Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3429

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
20-003437-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzet tegen strafbeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Onduidelijkheid over het moment van uitreiking van het afschrift van een strafbeschikking. Bij afwezigheid van een degelijke registratie kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat het afschrift aan de verdachte in persoon is uitgereikt. De verdachte heeft daarom binnen de wettelijke termijn verzet ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003437-17

Uitspraak : 15 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 6 november 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-132453-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde verzet tegen een eerder uitgevaardigde strafbeschikking.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzet tegen de strafbeschikking alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat de zaak – na vernietiging van het vonnis – moet worden teruggewezen naar de rechtbank.

Overwegingen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte op 15 juli 2017 geen afschrift van de strafbeschikking in persoon is uitgereikt en dat de verdachte pas op 24 juli 2017 door een brief van het CJIB op de hoogte is geraakt van de strafbeschikking.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat blijkens art. 257d van het Wetboek van Strafvordering ‘een afschrift van de strafbeschikking zo veel mogelijk in persoon aan de verdachte wordt uitgereikt’ en dat ‘indien uitreiking van het afschrift niet in persoon plaatsvindt, het afschrift wordt toegezonden aan het in de basisregistratie personen vermelde adres van de verdachte’. Ten slotte wordt van elke uitreiking of toezending aantekening gehouden op de wijze, bij algemene maatregel van bestuur bepaald (lid 4).

Met betrekking tot voornoemde aantekening blijkt uit art. 2.2. van het Besluit OM-afdoening dat ‘van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking overeenkomstig dit artikel in daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers aantekening wordt gehouden door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd’ en dat ‘in geval van uitreiking in persoon aan de verdachte, aantekening [wordt] gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:

b. de plaats en het adres van uitreiking’

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen over een eventuele uitreiking van een afschrift van de strafbeschikking.

In het dossier is een ‘zaakoverzicht’ van het CJIB opgenomen, waarin enkele gegevens zijn opgenomen over de onderhavige strafbeschikking. In dat overzicht ontbreekt echter – onder meer –, de plaats en het adres van uitreiking. Voor zover het zaakoverzicht van het CJIB al zou moeten worden aangemerkt als een in art. 2.2. van het Besluit OM-afdoening bedoeld openbaar register, is niet voldaan aan de in dat artikel genoemde eisen en is dat ook niet opgemaakt door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd.

Op de aanhoudingskaart1 van de verdachte staat vermeld – onder het kopje ‘Afdoening OM’: ‘OMSB €500,- (naar huisadres)’. Het hof verstaat hier onder OMSB: openbaar ministerie strafbeschikking. Hieruit lijkt te volgen dat een afschrift van de strafbeschikking naar het huisadres van de verdachte zou zijn verstuurd, hetgeen, gelet op art. 257d Sv, (slechts) geschiedt indien het afschrift van de strafbeschikking niet in persoon is uitgereikt. In het zaakoverzicht van het CJIB is evenwel vermeld dat de strafbeschikking in persoon is uitgereikt.

Het hof hecht eraan op te merken dat zowel op de zich in het dossier bevindende handgeschreven als op de getypte strafbeschikking d.d. 15 juli 2017 een parketnummer is vermeld; een handeling die alleen wordt verricht als verzet is ingesteld en de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter. Deze strafbeschikkingen kunnen derhalve geen kopie zijn van een eventuele op 15 juli 2017 in persoon uitgereikte of aan het adres van verdachte toegezonden strafbeschikking.

Ten overvloede zij opgemerkt dat een akte van uitreiking, een juiste aantekening van een uitreiking van het afschrift van de strafbeschikking in de bedoelde openbare registers of bijvoorbeeld het opnemen van een dergelijke uitreikingshandeling in het proces-verbaal van verhoor deze onduidelijkheden hadden kunnen wegnemen. De mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg dat hem bekend is dat alle strafbeschikkingen die dag door hem of door de politie zijn uitgereikt is daartoe niet toereikend.

Het gevolg van het voorgaande is dat het hof – nu een degelijke registratie van de uitreiking van strafbeschikkingen kennelijk niet bestaat – niet zonder twijfel kan vaststellen dat op 15 juli 2017 aan de verdachte in persoon een afschrift van de onderhavige strafbeschikking is uitgereikt of dat hij op die dag anderszins op de hoogte is geraakt van de strafbeschikking.

Het hof komt tot de conclusie dat als eerste omstandigheid waardoor de verdachte op de hoogte is geraakt van deze strafbeschikking moet worden aangemerkt de ontvangst van de brief van het CJIB d.d. 24 juli 2017.

Het hof gaat ervan uit dat de verdachte de brief van het CJIB daags daarna, op 25 juli 2017, heeft ontvangen. Het hof stelt derhalve vast dat de termijn voor het indienen van verzet inging op 25 juli 2017, dat de verdachte op 7 augustus 2017 verzet heeft ingesteld en dat dit verzet derhalve tijdig en juist is ingesteld.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door hem ingestelde verzet tegen de strafbeschikking. Ingevolge art. 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zal de zaak derhalve teruggewezen worden naar de rechter van de eerste aanleg, aangezien deze in de hoofdzaak niet heeft beslist.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

wijst de zaak terug naar de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, teneinde met inachtneming van dit arrest, op de bestaande dagvaarding, te worden afgedaan en berecht.

Aldus gewezen door:

mr. S. Riemens, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Heller, griffier,

en op 15 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. S. Riemens, mr. M. Malsch en mr. J. Heller zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Met nummer 36, opgemaakt door [verbalisant] .