Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3217

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.239.388_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 juli 2018

Zaaknummer : 200.239.388/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/329153 / JE RK 17-1852

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.P. van Empel-Bouman,

tegen

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 mei 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft en het verzoek van de GI om een machtiging uithuisplaatsing te verlenen alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juni 2018 heeft de GI verzocht het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Van Empel-Bouman;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

De raad heeft bij brief van 2 juli 2018 te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 februari 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is – voor zover hier van belang – geboren:

 [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige] ).

3.2.

[de minderjarige] staat sinds 11 december 2014 onder toezicht.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:

  • -

    de ondertoezichtstelling met ingang van 24 februari 2018 verlengd tot 24 februari 2019;

  • -

    machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een buddy-pleeggezin, met ingang van 24 februari 2018 tot 24 februari 2019.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in het beroepschrift het volgende aan.

Alvorens kan worden overgegaan tot uithuisplaatsing dienen eerst alternatieven te worden onderzocht. [de minderjarige] is als gevolg van een eerdere uithuisplaatsing getraumatiseerd geraakt en een hernieuwde gedwongen uithuisplaatsing zal hem wederom traumatiseren. Dat [de minderjarige] op gezette tijden naar de pleegouders moet, maakt hem (ook al zijn het bekenden) onzeker over waar zijn thuis is, met als gevolg dat hij in zijn gedrag soms onhandelbaarder wordt, terwijl de moeder juist op de goede weg was om [de minderjarige] een stabiele omgeving te bieden. [de minderjarige] zou er meer bij gebaat zijn als de moeder de mogelijkheid heeft om [de minderjarige] naar eigen inzicht onder te brengen bij buddy-pleegouders. Hier is geen machtiging uithuisplaatsing voor nodig. De mogelijke buddy-pleegouders zijn bovendien bereid de moeder en [de minderjarige] te ondersteunen. De moeder merkt voorts nog op dat ten onrechte alles wordt “afgeschoven” op haar vaardigheden. Er dient bij Herlaarhof dan wel elders te worden onderzocht of sprake is van kind-eigen problematiek bij [de minderjarige] .

De moeder heeft ter zitting van het hof aanvullend het volgende naar voren gebracht.

De moeder, die beseft dat zij en [de minderjarige] hulp nodig hebben, vindt het op zichzelf prima dat [de minderjarige] wordt opgevangen door de pleegmoeder, zoals thans het geval is (van zondag 11.00 uur tot dinsdag 15.00 uur). Ze zou alleen graag zien dat dit anders wordt geregeld dan via een machtiging uithuisplaatsing. De afgegeven machtiging is immers zo ruim dat de GI deze kan uitbreiden naar een volledige uithuisplaatsing. Dit levert de moeder veel stress op. Dat [de minderjarige] een aantal dagen en nachten elders verblijft, ontlast haar om die reden niet. De plaatsing van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin kan ook in het vrijwillig kader gerealiseerd worden; de ondertoezichtstelling verzet zich daar niet tegen. In ieder geval kan de machtiging uithuisplaatsing worden beperkt tot maximaal twee nachten per week.

3.5.

De GI voert in het verweerschrift het volgende aan.

De eerdere uithuisplaatsing van [de minderjarige] is zeer ingrijpend geweest voor zowel [de minderjarige] als de moeder. Toen werd [de minderjarige] vanuit een acute crisissituatie uit huis geplaatst. Nu is sprake geweest van een zorgvuldige zoektocht naar een geschikt buddy-pleeggezin in het netwerk van de moeder, waarbij de moeder nauw betrokken is geweest, kent [de minderjarige] de pleegouder al en verblijft hij (slechts) delen van de week in het pleeggezin, waarbij naar [de minderjarige] toe bewust wordt gesproken over “logeren”. Of [de minderjarige] een hernieuwd trauma zal oplopen is voor een deel ook afhankelijk van hoe de moeder zich opstelt naar [de minderjarige] toe. Dit doet zij thans goed; zij laat ten opzichte van [de minderjarige] niet blijken van weerzin tegen de plaatsing. De moeder draagt op een positieve wijze bij aan het stabiliseren van de opvoedingssituatie voor [de minderjarige] .

Het is voor [de minderjarige] juist van groot belang dat er regelmaat en structuur in de logeerafspraken zit, zodat hij weet waar hij aan toe is. Als de moeder consequent blijft zal [de minderjarige] leren dat het logeren bij het buddy-pleeggezin bij zijn leven hoort. Vaste afspraken omtrent het logeren zullen ook de moeder op de lange termijn rust en overzicht geven.

[de minderjarige] is op 29 november 2017 aangemeld bij Herlaarhof voor diagnostisch onderzoek. Omdat Herlaarhof een wachtlijst heeft van negen maanden is [de minderjarige] nu ook aangemeld bij de Hondsberg.

De GI concludeert dat de inzet van het buddy-pleeggezin (waarvoor een machtiging uithuisplaatsing is vereist) noodzakelijk is. Er is sprake van een intensieve hulpvorm voor moeder. Deze blijkt echter onvoldoende voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . Daarom is een intensievere hulpvorm in de vorm van een buddypleeggezin nodig. Door deze inzet worden naar verwachting de draagkracht en de draaglast van [de minderjarige] en de moeder, die intensieve ondersteuning nodig heeft om haar leven en dat van [de minderjarige] overzichtelijk te houden, meer in balans gebracht. Daardoor kan [de minderjarige] zich optimaal ontwikkelen binnen zijn mogelijkheden en kan juist een definitieve uithuisplaatsing van [de minderjarige] voorkomen worden.

De inzet van een buddy-pleeggezin is in beginsel een langdurig commitment. Op verzoek van de moeder is uiteen gezet aan welke vereisten moet zijn voldaan om te bewerkstelligen dat de inzet van het buddy-pleeggezin (mogelijk) niet langer noodzakelijk is.

De GI heeft ter zitting van het hof aanvullend het volgende naar voren gebracht.

Los van de vraag of het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin in het vrijwillig kader kan worden gerealiseerd, moet worden geconstateerd dat een vrijwillig kader onvoldoende waarborg geeft. De moeder doet heel erg haar best en maakt positieve stappen, maar het blijft voor haar moeilijk om afspraken te structureren. Structuur en duidelijkheid zijn daarom heel belangrijk voor haar (en voor [de minderjarige] ), wat maakt dat het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin in elk geval thans nog niet in het vrijwillig kader kan worden gerealiseerd. De GI voorziet dat dit dan niet van de grond komt. Als het goed gaat, dan zou het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin in de toekomst wel in het vrijwillig kader gerealiseerd kunnen worden.

De GI begrijpt dat de term uithuisplaatsing beladen is voor de moeder. De plaatsing van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin heeft echter juist als oogmerk om een volledige uithuisplaatsing te voorkomen. Ondanks de angst van de moeder dat [de minderjarige] volledig uit huis wordt geplaatst, gaat zij er wel heel goed mee om ten opzichte van [de minderjarige] . Zij blijft stimulerend naar hem toe.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.

Het hof is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

3.9.

De moeder betwist niet dat zij en [de minderjarige] hulp nodig hebben. Zij kan zich ook vinden in het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin op de wijze zoals dat thans wordt vormgegeven, te weten van zondag 11.00 uur tot dinsdag 15.00 uur. Met de GI is het hof evenwel van oordeel dat plaatsing van [de minderjarige] in een buddy-pleeggezin in een vrijwillig kader op dit moment onvoldoende waarborgen biedt dat het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin wordt gecontinueerd. Uit de stukken is voldoende gebleken dat de moeder kwetsbaar is en dat zij veel moeite heeft met het aanbrengen en houden van structuur in haar leven en dat van [de minderjarige] . Hiervoor heeft zij intensieve hulp nodig. Daarbij komt – zo maakt het hof ook op uit het verhandelde ter zitting – dat de moeder nog onvoldoende intrinsiek gemotiveerd is om het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin te continueren. De moeder stimuleert, ondanks haar eigen weerstand, [de minderjarige] op een positieve wijze in het verblijven van een aantal dagen (en nachten) per week in het buddy-pleeggezin en het lukt haar steeds beter om [de minderjarige] te laten logeren, maar deze positieve ontwikkeling is op dit moment nog onvoldoende om het verblijf in een buddy-pleeggezin in een vrijwillig kader te laten plaatsvinden.

Het hof heeft begrip voor de angst van de moeder dat [de minderjarige] volledig uit huis wordt geplaatst, maar ziet daarin onvoldoende grond om de machtiging te beperken tot maximaal twee nachten per week en acht dit niet in het belang van [de minderjarige] . Het verblijf van [de minderjarige] in het buddy-pleeggezin voor enkele dagen en nachten per week is juist bedoeld om een volledige uithuisplaatsing van [de minderjarige] te voorkomen en is een variant op de reguliere “volledige” uithuisplaatsing. In deze variant blijft ook de ouder – gedurende een deel van de week – een rol in de verzorging en opvoeding houden. Uitgangspunt is dat de GI dit doel van deze machtiging, te weten het voorkomen van een volledige uithuisplaatsing, voor ogen houdt. Indien en voor zover al op enig moment wordt overwogen de inzet van het buddy-pleeggezin anders vorm te geven mag van de GI worden verwacht dat de moeder – behoudens zeer bijzondere omstandigheden – tijdig bij dit besluitvormingsproces zal worden betrokken.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor zover het de machtiging uithuisplaatsing betreft, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 22 februari 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.A.R.M. van Leuven en P.M.M. Mostermans, bijgestaan door de griffier, en is op 26 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.