onverantwoord en onbegrijpelijk nu de verdachte ter terechtzitting van het hof van 4 december 2017 zelf immers heeft gesteld dat hij zijn daad, de hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder, juist heeft gepleegd omdat hij zijn stiefmoeder niet alleen wilde laten doodgaan. Niet ondenkbaar is immers dat er tijdens het stervensproces onverwachte complicaties konden optreden, die een onmiddellijk ingrijpen van een arts zouden hebben vereist. De volgende dag is door de huisarts een verklaring van natuurlijk overlijden van [stiefmoeder verdachte] afgegeven, wat de verdachte maar zo heeft gelaten. Hij vond het een ‘meevaller’, zo verklaarde hij ter terechtzitting van 4 december 2017. Eerst na het tonen van de eerdergenoemde en op 8 februari 2010 uitgezonden documentaire heeft de raadsman van de verdachte dit handelen onder de aandacht van het openbaar ministerie gebracht, waarna een justitieel onderzoek is gestart.

Gelet op het voren overwogene is het hof van oordeel dat de verdachte niet met succes een beroep kan doen op overmacht in de zin van noodtoestand. In dit verband overweegt het hof dat ook overigens naar zijn oordeel niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verkeerde in een dusdanige toestand dat die een dergelijk beroep zou kunnen rechtvaardigen. Het verweer dient derhalve te worden verworpen.

2.3.4.

Beroep op artikel 8 lid 1 EVRM

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer inhoudende dat art. 294 lid 2 Sr buiten toepassing dient te worden verklaard nu onverkorte toepassing van dat artikel in strijd is met art. 8, eerste lid, EVRM, overweegt het hof in algemene zin allereerst als volgt.

Het recht op leven is onder andere vastgelegd in art. 2 EVRM. Het recht op leven behoort tot de meest fundamentele rechten van de mens. Het legt staten een verbod op om moedwillig mensen te doden alsook de verplichting om het leven te beschermen van alle mensen binnen de nationale rechtsmacht.

In de zaak Pretty v. United Kingdom1 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat art. 2 EVRM geen recht om te sterven omvat, zoals door de ongeneeslijk zieke mevrouw Pretty werd aangevoerd. Volgens het EHRM heeft art. 2 EVRM geen negatieve dimensie maar alleen de positieve verplichting voor de overheid om het leven te beschermen. Er is volgens het EHRM ook geen verband tussen het te beschermen recht op leven en de kwaliteit van dat leven of wat een persoon verkiest te doen met dat leven. Art. 2 EVRM vestigt dus geen recht op zelfbeschikking over het eigen leven. Derhalve zijn de lidstaten niet verplicht om hulp bij zelfdoding te decriminaliseren, zelfs niet in de meest dwingende omstandigheden zoals die van Pretty.

Art. 8 EVRM (recht op privacy en familie- en gezinsleven) daarentegen luidt:

  1. Een ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

  2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economische welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en de vrijheid van anderen.

Het in deze zaak relevante en uit de tekst van art. 8, eerste lid EVRM te onderscheiden recht op eerbiediging van privéleven raakt aan de individualiteit van de burger en waarvan de bescherming een ontplooiing van zijn persoonlijkheid moet garanderen.2

Art. 8 EVRM bevat zowel negatieve als positieve verplichtingen. De staat heeft een negatieve verplichting om de privacy rechten niet in het gedrang te brengen, maar daarnaast heeft de jurisprudentie van het EHRM art. 8 EVRM uitgebreid met een positieve verplichting van de staat om maatregelen te nemen om te voorkomen dat particuliere partijen zich met deze rechten bemoeien.3

Het EHRM beschouwt het recht om medische behandeling te weigeren, zelfs als het een mogelijk levensreddende medische behandeling betreft, als een wezenlijk aspect voor het recht op zelfbeschikking. Een aanspreekbare volwassen patiënt moet immers het recht hebben om keuzes te maken volgens zijn eigen opvattingen en waarden, ook binnen de gezondheidszorg. De overheid heeft zich daar niet mee te bemoeien. Ofschoon uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat een oorspronkelijke, persoonlijke beslissing tot beëindiging van het leven onderdeel is van het recht op privéleven, is het nog niet juridisch vastgesteld hoeveel ruimte de overheid hierbij aan burgers moet geven om deze doodswens uit te voeren. Met betrekking tot nationale wetgeving over hulp bij zelfdoding hanteert het EHRM een ruime ‘margin of appreciation’ voor de nationale overheid. Deze mag de rechten van art. 8 EVRM beperken wanneer dat 'in overeenstemming met de wet' is en 'noodzakelijk in een democratische samenleving'.

Het hof overweegt dat de ‘margin of appreciation’ een kernbeginsel is dat het EVRM beheerst. De ‘margin of appreciation’ is een beoordelingsmarge die de lidstaten wordt geboden en die vaak wordt ingeroepen wanneer het moeilijk is om uniforme Europese opvattingen over de reikwijdte van rechten of beperkingen te achterhalen. Een gebrek aan consensus tussen de lidstaten is een indicatie voor het EHRM dat de zaak het beste aan de afzonderlijke lidstaten kan worden overgelaten. Veel factoren, zoals verschillen in lokale wetten en culturen, geven steun aan de toepassing van de beoordelingsmarge, met name in het kader van zeer gevoelige kwesties, zoals die van de zelfmoord, een alom bekend politiek en moreel debat in de hele wereld, dat duidelijk binnen de beoordelingsmarge valt die aan de lidstaten wordt toegekend.

De vaststelling van de breedte van de beoordelingsmarge is afhankelijk van het geheel van de omstandigheden. Hoewel de aanwezigheid van een consensus op zich niet betekent dat er een [smalle] appreciatiemarge bestaat, is anderzijds het ontbreken van consensus waarschijnlijk een doorslaggevende factor om te concluderen dat er een [brede] appreciatiemarge is. Zo weigerde het EHRM in de zaak Koch v. Germany4, waar het EHRM een procedurele schending van art. 8 EVRM heeft vastgesteld, een oordeel te geven over de materiële klacht en merkte op dat de meerderheid van de staten geen enkele vorm van hulp bij zelfdoding toestond en dat het, gezien de ‘margin of appreciation’, in de eerste plaats aan de nationale rechtbanken was om de gegrondheid van de vordering te onderzoeken.

Ofschoon dit recht nooit uitputtend is gedefinieerd, wordt het begrip 'privéleven' in de jurisprudentie van het EHRM zeer ruim uitgelegd. Zo toont de jurisprudentie een ontwikkeling naar een recht op zelfbeschikking. In het hiervoor aangehaalde euthanasiearrest Pretty v. United Kingdom is voor het eerst uitdrukkelijk beslist dat ‘personal autonomy’ en ‘the right to self-determination’ tot het wezen van art. 8 EVRM behoren (§ 60).5

In Nederland is sinds 2002 de huidige euthanasiewetgeving van kracht. Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is nog steeds strafbaar volgens de art. 293 en 294 Sr. Op grond van art. 293 lid 2 Sr is de uitvoerend arts, indien hij een euthanasie uitvoert conform specifieke zorgvuldigheidseisen, niet strafbaar.

Bij de totstandkoming van de Wtl stelde de Nederlandse overheid zich op het standpunt dat het recht op leven niet onvervreemdbaar is: “Het recht op leven kan niet als onvervreemdbaar worden beschouwd in de zin dat die onvervreemdbaarheid in de weg zou staan aan de hoogst individuele en persoonlijke afweging die iemand kan maken om het eigen leven niet voort te zetten wanneer dat leven in de ogen van de betrokkene niet langer als menswaardig wordt beschouwd.”6

Het samenstel van art. 293 lid 2 Sr en de in art. 2, lid 1, van de Wtl neergelegde zorgvuldigheidseisen legt een bijzondere strafuitsluitingsgrond vast voor de arts die handelt overeenkomstig de uitdrukkelijke doodswens van de patiënt. Daarom is de wet volgens de regering niet in strijd met het in mensenrechtelijke verdragen vastgelegde recht op leven. De regering is van mening dat uit art. 2 EVRM niet de verplichting voortvloeit om de vraag of de arts zorgvuldig heeft gehandeld in alle gevallen aan het oordeel van de rechter te onderwerpen.

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de stiefmoeder van de verdachte in haar wens haar leven te beëindigen onder omstandigheden aanspraak had kunnen maken op bescherming van haar privéleven als bedoeld in art. 8, eerste lid EVRM.

Beoordeeld zal moeten worden of, zoals door de verdediging wordt gesteld, de verdachte, niet zijnde een arts, onder de gegeven omstandigheden waar het de gang van zaken rond het zelfverkozen levenseinde van zijn stiefmoeder betreft, op grond van het EVRM een eigen of afgeleid beroep op eerbiediging van privéleven toekomt.

Voor zover de verdediging heeft betoogd dat het handelen van de verdachte, gelet op zijn nauwe relatie met zijn stiefmoeder, valt binnen de reikwijdte van zijn door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven, valt naar het oordeel van het hof niet uit het (in dit verband door de verdediging aangehaalde) arrest Koch v. Germany en de andere door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van het EHRM af te leiden dat verdachte onder deze omstandigheden een zelfstandig of afgeleid recht heeft op het geven van hulp bij zelfdoding dat hij zou kunnen ontlenen aan zijn eigen door art. 8, eerste lid EVRM beschermde recht op privéleven. In deze zaak (Koch v. Germany) heeft het EHRM geoordeeld dat, gelet met name op de uitzonderlijk nauwe band die tussen verzoeker en zijn echtgenote bestond, en op zijn onmiddellijke betrokkenheid bij de vervulling van haar wens om haar dagen te beëindigen, verzoeker rechtstreeks getroffen had kunnen worden door de weigering om haar toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een dodelijke dosis geneesmiddelen. Het EHRM oordeelde dat in het betreffende geval verzoekers procedurele rechten uit hoofde van art. 8 EVRM zijn geschonden, aangezien de Duitse rechter heeft geweigerd de gegrondheid van zijn klacht inhoudelijk te onderzoeken. Wat de grond van de klacht van verzoekster betreft, was het EHRM evenwel van oordeel dat het in de eerste plaats aan de Duitse rechter was om de gegrondheid ervan te onderzoeken, met name gezien het feit dat er tussen de lidstaten van de Raad van Europa geen overeenstemming bestond over de vraag of er al dan niet enige vorm van zelfmoord moest worden toegestaan.

Het hof is voorts met het openbaar ministerie van oordeel dat door de verdediging wordt miskend dat het binnen de ‘margin of appreciation’ van een staat valt om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om een uitzondering te maken op een verbod op hulp bij zelfdoding. Dit brengt met zich dat het niet in strijd is met art. 8 EVRM om hulp bij zelfdoding alleen toe te staan onder de in art. 293 lid 2 Sr genoemde voorwaarden, waarnaar de tweede zin van art. 294 lid 2 Sr verwijst.

De verdediging heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de vervolging van de verdachte niet voldoet aan de beperkingsclausule van art. 8, tweede lid EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft meer in het bijzonder gesteld dat deze beperkingsclausule weliswaar bij wet is voorzien maar dat die beperking geen legitiem verdragsdoel dient.

Dit standpunt van de verdediging vindt geen steun in het recht. Zoals hiervoor beschreven valt uit de jurisprudentie van het EHRM niet af te leiden dat staten de verplichting hebben om euthanasie mogelijk te maken. Binnen de ‘margin of appreciation’ staat het staten vrij om nadere regels te geven omtrent het mogelijk maken van euthanasie, zolang dit bij wet is voorzien.

De beperking genoemd in art. 8, tweede lid, van het EVRM op de in lid 1 van datzelfde artikel genoemde rechten wordt als volgt verwoord ‘geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De Nederlandse wetgever heeft de hiervoor genoemde ‘margin of appreciation’ ingevuld door te bepalen dat het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie niet strafbaar is indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293, tweede lid, Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2 eerste lid van de Wtl. Dat het aldus door de Nederlandse wetgever invulling geven aan de ‘margin of appreciation’ onrechtmatig zou zijn, vermag het hof niet in te zien. Dit klemt te meer nu de ratio van art. 294 Sr, voor zover deze wetsbepaling al een inbreuk zou vormen op art. 8 EVRM, in ieder geval omvat het voorkomen van misbruik van hulp bij zelfdoding en derhalve op de bescherming van wilsonbekwame en kwetsbare personen waarop art. 8, tweede lid EVRM mede betrekking heeft, waarmee aldus een relevant en legitiem doel wordt nagestreefd. Dat art. 8 lid 2 EVRM de beperkingen zoals omschreven in art. 293, tweede lid Sr, niet toestaat is ook overigens niet gebleken.

De Nederlandse wetgever heeft de hulp bij zelfdoding door niet-artsen strafbaar gesteld en de betreffende wettelijke regeling in weerwil van de maatschappelijke discussie (vooralsnog) niet gewijzigd. Het enkele feit dat verdachte in zijn handelen bij het verlenen van hulp bij de zelfdoding van zijn stiefmoeder beperkt wordt maakt dit niet anders.

Ook in het overige genoemde in het verweer van de verdediging heeft het hof geen aanleiding gevonden art. 294, tweede lid Sr buiten toepassing te laten.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het standpunt van de verdediging in al zijn onderdelen dient te worden verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt.

3 Strafbaarheid van de verdachte

3.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op noodtoestand als schulduitsluitingsgrond (verontschuldigbare noodtoestand). Hoewel deze vorm van noodtoestand in Nederland (nog) niet expliciet aan de orde is geweest, lijkt deze zaak zich daarvoor wel te lenen volgens de verdediging. Art. 40 Sr biedt daarvoor wel de ruimte. Volgens de verdediging verkeerde de verdachte in een conflict van plichten en heeft hij vervolgens de wet heeft overtreden. Dat handelen was weliswaar niet gerechtvaardigd, maar tegelijkertijd kon van hem niet gevergd worden dat hij anders zou handelen dan hij heeft gedaan. Gelet op de actuele nood die ontstond toen bleek dat [stiefmoeder verdachte] zelf medicijnen aan het verzamelen was die niet geschikt waren voor het doel waarvoor zij deze had opgespaard kon van de verdachte niet worden gevergd dat hij passief bleef. Kort gezegd is betoogd:

- dat sprake was van een objectieve noodsituatie;

- dat de verdachte zijn stiefmoeder heeft geholpen op het moment dat duidelijk was dat haar beslissing definitief was;

- dat sprake was van een gevaar dat een bedreiging vormde voor iemand die de verdachte zeer na staat, te weten zijn stiefmoeder wier menswaardig leven acuut werd bedreigd door het zelfgekozen levenseinde met middelen die zich daarvoor niet leenden;

- dat de handeling van de verdachte erop was gericht het gevaar af te wenden. De door de noodsituatie opgewerkte psychische drang verontschuldigt samen met de door die drang ontstane en versterkte achterliggende beweegredenen het gedrag. Verdachte wilde een ondraaglijk lijden van [stiefmoeder verdachte] voorkomen door middelen te verstrekken die beter geschikt waren voor het doel waarvoor ze gebruikt zouden worden. Andere mogelijkheden, zoals euthanasie door een arts, waren uitgesloten. Bovendien moest worden ingegrepen omdat [stiefmoeder verdachte] het besluit had genomen hoe dan ook haar leven te beëindigen;

- het handelen van de verdachte voldeed aan de eisen van subsidiariteit omdat er geen andere opties resteerden. Als gezegd was euthanasie door een arts uitgesloten en was versterving geen optie omdat [stiefmoeder verdachte] zelf de regie wilde houden en een snelle dood verkoos boven een langer traject dat zou volgen wanneer zij zou stoppen met eten en drinken. Niets doen was evenmin een optie.

Resumerend is betoogd door de verdediging dat de verontschuldigbare noodtoestand zich bevindt tussen de noodtoestand als rechtvaardigingsgrond en de psychische overmacht. De wederrechtelijkheid en de verwijtbaarheid zijn in meerdere of mindere mate aangetast, maar het handelen is niet volledig objectief gerechtvaardigd (zoals bij overmacht noodtoestand) en evenmin is het zo dat de dader zichzelf niet meer in de hand had (zoals bij psychische overmacht). Naast het door de psychische druk veroorzaakte handelen is ruimte ingeruimd voor het maken van de ‘juiste’ keuze in het kader van de belangenafweging ten aanzien van de tegenover elkaar staande rechtsgoederen. Van de verdachte kon niet worden gevergd dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan nadat hij was geconfronteerd met het besluit van zijn stiefmoeder dat zij wilde sterven. De verdachte dient daarom van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Mocht het hof aan dit verweer voorbij gaan, dan is subsidiair door de verdediging betoogd dat bij het handelen van de verdachte sprake was van psychische overmacht. Dit etiket past weliswaar niet helemaal – omdat de wil van de verdachte niet werd aangetast – maar dat neemt niet weg dat anders handelen onder de gegeven omstandigheden niet van hem kon worden gevergd. In zoverre is sprake van psychische overmacht: er was een van buiten komende drang, te weten de beslissing van [stiefmoeder verdachte] dat zij niet meer verder wilde leven, en de verdachte kon en hoefde geen weerstand te bieden aan de druk die voortkwam uit de beslissing die zijn stiefmoeder al had genomen. De verdachte heeft niet disproportioneel gehandeld, maar informatie ingewonnen en zijn stiefmoeder geschikte middelen verstrekt waardoor zij vredig kon sterven. Ook is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. [stiefmoeder verdachte] had een besluit genomen en was daar niet meer van af te brengen. Euthanasie bleek echter niet mogelijk te zijn en versterving was geen optie. De verdachte kan onder deze omstandigheden in redelijkheid geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt zodat hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

3.2.

Standpunt openbaar ministerie

Ten aanzien van het verweer dat de verdachte heeft gehandeld in verontschuldigbare noodtoestand is door het openbaar ministerie gesteld dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat [stiefmoeder verdachte] niet van haar plan voor een zelf gekozen levenseinde was af te brengen. Niet is gebleken dat de verdachte dat heeft geprobeerd met woorden of door inschakeling van anderen. Onvoldoende onderbouwd is dat geen enkel alternatief voorhanden was dan het helpen van [stiefmoeder verdachte] bij haar wens om te sterven. Verdachte was weliswaar ernstig beperkt in zijn mogelijkheden, maar dat is vooral omdat hij bepaalde alternatieven niet wilde aangaan, zoals het afwenden van de wens van zijn stiefmoeder. De verdachte maakte een bewust keuze en gelet daarop is geen sprake van een noodtoestand. Dat verweer dient verworpen te worden volgens het openbaar ministerie.

Volgens het openbaar ministerie heeft de verdachte niet gehandeld uit psychische overmacht, nu geen sprake is van een van buiten komende drang waarin de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Eerder lijkt de druk om aan de wens van zijn stiefmoeder tegemoet te komen ingegeven door de druk vanuit verdachte zelf en zijn plichtsbesef. De enkele omstandigheid dat die druk werd verhoogd toen de stiefmoeder van verdachte zelf pillen ging verzamelen is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht.

3.3.

Het oordeel van het hof

3.3.1.

Beroep op verontschuldigbare noodtoestand

Het betoog dat de verdachte heeft gehandeld uit verontschuldigbare noodtoestand faalt reeds omdat het hof hiervóór, onder 2.3., reeds heeft geoordeeld dat geen sprake was van een noodtoestand. Gelet daarop behoeft dat verweer geen bespreking. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen dat, vanwege het niet aanwezig zijn van een noodtoestand, ook in het verband van het gevoerde verweer betreffende de verontschuldigbare noodtoestand, geen ruimte bestaat om nader in te gaan op dit verweer.

3.3.2.

Beroep op psychische overmacht

Ten aanzien van het beroep op psychische overmacht stelt het hof voorop dat, indien hierop een beroep is gedaan, de rechter op grond van dat verweer zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

Uit de door de verdachte ter terechtzitting van het hof van 4 december 2017 afgelegde verklaring blijkt dat de verdachte druk voelde om zijn stiefmoeder te helpen omdat zij medicijnen had verzameld waarmee zij zelfdoding wilde bewerkstelligen. Verdachte heeft vervolgens zelf aangeboden om voor [stiefmoeder verdachte] andere medicijnen te verzamelen en haar te helpen bij de uitvoering van haar wens te sterven. Vervolgens heeft hij uit eigen beweging een protocol opgesteld voor de avond waarop [stiefmoeder verdachte] zou sterven en heeft hij diverse geneesmiddelen verzameld. Het hof is van oordeel dat daaruit blijkt dat [stiefmoeder verdachte] geen druk op de verdachte heeft uitgeoefend om geholpen te worden bij haar dood, maar van een aanbod van de verdachte, waarvan [stiefmoeder verdachte] gebruik heeft gemaakt. Met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat verdachte het wellicht zo voelde dat hij geen andere optie had dan het overtreden van de wet, maar acht het hof niet aannemelijk geworden dat het voor verdachte op het moment van handelen onmogelijk was anders te handelen dan hij heeft gedaan. In dit kader verwijst het hof naar de door verdachte geheel of ten dele onbenut gelaten mogelijkheid om te trachten zijn stiefmoeder, al dan niet door tussenkomst van derden, op andere gedachten te brengen dan wel –al dan niet via de NVVE – één of meer andere artsen te consulteren teneinde met hen de doodswens van [stiefmoeder verdachte] te bespreken. Daarmee is aldus het hof geen sprake van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden, zoals een geslaagd beroep op psychische overmacht wel vereist. Het verweer faalt reeds om die reden en wordt verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

4 Maatschappelijke discussie aangaande het voltooid leven

Het hof realiseert zich dat dit arrest wordt gewezen tegen de achtergrond van de omstandigheid dat al geruime tijd een maatschappelijke discussie gaande is over de vraag of personen die hun voltooid leven achten stervenhulp zouden moeten kunnen krijgen. Het hof constateert dat de meningen over de wenselijkheid om over te gaan tot wetgeving die het mogelijk maakt om stervenshulp te bieden aan personen die hun leven voltooid achten in de samenleving sterk uiteen lopen. Van een concreet wetsvoorstel is thans nog geen sprake. Het hof acht het niet aangewezen om als rechterlijke instantie, vooruitlopend op dat eventuele wetgevingsproces, thans een oordeel te geven over de vraag of het bieden van stervenshulp aan personen die hun leven voltooid achten, toelaatbaar moet worden geacht en daarvoor maatstaven te ontwikkelen. Het wetgevingsproces zou daarmee immers op onwenselijke wijze worden doorkruist.

5 Oplegging van straf en of maatregel

5.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de aard van de zaak, de specifieke omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte met zich brengen dat slechts het toepassen van art. 9a Sr aan de orde kan zijn.

Het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend omdat het recidivegevaar op nihil kan worden geschat en ook normhandhaving niet tot het opleggen van een dergelijke straf dwingt. Aangevoerd is dat het handelen van de verdachte liefdevol, zorgvuldig en humaan was. Bovendien zou het verzoek van [stiefmoeder verdachte] , heden gedaan, veel meer kans van slagen hebben gehad, hetgeen het onderhavige feit relativeert.

Ook als de verweren van de verdediging worden gepasseerd, geldt dat in deze zaak trekken van overmacht aanwezig zijn waarbij de verdachte de belangen van [stiefmoeder verdachte] het zwaarst liet wegen. Ten slotte geldt dat het tijdsverloop in deze zaak een rol dient te spelen bij de strafoplegging.

5.2.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geëist met een proeftijd van 2 jaar. Het openbaar ministerie acht vanuit het oogpunt van normhandhaving het opleggen van een straf op zijn plaats. In de persoon van de verdachte, zijn zuivere motieven en de tijd die inmiddels is verstreken heeft het openbaar ministerie aanleiding gezien een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf te vorderen.

5.3.

Het oordeel van het hof

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, een en ander zoals bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zijn stiefmoeder geholpen bij de voorbereiding en uitvoering van haar wens om haar leven te beëindigen, terwijl hij zich ervan bewust was dat hij daarmee handelde in strijd met de wet. De verdachte heeft zich bij dat handelen enkel laten leiden door zijn wens om zijn stiefmoeder te helpen en zijn eigen overtuiging dat de bestaande wetgeving aangepast zou moeten worden. Nadat [stiefmoeder verdachte] alle pillen tot zich had genomen, maar voordat zij daadwerkelijk was overleden, heeft de verdachte de kamer van waar [stiefmoeder verdachte] aanwezig was, verlaten en is naar huis gegaan om te slapen. [stiefmoeder verdachte] is vervolgens alleen overleden. Het hof rekent het verdachte aan dat hij onvoldoende oog heeft gehad voor de omstandigheid dat complicaties zouden kunnen optreden in de periode gelegen tussen zijn vertrek en het moment waarop zij zou overlijden. Het vertrek van de verdachte staat bovendien in contrast met de nadien door de verdachte aangevoerde reden voor zijn handelen, inhoudende dat hij wilde voorkomen dat [stiefmoeder verdachte] zichzelf het leven zou benemen zonder dat daar iemand bij aanwezig was en zonder dat zij voorafgaand daaraan afscheid van haar naasten zou kunnen nemen.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij gedurende de eerste twee jaar na zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Toen de dienstdoende huisarts een natuurlijke dood had geconstateerd bij [stiefmoeder verdachte] was dat volgens de verdachte ‘een meevaller’.

Pas nadien, toen ‘Netwerk’ aankondigde een documentaire te willen maken over ‘het voltooid leven’, is de verdachte naar voren getreden en heeft de raadsman, op verzoek van de verdachte, bij justitie het handelen van de verdachte gemeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting van 4 december 2017 is de verdachte boos op justitie, die hem naar aanleiding van deze melding en uitzending heeft vervolgd wegens het bieden van hulp bij zelfdoding. De verdachte is in de loop van de jaren kennelijk gesterkt in zijn opvatting dat zijn handelen gerechtvaardigd was, reeds omdat hij de mening was en is toegedaan dat de art. 293 en 294 Sr gewijzigd dienen te worden.

Ten voordele van de verdachte weegt het hof mee dat de drijfveer van verdachte is geweest zijn moeder behulpzaam te zijn bij het vervullen van haar doodswens. Hij heeft gehandeld vanuit mededogen. Het hof houdt voorts ten voordele van de verdachte rekening met het tijdsverloop dat heeft plaatsgevonden. In dat verband volgt uit het dossier het volgende:

  • -

    het strafrechtelijk onderzoek is ingesteld op 8 februari 2010, de datum waarop de documentaire door ‘Netwerk’ is uitgezonden;

  • -

    het eerste verhoor van de verdachte vond plaats op 23 februari 2010;

  • -

    de betekening van de inleidende dagvaarding voor de eerste zitting bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen op 15 januari 2013, vond plaats op 27 december 2012;

  • -

    de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft vonnis gewezen op 22 oktober 2013;

  • -

    het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld op 29 oktober 2013;

  • -

    de verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 31 oktober 2013;

  • -

    het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft arrest gewezen op 13 mei 2015;

  • -

    het openbaar ministerie heeft cassatieberoep ingesteld op 22 mei 2015;

  • -

    de verdachte heeft cassatieberoep ingesteld op 27 mei 2015;

  • -

    de Hoge Raad wees arrest op 14 maart 2017 en verwees de zaak naar dit hof;

  • -

    dit hof zal arrest wijzen op 31 januari 2018.

Het hof constateert dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment waarop de inleidende dagvaarding aan de verdachte is betekend, te weten op 27 december 2012. Dat moment is immers aan te merken als een handeling vanwege de Nederlandse Staat waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld, terwijl de zaak vóór dat moment nog in onderzoek was. Hoewel uit het voorgaande volgt dat de redelijke termijn door geen van de rechterlijke instanties is geschonden, houdt het hof bij de strafoplegging ten voordele van de verdachte rekening met de totale duur van de procedure en de derhalve lange periode van onzekerheid over de uitkomst ervan voor verdachte.

Bij de vraag welke straf(modaliteit) en -omvang in dit geval passend is heeft het hof zich voorts in belangrijke mate laten leiden door de strafdoelen die door bestraffing in meer of mindere mate gediend kunnen worden. Dat betreft in de eerste plaats de vergelding. Vanuit het oogpunt van vergelding acht het hof, gelet op de aard van het door de verdachte gepleegde feit, het opleggen van een straf aangewezen. Hoewel [stiefmoeder verdachte] niet meer verder wilde leven en de verdachte niet tegen haar wil heeft gehandeld, heeft de verdachte de bestaande wetgeving welbewust naast zich neergelegd door op deze wijze in te grijpen in het leven van zijn stiefmoeder.

Naar het oordeel van het hof brengt ook het tweede in ogenschouw te nemen strafdoel, de generale preventie, met zich dat aan de verdachte een straf dient te worden opgelegd. Het hof acht het van belang te bevestigen dat de wettelijk vastgelegde norm – zolang deze niet is gewijzigd door de wetgever – dient te worden nageleefd en, wanneer dat niet gebeurt, dit kan leiden tot vervolging en bestraffing.

Het hof heeft geen aanwijzingen waaruit volgt dat het derde strafdoel, de speciale preventie, eveneens dwingt tot een strafoplegging, nu thans geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de verdachte zich nogmaals schuldig zal maken aan een feit als bewezen verklaard.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen termen aanwezig te zijn om te volstaan met toepassing van art. 9a Sr en dat niet kan worden volstaan met oplegging van de door de advocaten-generaal gevorderde straf. Het hof zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaar.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 294 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017 en in aanvulling op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 13 mei 2015 en opnieuw rechtdoende voor zover het de beslissing betreft over de strafbaarheid van het bewezen verklaarde, de strafbaarheid van de dader en de op te leggen straf of maatregel:

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 31 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 EHRM, Dianne Pretty v. United Kingdom, arrest van 29 april 2002, NJCM-Bulletin, 2002, Vol. 27, nr. 7, 910-925.

2 EHRM, Joseph Gillow v. United Kingdom, arrest van 24 november 1986, Publ. Hof, Serie A, Vol. 109, § 55.

3 EHRM, X and Y v. The Netherlands, (1985), 8 EHRR 235.

4 EHRM, Koch vs. Germany, arrest van 19 juli 2012, app. No. 497/09.

5 Zie voorts in gelijke zin o.a.: EHRM, Haas v. Switserland, arrest van 20 januari 2011, Publ. Hof, Serie. 2011 en EHRM, Gross v. Switserland, arrest van 14 mei 2013, app. No. 678190/10.

6 Zie: Kamerstukken II, 1999-2000, 26 691, nr. 6.