Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3369

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
200.225.051_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Zorgregeling

Toewijzing verzoek vader gezamenlijk gezag op de voet van artikel 1:253c Burgerlijk Wetboek. Zorgregeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 augustus 2018

Zaaknummer: 200.225.051/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/314024/FA RK 16-5513.2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te Oss,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M. Engelen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2017.

In die beschikking is bepaald dat het gezag over de hierna te noemen minderjarige voortaan aan de moeder en de vader gezamenlijk toekomt en is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) betreffende de minderjarige vastgesteld.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, de verzoeken van de vader alsnog af te wijzen en een omgangsregeling vast te stellen van een zondag per twee weken, althans een zodanige regeling als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 november 2017, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans haar vorderingen (het hof begrijpt: verzoeken) in hoger beroep af te wijzen onder bekrachtiging van de beschikking

van de rechtbank.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van:

- de brief van 4 oktober 2017 van de zijde van de moeder, ingekomen ter griffie op 4 oktober 2017, inzake een correctie van de nummering van de producties bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling ter zitting in eerste aanleg d.d. 22 juni 2017, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Engelen;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en met elkaar samengewoond. De samenwoning is geëindigd op 11 september 2016.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016.

De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij vonnis in kort geding van 23 november 2016 is door de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader gerechtigd is tot omgang met [de minderjarige] op 27 november, 11 december en 25 december 2016 van 9.00 uur tot 13.00 uur, en daarna iedere zondag van 9.00 uur tot 13.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt.

3.3.

Bij beschikking van 19 december 2016 zijn partijen door de rechtbank in het kader van het door de vader ingediende verzoek tot het bepalen van gezamenlijk gezag en van een omgangsregeling verwezen naar mediation en is de beslissing op deze verzoeken in afwachting van het verloop van de mediation aangehouden tot pro forma 8 mei 2017.

3.4.

Bij de bestreden beschikking van 3 juli 2017 is bepaald dat het gezag voortaan aan de ouders gezamenlijk toekomt en is een zorgregeling betreffende [de minderjarige] vastgesteld, met een opbouw in het contact. De volgens die beschikking (vanaf 17 december 2017) geldende (eind)regeling luidt dat de vader gerechtigd is tot contact met [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur en iedere woensdag van 17.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder ophaalt en terugbrengt, en voorts de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat en zoals aangevuld ter zitting, het volgende aan.

Ten aanzien van het gezamenlijk gezag: de relatie is verbroken vanwege verbaal en fysiek

geweld van de zijde van de vader. Zijn gedrag is niet veranderd na het verbreken van de relatie. Als de moeder in overleg gaat met de vader, gaat hij meteen tot de aanval over. Er is geen verbetering van de communicatie. Het feit dat de moeder zich inspant om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling na te komen, betekent nog niet dat overleg mogelijk is of dat partijen tot het maken van afspraken in staat zijn. Zo is het partijen niet gelukt om op

goede wijze afspraken te maken over de kerstvakantie vorig jaar en over de verjaardag van het halfzusje van [de minderjarige] . De moeder heeft daarbij noodgedwongen moeten instemmen met de voorstellen van de vader. Het schriftje wordt niet meer gehanteerd, en de vader heeft de moeder geblokkeerd op de e-mail. Het face-to-face contact tussen partijen is zeer beperkt. Alles moet zoals de vader het wil. Partijen zijn het over de meest eenvoudige dingen niet eens, er is een minimale vertrouwensbasis en een slechte communicatie. Dat levert een risico op dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen partijen.

Ten aanzien van de zorgregeling: de door de rechtbank vastgestelde regeling is te ruim bemeten. [de minderjarige] komt van de vader terug als een ander kind, is dan een paar dagen onrustig en onhandelbaar en uit haar slaapritme. Een regeling waarbij de vader [de minderjarige] tweewekelijks op zondag bij zich heeft, is passend.

De moeder verklaart dat zij op zich openstaat voor hulpverlening, maar dat de eerder ingezette mediation niet veel heeft gebracht.

3.7.

De vader voert, kort samengevat en zoals aangevuld ter zitting, het volgende aan.

Ten aanzien van het gezamenlijk gezag: de beschuldigingen van verbaal en fysiek geweld worden betwist, evenals de stelling dat de vader meteen tot de aanval overgaat als de moeder met hem in overleg gaat. Partijen kunnen wel degelijk met elkaar communiceren en afspraken maken. Zo is het hen gelukt met betrekking tot de vakanties tot afspraken te komen en is er normaal overleg geweest over de twee antibiotica-kuren van [de minderjarige] . De vader herkent zich niet in wat de moeder stelt over de slechte communicatie. Met het schriftje is hij gestopt juist op verzoek van de moeder. De moeder heeft de vader geblokkeerd op WhatsApp. Nu wordt er weer gemaild, gebeld en is er weer app-contact. Er zijn ook face-to-face contacten bij de overdracht, al gebeurt het vaak dat de moeder niet aanwezig is en oma (mz) de overdracht verzorgt.

Er zijn natuurlijk nog punten voor verbetering vatbaar, maar voor zover die verbetering niet vanzelf komt, is de vader bereid om in overleg met het Wijkteam verdere hulp daarbij te zoeken. De vader erkent overigens dat de moeder meer problemen ervaart in de onderlinge verhouding dan hijzelf. Voorts geldt volgens de vader dat als de onderlinge communicatie al slecht zou zijn, dat nog geen reden is om hem het gezag te onthouden.

Ten aanzien van de zorgregeling: de moeder houdt zich aan de door de rechtbank vastgestelde regeling en dat betekent dat er thans – sinds december 2017 – omgang is een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond (en wekelijks twee uur op woensdag). Die omgang verloopt goed. Er is geen reden waarom de omgang drastisch beperkt zou moeten worden. Dat [de minderjarige] na de omgang onhandelbaar zou zijn, wordt nu voor het eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht.

3.8.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het door de moeder gemelde gedrag van [de minderjarige] de raad niet onbekend voorkomt bij kinderen die van een omgangsweekend terugkomen. In plaats van dat de ouders elkaar verwijten daarover maken, zouden zij dat moeten zien als een punt van zorg en zich gezamenlijk moeten inspannen om aan verbetering van hun communicatie te werken. Dat zijn zij verplicht aan [de minderjarige] . De ouders moeten zich inzetten om hun communicatie op ouderniveau te verbeteren en zij zouden baat hebben bij psycho-educatie om inzicht te krijgen in het gedrag van [de minderjarige] . Hier is hulp via het Wijkteam, gelet op het laagdrempelige karakter daarvan, op zijn plaats. Met betrekking tot zowel het gezamenlijk gezag als de zorgregeling adviseert de raad om de beschikking van

de rechtbank te bekrachtigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het gezag

3.9.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.9.1.

Het hof stelt voorop dat uitgangspunt van de wetgever is dat ouders, in het belang van hun kind, gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun kind. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder mee dat in het belang van hun kind het ouderlijk gezag slechts aan één van hen moet toekomen. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans dat zij ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het niet klem of verloren raakt tussen hen.

3.9.2.

Gebleken is dat partijen erin zijn geslaagd de zorgtaken in de vakanties in het afgelopen jaar en de huidige zomervakantie in onderling overleg te verdelen. Er is normaal overleg geweest over de antibioticakuren van [de minderjarige] . Ook zijn partijen in staat gebleken afspraken te maken over de bezoektijden toen [de minderjarige] in het voorjaar van 2017 enkele dagen in het ziekenhuis heeft gelegen (zo blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank). Over incidentele aanpassingen van de zorgregeling zijn meningsverschillen geweest, maar die kunnen zich ook voordoen als de vader niet met het medegezag is belast. Niet gebleken is dat de vader de moeder relevant belemmert in haar taak van hoofdverzorgende ouder of weigert zijn medewerking te verlenen aan het nemen van belangrijke beslissingen aangaande [de minderjarige] . Er zijn geen signalen dat de vader met het verkrijgen van het medegezag zijn positie heeft misbruikt of gaat misbruiken en/of zaken op de spits zal drijven. Voorts heeft de vader laten zien dat hij een betrokken vader voor [de minderjarige] is en dat hij de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling naleeft.

3.9.3.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat aan het klem- en verloren criterium van artikel 1:253c BW niet is voldaan en dat afwijzing van het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag ook niet anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.

3.9.4.

Het hof zal de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gezamenlijk gezag dan ook bekrachtigen.

De zorgregeling

3.10.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, daaromtrent een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.10.1.

Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat de door de rechtbank vastgestelde regeling te ruim bemeten is en dat omgang van een zondag per twee weken passend(er) is. Vast staat dat de door de rechtbank vastgestelde (eind)regeling thans ruim een half jaar wordt nagekomen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat op dit moment die regeling de draagkracht van [de minderjarige] overschrijdt of anderszins schadelijk voor haar is. De door de moeder voorgestelde regeling van een zondag per twee weken is te beperkt. Gelet op de jonge leeftijd van [de minderjarige] is het van belang dat zij frequent contact met haar vader heeft om zo een hechte band met hem te behouden. Dit komt haar identiteitsontwikkeling ten goede.

3.10.2.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep ook met betrekking tot de zorgregeling bekrachtigen.

3.11.

Met de raad acht het hof het van belang dat partijen, in het belang van [de minderjarige] , aan verbetering van hun onderlinge communicatie gaan werken en middels psycho-educatie inzicht verwerven in wat hun wijze van communiceren met [de minderjarige] kan doen en wat het effect daarvan kan zijn op haar gedrag.

Het hof stelt vast dat partijen ter zitting in hoger beroep ermee hebben ingestemd dat de advocaat van de moeder zich wendt tot het Wijkteam / het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente Oss teneinde partijen te kunnen laten deelnemen aan een hulpverleningstraject ter verbetering van hun communicatie en ter verkrijgen van psycho-educatie.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door

mrs. P.M.M. Mostermans, C.D.M. Lamers en L.Th.L.G. Pellis en is op 9 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.