Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3394

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
20-003321-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woninginbraak in vereniging en bezit van een grote hoeveelheid hennep. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003321-17

Uitspraak : 3 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 oktober 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-845220-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1991,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde bewezen verklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming’ (feit 1),
- ‘poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ (feit 2) en
- ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ (feit 3),
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.


Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] integraal en hoofdelijk toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van hetgeen onder feit 2 aan hem ten laste is gelegd, het onder de feiten 1 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot integrale en hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte is gevorderd het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.

De raadsvrouwe van de verdachte heeft primair vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit. Voor wat betreft het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging geconcludeerd dat zij daarin niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 maart 2016 te Soerendonk, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning en/of een garage, gelegen aan de [adres plaats delict] , heeft weggenomen een laptop en/of een quad en/of een telefoon en/of één of meer sleutel(s) en/of een ketting en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen laptop en/of quad en/of telefoon en/of sleutel(s) en/of ketting en/of geldbedrag onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking, en/of inklimming;

2.
hij op of omstreeks 1 februari 2016 te Lierop, gemeente Someren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schuur weg te nemen een of meer crossmotor(en) en/of één of meer (andere) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer feit 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen crossmotor(en) en/of goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, een raam uit een kozijn heeft gehaald en/of een slotplaat heeft geforceerd en/of een cilinderslot heeft verwijderd en/of (vervolgens) die schuur is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 9 juni 2016 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 2005 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 2

Tijdens het onderzoek naar de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot inbraak in Lierop is een tasje met gereedschap op de plaats delict aangetroffen, dat niet van aangever [slachtoffer feit 2] is. In het tasje zat een tang. Sporen op die tang zijn bemonsterd. Uit forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat de bemonsterde sporen het DNA van de verdachte bevatten.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat de enkele aanwezigheid van DNA-materiaal van de verdachte op de tang onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de verdachte de hem ten laste gelegde poging tot inbraak heeft gepleegd. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het forceren van een raam en het hanteren van de zogenaamde ‘Bulgaarse methode’ dusdanige voor de verdachte kenmerkende handelwijzen vormen, dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is van dezelfde modus operandi. Daarmee ontbreekt het steunbewijs voor de omstandigheid dat het DNA van de verdachte op de plaats delict is aangetroffen en schiet derhalve het bewijs voor de tenlastegelegde poging tot inbraak tekort. Mitsdien zal de verdachte van het aan hem onder feit 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 14 maart 2016 te Soerendonk, gemeente Cranendonck, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning en/of een garage, gelegen aan de [adres plaats delict] , heeft weggenomen een laptop en een quad en een telefoon en sleutels en een ketting en een geldbedrag, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen laptop en quad en telefoon en sleutels en ketting en dat geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en inklimming;

3.
hij op 9 juni 2016 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 2005 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – het volgende aangevoerd. Op basis van de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , alsmede de bevindingen van de politie en het technisch onderzoek, kan slechts worden vastgesteld dat verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] tijdens de politiecontrole om 3.48 uur en rond de aanhouding om 4.30 uur in een voertuig gezien zijn, waarin de in Soerendonk gestolen telefoon is aangetroffen. Gelet op het feit dat getuige [getuige 2] in zijn verklaring de tijden 2.00 uur tot 2.15 uur noemt als het moment waarop hij de vermoedelijke inbrekers heeft gezien, zijn verdachten dus 2,5 uur na de inbraak in de auto gesignaleerd. Door dat tijdsverloop is die omstandigheid niet voldoende om te kunnen spreken van wettig en overtuigend bewijs voor de inbraak, aldus de raadsvrouwe. Er zou in haar visie slechts sprake kunnen zijn van heling van een telefoon.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.


Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen:

  • -

    omstreeks 3.15 uur ziet getuige [getuige 1] een persoon over het trottoir voor haar woning aan de [adres] te Soerendonk rennen en ziet zij drie of vier personen een quad voortduwen. De personen gingen in de richting van de parkeerplaats van een school;

  • -

    gelet op de richting waarin de mannen zich verplaatsten kwamen zij uit de richting van de woning van aangevers aan de [adres plaats delict] te Soerendonk, waaruit zojuist onder meer een quad en een mobiele telefoon waren weggenomen;

  • -

    de getuige [getuige 1] hoort de quad starten en ziet een persoon er op wegrijden. De andere personen stappen in een donkere personenauto en deze rijdt achter de quad aan;

  • -

    omstreeks 3.28 uur zien politieagenten in Valkenswaard op de Leenderweg ter hoogte van nr. 58 een donkere Volkswagen Golf, kenteken [kenteken] (hierna: de auto) rijden met daar achter een quad, beide komende vanuit de richting van Soerendonk;

  • -

    de reistijd van de plaats delict in Soerendonk naar de Leenderweg 58 te Valkenswaard is 13 minuten;

  • -

    bekend is dat medeverdachte [medeverdachte] gebruikt maakt van genoemde Volkswagen Golf;

  • -

    de politieauto keert, waarna de auto en de quad hun snelheid opvoeren en de politie hen uit het oog verliest;

  • -

    omstreeks 3.47 uur zien politieagenten de auto in Valkenswaard, komende vanuit de richting van Dommelen;

  • -

    de inzittenden van de auto zijn verdachte en zijn medeverdachten;

  • -

    omstreeks 4.25 uur wordt de auto geparkeerd in de voortuin van de woning aan de [adres 2] te Dommelen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn de inzittenden van de auto;

  • -

    in de auto wordt de eerder die nacht uit de woning aan de [adres plaats delict] te Soerendonk gestolen telefoon aangetroffen;

  • -

    de politieagenten spreken ter plaatse met de bestuurster van een auto die een andere vrouw op komt halen uit de woning aan de [adres 2] te Dommelen. Zij blijkt de moeder te zijn van medeverdachte [medeverdachte] en te wonen aan de [adres 3] te Dommelen;

  • -

    de politie treft achter laatstgenoemde woning de eerder die nacht in Soerendonk gestolen quad aan. De motor is nog warm;

  • -

    verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn de hele avond en nacht samen geweest.


De verdachte heeft zich steeds tot aan de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep op zijn zwijgrecht beroepen. Deze omstandigheid kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs bijdragen. Anders is het echter als een omstandigheid op zichzelf, of in samenhang met de verdere omstandigheden, redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit en dat de verdachte geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, terwijl dat onder de gegeven omstandigheden wel van hem verlangd mocht worden.

Nu de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien, ook in verband en samenhang met de overige feiten en omstandigheden (waaronder de resultaten van het sporenonderzoek), op zichzelf genomen redengevend zijn voor het bewijs van het medeplegen van de woninginbraak, mag van de verdachte verlangd worden dat hij een die redengevendheid ontzenuwende verklaring geeft. Dat heeft hij evenwel niet gedaan, ook niet in hoger beroep. Verdachte heeft ten overstaan van het hof een verklaring afgelegd over zijn beweerdelijke niet-criminele activiteiten gedurende die bewuste nacht en de voorafgaande avond. Die verklaring is evenwel op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Ook heeft de verdachte geen enkele verklaring gegeven voor het aantreffen van de enkele uren eerder in Soerendonk gestolen telefoon in de auto, terwijl zijn verklaring dat hij de gehele avond en nacht met medeverdachte [medeverdachte] samen is geweest, juist op betrokkenheid bij de woninginbraak duidt.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat bewezen is dat de verdachte en zijn medeverdachten de woninginbraak aan de [adres plaats delict] te Soerendonk hebben gepleegd.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak van feit 1 strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 3 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak in vereniging en het bezit van een grote hoeveelheid hennep.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich in de nacht van 14 maart 2016 naar de woning aan de [adres plaats delict] te Soerendonk begeven en zijn vervolgens, na een raam aan de achterzijde te hebben geforceerd, naar binnen geklommen. Bij de inbraak zijn diverse goederen ontvreemd. Een woninginbraak veroorzaakt niet alleen materiële schade, maar zorgt eveneens voor overlast, ergernis en een gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers, die zich geconfronteerd zien met een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer en eigendomsrecht. Een van de slachtoffers heeft ter terechtzitting in hoger beroep laten weten dat zij zich tot op de dag van vandaag onveilig voelt in haar woning. Het hof rekent dit de verdachte aan. Hij heeft kennelijk alleen uit financieel gewin gehandeld en zich niets aangetrokken van hetgeen hij bij zijn slachtoffers teweegbrengt.

Daarnaast heeft de verdachte op 9 juni 2016 samen met anderen op een parkeerplaats van een hotel aan de Aalsterweg te Eindhoven een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, die – gelet op die grote hoeveelheid – kennelijk bestemd was voor drugshandel. Wetenschappelijk is aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. De verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven en heeft met zijn strafbare handelen de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevinden zich veroordelingen ter zake van gekwalificeerde diefstallen. Die veroordelingen hebben de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte onder meer naar voren gebracht dat hij samen met zijn vrouw binnen een vennootschap onder firma een schoonmaakonderneming drijft, hij baat heeft bij het lopende reclasseringstoezicht en onder behandeling staat van een psycholoog.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de positieve wending die de verdachte aan zijn leven lijkt te hebben gegeven, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en zijn justitieel verleden, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van woninginbraken en softdrugsbezit, in aanmerking genomen.

Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden, dit ondanks de omstandigheid dat het hof – anders dan de rechtbank – komt tot een vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde.

Het hof komt daarmee tot een hogere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd om redenen als hiervoor omschreven.


Ten slotte is het hof van oordeel dat het betoog van de raadsvrouwe, inhoudende dat sprake is van een onrechtmatige aanhouding niet kan slagen. Immers, anders dan door de verdediging is betoogd, kon aan de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in het hiervoor genoemde chronologisch overzicht van de gebeurtenissen in de nacht van 14 maart 2016, voor zover betrekking hebbende op de periode voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte, in redelijkheid het vermoeden worden ontleend dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de kort daarvoor gepleegde woninginbraak. Nu het dienaangaande tot strafvermindering strekkende verweer faalt, is geen plaats voor een gewijzigd eindoordeel met betrekking tot de op te leggen straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 350,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit smartengeld.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering integraal en hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.


De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, in verband met de bepleite vrijspraak. Inhoudelijk is geen verweer gevoerd.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Immateriële schadevergoeding kan in uitzonderlijke gevallen ook worden toegewezen in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer, waardoor kan worden gesproken van schending van een persoonlijkheidsrecht. Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat daarvan sprake is. De benadeelde partij heeft in dit verband immers in het schadeonderbouwingsformulier gesteld dat zij naar aanleiding van de inbraak in haar woning te kampen heeft met angstklachten, vermoeidheid, hartkloppingen en een verlies van het gevoel van veiligheid. De impact die de inbraak op haar heeft gehad, komt ook naar voren uit hetgeen zij ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren heeft gebracht. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van bewoners opleveren. Het hof begroot de als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks veroorzaakte immateriële schade naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 350,00. Het hof stelt vast dat de verdachte daarvoor samen met zijn mededaders naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016, zijnde de datum delict waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 150,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een vergoeding voor het eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering integraal en hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.


De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, in verband met de bepleite vrijspraak. Inhoudelijk is geen verweer gevoerd.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks materiële schade heeft geleden, nu door dit handelen de quad beschadigd is geraakt, waardoor de benadeelde partij daaraan herstelwerkzaamheden heeft moeten laten verrichten. Nadat de verzekeringsmaatschappij verzekeringspenningen had uitgekeerd om de beschadigde quad te kunnen herstellen, heeft de benadeelde partij het resterende bedrag aan eigen risico zelf moeten betalen.

De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Aldus ligt naar ’s hofs oordeel het gevorderde, zijnde een bedrag van € 150,00 aan materiële schadevergoeding, voor integrale hoofdelijke toewijzing gereed.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2016, zijnde de datum waarop het eigen risico in rekening is gebracht en aldus de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 291,32 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een vergoeding voor het eigen risico uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst, de dagwaarde van de laptop, de kosten voor het opstellen van een schaderapport en kosten voor het overzetten van data vanaf die laptop.

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering integraal en hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het wijzen van het vonnis begroot op nihil.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.


De raadsvrouwe van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering, in verband met de bepleite vrijspraak. De vordering is inhoudelijk niet betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededaders rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Door dit handelen zijn de autosleutels ontvreemd, waardoor de benadeelde partij de autosloten heeft moeten laten vervangen. Nadat de verzekeringsmaatschappij verzekeringspenningen had uitgekeerd om daartoe over te kunnen gaan, heeft de benadeelde partij het resterende bedrag aan eigen risico zelf moeten betalen. Voorts is bij de gekwalificeerde diefstal de laptop dermate beschadigd, dat na een ter zake ingesteld onderzoek is gebleken dat het niet meer loont om deze laptop te repareren. In dat kader konden nog wel de databestanden op de laptop worden overgezet.

De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Derhalve ligt naar het oordeel van het hof het gevorderde, zijnde een bedrag van € 291,32 aan materiële schadevergoeding, voor integrale hoofdelijke toewijzing gereed.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016, zijnde de dag waarop bij factuur het eigen risico in rekening is gebracht en daarmee de uiterste datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregelen

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn mededaders, voor zover dat betrekking heeft op het onder feit 1 ten laste gelegde, rechtstreeks schade aan de slachtoffers [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is toegebracht tot de respectievelijke bedragen van € 350,00, € 150,00 en € 291,32. De verdachte is daarvoor jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte ten behoeve van elk van de slachtoffers de maatregel tot schadevergoeding op te leggen, steeds ter hoogte van het hiervoor vermelde betreffende bedrag en telkens vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij telkens bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het tegen de verdachte verleende en reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde tot het bedrag van
€ 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, waarvoor de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag te betalen van € 350,00 (zegge: driehonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde tot het bedrag van
€ 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, waarvoor de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag te betalen van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) aan materiële schadevergoeding, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde tot het bedrag van
€ 291,32 (zegge: tweehonderdeenennegentig euro en tweeëndertig cent) als vergoeding van materiële schade, waarvoor de verdachte met zijn mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde een bedrag te betalen van € 291,32 (zegge: tweehonderdeenennegentig euro en tweeëndertig cent) als vergoeding van materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen jegens een van de benadeelde partijen hebben voldaan, de andere van die betalingsverplichtingen in zoverre vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 3 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. G.P.M.F. Mols zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.