Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3205

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
20-001753-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering. In het holst van de nacht heeft verdachte een zogenaamde bierkoerier gebeld. Na te zijn gearriveerd op de afgesproken plaats heeft hij zijn voorraad getoond aan verdachte. Nadat flessen drank en slagroomampullen werden overgeladen van de auto van de bierkoerier naar de auto waarmee de verdachte was gearriveerd, werd er tussen de verdachte en de bierkoerier onderhandeld over de prijs. Er werd daarover geen overeenstemming bereikt. De verdachte is vervolgens zonder te betalen samen met zijn vrienden weggereden. Veroordeling tot een taakstraf, teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan de bierkoerier en integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001753-17

Uitspraak : 20 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 6 juni 2017 in de strafzaak met parketnummer 02-226175-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1994,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte is de teruggave gelast van de onder de verdachte inbeslaggenomen goederen aan de benadeelde [slachtoffer] .

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is gevorderd de teruggave te gelasten van de inbeslaggenomen goederen aan de rechthebbende [slachtoffer] .

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. De verdediging heeft voorts geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. De inbeslaggenomen goederen kunnen in de visie van de verdediging retour naar de rechthebbende. Dit laatste is uit coulance, want de verdediging wil hiermee niet zeggen dat de verdachte de goederen heeft gestolen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 5 november 2016 te Oosterhout, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
(een) 6-pack(s) bier (merk Heineken en/of Jupiler) en/of
(een) slagroomampul(len) en/of (een) ballon(nen) en/of
(een) fles(sen) wijn (merk Hugo) en/of
(een) blikje(s) Red Bull en/of
(een) blikje(s) Bacardi cola en/of
(een) blikje(s) Malibu cola en/of
(een) blikje(s) Bacardi rass-up en/of
(een) fles(sen) en/of (een) blikje(s) frisdrank (merk Coca Cola en/of Sprite en/of Fanta en/of 7-up), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [onderneming bierkoerier] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


subsidiair, althans indien het voorgaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 november 2016 te Oosterhout opzettelijk
(een) 6-pack(s) bier (merk Heineken en/of Jupiler) en/of
(een) slagroomampul(len) en/of (een) ballon(nen) en/of
(een) fles(sen) wijn (merk Hugo) en/of
(een) blikje(s) Red Bull en/of
(een) blikje(s) Bacardi cola en/of
(een) blikje(s) Malibu cola en/of
(een) blikje(s) Bacardi rass-up en/of
(een) fles(sen) en/of (een) blikje(s) frisdrank (merk Coca Cola en/of Sprite en/of Fanta en/of 7-up), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [onderneming bierkoerier] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

De verdachte staat ingevolge hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van de diefstal van diverse goederen.

Blijkens hetgeen hierna zal worden overwogen is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde verduistering, nu uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat de verdachte aanvankelijk die goederen als potentiële koper onder zich had en deze goederen zich enige tijd later wederrechtelijk heeft toegeëigend. Met name uit het gegeven dat door de verdachte zeker een kwartier met [slachtoffer] is onderhandeld over de prijs voor de flessen drank en slagroomampullen die zich toen al in de auto van de verdachte bevonden blijkt niet van een reeds voorgenomen intentie om die goederen te stelen.

Het voorgaande staat een veroordeling voor diefstal in de weg. Om die reden zal het hof de verdachte vrijspreken van hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 november 2016 te Oosterhout opzettelijk
6-packs bier (merk Heineken en/of Jupiler) en
slagroomampullen en ballonnen en
flessen wijn (merk Hugo) en
blikjes Red Bull en
blikjes Malibu cola en
flessen en blikjes frisdrank (merk Coca Cola en/of Sprite en/of Fanta en/of 7-up), toebehorende aan [slachtoffer] , welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. De verdachte stelt dat hij wel degelijk voor de goederen heeft betaald. Die lezing wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] . Van opzettelijk en wederrechtelijk handelen is dan ook geen sprake, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij, nadat hij op de afgesproken plaats in Oosterhout arriveerde, werd aangesproken door de verdachte. De verdachte zei tegen hem dat hij ‘alles wilde hebben’. Hij vroeg hem een prijs te maken. Daarna begon het overladen van de goederen naar de auto waarmee verdachte was gearriveerd. Aangever [slachtoffer] heeft vervolgens gezegd dat hij geld wilde zien. Hij is vervolgens een kwartier met de verdachte in gesprek geraakt om tot een prijsafspraak te komen. De verdachte zei dat aangever geen geld van hem zou krijgen. Op een vraag van aangever [slachtoffer] aan de verdachte waarom hij en zijn vrienden zo deden, gaf de verdachte het antwoord: ‘Zo doen wij dat’. De verdachte en zijn vrienden zijn hierna met de auto, waarin zich de flessen drank en slagroomampullen bevonden, weggereden.

Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft aangever [slachtoffer] aanvullend verklaard dat door de verdachte zijn portemonnee is getrokken, maar dat er nooit geld is overhandigd. Door het laten zien van geld, werd bij hem vertrouwen gewekt, zodat hij de achterbak open deed waarin de goederen lagen.

Getuige [getuige 2] , inzittende van de auto waarmee de verdachte arriveerde, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte zijn portemonnee pakte en geld liet zien. Daarna deed verdachte zijn portemonnee evenwel weer dicht.

Zeer kort na het incident, omstreeks 4.42 uur, werd aangever [slachtoffer] met zijn auto staande gehouden. Toen verklaarde hij aan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat hij net was beroofd van zijn spullen.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verklaring van aangever [slachtoffer] , inhoudende dat de verdachte hem niet heeft betaald, steun vindt in de getuigenverklaring van [getuige 2] . Het hof ziet zich in dat oordeel gesterkt doordat de verdachte kort na het feit tegen de politie heeft verklaard dat hij ‘net was beroofd’. Voorts heeft het hof in het dossier geen enkel objectief aanknopingspunt aangetroffen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de aangever in casu een valse aangifte heeft gedaan.

Aan de getuigenverklaring van [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris – die luidt dat de verdachte wél heeft betaald – gaat het hof voorbij. Die verklaring is immers niet te verenigen met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, die juist duiden op de omstandigheid dat geen geld is overhandigd. Daarnaast heeft [getuige 1] , een vriend van de verdachte, in tegenstelling tot [slachtoffer] en [getuige 2] pas maanden na het voorval een verklaring afgelegd. Het hof acht het gelet op dat tijdsverloop en zijn hoedanigheid van vriend van de verdachte zeer wel mogelijk dat hij zijn verklaring op die van de verdachte heeft afgestemd.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk heeft gehandeld.


De vervolgvraag waarvoor het hof zich gesteld ziet, is hoe de gedragingen van de verdachte in juridische zin moeten worden geduid. In dat verband overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft aan aangever [slachtoffer] te kennen te geven alle goederen te willen kopen. Door geld te tonen heeft hij bij hem het vertrouwen gewekt dat hij daadwerkelijk tot koop wilde overgaan. Vervolgens is met het overladen van de flessen drank en slagroomampullen begonnen. Toen de verdachte en aangever het na dat overladen niet eens werden over de prijs, is de verdachte zonder te betalen met de goederen weggereden. De verdachte heeft op deze wijze de goederen, die hij als potentiële koper onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend. Onder die omstandigheden kwalificeert het handelen van de verdachte naar het oordeel van het hof als verduistering in de zin der wet.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

verduistering.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. In het holst van de nacht van 5 op 6 november 2016 is het slachtoffer [slachtoffer] , die werkzaam was als bierkoerier, gebeld met het verzoek om naar Oosterhout te komen. [slachtoffer] is naar de afgesproken plaats gereden en heeft zijn voorraad getoond aan de verdachte. Nadat flessen drank en slagroomampullen werden overgeladen van de auto van de bierkoerier naar de auto waarmee de verdachte was gearriveerd, werd er tussen de verdachte en [slachtoffer] onderhandeld over de prijs. Er werd daarover geen overeenstemming bereikt. De verdachte is vervolgens zonder te betalen samen met zijn vrienden weggereden. Door aldus te handelen heeft de verdachte het vermogensbelang en het vertrouwen van de bierkoerier, die hem de flessen drank en slagroomampullen bij het overladen heeft toevertrouwd, ernstig geschonden. De verduisterde handelswaar had een waarde van meer dan € 400,00.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij bij zijn ouders inwoont, momenteel nog werkzaamheden als postkoerier verricht, hij een opleiding volgt tot buschauffeur en geen schulden heeft.

Alles afwegende acht het hof, evenals de politierechter en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Al hetgeen overigens door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende gewicht in de schaal om tot een andersluidend oordeel te komen.

Beslag

Voor wat betreft de hierna in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen goederen, bestaande uit flessen drank en slagroomampullen, stelt het hof vast dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij de handhaving daarvan. Het hof zal derhalve de teruggave gelasten van die inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen aan [slachtoffer] , als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 172,64 aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 13,64 ter zake van medicatiekosten (post I), een bedrag van € 9,77 aan reiskosten naar slachtofferhulp (post II) en een bedrag van € 150,00 aan smartengeld (post III). Voorts is een bedrag van
€ 11,90 aan proceskosten gevorderd.

De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts is de verdachte veroordeeld tot betaling van de proces- en executiekosten aan de zijde van de benadeelde partij, ten tijde van het vonnis begroot op € 11,90.


De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij. Daartoe is aangevoerd dat de gestelde psychische problemen niet als geloofwaardig kunnen worden aangemerkt, aangezien er gedurende geruime tijd is onderhandeld over de verkoopprijs en van een brute beroving, zoals door benadeelde partij is gesteld, is geen sprake.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

De benadeelde partij heeft een totaalbedrag van € 22,64 aan materiële schadevergoeding gevorderd (posten I en II). Dit deel van de vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Nu de vordering in zoverre ook niet inhoudelijk is betwist, ligt hiermee naar ’s hofs oordeel een bedrag van € 22,64 aan materiële schadevergoeding voor toewijzing gereed.

Vergoeding van de gestelde immateriële schade komt slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het ligt op de weg van de benadeelde partij om voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. In dit verband heeft de benadeelde partij in het voegingsformulier uiteengezet wat de gevolgen van het bewezenverklaarde handelen voor hem zijn geweest. Gedurende een maand na het incident was hij bang dat de verdachte hem ergens op zou wachten, is hij het vertrouwen in zijn klanten verloren, had hij last van herbelevingen en angstgevoelens en sliep hij slecht, waarvoor hij slaapmedicatie heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij hiermee genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt immateriële schade te hebben opgelopen. Het hof begroot die schade naar billijkheid op een bedrag van € 150,00.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij integraal tot een bedrag van € 172,64 zal worden toegewezen.


De toe te wijzen schadeposten zullen, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum waarop de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening. Meer specifiek zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 5 november 2016 over een bedrag van € 150,00 aan immateriële schadevergoeding, vanaf 18 november 2016 over een bedrag van € 13,64 aan materiële schadevergoeding en vanaf 1 februari 2017 over een bedrag van € 9,00 aan materiële schadevergoeding.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de gevorderde proceskosten ad € 11,90 aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 172,64. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 3 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan (de diefstal) en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;


gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten vier stuks bier van het merk Heineken (beslagnummer G1627634), twee stuks bier van het merk Jupiler (beslagnummer G1627635), speelgoed (beslagnummer G1627636), negentien blikjes frisdrank van het merk Redbull, vier flessen wijn van het merk Hugo, vijf blikjes Malibu-cola (beslagnummer G1627639), zeven ampullen (beslagnummer G1627641), twee flessen frisdrank van het merk Coca Cola (beslagnummer G1627673), twee flessen frisdrank van het merk Sprite (beslagnummer G1627674), drie flessen frisdrank van het merk Fanta (beslagnummer G1627676), drie blikjes frisdrank van een niet nader gespecifieerd merk en tien blikjes frisdrank van het merk 7-Up (beslagnummer G1627679);

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 172,64 (zegge: honderdtweeënzeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 22,64 (zegge: tweeëntwintig euro en vierenzestig cent) aan materiële schadevergoeding en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016 over een bedrag van € 150,00 aan immateriële schadevergoeding, vanaf 18 november 2016 over een bedrag van € 13,64 aan materiële schadevergoeding en vanaf 1 februari 2017 over een bedrag van € 9,00 aan materiële schadevergoeding, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 11,90 (zegge: elf euro en negentig cent);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 172,64 (zegge: honderdtweeënzeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 22,64 (zegge: tweeëntwintig euro en vierenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en
€ 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2016 over een bedrag van € 150,00 aan immateriële schadevergoeding, vanaf 18 november 2016 over een bedrag van € 13,64 aan materiële schadevergoeding en vanaf 1 februari 2017 over een bedrag van € 9,00 aan materiële schadevergoeding, telkens tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 20 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


Mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.