Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
200.179.223_01 en 200.179.344_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3077
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling verdeling en verrekening van huwelijks vermogen na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 augustus 2018

Zaaknummer: 200.179.223/01 en 200.179.344

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/263120/ FA RK 13-2545-6

in de zaak in hoger beroep met nummer 200.179.223/01 van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal

en in de zaak in hoger beroep met nummer 200.179.344/01 van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks.

5 De beschikking d.d. 6 juli 2017

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat een deskundigenonderzoek verricht diende te worden teneinde de waarde te kunnen vaststellen van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] en van het bij die woning gelegen perceel grasland. Het hof heeft daartoe de deskundige P. van Helvoort te [plaats 2] benoemd.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het rapport van de deskundige Van Helvoort is ter griffie binnengekomen op 31 januari 2018. Het rapport is gedateerd 25 januari 2018. De man en de vrouw hebben bij brieven van hun advocaten van respectievelijk 2 maart 2018 en 5 maart 2018 op het deskundigenrapport gereageerd. De man heeft bij die gelegenheid nadere producties in het geding gebracht.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De deskundige heeft de waarde van het perceel grasland per datum van taxatie getaxeerd op € 90.000,-. De waarde van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] per 17 mei 2013 is door de deskundige getaxeerd op € 560.000,-.

De vrouw heeft in haar schriftelijke reactie naar aanleiding van het deskundigenbericht gevraagd om een nadere mondelinge behandeling, dan wel om een nadere schriftelijke ronde. Het hof begrijpt dat dit verzoek is ingegeven door haar wens om commentaar te leveren op de inhoud van de tussenbeschikking van het hof d.d. 6 juli 2017.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding om dit verzoek van de vrouw te honoreren. Zij heeft (evenals de man) de schriftelijke reactie naar aanleiding van het deskundigenrapport reeds gebruikt om commentaar te leveren op de voormelde tussenbeschikking, in het bijzonder op de daarin opgenomen eindbeslissingen. Het hof zal in het vervolg van deze beschikking ingaan op de opmerkingen die partijen in dit verband hebben gemaakt.

7.2.

De man is het op een aantal punten niet eens met het deskundigenbericht. Het hof begrijpt uit de brief van 2 maart 2018 dat de man met name bezwaar heeft tegen het resultaat van de taxatie van het perceel grasland. Zijn bezwaren zijn de volgende.

- Volgens de man heeft de deskundige het beginsel van hoor en wederhoor onvolledig toegepast door de reacties van partijen op elkaars reacties op het concept-deskundigenrapport niet te becommentariëren.

Het hof verwerpt dit bezwaar. De deskundige heeft de reacties van beide partijen op het concept-deskundigenrapport in zijn beoordeling betrokken en daarmee voldaan aan de opdracht van het hof.

- Naar aanleiding van de opmerkingen van de man op het concept-rapport heeft de deskundige een correctie toegepast in die zin dat in het definitieve rapport is vermeld dat de op het perceel grasland staande stal niet van steen maar van hout is. Volgens de man heeft de deskundige ten onrechte hierin geen aanleiding gezien de waarde van het perceel aan te passen.

Het hof overweegt hieromtrent dat de deskundige kennelijk heeft geoordeeld dat de hier bedoelde wijziging geen invloed heeft op de waarde van het perceel. Dat dit oordeel onjuist zou zijn, is door de man onvoldoende onderbouwd.

- Naar de mening van de man is de deskundige ten onrechte uitgegaan van een afmeting van de stal op het perceel van circa 4 m x 12 m; volgens de man bedraagt de afmeting 3 m x 5 m en is er een illegale aanbouw van 3 m x 5 m.

Het hof stelt vast dat de man deze opmerking ook al had gemaakt naar aanleiding van het concept-rapport. De deskundige heeft in die opmerking kennelijk geen aanleiding gezien zijn definitieve rapport aan te passen. Door de man is niet onderbouwd dat de door hem gesignaleerde omstandigheid van invloed zou zijn op de waarde van het perceel.

- Volgens de man is de deskundige ten onrechte uitgegaan van een oppervlakte van de rijbak en de stal samen van 810 m2; dit moet volgens de man 600m2 zijn.

Ook deze opmerking was door man al gemaakt naar aanleiding van het concept-rapport. De deskundige heeft (op pagina 25 van zijn rapport) naar aanleiding hiervan geantwoord dat de grond welke gelegen is voor en om de paardenstal ook aan de paardenstal is toegerekend; dit meewegende komt de deskundige op 810m2.

Naar het oordeel van het hof is door de man niet onderbouwd dat dit antwoord onjuist zou zijn.

- Volgens de man heeft de deskundige ten onrechte (op pagina 25 van het rapport) twee maal de term “onzin” gebruikt.

Naar het oordeel van het hof kan aan de man worden toegegeven dat dit taalgebruik weinig diplomatiek is. Dit betekent echter niet dat daarmee de taxatie van het perceel onjuist zou zijn.

- De deskundige is bij de taxatie van het perceel uitgegaan van een gebruiksrecht van de heer [gebruiker] . Volgens de man is echter sprake van pacht en is ten onrechte met deze waardedrukkende factor geen rekening gehouden.

Naar het oordeel van het hof kon de deskundige in redelijkheid uitgaan van een gebruiksrecht “van jaar tot jaar”, dit gelet op de schriftelijke verklaring van de gebruiker [gebruiker] d.d. 25 september 2017 die als bijlage bij het deskundigenrapport is gevoegd.

7.3.

Ook de vrouw heeft een aantal bezwaren tegen het deskundigenrapport naar voren gebracht. Haar bezwaren richten zich met name op het resultaat van de taxatie van de voormalige echtelijke woning. Zij noemt als bezwaren:

- ten onrechte noemt de deskundige de onderhoudstoestand van de woning matig;

- de vrouw schat in dat de inhoud van de woning meer is dan de door de deskundige berekende inhoud van 945m3;

- de deskundige is blijkens pagina 21 onder punt 11 voor de feitelijkheden uitgegaan van het rapport van de (partij)deskundige [(partij)deskundige] ; volgens de vrouw is dit ten onrechte;

- de door de deskundige getaxeerde waarde van de woning komt niet overeen met eerdere taxaties in 1996, 2004 en 2006.

Het hof ziet in de voormelde opmerkingen van de vrouw geen aanleiding om het advies van de deskundige Van Helvoort niet te volgen. De getaxeerde waarde van de woning is door de deskundige deugdelijk onderbouwd, waarbij het hof opmerkt dat de inschatting van de waarde van de woning in het economisch verkeer in hoge mate zal zijn gebaseerd op de deskundigheid en ervaring van de taxateur. Dat de deskundige uit zou zijn gegaan van onjuistheden die (mede) bepalend zijn geweest voor diens waardebepaling acht het hof onvoldoende door de vrouw onderbouwd.

7.4.

Het hof zal, gelet op het voorgaande, uitgaan van de door de deskundige getaxeerde waarde van het perceel grasland van € 90.000,- en van de getaxeerde waarde van de woning per 17 mei 2013 van € 560.000,-.

7.5.

Zoals vermeld, hebben de man en de vrouw in hun brieven van respectievelijk 2 maart 2018 en 5 maart 2018 ook gereageerd op de inhoud van de tussenbeschikking van het hof d.d. 6 juli 2017. In die reacties zijn door partijen diverse (nieuwe) verzoeken aan het hof gedaan.

7.6.

Voor zover partijen het hof hebben verzocht om terug te komen op de in de beschikking van 6 juli 2017 opgenomen eindbeslissingen heeft – in het algemeen – het volgende te gelden.

Ingevolge bestendige jurisprudentie is de rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist hieraan in beginsel in het verdere verloop van de procedure gebonden, met dien verstande dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

Of in dit geval van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is, zal hierna worden besproken.

7.7.

Voor zover partijen in hun brieven van respectievelijk 2 maart 2018 en 5 maart 2018 met nieuwe verzoeken komen die nog niet waren vermeld in hun appelschriften, overweegt het hof het volgende.

Grieven en veranderingen of vermeerderingen van verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd dan wel plaats te vinden (vgl. HR 19 juni 2009, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders). Deze in beginsel strakke regel lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden (HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW92260) In een situatie als de onderhavige, waarin in een tussenbeschikking op nagenoeg alle geschilpunten omtrent de afwikkeling van het huwelijkse vermogen van partijen een eindbeslissing is gegeven en slechts op enkele onderdelen de beslissing is aangehouden teneinde de waarde van twee vermogensbestanddelen te laten taxeren, en aan partijen door het hof slechts de gelegenheid is gegeven om op het deskundigenrapport te reageren, moet het nadien doen van nieuwe verzoeken die niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van het deskundigenbericht, in beginsel in strijd worden geacht met de hiervoor genoemde “twee-conclusie” regel alsmede met de goede procesorde. Of en zo ja in hoeverre in dit geval aanleiding bestaat een uitzondering op dit uitgangspunt te maken zal hierna worden besproken.

7.8.

Zowel de man als de vrouw hebben opmerkingen gemaakt met betrekking tot rechtsoverweging 3.7.8 van de tussenbeschikking, betrekking hebbend op het perceel grasland. In die rechtsoverweging heeft het hof bepaald:

Het hof is vooralsnog van oordeel dat het perceel moet worden toegedeeld aan de man, dit onder de voorwaarde dat de vrouw door de man geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen uit haar draagplicht met betrekking tot voormeld bedrag van € 130.356,81, dit afhankelijk van de waarde van het perceel.

Thans is de waarde van het perceel bekend, namelijk een bedrag van € 90.000,-. Dit is minder dan de op het perceel betrekking hebbende hypotheekschuld van € 130.356,81.

Het hof zal, zoals aangekondigd in de tussenbeschikking, het perceel toedelen aan de man. Voor zover de op het perceel betrekking hebbende hypotheekschuld de waarde van het perceel overstijgt (dit is een bedrag van € 40.356,81) blijft de vrouw voor de helft (dit is een bedrag van € 20.178,40) draagplichtig. Voor het overige dient de vrouw uit haar draagplicht te worden ontslagen. Dit geldt niet slechts voor het restant van de op het perceel betrekking hebbende hypotheekschuld (een bedrag van € 110.178,40), maar voor het gehele restant van de lening ad € 600.000,-, zoals uit het hierna volgende zal blijken.

Anders dan de man lijkt te veronderstellen gaat het bij het ontslag uit de draagplicht slechts om de interne verhouding tussen partijen; medewerking van de bank is voor de wijziging van de onderlinge draagplicht niet nodig. Door overgang van het aandeel van de vrouw in het perceel naar de man wordt aan de voorwaarde voor het ontslag uit de draagplicht (met uitzondering van voormeld bedrag van € 20.178,40) voldaan.

De aan de eigendomsoverdracht verbonden kosten dienen door beide partijen, ieder voor de helft, te worden gedragen.

7.9.

De man heeft met betrekking tot het perceel grasland een nieuw aanvullend verzoek gedaan in die zin dat hij het hof verzoekt om met toepassing van artikel 3:300 BW te bepalen dat de te wijzen eindbeschikking dezelfde kracht heeft als een in wettelijke vorm opgemaakte akte van de wederpartij tot medewerking aan de bedoelde overdracht, althans te bepalen dat een door het hof aan te wijzen vertegenwoordiger de voor de overdracht aan de man benodigde handelingen zal verrichten. Hieromtrent overweegt het hof dat een dergelijk verzoek in dit stadium van de procedure in strijd moet worden geacht met de tweeconclusieregel én met de goede procesorde, dit in het licht van hetgeen hiervoor onder 7.7 is overwogen. Voor een uitzondering op het in die rechtsoverweging vermelde uitgangspunt bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding.

7.10.

De man heeft verder opmerkingen gemaakt naar aanleiding van rechtsoverweging 3.9.5 van de tussenbeschikking, betrekking hebbend op de voormalige echtelijke woning. In die rechtsoverweging heeft het hof overwogen:

In het licht van het voorgaande is het hof van oordeel, rekening houdend met de redelijkheid en billijkheid die partijen als voormalige echtgenoten jegens elkaar in acht moeten nemen en mede gelet op de aard van het verrekenbeding, welke aard meebrengt dat slechts positief vermogen in de verrekening moet worden betrokken, dat de vrouw slechts dan recht heeft op verrekening van de waardestijging van de woning indien en voor zover die waardestijging groter is dan de (op de peildatum aanwezige) schulden die zijn aangegaan om de waardestijging te realiseren.

In rechtsoverweging 3.9.10 is, in aansluiting hierop, bepaald, dat de man de waardevermeerdering van de woning tijdens het huwelijk (bedoeld is: tijdens de verrekenperiode) met de vrouw zal moeten verrekenen indien en voor zover die waardevermeerdering een bedrag van € 367.332,63 overstijgt.

Zoals vermeld, gaat het hof uit van een waarde van de woning aan het einde van de verrekenperiode van € 560.000,-. De beginwaarde bedroeg € 258.074, zodat sprake is van een waardevermeerdering van € 301.926,-. Dit is minder dan voormeld bedrag van

€ 367.332,63, zodat de man ten aanzien van de voormalige echtelijke woning niets met de vrouw hoeft te verrekenen.

7.11.

De man heeft in zijn brief van 2 maart 2018 het hof verzocht, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.9 van de tussenbeschikking, om alsnog te bepalen dat de vrouw moet bijdragen in de waardedaling van de woning tijdens de verrekenperiode.

Hieromtrent overweegt het hof dat uit de vorige rechtsoverweging blijkt dat van een waardedaling in de verrekenperiode geen sprake is. Afgezien hiervan bestaat er naar het oordeel van het hof, in het licht van hetgeen hiervoor onder 7.6 is overwogen, geen aanleiding om op dit punt anders te beslissen dan in de tussenbeschikking is vermeld.

7.12.

De man heeft met betrekking tot de Opmaatpolis en de Opbouwspaarrekening een nieuw aanvullend verzoek gedaan in die zin dat hij het hof verzoekt om met toepassing van artikel 3:300 BW te bepalen dat de te wijzen eindbeschikking dezelfde kracht heeft als een in wettelijke vorm opgemaakte akte van de wederpartij tot medewerking aan de bedoelde overdracht, althans te bepalen dat een door het hof aan te wijzen vertegenwoordiger de voor de overdracht aan de man benodigde handelingen zal verrichten.

Met betrekking tot dit verzoek is hetgeen hiervoor onder 7.9 is overwogen en beslist van overeenkomstige toepassing.

7.13.

De man heeft voorts een nieuw aanvullend verzoek gedaan naar aanleiding van de beslissing van het hof in rechtsoverweging 3.17.3 van de tussenbeschikking. In die rechtsoverweging heeft het hof beslist dat een deel van de waarde van het stamrecht dat door de man is ingebracht in [holding] Holding B.V. tot het te verrekenen vermogen hoort. Dat deel betreft een bedrag van € 11.703,-, zodat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 5.851,50.

De man verzoekt het hof de belastinglatentie die volgens hem aan het stamrecht is verbonden, in mindering te brengen op het aan de vrouw toekomende bedrag.

Met betrekking tot dit verzoek is hetgeen hiervoor onder 7.9 is overwogen en beslist van overeenkomstige toepassing.

7.14.

Met betrekking tot het paard [paard 1] en de pony [pony] heeft de man in zijn brief van 2 maart 2018 ook een nieuw aanvullend verzoek gedaan, inhoudende dat de vrouw zal worden veroordeeld [paard 1] en [pony] over te dragen aan [dochter] , de dochter van partijen, dit op verbeurte van een boete als niet aan de veroordeling wordt voldaan; daarnaast verzoekt de man om met toepassing van artikel 3:300 BW te bepalen dat de te wijzen eindbeschikking dezelfde kracht heeft als een in wettelijke vorm opgemaakte akte van de wederpartij tot medewerking aan de overschrijving van de afstammingsbewijzen van [paard 1] en [pony] op naam van [dochter] , althans te bepalen dat een door het hof aan te wijzen vertegenwoordiger de hiervoor benodigde handelingen zal verrichten.

Met betrekking tot dit verzoek is hetgeen hiervoor onder 7.9 is overwogen en beslist van overeenkomstige toepassing.

7.15.

De man verzoekt het hof verder om terug te komen op de beslissing in rechtsoverweging 3.22.5 van de tussenbeschikking van 6 juli 2017. De hier bedoelde beslissing is genomen naar aanleiding van hetgeen door de man was gesteld in de toelichting op zijn grief XI, te weten:

Indien de lening aan [holding] Holding B.V. niet kan worden terugbetaald, hetgeen voor de man onmogelijk is indien de schuld niet bij de waardeverandering van de woning wordt betrokken, dan is de onderneming niet in staat aan de pensioenverplichting te voldoen (die commercieel € 377.681,- bedraagt). Er ontstaat dan een latente belastingclaim van

€ 377.681 x 52% = € 196.394,12, aangezien de belastingdienst dat beschouwt als afkoop pensioen en een aanslag inkomstenbelasting zal opleggen. (…) De man verzoekt uw hof (…) de latente belastingclaim van € 196.394,12, nog te vermeerderen met heffingsrente en boete, in de verrekening mee te nemen.

Het hof blijft van oordeel dat een eventuele belastingclaim zoals door de man is beschreven, voor zijn rekening en risico dient te blijven en dat niet valt in te zien dat de vrouw in een eventuele fiscale last op dit punt zou moeten delen door die claim te betrekken bij de verrekening.

Van een onjuiste feitelijke grondslag van de beslissing van het hof, zoals de man stelt, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in de tussenbeschikking op dit punt is beslist.

7.16.

De vrouw heeft in haar brief van 5 maart 2018 een opmerking gemaakt met betrekking tot de beslissing van het hof ten aanzien van de inboedel van de voormalige echtelijke woning, in het bijzonder naar aanleiding van hetgeen door het hof onder 3.6.3 en 3.6.4 van de tussenbeschikking is overwogen en beslist. De vrouw stelt dat het hof zaken die haar privé-eigendom zijn aan de man heeft toegedeeld en zij wenst daarvoor een vergoeding.

Naar het oordeel van het hof is deze opmerking van de vrouw gebaseerd op een onjuiste lezing van de tussenbeschikking: het hof heeft geoordeeld dat de vrouw onvoldoende bewijs heeft bijgebracht voor haar stelling dat de door haar bedoelde inboedelzaken met privégeld zijn betaald, zodat die zaken geacht worden gemeenschappelijk eigendom te zijn en in de verdeling moeten worden betrokken.

7.17.

De vrouw verzoekt het hof om terug te komen van de afwijzende beslissing (onder 3.7.13 van de tussenbeschikking) op haar verzoek om een gebruiksvergoeding vast te stellen met betrekking tot het perceel grasland.

De afwijzende beslissing van het hof in de tussenbeschikking is gebaseerd op de overweging dat het perceel vanaf mei 2013 in gebruik is geweest voor het weiden van de paarden [paard 1] en [paard 2] en de pony [pony] , welke dieren gemeenschappelijk eigendom van partijen zijn.

Dat deze feitelijke grondslag onjuist zou zijn is door de vrouw niet gesteld. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om terug te komen van hetgeen in de tussenbeschikking op dit punt is beslist.

7.18.

De vrouw heeft in haar brief van 5 maart 2018 voorts opmerkingen gemaakt naar aanleiding van hetgeen door het hof is overwogen en beslist onder 3.9.10 van de tussenbeschikking en zij heeft in dit verband verwezen naar hetgeen door haar was gesteld onder de randnummers 6.7 tot en met 6.10 van haar appelschrift. Het gaat hierbij om het standpunt van de vrouw ten aanzien van haar draagplicht en aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire lening bij (thans) de Rabobank ten bedrage van € 600.000,-.

Omtrent de draagplicht van de vrouw heeft het hof hiervoor overwogen dat een deel van de hypothecaire lening, groot € 130.356,81, betrekking heeft op de financiering van het perceel grasland en dat de vrouw – na eigendomsoverdracht van haar aandeel in het perceel – nog draagplichtig is tot een bedrag van € 20.178,40.

Het hof heeft onder 3.9.6 van de tussenbeschikking voorts overwogen dat voor een deel van de hypothecaire lening, groot € 312.022,44 geldt dat de vrouw voor de helft (dit is een bedrag van € 156.011,22) draagplichtig is indien en voor zover dat bedrag van € 156.011,22 hoger is dan het bedrag van haar aandeel in de waardestijging van de voormalige echtelijke woning.

Uit hetgeen hiervoor onder 7.10 is overwogen en beslist volgt dat het aandeel van de vrouw in de waardestijging van de woning nihil is. Dit betekent dat zij jegens de man niet draagplichtig is ten aanzien van voormeld bedrag van € 156.011,22, zodat zij per saldo ten aanzien van de hypothecaire lening ad € 600.000,- slechts tot een bedrag van € 20.178,40 jegens de man draagplichtig is zodra zij haar aandeel in de eigendom van het perceel grasland aan de man heeft overgedragen.

De vrouw gaat er in haar beroepschrift weliswaar van uit dat zij met betrekking tot de hypothecaire lening draagplichtig is voor een bedrag van € 183.114,-, maar daarbij gaat zij tevens uit van de veronderstelling dat zij recht heeft op een bedrag van € 295.137,- zijnde de helft van de waardevermeerdering van de woning, welke waardevermeerdering door haar is berekend op € 590.274,-. Zoals overwogen, is deze veronderstelling van de vrouw onjuist.

7.19.

De vrouw heeft er in haar brief van 5 maart 2018 op gewezen dat zij in haar appelschrift onder VIII van haar petitum heeft verzocht om te bepalen dat de man zich ervoor dient in te spannen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld bij de Rabobank zal worden ontslagen en dat bij gebreke van ontslag uit de hoofdelijkheid de man zal worden veroordeeld tot verkoop van de woning.

Hieromtrent overweegt het hof dat de vrouw weliswaar tot een beperkt bedrag (namelijk tot € 20.178,40) jegens de man draagplichtig is voor de hypotheekschuld, maar die beperkte draagplicht is afhankelijk van haar medewerking aan de eigendomsoverdracht van haar aandeel in het perceel grasland en cultuurgrond. Reeds om die reden ziet het hof onvoldoende grond om de man thans te verplichten zich in te spannen dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, dan wel om de man te verplichten tot verkoop van de voormalige echtelijke woning.

7.20.

Naar aanleiding van rechtsoverweging 3.23.5 van de tussenbeschikking van het hof stelt de vrouw in haar brief van 5 maart 2018 dat de man de stukadoorswerkzaamheden, waarvan de vrouw vergoeding wenst, in eerste aanleg niet betwist heeft en zij wenst herziening van de beslissing van het hof op dit punt.

Naar het oordeel van het hof is dit verzoek alleen al niet toewijsbaar omdat de man in hoger beroep (in reactie op grief 14 van de vrouw) wél heeft betwist dat de vrouw de hier bedoelde stukadoorswerkzaamheden zou hebben betaald.

7.21.

In rechtsoverweging 3.10.2 van de tussenbeschikking heeft het hof de man opgedragen om een brief van Interpolis in het geding te brengen met daarin vermeld de contante waarde van de Opmaatverzekering op 17 mei 2013.

De man heeft bij zijn brief van 2 maart 2018 als bijlage B een brief van Interpolis d.d. 19 juli 2017 in het geding gebracht waarin staat dat de contante waarde van de Opmaatverzekering dezelfde is als de afkoopwaarde, in dit geval € 71.417,54.

De vrouw heeft op deze productie niet gereageerd. Het hof ziet onvoldoende aanleiding haar daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen, dit gelet op het volgende.

Allereerst is van belang dat de vrouw geen bezwaar had tegen de door de rechtbank gehanteerde waarde van de Opmaatverzekering van € 71.417,54. Verder valt niet in te zien dat de vrouw, indien zij het oneens was met de inhoud van de brief van Interpolis d.d. 19 juli 2017, dit niet bij brief aan het hof uiteen had kunnen zetten. Tot slot neemt het hof in overweging dat het belang van een goede procesorde ermee gediend is dat thans in deze, reeds lang slepende, zaak een eindbeschikking wordt gegeven.

7.22.

Thans resteert nog de beslissing op de grieven 15 en 16 van de vrouw en grief XIII van de man, betrekking hebbend op respectievelijk de wettelijke rente die door de rechtbank niet in het dictum van de eindbeschikking was opgenomen en op de berekening van de eindsaldi door de rechtbank.

Uit het voorgaande volgt dat het hof tot een andere berekening komt van de eindsaldi dan de rechtbank: in zoverre zijn grief 16 van de vrouw en grief XIII van de man gegrond.

De vrouw heeft in haar brief van 5 maart 2018 bij wijze van nieuw aanvullend verzoek aan het hof verzocht om bij de berekening van de eindsaldi ook rekening te houden met de door de man opgenomen gelden vóór de peildatum; in totaal zou het volgens de vrouw gaan om een bedrag van € 55.000,-.

Met betrekking tot dit verzoek is hetgeen hiervoor onder 7.9 is overwogen en beslist van overeenkomstige toepassing.

7.23.

Wat betreft de verdeling van de gemeenschappelijke eigendommen komt het hof tot de volgende berekening van het door de man betalen saldo.

De man dient de vrouw € 6.000,- te betalen wegens overbedeling ten aanzien van de inboedel en een bedrag van € 28.260,79 wegens de toedeling aan hem van de Opmaatverzekering.

De vrouw dient de man € 175,- te betalen wegens de toedeling aan haar van het paard [paard 2] .

Per saldo dient de man aan de vrouw aldus ter zake van verdeling een bedrag te betalen van

€ 34.085,79.

7.24.

De man dient voorts een vergoeding van € 1.675,- aan de vrouw te betalen wegens het door haar aangezuiverde negatieve saldo op de en/of rekening van partijen bij de ING.

7.25.

Van haar kant dient de vrouw een vergoeding aan de man te betalen van € 1.161,81 wegens het door hem betaalde hekwerk. Ook dient de vrouw aan de man een bedrag van

€ 140,97 per maand te vergoeden vanaf 17 mei 2013 wegens de door hem betaalde rentelast, betrekking hebbend op het gemeenschappelijke perceel grasland. Berekend tot en met de datum van deze beschikking gaat het om een bedrag van (14/31 x € 140,97) + (62 x

€ 140,97) + (9/31 x € 140,97) = € 8.844,73 In totaal bedraagt het vergoedingsrecht van de man jegens de vrouw aldus € 10.006,54.

Daarnaast dient de vrouw aan de man € 140,97 per maand te vergoeden vanaf 28 juli 2018 tot aan de datum van eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in het perceel grasland aan de man, dit onder de voorwaarde dat de rentelast met betrekking tot het perceel grasland door de man is betaald.

7.26.

De man dient aan de vrouw ter zake van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden de volgende bedragen te betalen:

- m.b.t. nabetaling Delta Lloyd € 2.165,37

- m.b.t. de banksaldi, genoemd onder 3.1.2 van de tussenbeschikking € 10.577,76

- m.b.t. het banksaldo op Raborekening [rekeningnummer 11] € 1.144,69

- m.b.t. het stamrecht in [holding] Holding B.V. € 5.851,50

- m.b.t. de eenmanszaak € 4.326,--

- m.b.t. de belastingteruggave 2012 € 1.677,--

Totaal € 25.742,32

7.27.

De vrouw dient aan de man ter zake van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden de volgende bedragen te betalen:

- m.b.t. het saldo op haar ING betaalrekening € 652,73

- m.b.t. het saldo op haar ING Toprekening € 969,25

- m.b.t. de polissen bij Aegon € 6.183,72

- m.b.t. de belastingteruggave 2012 € 3.585,50

Totaal € 11.391,20

7.28.

Over de verschuldigde bedragen dient wettelijke rente te worden betaald. In de tussenbeschikking van 3 juni 2014 heeft de rechtbank beslist dat met betrekking tot de te verrekenen bedragen wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum van het inleidend verzoek van de man respectievelijk de vrouw en over het vergoedingsrecht vanaf de datum van de (eind)beschikking. Tegen die beslissing van de rechtbank is niet gegriefd, maar de rechtbank heeft verzuimd de wettelijke rente in het dictum van de eindbeschikking op te nemen. Grief 15 van de vrouw is in zoverre gegrond.

Het hof zal hierna in het dictum bepalen dat over de te verrekenen bedragen wettelijke rente , moet worden betaald vanaf de datum van het inleidend verzoek van de man respectievelijk de vrouw, te weten 21 mei 2013 en 8 augustus 2013, en over de te betalen bedragen ter zake van verdeling en vergoeding vanaf de datum van deze beschikking.

7.29.

Het hof zal, om de duidelijkheid te bevorderen, de beschikkingen waarvan beroep geheel vernietigen en op alle onderdelen van het geschil tussen partijen opnieuw rechtdoen, met uitzondering van de beslissing in eerste aanleg inzake de proceskosten.

7.30.

Ook voor de kosten van het hoger beroep geldt dat deze dienen te worden gecompenseerd nu partijen voormalige echtgenoten zijn. Dit geldt mede voor de kosten van het deskundigenonderzoek, welke kosten door beide partijen reeds ieder voor de helft zijn voldaan.

8. De beslissing in beide zaken, zowel in het principaal als in het incidenteel appel

Het hof:

vernietigt de beschikkingen waarvan beroep, behalve ten aanzien van de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de proceskosten in eerste aanleg;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. bepaalt met betrekking tot de inboedel van de voormalige echtelijke woning van partijen aan de [adres] in [plaats 1] dat een schrijfbureau, twee boekenrekken en een slaapkamerameublement “Susanne” privé-eigendom van de man zijn en verdeelt alle overige inboedelzaken aldus dat aan ieder van partijen wordt toegedeeld hetgeen hij/zij thans feitelijk in bezit heeft;

2. deelt het perceel grasland, gelegen naast de voormalige echtelijke woning aan de [adres] in [plaats 1] (kadastraal bekend als gemeente [gemeente] sectie [sectie] nr. [perceelnummer 1] en gemeente [gemeente] sectie [sectie] nr. [perceelnummer 2] , gedeeltelijk) met aanhorigheden toe aan de man, dit onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar draagplicht jegens de man met betrekking tot de hypothecaire lening bij de Rabobank ad € 600.000,-, met dien verstande dat de vrouw na de eigendomsoverdracht van haar aandeel in het perceel jegens de man draagplichtig blijft met betrekking tot de voormelde hypothecaire lening tot een bedrag van

€ 20.178,40;

3. deelt de Opmaatverzekering bij Interpolis met nummer [verzekeringnummer] toe aan de man;

4. bepaalt dat het saldo per 17 mei 2013 van de Opbouwspaarrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 6] ten name van beide partijen, groot € 25.008,17, tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld;

5. deelt de paarden [paard 1] en [paard 2] en de pony [pony] toe aan de vrouw onder de verplichting van de vrouw om [paard 1] en [pony] in eigendom over te dragen aan [dochter] , de dochter van partijen;

6. veroordeelt de man om per saldo ter zake van de verdeling van gemeenschappelijke eigendommen aan de vrouw een bedrag betalen van € 34.085,79, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van deze beschikking tot aan de datum van voldoening;

7. veroordeelt de man om ter zake van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw een bedrag te betalen van € 25.742,32 met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 augustus 2013 tot de datum van voldoening;

8. veroordeelt de man voorts om ter zake van een aan de vrouw toekomend vergoedingsrecht aan haar een bedrag te betalen van € 1.675,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van deze beschikking tot aan de datum van voldoening;

9. veroordeelt de vrouw om ter zake van verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden aan de man een bedrag te betalen van € 11.391,20, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 mei 2013 tot de datum van voldoening;

10. veroordeelt de vrouw om ter zake van een aan de man toekomend vergoedingsrecht aan hem een bedrag te betalen van € 10.006,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van deze beschikking tot aan de datum van voldoening;

11. veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 140,97 per maand te vergoeden vanaf 10 augustus 2018 tot aan de datum van eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in het perceel grasland aan de man, dit onder de voorwaarde dat de rentelast met betrekking tot het perceel grasland door de man is betaald;

12. wijst af het over en weer meer of anders verzochte;

13. verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

14. bekrachtigt de proceskostenbeslissing van de rechtbank;

15. compenseert de proceskosten in hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van het deskundigenonderzoek, in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en C.D.M. Lamers en is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2018.