Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
200.242.764_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:4371
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing.

Verlenging uithuisplaatsing. Hoewel de moeder stelt in staat te zijn de huidige situatie te kunnen laten voortduren op het moment waarop het kind bij haar woont, heeft het hof er nog onvoldoende vertrouwen in dat de door de moeder gedane toezeggingen stroken met de werkelijke intenties van de moeder. Dit niet alleen omdat de alternatieve ingezette maatregelen sedert het feitelijk uiteengaan van de ouders door toedoen van de moeder niet succesvol zijn gebleken, maar ook gezien het feit dat de sedert het verblijf van het kind bij de vader ten positieve gekeerde situatie te pril is om te kunnen vast stellen dat de houding van de moeder werkelijk is veranderd. Het risico dat niet meer constructief aan de door de raad gestelde doelen wordt gewerkt op het moment dat het kind weer bij de moeder woont is daarmee, naar het oordeel van het hof, te groot en maakt dan ook dat de noodzaak van de plaatsing van het kind bij de vader nog steeds aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 27 juli 2018

Zaaknummer : 200.242.764/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/343754 / JE RK 18-665

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: P.R. Klaver,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (afgekort: de GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de mondelinge beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 juli 2018 en de nadere schriftelijke uitwerking daarvan van 16 juli 2018. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige dochter van de vader en de moeder (hierna te noemen: de ouders), [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , te verlengen van 1 augustus 2018 tot 13 oktober 2018, afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 juli 2018, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 23 juli 2018, heeft de moeder verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Hoewel de GI daartoe in de gelegenheid is gesteld, is er door de GI geen verweerschrift ingediend.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, waarnemer van mr. P.R. Klaver;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] (betrokken jeugdzorgwerker);

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. R.F.P. Scheele.

De raad is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de schriftelijke uitwerking van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2018, van 16 juli 2018 ingekomen ter griffie op 19 juli 2018;

  • -

    een brief van mr. R.F.P. Scheele van 20 juli 2018, ingekomen ter griffie op 20 juli 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 20 juli 2018.

3 De beoordeling

3.1.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan. [de minderjarige] wordt in haar ontwikkeling bedreigd als zij bij de moeder woont. De moeder geeft [de minderjarige] geen emotionele toestemming om onbelemmerd contact met de vader te hebben. Hoewel de moeder zegt te willen meewerken, kon de vader eerst pas in beeld komen na het inzetten van zeer zware juridische middelen. Sinds [de minderjarige] bij de vader woont is er rust, stabiliteit en veiligheid voor [de minderjarige] en heeft zij met beide ouders frequent contact. De ouders gaan een traject volgen gericht op de verbetering van hun onderlinge communicatie. De raad doet onderzoek naar de vraag waar [de minderjarige] haar hoofdverblijf dient te krijgen. Het is – ook gelet op deze ontwikkelingen – meer in het belang van [de minderjarige] om de zorgregeling op gecontroleerde wijze uit te breiden, dan haar per 1 augustus 2018 weer bij de moeder te laten wonen met risico dat de thans bereikte rust en stabiliteit komt te vervallen. Hierdoor zou afbreuk worden gedaan aan de ontwikkelingen die [de minderjarige] nu (heeft) door(ge)maakt. [de minderjarige] mag geen speelbal worden van de problematiek die er speelt. Hoewel de moeder zegt haar medewerking aan een zorgregeling te willen verlenen, is de afgelopen twee jaren duidelijk anders gebleken. De vader wil [de minderjarige] niet bij de moeder weghouden, maar wil [de minderjarige] wel zien opgroeien en een rol in haar leven spelen.

3.2.

De GI voert ter zitting van het hof – kort samengevat – het volgende aan. Het lukt de ouders nog onvoldoende om in het belang van [de minderjarige] met elkaar te communiceren. Wel gaat het op dit moment goed met [de minderjarige] , zowel bij de vader, als bij de moeder. De momenten van overdracht verlopen soms nog lastig, maar door toedoen van de ouders weet [de minderjarige] zich veelal te herpakken. Ook het feit dat [de minderjarige] nu een kinderdagverblijf bezoekt, doet haar goed. [de minderjarige] is daardoor in haar ontwikkelingen gegroeid. De GI ziet thans een andere [de minderjarige] , dan de [de minderjarige] van een half jaar geleden. [de minderjarige] liet toen duidelijk ander gedrag zien (hysterisch, huilen) tijdens de contact- en/of overdrachtsmomenten, dan thans het geval is, met name bij de overdracht van de moeder naar de vader. Voorts is in Curaçao gebleken dat [de minderjarige] fors reageerde op haar vertrek uit de vakantiewoning daar. De GI sluit niet uit dat de oorzaak van dat gedrag gelegen is in het feit dat de moeder veelvuldig met [de minderjarige] is verhuisd en het contact tussen [de minderjarige] en haar vader emotioneel niet geheel kon ondersteunen. Als de raad adviseert dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader dient te hebben, dan betekent dat dat zij in korte tijd twee keer moet verhuizen. De GI acht dat, gezien het voorgaande, niet in het belang van [de minderjarige] . Het is in het belang van [de minderjarige] dat de thans bereikte rust en stabiliteit worden gehandhaafd. De GI wil de periode waarop het verzoek ziet, gebruiken om op basis van het advies van de raad nadere afspraken met de ouders over [de minderjarige] te maken.

De bestreden beslissing van de rechtbank heeft inmiddels voor veel onrust gezorgd. De raad heeft de moeder verzocht om, in het belang van [de minderjarige] , vooralsnog geen uitvoering aan de bestreden beschikking te geven, althans mee te werken aan een geleidelijke terugplaatsing bij de moeder. Hoewel het recht van de moeder om nakoming van de bestreden beschikking te vorderen niet ter discussie staat, is zij daartoe niet bereid gebleken. De GI heeft op dit moment tot nader orde beslissingen over de zorgregeling genomen. Het contact met de raad leert dat de raad verwacht het conceptrapport uiterlijk 27 juli 2018 gereed te hebben. De GI zal de rechtbank verzoeken om een gezamenlijke behandeling van het verzoek ten aanzien van het hoofdverblijf van [de minderjarige] en de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.3.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan. De belangen van [de minderjarige] worden niet bedreigd als zij bij de moeder verblijft. De maanden dat de moeder met [de minderjarige] op Curaçao verbleef, waren voor [de minderjarige] één grote vakantie. Er zijn ook geen andere aanknopingspunten waaruit zou moeten blijken dat [de minderjarige] gedurende haar verblijf bij de moeder in haar ontwikkeling werd bedreigd. [de minderjarige] ontwikkelde zich bij de moeder leeftijdsadequaat en er bestonden geen zorgen over de wijze waarop de moeder haar verzorgde. Iedere noodzaak voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing ontbrak en ontbreekt thans nog steeds. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder verloopt goed. Er bestaan geen zorgen over het contact tussen hen. Ook over de wijze waarop de moeder haar best doet om met de vader te communiceren is de GI tevreden. De communicatie tussen partijen is verbeterd en de moeder heeft de verwachting dat de ouders goede afspraken met elkaar kunnen maken. De moeder woont weer in [woonplaats] . De moeder heeft spijt dat zij zonder enig overleg of medeweten van de vader en de GI naar Curaçao is vertrokken. Het gegeven dat alle betrokkenen in afwachting zijn van een raadsrapport, dat ziet op de vraag waar [de minderjarige] haar hoofdverblijf dient te hebben, en het gebrek aan vertrouwen tussen de ouders kunnen niet als grondslag dienen voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Door de betrokkenheid van de GI worden de belangen van [de minderjarige] heel goed bediend.

3.4.

Het hof overweegt het volgende.

3.4.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.4.2.

Op basis van de in het geding gebrachte stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is – kort samengevat – het volgende gebleken. De ouders hebben ruim één jaar een relatie met elkaar gehad, waaruit [de minderjarige] is geboren. Twee weken na de geboorte van [de minderjarige] op [geboortedatum] 2016 heeft de moeder de gezamenlijke woning van de ouders met [de minderjarige] verlaten en woont zij met [de minderjarige] niet langer meer samen met de vader. De omgang tussen [de minderjarige] en de vader is vanaf dat moment niet, althans uiterst moeizaam van de grond gekomen. Het raadsrapport van februari 2017 rapporteert de zorg dat de vader op geen enkele wijze door de moeder in de ontwikkeling van [de minderjarige] wordt betrokken, dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader ongeregeld was, in een vrij onnatuurlijke setting plaatsvond en de zorg dat de moeder [de minderjarige] , zonder aanwijsbare reden, wilde weghouden bij de vader. [de minderjarige] kreeg hierdoor niet de kans om een band met haar vader op te bouwen. Het opgroeien zonder (een positief beeld van) haar vader kan een ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] zijn. Door het evidente gebrek aan vertrouwen tussen de ouders was het voor [de minderjarige] , ook ondanks de inzet van hulpverlening, niet mogelijk om een duurzaam onbelast en positief contact met haar vader te hebben. Het voortduren van die situatie zou er toe kunnen leiden dat [de minderjarige] daarvan last gaat krijgen en zelfs in een loyaliteitsconflict geraakt, als gevolg waarvan zij in haar ontwikkeling zou worden geschaad, aldus het rapport van de raad. In het kader van de daaropvolgende ondertoezichtstelling van [de minderjarige] (bij beschikking van 13 april 2017) diende er dan ook te worden toegewerkt naar een onbelast, positief, structureel en veilig contact van [de minderjarige] met beide ouders waarin zij emotionele toestemming van haar ouders ervaart, zich emotioneel veilig voelt en (te zijner tijd) bij beide ouders vrij uit kan praten over haar ervaringen bij de andere ouder. Blijkens de ‘evaluatie en het vervolgplan van aanpak OTS’ van

21 september 2017 waren voornoemde doelstellingen op dat moment nog niet behaald, vanwege het gebrek aan medewerking van de moeder. De moeder was – blijkens het rapport van de raad van 30 oktober 2017 – in de periode vanaf 13 april 2017 (datum beschikking ondertoezichtstelling) tot 3 augustus 2017 (de datum van een mondelinge behandeling in het kader van spoed machtiging uithuisplaatsing) onbereikbaar voor de jeugdzorgwerker, voor de vader en voor de betrokken hulpverlening. Zij negeerde schriftelijke aanwijzingen, hield de vader niet op de hoogte en verhuisde zonder enig overleg of medeweten samen met [de minderjarige] naar België. Onbetwist is ter zitting van het hof komen vast te staan dat de moeder de aan de omgangsregeling verbonden dwangsommen maximaal heeft verbeurd. Vanaf de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 3 augustus 2017 is de moeder – onder de druk van een mogelijke uithuisplaatsing – (enigszins) haar medewerking gaan verlenen aan de omgangregeling en is zij zich (enigszins) aan de afspraken voor de oudergesprekken gaan houden. De overdrachtsmomenten waarop [de minderjarige] van de moeder naar de vader ging, verliepen echter moeizaam. [de minderjarige] was overstuur en huilde op de momenten waarop de vader haar bij de moeder kwam ophalen. Eind december 2017 is [de minderjarige] door de moeder niet conform de zorgregeling naar de vader gebracht en is de moeder met [de minderjarige] , zonder enig overleg met of medeweten van de vader en de GI, naar Curaçao vertrokken. Hoewel de moeder stelt dat dit in het kader van een vakantie was, wijst niets daarop. Integendeel. Op het moment waarop de moeder en [de minderjarige] (nota bene met behulp van de sterke arm) weer naar Nederland werden teruggeleid, verbleef de moeder al vier maanden met [de minderjarige] op Curaçao. Onbetwist is dat zij woonruimte aldaar voor een jaar had gehuurd en de huursom voor een aantal maanden vooruit had betaald. Voorts had zij haar woning in België ontruimd en opgeleverd, met de bedoeling daar niet meer terug te keren. Hiermee heeft zij [de minderjarige] (wederom) aan het toezicht van de GI en het ouderlijk gezag van de vader onttrokken en de omgang tussen [de minderjarige] en de vader belemmerd. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de moeder Nederland voor enige tijd achter zich wilde laten en het derhalve niet haar eigen (vrijwillige) keuze was om naar Nederland terug te keren en het contact tussen [de minderjarige] en haar vader te herstellen.

[de minderjarige] is op 20 april 2018 bij de vader komen wonen. Het verblijf van [de minderjarige] bij de vader heeft rust en stabiliteit in de situatie gebracht. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed, heeft op dit moment frequent contact met beide ouders en de overdrachtsmomenten verlopen beter. De vader stelt zich coöperatief op daar waar het gaat om het geven van een plek van de moeder in het leven van [de minderjarige] . Dat het thans goed gaat met [de minderjarige] en dat de vader goed voor [de minderjarige] zorgt wordt door de moeder ook niet betwist. Vastgesteld kan worden dat er thans in positieve zin aan de door de raad gestelde doelstellingen wordt gewerkt. Hoewel de moeder stelt in staat te zijn de huidige situatie te kunnen laten voortduren op het moment waarop [de minderjarige] bij haar woont, heeft het hof er op dit moment nog onvoldoende vertrouwen in dat de (ook ter zitting van het hof) door de moeder gedane toezeggingen stroken met de werkelijke intenties van de moeder. Dit niet alleen omdat de alternatieve ingezette maatregelen sedert het feitelijk uiteengaan van de ouders door toedoen van de moeder niet succesvol zijn gebleken, maar ook gezien het feit dat de sedert het verblijf van [de minderjarige] bij de vader ten positieve gekeerde situatie te pril is om te kunnen vast stellen dat de houding van de moeder werkelijk is veranderd. Het risico dat niet meer constructief aan de door de raad gestelde doelen wordt gewerkt op het moment dat [de minderjarige] weer bij de moeder woont is daarmee, naar het oordeel van het hof, te groot en maakt dan ook dat de noodzaak van de plaatsing van [de minderjarige] bij de vader nog steeds aanwezig is.

Daarbij komt dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] nog niet is bepaald. In de procedure die over het bepalen van (en niet wijzigen van) het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de rechtbank thans aanhangig is, zal binnen afzienbare tijd worden beslist. Gelet hierop, maar ook gelet op haar reactie op het vertrek uit de vakantiewoning in Curaçao, dient in het belang van [de minderjarige] bovendien te worden voorkomen dat zij in korte tijd twee keer zou moeten verhuizen.

3.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] dient te worden verlengd met ingang van

1 augustus 2018 tot 13 oktober 2018.

3.6.

Het hof ziet aanleiding om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de mondelinge beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 juli 2018, zoals nader schriftelijk uitgewerkt op 16 juli 2018;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , met ingang van 1 augustus 2018 tot

13 oktober 2018;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.D.M. Lamers en

J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 27 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.