Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
20-002175-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling. Tussen de verdachte en zijn bovenbuurvrouw, zijnde de schoonmoeder van het slachtoffer, waren al enige tijd spanningen. Toen het slachtoffer haar schoonmoeder eten kwam brengen, was de verdachte er niet van gediend dat het slachtoffer voor zijn woning stond. Vervolgens sloeg de verdachte haar meermalen met zijn wandelstok op haar linkerbovenbeen. Hierdoor is het slachtoffer ernstig in haar lichamelijke integriteit aangetast. Veroordeling tot een geldboete en gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002175-17

Uitspraak : 20 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 30 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-239815-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1973,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis waarvan € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, waarvan het onvoorwaardelijk deel in 5 maandelijkse termijnen van elk € 50,00 mag worden voldaan.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 166,49, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 269,49 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de visie van het Openbaar Ministerie dient de benadeelde partij in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is primair geconcludeerd dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard en subsidiair is verzocht daarop te beslissen gelijk de politierechter heeft gedaan.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 november 2016 te Sint-Michielsgestel, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze één of meerdere keren met een (wandel)stok, althans enig ander hard langwerpig voorwerp, te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 november 2016 te Sint-Michielsgestel, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze meerdere keren met een wandelstok te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd. Weliswaar stond de verdachte buiten zijn woning tegenover [slachtoffer] en had hij zijn wandelstok bij zich, hij heeft daarmee slechts kenbaar gemaakt dat zij niet in zijn tuin mocht komen. De verdachte stelt niet met de wandelstok te hebben geslagen. Die lezing wordt ondersteund door zijn echtgenote [echtgenote verdachte] . Aan de getuigenverklaring van [getuige] dient weinig waarde te worden gehecht, aangezien hij op een behoorlijke afstand van het voorval stond. Ook kan de waarneming van een zwelling op het been van [slachtoffer] door verbalisant [verbalisant] niet bijdragen tot het bewijs, omdat die enkele constatering niets zegt over de toedracht van dat letsel.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangeefster [slachtoffer] heeft op 22 november 2016 te 18.10 uur bij de politie verklaard dat zij op 22 november 2016 omstreeks 17.15 uur naar haar schoonmoeder in Sint-Michielsgestel ging om eten te brengen. Haar schoonmoeder woont op de eerste etage van een appartementencomplex. Om niet telkens heen en weer te hoeven lopen, laat haar schoonmoeder een touwtje met een haakje eraan naar beneden zakken, zodat aangeefster de tas met eten eraan kan hangen. Zo hebben zij dat ook op 22 november 2016 gedaan. Nadat zij afscheid had genomen van haar schoonmoeder, kwam een man uit de woning aan de [woonadres verdachte] naar buiten. De man schreeuwde dat aangeefster weg moest gaan en dat de stoep (het hof begrijpt: voor de woning aan de [woonadres verdachte] ) zijn eigendom was. Hij schreeuwde onder andere dat hij het zat was. Aangeefster zag dat de man een wandelstok in zijn hand had. De man kwam volgens aangeefster versneld en schreeuwend op haar aflopen, waarna zij door de man vier of vijf keer met kracht met de wandelstok op haar linkerbovenbeen werd geslagen. Zij verklaart ten tijde van de aangifte erg veel pijn aan haar linkerbovenbeen te hebben, moeilijk te kunnen lopen en net te hebben waargenomen dat zij een blauwe plek op haar linker bovenbeen heeft. Een onbekende man is naar haar toegekomen en heeft verteld dat hij alles had gezien. Aangeefster heeft de gegevens van die persoon genoteerd. Zijn naam is [getuige] . De man die haar heeft geslagen woont aan de [woonadres verdachte] in Sint-Michielsgestel.

Verbalisant [verbalisant] heeft bij gelegenheid van het opnemen van de aangifte om 18.10 uur diezelfde dag, aan de buitenzijde van de linkerbovenbeen van aangeefster een lichte zwelling geconstateerd.

Getuige [getuige] (het hof begrijpt: [getuige] ) heeft op 22 november 2016 te 19.45 uur verklaard dat hij die dag omstreeks 18.00 uur in Sint-Michielsgestel twee mensen ruzie zag maken, waarbij er over en weer werd geschreeuwd. De ruziënde man was woonachtig aan de [woonadres verdachte] te Sint-Michielsgestel (het hof begrijpt: het adres van de verdachte). De andere persoon kende hij niet en betrof een vrouw. Getuige [getuige] zag vanaf ongeveer 20 meter afstand dat deze man een stok in zijn handen had. De man nam een dreigende houding aan in de richting van de vrouw. Getuige [getuige] zag dat de man zijn stok naar achteren haalde en meerdere keren uithaalde richting de vrouw.

De verdachte heeft bij de politie en ten overstaan van het hof verklaard dat hij op 22 november 2016 voor zijn woning aan de [woonadres verdachte] te Sint-Michielsgestel een vrouw zag staan. Hij heeft haar vervolgens gesommeerd om zijn tuin te verlaten. De verdachte had op dat moment in zijn linkerhand zijn wandelstok vast. Met zijn handen, dus ook met de hand waarmee hij de wandelstok vasthield, heeft hij een zwaaibeweging gemaakt.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande allereerst vast dat verdachte de man is die door aangeefster en de getuige [getuige] is aangeduid als de man die woonachtig is aan de [woonadres verdachte] te Sint-Michielsgestel. De verklaring van aangeefster [slachtoffer] dat zij meerdere keren met een wandelstok is geslagen door deze man vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige] . [getuige] heeft immers verklaard dat hij zag dat deze man meerdere keren met zijn stok uithaalde naar de hem onbekende vrouw (hof: aangeefster). De enkele omstandigheid dat [getuige] het voorval op enige afstand heeft waargenomen, maakt naar het oordeel van het hof nog niet dat zijn verklaring als onbetrouwbaar terzijde moet worden gesteld. Bovendien heeft verbalisant [verbalisant] kort na het voorval, namelijk binnen het uur nadien, een lichte zwelling waargenomen op de locatie waar aangeefster stelt te zijn geslagen.

Met het voorgaande is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] meerdere malen met zijn wandelstok heeft geslagen. Dat de verdachte en de echtgenote van de verdachte anders hebben verklaard doet daar niet aan af.


Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Tussen de verdachte en zijn bovenbuurvrouw, zijnde de schoonmoeder van het slachtoffer [slachtoffer] , waren al enige tijd spanningen. Toen [slachtoffer] op 22 november 2016 haar schoonmoeder eten kwam brengen, was de verdachte er niet van gediend dat [slachtoffer] voor zijn woning stond. Vervolgens kreeg [slachtoffer] het letterlijk en figuurlijk met verdachte aan de stok. De verdachte sloeg haar meermalen met zijn wandelstok op haar linkerbovenbeen. Hierdoor is het slachtoffer ernstig in haar lichamelijke integriteit aangetast. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij op deze manier heeft gehandeld en niet heeft gekozen voor de aangewezen weg, namelijk die van dialoog en in het uiterste geval het inschakelen van de politie. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet de verdachte de kwalijkheid van zijn gedrag nog steeds niet in. Gelet op het voorgaande rekent het hof het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij enige tijd geleden een TIA heeft gehad, een WIA-uitkering geniet, woonachtig is in een huurhuis en mantelzorger is van zijn echtgenote.

In hetgeen door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit, namelijk oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete, komt de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom overgaan tot oplegging van een deels onvoorwaardelijke geldboete.

Bij het bepalen van de hoogte van die boete heeft het hof aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van mishandeling. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een delict als het onderhavige, een onvoorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 750,00.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de spanningen tussen enerzijds de verdachte en anderzijds het slachtoffer en haar schoonmoeder nog niet zijn verdwenen. Bij wijze van stok achter de deur en omwille van de beperkte financiële draagkracht van de verdachte, zal het hof de geldboete deels in voorwaardelijke vorm opleggen. Gelet op de financiële draagkracht van de verdachte zal het hof tevens toestaan dat het onvoorwaardelijk deel van de geldboete in tien tweemaandelijkse termijnen van elk groot € 50,00 mag worden voldaan.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis, waarvan € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 346,49 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 7,81 ter zake van apotheekkosten (post I), een bedrag van € 5,77 aan reiskosten naar de huisartsenpost (post II), een bedrag van € 2,91 aan reiskosten naar de huisarts (post III) en een bedrag van € 330,00 aan smartengeld (post IV).

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van € 166,49 euro (de posten I, II en III geheel en post IV gedeeltelijk), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij.


De benadeelde partij heeft te kennen gegeven haar gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering. De niet-ontvankelijkverklaring zou moeten worden uitgesproken in verband met de bepleite vrijspraak. Indien het hof tot een veroordeling mocht komen, is verzocht om te beslissen overeenkomstig het vonnis van de politierechter en aldus het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

De benadeelde partij heeft een totaalbedrag van € 16,49 aan materiële schadevergoeding gevorderd (posten I, II en III). Dit deel van de vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Nu de vordering in zoverre ook niet inhoudelijk is betwist, ligt hiermee naar ’s hofs oordeel een bedrag van € 16,49 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing gereed.

De benadeelde partij heeft als gevolg van het slaan met de wandelstok door de verdachte lichamelijk letsel in de vorm van een kneuzing en hematoom opgelopen. Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat daardoor is opgetreden (post IV) valt onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot de immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 250,00. De beoordeling van de vordering voor het overige brengt een onevenredige belasting van het strafproces met zich. Om die reden zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover deze meer bedraagt dan genoemd bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding. Dit deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de civiele rechter aanbrengen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een totaalbedrag van € 266,49 zal worden toegewezen.

De toe te wijzen schadeposten zullen, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum waarop de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening. Meer specifiek zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 5 december 2016 over een bedrag van € 7,81 (post I), vanaf 23 november 2016 over een bedrag van € 5,77 (post II), vanaf 24 november 2016 over een bedrag van € 2,91 (post III) en vanaf 22 november 2016 over een bedrag van € 250,00 (post IV).

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 266,49. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;

bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 2 maanden, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro);

wijst gedeeltelijk toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 266,49 (zegge: tweehonderdzesenzestig euro en negenenveertig cent) bestaande uit € 16,49 (zegge: zestien euro en negenenveertig cent) aan materiële schadevergoeding en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2016 over een bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding, vanaf 23 november 2016 over een bedrag van € 5,77 aan materiële schadevergoeding, vanaf 24 november 2016 over een bedrag van € 2,91 aan materiële schadevergoeding en vanaf 5 december 2016 over een bedrag van € 7,81 aan materiële schadevergoeding, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;


verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 266,49 (zegge: tweehonderdzesenzestig euro en negenenveertig cent) bestaande uit
€ 16,49 (zegge: zestien euro en negenenveertig cent) als vergoeding van materiële schade en € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2016 over een bedrag van € 250,00 aan immateriële schadevergoeding, vanaf 23 november 2016 over een bedrag van € 5,77 aan materiële schadevergoeding, vanaf 24 november 2016 over een bedrag van € 2,91 aan materiële schadevergoeding en vanaf 5 december 2016 over een bedrag van € 7,81 aan materiële schadevergoeding, telkens tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 20 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.