Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
200.238.696_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 augustus 2018

Zaaknummer : 200.238.696/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/243139 / JE RK 17-2595

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D. Gürses,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader);

  • -

    de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 mei 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de inleidende verzoeken van de raad alsnog af te wijzen dan wel de raad alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeling van de raad in de kosten van de procedure.

2.2.

Bij brief van 9 juli 2018 heeft de GI gereageerd op het beroepschrift en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Gürses en tolk D.A.H. Schmitz (nr. 276);

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. M. Woudwijk en tolk R. Vogel (nr. 1200).

De GI is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 2 februari 2018 ;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 25 juni 2018;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 9 juli 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is – voor zover hier van belang – geboren:

 [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

3.2.

Bij beschikking van 4 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, de vader – conform zijn verzoek daartoe – toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen.

Bij beschikking van 12 januari 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, naar aanleiding van het verzoek van de vader tot verkrijging van gezamenlijk gezag en vaststelling van een contactregeling, een raadsonderzoek gelast.

Bij beschikking van 10 februari 2017 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, voor zover hier van belang, bepaald dat de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van aXnaga (BOR-regeling niveau 2), waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan aXnaga en waarbij aXnaga eerst aan [de minderjarige] statusvoorlichting geeft alvorens te starten met contacten tussen [de minderjarige] en de vader. Deze beschikking is door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 1 maart 2018 bekrachtigd.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [de minderjarige] met ingang van 9 februari 2018 voor de duur van twaalf maanden onder toezicht van de GI gesteld.

Bij beschikking van 1 juni 2018 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de ouders belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] en bepaald dat de contactregeling tussen [de minderjarige] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van aXnaga (BOR-regeling), waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan aXnaga en waarbij aXnaga eerst aan [de minderjarige] statusvoorlichting geeft alvorens te starten met contacten tussen [de minderjarige] en de vader.

3.3.

De moeder kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in haar beroepschrift, voor zover hier van belang, het volgende aan.

Aan de vereisten voor ondertoezichtstelling is niet voldaan. De identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] wordt niet bedreigd. [de minderjarige] weet wie haar biologische vader is. Ook overigens wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] niet bedreigd. De moeder vervult haar rol naar behoren. Zij heeft een stabiel gezinsleven, waarin haar verzorgende en opvoedende taken prioriteit hebben. Zij zet zich volledig in voor de kinderen. Het gaat ook goed met de kinderen; zij ontwikkelen zich goed. De moeder is in staat om voor de kinderen te zorgen en hen op te voeden, indien nodig met professionele hulp.

Uit de jurisprudentie volgt dat een ondertoezichtstelling niet kan worden bepaald enkel om omgang tussen het kind en een ouder te bewerkstelligen.

De moeder heeft ter zitting van het hof aanvullend – samengevat weergegeven – het volgende naar voren gebracht.

De moeder heeft eerder al te kennen gegeven dat ze zal meewerken aan eventuele toekomstige contacten tussen de vader en [de minderjarige] . Contact dient evenwel niet, zoals thans gebeurt, te worden afgedwongen. Er zijn andere wegen om te bewerkstelligen dat er contact komt.

De moeder heeft ongeveer twee weken geleden met [de minderjarige] besproken dat de vader haar biologische vader is (en niet de huidige partner van de moeder). [de minderjarige] moest toen veel huilen en raakte getraumatiseerd. De moeder heeft dit niet met de GI besproken. Zij heeft daartoe nog niet de gelegenheid gehad. De moeder heeft bevestigd dat zij de GI niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de vader inmiddels mede met het gezag over [de minderjarige] is belast.

3.4.

De GI heeft in haar brief van 9 juli 2018 het volgende naar voren gebracht.

De moeder heeft een stabiel gezinsleven en vervult haar moederrol goed. Alleen de onderwerpen biologische vader, statusvoorlichting en contact tussen de vader en [de minderjarige] zijn – ondanks dat de moeder goed meewerkt aan de hulpverlening – voor haar niet bespreekbaar. De moeder heeft te kennen gegeven dat zij statusvoorlichting niet in het belang van [de minderjarige] acht. Volgens de moeder kan [de minderjarige] pas een keuze maken (de vader aangaande) als zij twaalf jaar oud is. De inschatting van de GI is dat [de minderjarige] er niet mee bekend is dat de huidige partner van de moeder niet haar biologische vader is en dat het bestaansrecht van de vader in zijn geheel wordt ontkend door de moeder. De moeder heeft de GI er ook niet van op de hoogte gebracht dat de vader inmiddels mede met het gezag over [de minderjarige] is belast, ondanks het recente telefonische contact.

De GI is van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is om [de minderjarige] en de ouders de noodzakelijke hulp en ondersteuning te bieden. De statusvoorlichting aan [de minderjarige] blijft een groot punt van zorg.

3.5.

De raad heeft ter zitting van het hof het volgende te kennen gegeven.

[de minderjarige] wordt in haar ontwikkeling bedreigd. Niet omdat de moeder in de dagelijkse zorg tekort schiet, maar omdat een verantwoorde statusvoorlichting niet van de grond komt. [de minderjarige] heeft het recht om te weten wie haar biologische vader is en om met hem een band op te bouwen. In het vrijwillig kader is dit niet van de grond gekomen. Het ontbreekt de moeder aan fundamentele inzichten omtrent het belang voor [de minderjarige] van de positie van de vader, die bovendien inmiddels ook gezagsdrager is.

Ook als [de minderjarige] inmiddels zou weten wie haar biologische vader is, dient een ondertoezichtstelling te blijven, nu de situatie voor [de minderjarige] op zijn minst heel onduidelijk en verwarrend is.

3.6.

De vader heeft ter zitting van het hof het volgende naar voren gebracht.

De vader kan zich vinden in het betoog van de raad. Hij erkent dat de moeder geen slechte moeder is en sprake is van een stabiele gezinssituatie. Met het oog op de statusvoorlichting is een ondertoezichtstelling echter noodzakelijk. In het vrijwillig kader is dit niet van de grond gekomen.

De moeder komt steeds met wisselende verklaringen op de vraag of al dan niet aan statusvoorlichting is gedaan. Uit alles blijkt dat de moeder niet wil dat erover wordt gesproken. Bovendien is het belangrijk dat de statusvoorlichting op een verantwoorde wijze, onder begeleiding van de GI, wordt gedaan.

De vader hoopt dat de moeder nu gaat meewerken aan statusvoorlichting. Hij mist [de minderjarige] en zou haar graag weer zien. In het verleden verliep het contact tussen hem en [de minderjarige] goed; zij noemde hem papa. Dit is evenwel lang geleden. Zij kan zich dit niet meer herinneren.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.

Het hof is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de moeder de statusvoorlichting aan [de minderjarige] , welke voorlichting noodzakelijk is voor een evenwichtige ontwikkeling van de eigen identiteit van [de minderjarige] , niet ondersteunt. Statusvoorlichting is echter in een vroeg stadium noodzakelijk teneinde het risico van een ernstige, voor [de minderjarige] schadelijke identiteitscrisis later te vermijden. Tot aan het moment van de zitting heeft de moeder zich in het geheel niet bereid verklaard mee te werken aan en zich verzet tegen statusvoorlichting aan [de minderjarige] . Weliswaar heeft zij ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij enige weken daarvoor aan [de minderjarige] heeft verteld dat de vader de biologische vader is. Echter, nog daargelaten de vraag of dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden waarvan het hof geenszins overtuigd is, in ieder geval is dat niet op een voor [de minderjarige] verantwoorde manier gebeurd. Voor een verantwoorde statusvoorlichting kan in het onderhavige geval niet volstaan worden met de enkele mededeling dat de vader de biologische vader is van [de minderjarige] . Zowel de moeder als [de minderjarige] hebben hier begeleiding bij nodig. Dat [de minderjarige] naar eigen zeggen van de moeder na de mededeling van de moeder veel moest huilen en getraumatiseerd raakte, vormt eens te meer een aanwijzing dat [de minderjarige] , nu geen sprake is van (verantwoorde) statusvoorlichting, ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

Ten aanzien van het betoog van de moeder dat er andere mogelijkheden zijn dan de ondertoezichtstelling overweegt het hof dat, nog daargelaten dat de moeder niet heeft geconcretiseerd op welke mogelijkheden zij doelt, uit alles blijkt dat de moeder niet open staat voor andere mogelijkheden. Hetgeen hieromtrent eerder in het vrijwillig kader in is geprobeerd, heeft geen effect gesorteerd. De noodzakelijke zorg om de ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] weg te nemen, wordt door de moeder onvoldoende geaccepteerd.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.11.

Het hof ziet in het enkele verzoek van de moeder om de raad in de proceskosten te veroordelen geen aanleiding af te wijken van de in familierechtelijke zaken gebruikelijke regel, die inhoudt dat de proceskosten worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 februari 2018;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door de griffier, en is op 2 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar door mr. Van Leuven in tegenwoordigheid van de griffier.