Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3222

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
20-000438-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed (art. 8 WVW) en het veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 WVW). Geldboetes van € 550,00 en €750,00.

Weerlegging van verweren ten aanzien van de feitelijke gang van zaken, vormverzuimen (art 359a Sv) en overmacht.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000438-18

Uitspraak : 2 augustus 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-081818-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren [in het jaar] 1948,

wonende [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en hem ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een geldboete van € 550,00, te vervangen door 11 dagen hechtenis, en ter zake van feit 2 tot een geldboete van € 250,00, te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Door de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 1 oktober 2016 te Breda, als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 490 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.
hij op of omstreeks 1 oktober 2016 te Breda, als bestuurder van een voertuig (te weten een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam 1] , terwijl hij, verdachte,

― onder invloed was van alcoholhoudende drank, en/of

― op een woonerf op een zodanige wijze en/of met een zodanige snelheid, in elk geval met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, heeft gereden, en/of

― terwijl hij, verdachte, met slippers aan heeft gereden, waardoor hij op de kritieke momenten niet de vereiste handelingen zou kunnen verrichten, immers is zijn, verdachtes, slipper tussen het rem- en gaspedaal gekomen, en/of

― zijn voertuig niet (tijdig) tot stilstand heeft kunnen brengen,

― en/of (daarbij) in botsing, althans in aanrijding, is gekomen, waarbij [slachtoffer] letsel en/of schade heeft bekomen,

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 1 oktober 2016 te Breda, als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 490 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op 1 oktober 2016 te Breda, als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam 1] , terwijl hij, verdachte,

― onder invloed was van alcoholhoudende drank, en

― op een woonerf op een zodanige wijze en met een zodanige snelheid heeft gereden, en

― terwijl hij, verdachte, met slippers aan heeft gereden, waardoor hij op de kritieke momenten niet de vereiste handelingen zou kunnen verrichten, immers is zijn, verdachtes, slipper tussen het rem- en gaspedaal gekomen, en

― zijn voertuig niet (tijdig) tot stilstand heeft kunnen brengen, en (daarbij) in aanrijding is gekomen, waarbij [slachtoffer] letsel en schade heeft bekomen,

door welke gedragingen van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het eindproces-verbaal van Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District De Baronie, Basisteam Markdal, registratienummer PL2000-2015255401-4, op 14 februari 2017 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , allen hoofdagent van politie, met bijlagen, bestaande uit in de wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-32.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Het proces-verbaal rijden onder invloed, doorgenummerde dossierpagina’s 1-3, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Pagina 1

Op zaterdag 1 oktober 2016 te 19:45 uur kregen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam 1] , Breda.

Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld. Daaruit bleek, dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) als bestuurder van een voertuig, een Open Tigra met [kenteken] , bij dat ongeval betrokken was.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb op zaterdag 1 oktober 2016 te 19:49 uur, van deze bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek).

Met medewerking van de bestuurder heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen en goedgekeurd ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van F (570 ug/1 of meer).

Pagina 2

Op zaterdag 1 oktober 2016 te 20:20 uur, heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

Op zaterdag 1 oktober 2016 te 20:21 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, verbalisant [verbalisant 3] , daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a Wegenverkeerswet 1994. Dit eerste tijdstip is niet gelegen binnen 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, zijnde zaterdag 1 oktober 2016 te 19:49 leidend tot de verdenking van een overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat ingevolge het Besluit alcoholonderzoeken is aangewezen door de Minister van Veiligheid en Justitie. Ik verklaar dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift.

Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarvan de uitslag is vermeld op de bijgevoegde afdruk(ken) met ticketnummer(s) 1101.

Pagina 3

Aan de verdachte is meteen meegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 490 μg/1 bedroeg.

De verdachte heeft niet gevraagd om een tegenonderzoek, naar aanleiding van het onderzoeksresultaat van de ademanalyse.

2. De afdruk van het resultaat van het ademanalyseonderzoek, doorgenummerde dossierpagina 4, voor zover inhoudende:

Pagina 4

Dräger Alcotest 7110 MKIII NL

Serienummer: ARTB-0029

NMI eind datum: 22.12.2016

Datum start: 01.10.2016

Starttijd: 20.21

Verdachte: [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte)

Bedienaar: [verbalisant 3]

Ademonderzoeksresultaat: 490 μg/l

Bedienaar verklaart de ademonderzoeksprocedure conform de voorschriften te hebben uitgevoerd.

3. De aanvullende verklaring betreffende de Dräger Alcotest 7110 MKIII met serienummer ARTB-0029, doorgenummerde dossierpagina 5, voor zover inhoudende:

Pagina 5

Geldig tot: 22-12-2016

Aangeboden: een ademanalyseapparaat, Dräger Alcotest 7110 MKIII, serienummer ARTB-0029.

Het onderzoek werd verricht op 9 juni 2016

Bij het aanvullend onderzoek voldeed het ademanalyseapparaat bij een nominale concentratie van 100 μg/l aan de voorschriften zoals genoemd in artikel 4.1.1.3 en 4.1.3.1 van de “Regeling ademanalyse”.

De bij het onderzoek gebruikte meetmiddelen zijn herleidbaar naar primaire en/of (inter)nationale standaarden.

Deze verklaring vervalt 28 weken na datum van onderzoek of bij herstelling of verandering indien dit op het meetresultaat van invloed kan zijn. De voor de juiste werking kritische onderdelen c.q. afstellingen zijn verzegeld.

4. Het proces-verbaal van aanrijding overtreding, doorgenummerde dossierpagina’s 7-10, voor zover inhoudende:

Pagina 7

Locatie ongeval

Datum: 1 oktober 2016

Omstreeks: 19.31 uur

Adres: [straatnaam 1]

Plaats: Breda

Bijzonderheden: erf (het hof begrijpt: woonerf)

Maximum snelheid: 15 km per uur

Sporen op voertuigen en andere objecten: Fiets, pedaal naar binnen geklapt, stuur krom, rechter handvat eraf. Auto, schade rechtsvoor net onder de koplamp.

Pagina 8

Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen.

5. Het verslag van het bezoek van slachtoffer [slachtoffer] aan de Huisartsenpost, gevestigd aan [adres 2] te Breda op 1 oktober 2016 te 20.29 uur, doorgenummerde dossierpagina 20, voor zover inhoudende:

Pagina 20

Jongen van 6 jaar oud is aangereden door auto. Pijn in benen, kan hier niet op staan, pijn in kuit en knie, kan niet meer zelf lopen. Klein schaafwondje ruggenmerg door meesleuren auto. Schaafwondje rechter elleboog. Verschillende schaafwonden achterkant knieën, kuiten en enkels. Wil beide benen niet belasten, is erg geschrokken.

6. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, doorgenummerde dossierpagina's 23-25, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

Pagina 23

Ik reed in de [straatnaam 1] en op enig moment dook er een kind op een fietsje op, tussen de auto’s door recht voor mij. Dit was zo dichtbij dat ik echt niet meer kon remmen. Toen ik remde had ik echt het idee dat ik het kindje had dood gereden.

Ik kwam vanuit de [straatnaam 2] . Ik reed over het drempeltje in de [straatnaam 1] . Net na deze drempel gebeurde het, ik reed niet harder dan 25 kilometer per uur.

Pagina 24

Ineens schoot dat kind voor mijn auto door, recht voor mijn bumper.

Het kindje kwam onder mijn auto terecht, in het midden denk ik. Mijn auto sloeg ook ineens op hol doordat mijn slipper tussen het gas pedaal terecht kwam.

Ik heb een Opel Tigra met [kenteken] .

Ik heb in de afgelopen 24 uur alcohol gedronken. Vanmiddag rond 15.00 uur één jonge jenever en één witte wijn. Thuis heb ik omstreeks 18.30 uur één trippel gedronken, dit was net voor het eten. Tijdens het eten twee of drie glazen rode wijn.

Pagina 25

Ik heb meer gedronken dan waarvan ik mijzelf bewust ben. Ik heb zoals blijkt teveel gedronken.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige, doorgenummerde dossierpagina’s 26-27, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige]

Pagina 26

Op zaterdag 1 oktober 2016 omstreeks 19.15 uur zat ik op de bank in mijn woonkamer. Vanuit hier heb ik zicht op de [straatnaam 1] . Ik zag toen een Opel Tigra al haperend voorbij komen rijden. Hiermee bedoel ik dat ik zag dat deze schokte. Ik denk dat hij rond de 30 kilometer per uur reed.

Enkele seconden later hoorde ik een klap. Eenmaal buiten zag ik een fietsje liggen. Ik zag dat er een jongetje bij lag. Het was mij meteen duidelijk dat het jongetje was aangereden.

Pagina 27

Ik zag dat de vader van het jongetje enkele seconden later het jongetje wilde optillen en op zijn voeten wilde zetten. Dit ging echter niet want hij klaagde van de pijn in zijn been en hij moest huilen.

Bewijsoverwegingen

Feitelijke gang van zaken

Door de verdachte is vrijspraak bepleit van beide ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij in de eerste plaats de ten laste gelegde gang van zaken uitvoerig betwist. Immers heeft hij zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat hij niet te veel had gedronken, dat hij niet te hard heeft gereden, dat hij precies op tijd heeft geremd, dat er geen botsing of aanrijding heeft plaatsgevonden en dat het slachtoffertje ten gevolge van zijn handelen geen lichamelijk letsel heeft bekomen.

Het hof overweegt dienaangaande dat deze stellingen alle hun weerlegging vinden in de gebezigde bewijsmiddelen, zodat het standpunt van de verdachte in zoverre geen verdere bespreking behoeft. In zoverre faalt het verweer.

Vormverzuim

In de tweede plaats heeft de verdachte aangevoerd dat de resultaten van het ademonderzoek dienen te worden uitgesloten van het bewijs, vanwege een tweetal vormverzuimen. Ten eerste zou zijn verzuimd om, conform het Besluit alcoholonderzoeken, zoals dat gold op de ten laste gelegde datum, direct na het ademonderzoek de resultaten daarvan aan de verdachte mede te delen, en ten tweede zou de verdachte ten onrechte niet zijn gewezen op zijn recht op een tegenonderzoek.

Het hof begrijpt het voorgaande als een beroep op het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en overweegt dienaangaande als volgt.

Voor zover de verdachte heeft betoogd dat aan hem – in strijd met het bepaalde bij artikel 10, eerste lid, van het toentertijd geldende Besluit alcoholonderzoeken – de uitslag van het ademonderzoek niet zou zijn medegedeeld, overweegt het hof dat deze stelling als zodanig haar weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. In zoverre wijst het hof in het bijzonder op het tot het bewijs gebezigde ‘proces-verbaal rijden onder invloed’, inhoudende dat aan de verdachte meteen is medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse 490 μg/1 bedroeg. Nog daargelaten dat het hof in beginsel uitgaat van de juistheid van de inhoud van op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, acht het hof voormeld relaas eens te meer betrouwbaar nu de verdachte ten overstaan van de politie heeft verklaard dat hij zoals blijkt teveel had gedronken.

Voor zover de verdachte heeft betoogd dat aan hem had moeten worden meegedeeld dat hij recht had op een tegenonderzoek, overweegt het hof dat noch uit de toepasselijke wettelijke regels, noch uit artikel 6 van het EVRM voortvloeit dat door of vanwege de politie of enigerlei andere instantie aan de verdachte moet worden medegedeeld dat hij het recht heeft om een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken te verzoeken.

Voor zover de verdachte op pagina 11 van zijn schriftelijk pleidooi anders suggereert, overweegt het hof ten overvloede dat dit een onjuiste weergave betreft van het bepaalde in artikel 10a, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken, zoals dat op de ten laste gelegde datum gold, te weten:

Artikel 10a
1. Dadelijk nadat hem het in artikel 10, eerste lid, bedoelde resultaat is medegedeeld, kan de verdachte de wens kenbaar maken dat tevens een onderzoek wordt verricht als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 (...).

Gelet op het vorenoverwogene, alsmede gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat aan alle voor een ademanalyse geldende regels is voldaan. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van enig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Mitsdien faalt het verweer ook in zoverre.

Overmacht

Tot slot heeft de verdachte zijn verweer, strekkende tot vrijspraak, onderbouwd door te stellen dat het uiteindelijk over het jongetje heenrijden niet aan zijn schuld te wijten was, nu sprake was lichamelijke en psychische overmacht. De verdachte heeft daartoe aangevoerd dat zijn (voet met) slipper weggleed van het rempedaal en tussen het rem- en gaspedaal terechtkwam, omdat hij zo was geschrokken van het jongetje dat plotseling voor zijn auto verscheen, als gevolg waarvan zijn been hevig begon te trillen.

Het hof overweegt dienaangaande dat de door de verdachte aangevoerde feiten en omstandigheden, noch hetgeen overigens uit het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen, omstandigheden opleveren op grond waarvan aan de verdachte een beroep op (psychische) overmacht zou toekomen. Immers is het hof niet gebleken van enige van buiten komende drang, kracht of dwang waaraan de verdachte geen weerstand kon of redelijkerwijs behoefde te bieden. Evenmin is het hof gebleken dat de verdachte, op het moment dat het jongetje voor zijn auto verscheen, te maken had met een acuut conflict van plichten, zoals vereist voor een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand.

Conclusie

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan. Al hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht, leidt niet tot een andersluidend oordeel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde zal veroordelen tot een geldboete van € 550,00, te vervangen door 11 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde zal veroordelen tot een geldboete van € 250,00, te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Door de verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, waaronder zijn financiële draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dit kader heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte, door te handelen zoals bewezen verklaard, de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Deze gevaarzetting is overigens in het geheel niet bij een theoretische mogelijkheid gebleven, nu er daadwerkelijk een ongeval heeft plaatsgevonden. Hoewel de gevolgen hiervan voor het slachtoffer beperkt zijn gebleven, brengt het hof in herinnering dat een en ander ook heel anders – bijvoorbeeld met zwaar lichamelijk letsel of zelfs de dood tot gevolg – had kunnen aflopen. Voorts rekent het hof de verdachte zwaar aan dat hij onder invloed van alcoholhoudende drank heeft gereden. Uit deze omstandigheid, alsmede uit verdachtes houding ten opzichte van de bewezen verklaarde feiten, spreekt verdachtes miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.

Tevens heeft het hof bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 juni 2018, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit en tot slot heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat voor wat betreft het onder 2 bewezen verklaarde feit, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet worden volstaan met de straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Aldus zal het hof de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 550,00, te vervangen door 11 dagen hechtenis, en ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. E.F. Stamhuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.J. Hendricksen, griffier,

en op 2 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.F. Stamhuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.