Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
20-000155-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplichting en het doen van een valse aangifte. Het hof veroordeelt de verdachte tot een hogere straf dan de politierechter en de eis van de advocaat-generaal, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000155-18

Uitspraak : 20 juli 2018

VERSTEK (dnip)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Middelburg, van 3 januari 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-820570-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegebied] (Suriname) op [geboortedatum in het jaar] 1976,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘oplichting’ (feit 1) en ‘aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is’ (feit 2) bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2016 tot en met 2 augustus 2017 te Tholen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde verzekeringsmaatschappij] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1664,55 euro), in elk geval van enig geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid bij voornoemde verzekeringsmaatschappij een schadeclaim ingediend, betreffende de schade ten gevolge van de in de periode van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 te Tholen plaatsgevonden hebbende woninginbraak, en zich aldus heeft voorgedaan als benadeelde van een woninginbraak (waarbij onder andere een Iphone 7 was weggenomen), (waarvan aangifte was gedaan bij de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Oosterscheldebekken), terwijl deze woninginbraak, in elk geval de diefstal van de Iphone 7 (met IMEI-nummer [nummer] ) niet was gepleegd, waardoor [benadeelde verzekeringsmaatschappij] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij op of omstreeks 16 januari 2017 te Tholen, in elk geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door op 16 januari 2017 bij de politie aangifte te doen van een woninginbraak, in elk geval van de diefstal van een Iphone 7 (met IMEI-nummer [nummer] ), wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1. en feit 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 23 december 2016 tot en met 2 augustus 2017 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [benadeelde verzekeringsmaatschappij] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk bij voornoemde verzekeringsmaatschappij een schadeclaim ingediend, betreffende de schade ten gevolge van de in de periode van 23 december 2016 tot en met 25 december 2016 te Tholen plaatsgevonden hebbende woninginbraak, en zich aldus heeft voorgedaan als benadeelde van een woninginbraak waarbij onder andere een Iphone 7 was weggenomen, waarvan aangifte was gedaan bij de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, basisteam Oosterscheldebekken, terwijl in elk geval de diefstal van de Iphone 7 (met IMEI-nummer [nummer] ) niet was gepleegd, waardoor [benadeelde verzekeringsmaatschappij] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.
hij op 16 januari 2017 in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door op 16 januari 2017 bij de politie aangifte te doen van de diefstal van een Iphone 7 (met IMEI-nummer [nummer] ), wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1. ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

oplichting.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 2. ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte en oplichting van een verzekeringsmaatschappij. De verdachte heeft aangifte gedaan van woninginbraak, waarbij onder meer een mobiele telefoon, een Iphone 7, zou zijn weggenomen. In werkelijkheid was die telefoon echter niet gestolen. Desalniettemin heeft de verdachte zich vervolgens als benadeelde bij een verzekerings-maatschappij gemeld en een schadeclaim ingediend. De verzekeringsmaatschappij heeft vervolgens een bedrag van € 1.664,55 uitgekeerd.

Door aldus te handelen heeft hij politie, justitie en een verzekeringsmaatschappij misleid, de kans voor lief genomen dat iemand ten onrechte als verdachte zou worden aangemerkt en in een opsporingsonderzoek betrokken zou raken, alsmede misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals een door de politie naar aanleiding van een aangifte als de onderhavige opgemaakt ambtsedig proces-verbaal. Dit handelen leidt er ook toe dat schaarse politiecapaciteit wordt ingezet, die hard nodig is voor het oplossen van echte misdrijven. Voorts is de verzekeringsmaatschappij door deze handelwijze getroffen in haar vermogensbelang. Bovendien leidt verzekeringsfraude tot premieverhoging voor bonafide verzekeringsnemers. Ook zij worden dus indirect de dupe van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof rekent het hem dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2018, betrekking hebbende op de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevinden zich veel vermogensdelicten en meer specifiek ook veroordelingen voor oplichting en poging tot oplichting. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts naar voren gekomen dat aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en hij deze taakstraf heeft verricht. Daardoor vindt artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht toepassing.

Het hof is van oordeel dat gelet op al het voorgaande en in het bijzonder op de ernst van het bewezen verklaarde en het recidiverende gedrag, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel de politierechter en de advocaat-generaal zulks eveneens hebben onderkend, komt in de opgelegde en gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest, de ernst van de bewezenverklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof zal daarom overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van langere duur.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken passend en geboden. De verdachte is overigens in verzekering noch in bewaring gesteld. Anders dan door de politierechter is gevonnist en zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, kan daarom van een bevel tot aftrek van voorarrest bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geen sprake zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 22b, 57, 188 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1. en feit 2. ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 20 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.