Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:333

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
200.204.345_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:7644
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3737
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kosten financiële advisering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.204.345/01

arrest van 30 januari 2018

in de zaak van

[beheer] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

[de vof] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg aan de Geul,

op het bij exploot van dagvaarding van 31 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, burgerlijk recht, gewezen vonnis van 1 juni 2016 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie en geïntimeerde - [de vof] - als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Nadat partijen hebben gefourneerd, is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 4051803 CV EXPL 15-3592)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 1 juni 2016 en het tussenvonnis van 10 februari 2016.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 10 februari 2016 onder “2. De feiten" enkele feiten vastgesteld. Die feiten zijn in dit hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Daarnaast staan nog enkele feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van die vaststaande feiten.

a. [de vof] verricht sinds 1990 in opdracht en ten behoeve van [appellante] , alsmede ten behoeve van aan [appellante] gelieerde rechtspersonen, accountantswerkzaamheden zoals:

- het opstellen van de jaarrekening;

- de aangifte vennootschapsbelasting;

- het verwerken van de administratie;

- het voeren van de loonadministratie.

b. In september 2004 hebben partijen nadere afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een door [de vof] opgestelde en door beide partijen ondertekende brief van 24 september 2004 (productie 1 dagvaarding eerste aanleg). In die brief is onder meer vermeld:

“(…)

Ik legde u uit dat de voorschotten met betrekking tot alle B.V.’s - exclusief [de vennootschap 1] voor welke u steeds een aparte factuur ontving -, op grond van de gemiddelde kosten betreffende de administraties en jaarrekeningen 2001 tot en met 2003 (…) in totaal ongeveer € 15.400,00 zouden moeten bedragen. (…)

U gaf hierbij aan dat u geen voorstander bent van het apart declareren van [de vennootschap 1] (…).

U verzocht mij dan ook de voorschotten te baseren op de totale kosten van alle B.V.’s; derhalve tevens [de vennootschap 1]

Dit betekent in casu dat € 1700,00 eveneens in de voorschotten betrokken zal worden waardoor er met ingang van het vierde kwartaal 2004 € 15.400,00 + € 1700,00 = € 17.100,00/4 = € 4.275,00 per kwartaal, aan voorschot in rekening gebracht zal worden.

De facturering zal geschieden aan (…) [appellante] (…)”.

De voorschotten betreffen de normale werkzaamheden met betrekking tot de administratie en jaarrekening. Incidentele advieswerkzaamheden zijn hierin niet meegenomen.

(…)”.

Bij belangrijke afwijkingen c.q. verhogingen in het kostenniveau wenst u per omgaande vóóraf ingelicht te worden. Verhogingen zonder overleg en goedkeuring uwerzijds zullen niet worden doorgevoerd.

(…)”.

c. Tot juli 2014 heeft [appellante] zowel de voorschotnota’s per kwartaal als de (jaarlijkse) definitieve eindnota’s steeds volledig betaald.

d. Op 28 juli 2014 heeft [de vof] aan [appellante] een voorschotnota gestuurd van € 5.000,- exclusief btw (€ 6.050,- incl. btw), die door [appellante] onbetaald is gelaten.

e. De overeenkomst van opdracht is door [appellante] ‘in de loop van 2014’ opgezegd en per 2 november 2014 beëindigd.

f. Op 5 december 2014 heeft [de vof] aan [appellante] een factuur gestuurd ter zake van over de periode 1 januari 2014 tot en met 2 november 2014 verricht werk dat betrekking had op het boekjaar 2013, van € 11.696,03 exclusief btw (€ 14.152,25 incl. btw). In die eindfactuur is rekening gehouden met betaling van drie voorschotfacturen van € 5.000,-, waaronder de onder d. genoemde voorschotfactuur van 28 juli 2014. Ook deze eindfactuur is niet betaald.

g. In de factuur van 5 december 2014 zijn onder meer werkzaamheden ten bedrage van € 7.073,13 en € 148,75 gefactureerd die door [de vof] zijn verricht ten behoeve van [de vennootschap 2] , één van de aan [appellante] gelieerde B.V.’s.

h. [appellante] heeft een klacht over [de vof] ingediend bij de Raad van Tucht, Register Belastingadviseurs. De Raad heeft bij uitspraak van 12 oktober 2015 (productie 1 conclusie van dupliek in reconventie) overwogen dat de uitbreiding van de werkzaamheden niet aan partijen is te wijten en dat de stelling van [appellante] dat [de vof] niet alle aangeleverde gegevens hoefde te controleren, niet leidt tot de conclusie dat een opsteller van jaarstukken zich niet behoeft te vergewissen van de juistheid van de aangeleverde gegevens zeker wanneer die juistheid niet eenvoudig kan worden vastgesteld. De klachten zijn door de Raad ongegrond verklaard.

4.2.1

In eerste aanleg heeft [de vof] in conventie gevorderd dat de kantonrechter [appellante] voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen om aan [de vof] te betalen € 21.179,25, (bestaande uit het in rov. 4.1 sub f genoemde bedrag van € 14.152,25 + het in rov. 4.1 sub d genoemde bedrag van € 6.050,- aan hoofdsom + € 977,- buitengerechtelijke kosten) vermeerderd met de wettelijke rente met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure.

4.2.2

[appellante] heeft in reconventie gevorderd veroordeling van [de vof] :

1. om aan [appellante] terug te betalen € 36.719,80 te vermeerderen met € 2.406,52 aan per 6 mei 2015 reeds verschuldigde rente vermeerderd met wettelijke rente over € 36.719,80 vanaf 6 mei 2015;

2. tot betaling aan [appellante] van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van [de vof] in de kosten van de procedure.

4.2.3

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 10 februari 2016 een verschijning van partijen bevolen.

In het vonnis van 1 juni 2016 is [de vof] in conventie toegelaten te bewijzen dat de door [de vastgoedbeheerder van appellante] aangeleverde administratie van [de vennootschap 2] over het kalenderjaar 2013 dermate beneden de maat was, dat extra werkzaamheden door [de vof] noodzakelijk waren om voor een correcte financiële en fiscale verslaglegging van [appellante] te kunnen zorgdragen.

In reconventie is overwogen dat [appellante] altijd alle facturen zonder protest heeft betaald en niet binnen bekwame tijd tegen de facturen heeft geprotesteerd, zodat vordering 1 in reconventie reeds om deze reden moet worden afgewezen (rov. 2.1). De kantonrechter heeft voorts opgemerkt dat [de vof] heeft betwist dat [appellante] de door haar genoemde bedragen waarvan [appellante] heeft aangevoerd dat zij die teveel heeft betaald, ook heeft betaald. [appellante] heeft vervolgens geen bewijs bijgebracht van die door haar gestelde en door [de vof] betwiste betalingen (rov. 2.9). De verklaring voor recht is afgewezen omdat de daaraan ten grondslag gelegde fout, het niet indienen van de suppletieaangifte btw over 2013, naar [de vof] onweersproken heeft aangevoerd, zonder gevolgen kan worden hersteld door deze aangifte alsnog in te dienen (rov. 2.10). De kantonrechter heeft vervolgens in het dictum van het vonnis van 1 juni 2016 de vorderingen van [appellante] in reconventie afgewezen, met veroordeling van haar in de kosten van de reconventie.

4.3

[appellante] vordert in dit hoger beroep onder het voordragen van vijf grieven en met wijziging van haar eis, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het gedeeltelijke eindvonnis vernietigt en alsnog rechtdoende [de vof] veroordeelt aan [appellante] te betalen:

1. vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2013 tot aan de datum van volledige voldoening;

2. € 13.747,71 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2014 tot aan de datum van volledige voldoening;

3. € 20.520,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2014 tot aan de datum van volledige voldoening;

4. een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5. de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 2de dag na betekening van het te wijzen arrest, tot aan de datum van volledige voldoening.

[de vof] voert verweer.

4.4

Het hof ziet geen bezwaren tegen de gewijzigde eis, zodat daarop recht zal worden gedaan. De grieven leggen het geschil in reconventie in volle omvang voor en zullen gezamenlijk worden beoordeeld.

4.5

Het in rov. 4.3 sub 1 genoemde bedrag van € 20.847,71 is volgens [appellante] het bedrag dat zij over de jaren 2011, 2012 en 2013 teveel, en dus onverschuldigd, heeft betaald aan [de vof] . Zij stelt dat partijen hebben afgesproken dat [de vof] per jaar niet meer mag declareren dan € 17.100,-, met uitzondering van incidenteel advieswerk (nr. 10 memorie van grieven). In 2011, aldus [appellante] in nr. 18 memorie van grieven, heeft zij € 4.243,50 teveel betaald, in 2012 € 4.691,27 en in 2013 € 11.912,94. In totaal heeft zij dus € 20.847,71 onverschuldigd betaald.

Het in rov. 4.3 sub 2 genoemde bedrag van € 13.747,71 is volgens [appellante] het bedrag dat zij over het jaar 2014 teveel heeft betaald of zal moeten betalen aan [de vof] (nr. 65 memorie van grieven).

Het in rov. 4.3 sub 3 genoemde bedrag van € 20.520,- is naar eigen inschatting van [appellante] het bedrag dat zij over de jaren 2011 tot en met 2014 teveel heeft betaald aan [de vof] wegens niet opgedragen (controle)werkzaamheden (nrs. 35 en 66 memorie van grieven).

4.6.1

Het hof zal allereerst het als sub 1 gevorderde bedrag van € 20.847,71 beoordelen. [appellante] heeft aan deze vordering onverschuldigde betaling ten grondslag gelegd, waarbij zij stelt dat alles dat zij per jaar meer heeft betaald dan € 17.100,- onverschuldigd is betaald. Zij voert in nr. 18 memorie van grieven aan dat zij in 2011 in totaal € 21.343,50 heeft betaald, in 2012 € 21.791,27 en in 2013 € 29.012,94. Zij volgt hiermee het door [de vof] bij haar conclusie van repliek in conventie als bijlage 3 bij productie 2 overgelegde overzicht (en productie 2 bij memorie van antwoord). Hieruit volgt dat er in dit geding van kan worden uitgegaan dat [appellante] in 2011 € 4.243,50 meer heeft betaald dan € 17.100,-, in 2012 € 4.691,27 meer dan € 17.100,- en in 2013 € 11.912,94 meer dan € 17.100,-.

4.6.2

[de vof] heeft aangevoerd dat [appellante] niet conform art. 12 van haar algemene voorwaarden binnen 30 dagen na de verzendatum van de stukken of informatie waarover [appellante] heeft geklaagd, heeft gereclameerd dan wel dat [appellante] , niet binnen 30 dagen na ontdekking van het gebrek, schriftelijk heeft geklaagd. Nadat [appellante] hierop heeft geantwoord dat zij regelmatig heeft geklaagd (nr. 6 conclusie van dupliek in conventie), heeft [de vof] in dit kader enkel aangevoerd dat het beroep op de door haar aangevoerde vervaltermijn wel degelijk doel treft (nr. 8 conclusie van dupliek in reconventie). Dat is niet een voldoende onderbouwd verweer op hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, zodat het beroep van [de vof] op art. 12 van haar algemene voorwaarden faalt.

4.6.3

Hetgeen meer is betaald dan € 17.100,- per jaar is volgens [appellante] onverschuldigd betaald omdat er een maximum prijs is afgesproken van € 17.100,- per jaar en [de vof] nooit meer mag en kan declareren dan dit bedrag (nr. 11 memorie van grieven). [de vof] mag daarnaast volgens [appellante] nog wel, zo begrijpt het hof, incidenteel advieswerk declareren evenals aanvullende specifieke werkzaamheden die voorafgaand zijn afgesproken (eveneens genoemd nr. 11). Het hof stelt voorop dat [appellante] op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv feiten moet stellen en bij betwisting bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat een maximum prijs is afgesproken en dat het meerdere dat door haar is betaald, onverschuldigd is betaald.

Voor zover de stelling van [appellante] dat er een maximumprijs van € 17.100,- per jaar is afgesproken berust op de bewoordingen in de door beide partijen ondertekende brief van 24 september 2004 (rov. 4.1 sub b), kan het hof [appellante] daarin niet volgen. Uit de woorden in de brief dat voor 2004 apart gefactureerde voorschotten betrekking hadden op “de gemiddelde kosten” die “in totaal ongeveer € 15.400,- zouden moeten bedragen” gelezen in samenhang met de opmerking dat [appellante] moet worden ingelicht bij “belangrijke afwijkingen c.q. verhogingen” volgt niet dat een vaste prijsafspraak is gemaakt en dat het per kwartaal te factureren voorschot van € 4.275,- met zich brengt dat het per jaar te betalen bedrag niet meer zal zijn dan € 17.100,-. Voor een dergelijke conclusie geven met name de woorden “gemiddelde kosten”, “ongeveer” en daarvan mag niet “in belangrijke mate” worden afgeweken, te weinig houvast.

[appellante] heeft daarnaast alleen nog aangevoerd dat zij steeds heeft begrepen dat partijen zijn overeengekomen dat er nooit meer dan € 17.100,- per jaar zal worden gefactureerd en dat zij er conform de Haviltexmaatstaf op heeft vertrouwd dat [de vof] deze overeenkomst ook zo zou uitleggen (nr. 11 memorie van grieven). Het is dan aan [appellante] om aan die stelling nadere invulling te geven, waarbij het ook voor de hand zou liggen dat [appellante] een reden geeft waarom zij in elk geval in de jaren 2011, 2012 en 2013 duidelijk meer heeft betaald dan € 17.100,- per jaar, maar een dergelijke reden ontbreekt. [appellante] dient verder bij een beroep op de Haviltexmaatstaf aan te voeren wat partijen dan over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin de zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [appellante] heeft echter alleen maar aangevoerd dat zij de prijsafspraak glashelder vindt en dat zij klachten had over onduidelijke en steeds hoger wordende declaraties. Daarmee heeft zij onvoldoende feiten gesteld waarmee voldoende concrete invulling kan worden gegeven aan de Haviltexmaatstaf. Anders gezegd: [appellante] heeft geen concrete verklaringen en/of gedragingen van haar genoemd noch gewezen op verklaringen en/of gedragingen van [de vof] ten tijde van de totstandkoming van de brief van 24 september 2004 waaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen een maximumbedrag van € 17.100,- per jaar hebben afgesproken. Het hof komt daarom wat dit betreft niet toe aan bewijslevering. Er kan in dit geding dus niet van worden uitgegaan dat partijen een vaste prijsafspraak van € 17.100,- hebben gemaakt.

4.6.4.1 [appellante] heeft verder aangevoerd dat [de vof] voor haar werkzaamheden in de jaren 2011, 2012 en 2013 zodanig veel meer in rekening heeft gebracht dat zij tijdig had behoren te waarschuwen, hetgeen zij niet zou hebben gedaan. [appellante] wijst er op dat de voorschotten de normale werkzaamheden met betrekking tot de administratie en jaarrekening betreffen en dat zij geen incidentele advieswerkzaamheden heeft gevraagd in die jaren. [de vof] heeft dus voor die normale werkzaamheden veel meer in rekening gebracht dan begroot.

4.6.4.2 Uit de door [de vof] bij conclusie van repliek overgelegde bijlage 3 bij productie 2 blijkt dat zij voor “overige werkzaamheden” in 2011 € 2.847,38 heeft gefactureerd, in 2012 € 2.574,35 en in 2013 € 4.098,85. In 2011, zo is hiervoor vastgesteld, heeft zij in totaal in rekening gebracht € 21.343,50, in 2012 € 21.791,27 en in 2013 € 29.012,94. Hieruit volgt dat [de vof] voor werkzaamheden die op grond van de voorschotnota’s zijn gefactureerd in 2011 uiteindelijk in rekening heeft gebracht € 18.496,12 (€ 21.343,50 min € 2.847,38), in 2012 € 19.216,92 (€ 21.791,27 min € 2.574,35 en in 2013 € 24.914,29 (€ 29.012,94 min € 4.098,65).

[de vof] stelt wat dit betreft dat een langjarig gemiddelde berekening over de jaren 2006 tot en met 2014 uitkomt op een jaarlijks bedrag van gemiddeld € 18.487,-, hetgeen niet kan worden aangmerkt als een relevante overschrijding van het afgesproken voorschot van € 17.100,- per jaar (nr. 15 memorie van antwoord). Het hof gaat aan dit verweer voorbij alleen al omdat uit niets blijkt dat partijen met het voorschotbedrag van € 17.100,- niet de per jaar verrichte prestaties voor ogen hebben gehad, maar een langjaarlijks gemiddelde. Terecht hanteert [appellante] dan ook als uitgangspunt dat moet worden gekeken naar elk afzonderlijk jaar (zie nr. 4 conclusie van dupliek in conventie). Het hof acht wat dit betreft de overschrijdingen van het bedrag van € 17.100,- in 2011 van € 1.396,12 en in 2012 van € 2.116,92 niet zodanig dat [de vof] in het kader van de brief van de brief van 24 september 2004 [appellante] had moeten waarschuwen dat het voorschot van € 17.100,- in die twee jaren niet toereikend zou zijn.

4.6.4.3 In 2013 heeft [de vof] voor de voorschotwerkzaamheden € 7.814,06 meer gefactureerd dan het voorschotbedrag van € 17.100,-. Dat is zo aanzienlijk veel meer dat [de vof] in 2013 gehouden was om [appellante] er tijdig op te wijzen dat haar normale werkzaamheden in dat jaar veel duurder zouden uitvallen dan begroot. [de vof] voert aan, zo begrijpt het hof, dat zij [appellante] in 2013 hiervan op de hoogte heeft gesteld en wel door haar mee te delen dat de kwaliteit van het door [de vastgoedbeheerder van appellante] (de vastgoedbeheerder van [appellante] ) aangeleverde cijfermateriaal zo slecht was dat dit de nodige extra uren zou gaan kosten en ook heeft gekost (zie in elk geval de door [de vof] bij brief van 8 april 2016 ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde conclusie van dupliek Raad van Beroep d.d. 16 maart 2016, onder “Ad 3.”). Omdat [appellante] zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat [de vof] haar niet tijdig heeft gewezen op de te verwachten kostenoverschrijding, rust op [appellante] de bewijslast van die stelling. Het hof zal [appellante] toelaten te bewijzen dat [de vof] haar in 2013 niet heeft gewaarschuwd dat het voorschotbedrag van € 17.100,- aanzienlijk te weinig zou zijn vanwege de slechte kwaliteit van de door [de vastgoedbeheerder van appellante] aangeleverde cijfers.

Het hof wijst er voor alle duidelijkheid op dat het feit dat [de vof] zich genoodzaakt zag door verplicht gestelde system-to-system aanlevering van digitale gegevens aan de belastingdienst, de Kamer van Koophandel, banken en het CBS om de jaarrekening en de aangiften op te maken volgens de Standard Business Reporting (SBR) in een nieuw rapportageprogramma, hetgeen de nodige extra tijd heeft gekost, betrekking heeft op het jaar 2014 (zie nr. 9 conclusie van repliek in conventie).

4.6.4.4 Resteren de in de jaren 2011, 2012 en 2013 gedeclareerde en door [appellante] betaalde bedragen van € 2.847,38 (2011), 2.574,35 (2012) en € 4.098,65 (2013) wegens “overige werkzaamheden”. [de vof] heeft onder meer in nr. 28 conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat deze bedragen in rekening zijn gebracht voor incidenteel advieswerk en in nr. 29 van die conclusie heeft zij aangevoerd voortdurend incidenteel advieswerk te hebben uitgevoerd. [appellante] heeft betwist dergelijke opdrachten te hebben gegeven (zie onder meer nr. 5 conclusie van dupliek in conventie). Ook hier geldt dat de vordering van [appellante] is gegrond op haar stelling dat geen opdracht is gegeven, zodat zij dit op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv dient te bewijzen. Het hof zal haar tot bewijs hiervan toelaten.

4.7

Het in rov. 4.3 sub 2 genoemde bedrag van € 13.747,71 is volgens [appellante] het bedrag dat zij ter zake in het jaar 2014 verrichte werkzaamheden (over de financiële administratie ter zake het boekjaar 2013) teveel heeft betaald of zal moeten betalen aan [de vof] (nr. 65 memorie van grieven). In eerste aanleg is hierover ook in conventie gedebatteerd en is aan [de vof] ter zake bewijs opgedragen. Het hof weet ambtshalve dat de kantonrechter ook in conventie inmiddels eindvonnis heeft gewezen en wel op 2 augustus 2017. [appellante] heeft ook tegen dat eindvonnis hoger beroep ingesteld bij dit hof. Dit hoger beroep heeft rolnummer 200.226.557/01. Nu in elk geval een deel van dit bedrag van € 13.747,71 ook in conventie in geschil is geweest, komt het het hof geraden voor om deze zaak op de voet van art. 222 Rv te voegen met het hoger beroep met zaaknummer 200.226.557/01. Het hof zal partijen in staat stellen zich hierover uit te laten.

4.8

Het in rov. 4.3 sub 3 genoemde bedrag van € 20.520,- wordt door [appellante] gevorderd omdat zij schat dat 30% van het bedrag van € 17.100,- dat zij minimaal in de jaren 2011 tot en met 2014 heeft betaald, heeft bestaan uit niet-noodzakelijk controlewerk.

Deze vordering is enkel gebouwd op veronderstellingen en inschattingen en met niets onderbouwd, zodat zij zal worden afgewezen.

4.9.1

De vordering sub 4 van [appellante] om [de vof] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat, is gegrond op de stelling dat [de vof] een beroepsfout heeft gemaakt omdat zij zou hebben verzuimd om de suppletie-aangifte Omzetbelasting 2013 voor de fiscale eenheid [appellante] Beheer/ [de vennootschap 2] in te dienen. [de vof] betwist dat zij deze aangifte niet zou hebben ingediend. De aangifte is of bij TNT Post kwijtgeraakt of bij de Belastingdienst ten onrechte niet verwerkt. [de vof] voert in dit hoger beroep aan dat in nauw overleg met de fiscus de door [de vof] als productie 6 bij conclusie van repliek in conventie in geding gebrachte suppletie-aangifte alsnog in behandeling is genomen.

4.9.2

[appellante] heeft bij haar memorie van grieven niet gesteld dat het als productie 6 bij conclusie van repliek in conventie overgelegde exemplaar van de suppletie-aangifte niet alsnog (of wederom) zonder nadere bewerking kon worden ingediend bij de Belastingdienst. Uit haar toelichting op grief 3 valt eerder af te leiden dat zij deze aangifte inderdaad heeft ingediend. Dat haar nieuwe accountant daarvoor bij haar gedeclareerde werkzaamheden heeft verricht, is niet gesteld. Behalve een inhoudelijk uiterst simpele e-mailwisseling tussen haar nieuwe accountant en de Belastingdienst over de vraag of de aangifte al dan niet is ingediend (productie 6 conclusie van dupliek in conventie), heeft [appellante] tot en met de memorie van grieven van 14 febuari 2017, dus ongeveer 15 maanden nadat [de vof] genoemde productie 6 heeft overgelegd, geen enkel stuk overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat haar nieuwe accountant, naar zeggen van [appellante] , “verwoede pogingen” zou hebben ondernomen om een bedrag terug te krijgen en/of dat haar nieuwe account een discussie voert met de belastingdienst (nr. 53 memorie van grieven). Voor zover [de vof] deze aangifte dan ook niet (tijdig) zou hebben ingediend, is zelfs niet summierlijk aannemelijk dat [appellante] hierdoor schade heeft geleden. De vordering sub 4 wordt dan ook afgewezen.

4.10

Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat partijen in staat worden gesteld om zich ambtshalve uit te laten over de voeging van deze zaak met de zaak met rolnr. 200.226.557/01. Het hof beveelt partijen om bij die te nemen akte tevens over te leggen de door [de vof] in haar memorie van antwoord in nr. 27 genoemde uitspraak van de Raad van Beroep van 7 juli 2016. Gelet op de lengte van deze procedure komt het het hof geraden voor dat [appellante] in de door haar genomen akte zich ook uitlaat over de vraag of zij in staat gesteld wil worden om het bewijs te leveren van hetgeen in rov. 4.6.4.3 en 4.6.4.4 is vermeld.

4.11

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De uitspraak

Het hof:

stelt partijen in staat om zich bij akte te nemen ter rolle van 27 februari 2018 uit te laten over het voornemen van het hof om deze zaak op de voet van art. 222 Rv te voegen met het bij dit hof tussen partijen aanhangige hoger beroep met zaaknummer 200.226.557/01;

beveelt partijen om bij de hiervoor genoemde akte over te leggen de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van Beroep van 7 juli 2016;

stelt [appellante] in staat om zich uit te laten over de vraag of zij bewijs wenst te leveren conform hetgeen in rov. 4.6.4.3 en rov. 4.6.4.4 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 januari 2018.

griffier rolraadsheer