Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:319

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
20-002340-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:4534, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1894, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Zoutzuurzaken.

Anders dan de rechtbank komt het hof tot een veroordeling wegens het medeplegen van doodslag. Het hof legt op een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002340-13

Uitspraak : 30 januari 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 26 juni 2013 in de strafzaak met parketnummer 03-703756-11 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis van beroep is verdachte vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, kort gezegd inhoudende dat hij

1. samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [naam 1] heeft weggemaakt;

2. samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft bedreigd;

3. samen met (een) ander(en) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, dan wel dat hij zich daaraan samen met (een) ander(en) medeplichtig heeft gemaakt;

4. samen met (een) ander(en) het stoffelijk overschot van [slachtoffer] heeft weggemaakt.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is aanvankelijk onbeperkt ingesteld, maar bij akte van 10 oktober 2014 heeft de advocaat-generaal het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraken van de feiten 1, 2 en 4 ingetrokken. Aldus is het hoger beroep uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 3. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte ter zake van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    geen beslissing zal nemen ten aanzien van de in beslag genomen vrieskist en de in beslag genomen personenauto’s zal teruggeven aan de verdachte.

De verdediging heeft:

  • -

    primair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbedachte raad en dat aan hem ter zake van doodslag een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 8 jaren zal worden opgelegd;

  • -

    bepleit dat de in beslag genomen auto’s aan de verdachte zullen worden teruggegeven.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

(3.) primair


hij op of omstreeks 06 augustus 2011 te Tüddern (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij het leven noemende) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

  • -

    meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] gehouden en aldus die [slachtoffer] meerdere althans één stroomst(o)t(en) toegediend en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) het/een vuurwapen van die [slachtoffer] afgepakt, althans hem het/een vuurwapen afhandig gemaakt en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en/of tegengehouden toen hij wilde vluchten,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

[medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] op of omstreeks te Tüddern (Selfkant), in elk geval in Duitsland en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade (een persoon zich bij het leven noemende) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

  • -

    meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten en/of

  • -

    heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een in werking zijnd(e) stroomstootwapen/paralyser in de nek, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer] gehouden en aldus die [slachtoffer] meerdere althans één stroomst(o)t(en) toegediend,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 augustus 2011 te Tüddern (Selfkant) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen het/een vuurwapen van die [slachtoffer] af te pakken, althans hem het/een vuurwapen afhandig te maken en/of door tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen die [slachtoffer] naar de grond te werken en/of tegen te houden toen hij wilde vluchten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Door het hof vastgestelde feitelijke gang van zaken

Uit de inhoud van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof de volgende feitelijke gang van zaken af.

Op de ochtend van 6 augustus 2011 is [slachtoffer] naar de woning van familie [familienaam] aan de [adres] te Tüddern (Selfkant, Duitsland) gegaan. Op dat moment bevonden zich in de woning: de verdachte en zijn echtgenote [medeverdachte 2] , hun huisvriend [medeverdachte 5] en de kinderen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] . Op het moment dat [slachtoffer] bij de woning aanbelde, bevond [medeverdachte 2] zich in de keuken. Zij is daarop naar de voordeur gelopen en heeft [slachtoffer] binnengelaten.

[slachtoffer] is vervolgens naar de woonkamer gegaan. Daar bevonden zich de verdachte en [medeverdachte 5] . Op het moment dat [slachtoffer] de woonkamer binnenkwam, zaten de verdachte en [medeverdachte 5] ieder op een afzonderlijke bank. De kinderen van het gezin bevonden zich op dat moment, al dan niet slapend, in hun slaapkamers op de bovenverdieping van de woning.

[slachtoffer] zocht meteen een verbale confrontatie met de verdachte en begon tegen hem schreeuwen. [slachtoffer] heeft op een gegeven moment tijdens dat schreeuwen tegen de verdachte gezegd dat hij 10.000 euro van hem wilde hebben. Tijdens deze confrontatie raakte [medeverdachte 5] , die nog steeds op de bank zat, met [slachtoffer] in gesprek, waarbij deze zich in de richting van [medeverdachte 5] keerde.

[medeverdachte 2] is tijdens de ruzie tussen [slachtoffer] en de verdachte vanuit de keuken naar de woonkamer gelopen en heeft daar een geladen semi-automatisch pistool onder de bank vandaan gehaald. Op het moment dat [slachtoffer] zich omdraaide in de richting van [medeverdachte 5] heeft [medeverdachte 2] het pistool op [slachtoffer] gericht en heeft zij hem meerdere keren beschoten. Het slachtoffer werd daarbij door kogels in de buikstreek geraakt.

[slachtoffer] is vervolgens in de richting van [medeverdachte 5] gelopen en probeerde achter de bank te kruipen waarop [medeverdachte 5] was gezeten. [medeverdachte 5] sprong op dat moment van de bank af en werd vastgepakt door [slachtoffer] die hem als een soort schild probeerde te gebruiken tussen zichzelf en de [medeverdachte 2] .

[slachtoffer] duwde [medeverdachte 5] vervolgens in de richting van de gang en [medeverdachte 5] begon terug te duwen. [medeverdachte 2] heeft in die fase nog een aantal kogels afgeschoten in de richting van het slachtoffer.

De verdachte probeerde het slachtoffer te verhinderen om naar de hal te gaan en heeft [medeverdachte 5] en [slachtoffer] , die elkaar nog steeds vasthielden, vastgepakt.

Daarna is verdachte naar [medeverdachte 2] gelopen, heeft het pistool van haar overgenomen en is vervolgens weer in de richting van [medeverdachte 5] en [slachtoffer] gelopen. Vervolgens heeft de verdachte van dichtbij een aantal kogels op [slachtoffer] afgeschoten, waarop het slachtoffer, samen met [medeverdachte 5] in de hal is neergevallen.

[slachtoffer] heeft op enig moment tegen de verdachte gezegd dat hij zich overgaf, waarop de verdachte antwoordde dat het daarvoor nu te laat was.

Het slachtoffer is zwaargewond in de hal op de grond blijven liggen. Het slachtoffer bloedde uit zijn mond en zijn neus en was stervende. Hij maakte rochelende geluiden omdat hij kennelijk lag te stikken in zijn eigen bloed.

[medeverdachte 3] is vanaf zijn kamer op de bovenverdieping naar beneden gekomen.

Nadat het slachtoffer een aantal minuten in stervende toestand op de grond had gelegen, heeft [medeverdachte 5] gezegd dat ze hem zo niet konden laten liggen en/of dat ze hem uit zijn leed/lijden moesten verlossen, althans woorden van dergelijke strekking. Hierop heeft de verdachte [slachtoffer] met het pistool door het hoofd geschoten.

[slachtoffer] is overleden.

Vrijspraak van moord

II.1

De advocaat-generaal heeft betoogd dat verdachte heeft gehandeld met de voor moord vereiste voorbedachte raad. Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De verdachte zit op de bank als zijn vrouw [medeverdachte 2] de woonkamer binnen komt, het vuurwapen pakt en meermalen gericht op [slachtoffer] schiet. [slachtoffer] zoekt dekking achter een bank in de woonkamer en valt [medeverdachte 2] even later aan. Toen heeft zij opnieuw het wapen opgepakt en opnieuw op [slachtoffer] geschoten. Vervolgens krijgt de verdachte de beschikking over het wapen, waarbij in het midden kan blijven of verdachte het wapen heeft overgenomen van [medeverdachte 2] of het van de grond heeft opgeraapt. Daarna vuurt hij, zoals blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 5] van 4 maart 2013, gedecideerd in elk geval nog 1 schot af op het hoofd van [slachtoffer] , terwijl er dan al minuten zijn verstreken tussen het moment waarop verdachte de beschikking kreeg over het wapen en het moment waarop hij schiet en [slachtoffer] dan al weerloos op de grond ligt.

Niet blijkt van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging: verdachte houdt de regie

volledig in handen - ook nadat [slachtoffer] is overleden.

Het hof overweegt als volgt.

II.2

Uitgangspunt voor de beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ - in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen ‘na kalm beraad en rustig overleg’- moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat, ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

II.3

Het hof stelt voorop dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte het vooropgezette plan had om het slachtoffer [slachtoffer] van het leven te beroven. Weliswaar komt er uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen een aantal aanwijzingen naar voren die op een dergelijk plan zouden kunnen duiden, zoals het feit dat een schietklaar vuurwapen gereed lag op het moment dat [slachtoffer] in de woning van de familie [familienaam] kwam, maar het hof acht een en ander onvoldoende overtuigend om tot de conclusie te komen dat bij de verdachte voorafgaand aan de niet aangekondigde komst van [slachtoffer] naar de woning in Tüddern reeds het plan bestond om hem van het leven te beroven.

II.4

Op grond van de hiervoor weergegeven opeenvolgende feiten en omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de verdachte het besluit om op [slachtoffer] te schieten heeft genomen kort voorafgaand aan het moment dat hij in de richting van [medeverdachte 2] liep om het wapen van haar over te nemen. Hij is vervolgens teruggelopen en heeft met het vuurwapen van dichtbij op [slachtoffer] geschoten, waarna het slachtoffer zwaargewond in de hal is neergevallen. De periode gelegen tussen het moment dat hij zich heeft voorgenomen om [slachtoffer] neer te schieten en het moment van het daadwerkelijk schieten acht het hof dermate kort, dat de verdachte daarin - nu aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken - redelijkerwijze onvoldoende gelegenheid heeft gehad tot beraad of bezinning.

Zoals uit de hierboven weergegeven feitelijke gang van zaken blijkt, lag [slachtoffer] , nadat hij door de verdachte en [medeverdachte 2] was beschoten, zwaargewond in de gang. Het slachtoffer bloedde uit zijn mond en zijn neus en was stervende. Hij maakte rochelende geluiden omdat hij kennelijk lag te stikken in zijn eigen bloed.

Nadat het slachtoffer een aantal minuten in stervende toestand op de grond had gelegen, heeft [medeverdachte 5] gezegd dat ze hem zo niet konden laten liggen en/of dat ze hem uit zijn leed/lijden moesten verlossen, althans woorden van dergelijke strekking. Hierop heeft de verdachte [slachtoffer] met het pistool door het hoofd geschoten, waarop het slachtoffer is overleden.

Naar het oordeel van het hof is het niet onaannemelijk dat ook deze tweede beslissing van de verdachte, te weten de beslissing om het slachtoffer door het hoofd te schieten, door hem, naar aanleiding van voormelde opmerking van [medeverdachte 5] , in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling ter plaatse is genomen. De door de advocaat-generaal genoemde aanwijzingen waaruit zou moeten worden afgeleid dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, worden door het hof niet van doorslaggevende betekenis geacht.

II.5

Op grond van het voorgaande acht het hof niet overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, zodat hij van de ten laste gelegde voorbedachte raad zal worden vrijgesproken.

Verweer betreffende bewijsuitsluiting op grond van ‘Vidgen’

III.1

De raadsvrouwe heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het onder 3. ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot enige bewezenverklaring te kunnen komen. Daartoe is aangevoerd, met verwijzing naar het arrest van het EHRM inzake Vidgen tegen Nederland, -zakelijk weergegeven- dat de door de getuige [medeverdachte 5] tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van de bewijsvoering, vanwege de omstandigheid dat de verdediging niet in staat is gesteld om bedoelde verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen, aangezien [medeverdachte 5] zich, opgeroepen als getuige in eerste aanleg, op het hem toekomende verschoningsrecht heeft beroepen dan wel geen vragen van de verdediging heeft willen beantwoorden en voorts dat hij is overleden voordat de verdediging hem in hoger beroep als getuige heeft kunnen bevragen.

Het hof overweegt als volgt.

III.2

Het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende, verklaring is niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM, indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Het gebruik van die verklaring is evenmin ongeoorloofd indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.

III.3

In de onderhavige zaak was [medeverdachte 5] de enige persoon op de plaats van het delict die geen deel uitmaakte van de familie [familienaam] . Tijdens het opsporingsonderzoek heeft [medeverdachte 5] meerdere voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd, onder meer inhoudende -zakelijk weergegeven- dat:

  • -

    de verdachte [slachtoffer] heeft tegengehouden toen deze, na te zijn beschoten door medeverdachte [medeverdachte 2] , vanuit de woonkamer in de woning te Tüddern wilde vluchten naar de gang;

  • -

    de verdachte op enig moment daarop volgend het door zijn echtgenote [medeverdachte 2] gehanteerde vuurwapen van haar heeft overgenomen en vervolgens daarmee op [slachtoffer] heeft geschoten;

  • -

    de verdachte, nadat [slachtoffer] door meerdere kogels was getroffen en in de gang lag te stikken in zijn eigen bloed, met het vuurwapen een kogel in het hoofd van [slachtoffer] heeft geschoten, waarna deze is overleden.

III.4

Bij zijn in het kader van het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen heeft de verdachte ontkend zelf te hebben geschoten en/of heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Op verzoek van de verdediging is [medeverdachte 5] in eerste aanleg opgeroepen om op 23 januari 2013 als getuige door de rechter-commissaris te worden gehoord. Bij die gelegenheid heeft hij zich op zijn verschoningsrecht beroepen.

Op 4 juni 2013 is [medeverdachte 5] ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoord. Bij die gelegenheid heeft hij zijn ter terechtzitting als verdachte afgelegde verklaring als getuige herhaald. Vragen van de verdediging heeft hij op genoemde terechtzitting echter niet willen beantwoorden door zich opnieuw op zijn verschoningsrecht te beroepen.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg de door [medeverdachte 5] afgelegde getuigenverklaring betwist.

[medeverdachte 5] is overleden op 13 oktober 2013, derhalve vóórdat de verdediging de gelegenheid heeft gehad om hem als getuige te doen oproepen in hoger beroep.

III.5

Uit het vorenstaande volgt dat de verdediging de facto niet de gelegenheid heeft gehad om de gewraakte verklaringen op hun betrouwbaarheid te toetsen.

III.6

Het hof heeft na heropening van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep bij tussenarrest van 18 november 2014 bevolen dat door een deskundige, te weten een rechtspsycholoog, een onderzoek zal worden ingesteld naar de mate van betrouwbaarheid van de door [medeverdachte 5] gedurende het opsporingsonderzoek en de strafprocedure in eerste aanleg afgelegde verklaringen, zoals die zijn neergelegd in de betreffende processen-verbaal en de verbatim uitgewerkte verslagen die zich in het procesdossier bevinden. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtspsycholoog prof. dr. P.J. van Koppen een deskundigenrapport d.d. 31 maart 2016 opgemaakt, waarvan de relevante bevindingen en conclusies hieronder onder IV.11 zijn opgenomen.

III.7

Het hof is van oordeel dat de gewraakte verklaringen van [medeverdachte 5] in belangrijke mate steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, te weten in het bijzonder in:

  • -

    de verklaring(en) van [getuige 1] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [verdachte] het slachtoffer [slachtoffer] een kogel door het hoofd heeft geschoten, nadat het slachtoffer was neergeschoten door [medeverdachte 2] ;

  • -

    de verklaring(en) van [getuige 2] , voor zover inhoudende dat hij van zijn neefjes en nichtjes, onder wie [getuige 1] , heeft gehoord dat [medeverdachte 3] had verteld dat [verdachte] het slachtoffer [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten.

III.8

Hieruit volgt dat de verklaring van [medeverdachte 5] , voor zover inhoudende dat niet alleen [medeverdachte 2] , maar ook de verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, wordt ondersteund door getuigenverklaringen die hun oorsprong vinden in tenminste één andere bron, te weten [medeverdachte 3] .

III.9

Daarnaast heeft (ten overvloede) te gelden dat de omstandigheid dat de verdachte niet het bij artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen om een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring, omdat die getuige weigert antwoord te geven op de hem gestelde vragen en voorts omdat deze is overleden voordat de verdediging hem in hoger beroep als getuige heeft kunnen bevragen, in zekere mate wordt gecompenseerd doordat het hof in hoger beroep omtrent de betrouwbaarheid van de gewraakte verklaringen een deskundigenonderzoek heeft laten plaatsvinden. Daarmee is zoveel mogelijk een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging van de getuige.

III.10

Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat doordat de verdediging [medeverdachte 5] niet in hoger beroep als getuige heeft kunnen bevragen, geen sprake meer zou zijn van een fair trial als bedoeld in art. 6 EVRM. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het gebruik van de gewraakte verklaringen voor het bewijs is geoorloofd.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5]

IV.1

De eerste rechter heeft de verdachte vrijgesproken van het onderhavige feit, in het bijzonder omdat hij de door [medeverdachte 5] afgelegde verklaringen ten aanzien van de voor de verdachte belastende omstandigheden niet betrouwbaar achtte. De raadsvrouwe heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep zich bij dat standpunt van de eerste rechter aangesloten.

Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van [medeverdachte 5] dermate onbetrouwbaar zijn dat deze van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten, althans dat deze te onbetrouwbaar zijn om daarop een veroordeling te stoelen. De verdediging heeft ter onderbouwing daarvan primair betoogd - zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van [medeverdachte 5] volstrekt ongeloofwaardig zijn vanwege zijn medicatiegebruik, aantoonbare onjuistheden en toenemende gedetailleerdheid naar mate de tijd vordert terwijl daar geen logische verklaring voor te geven valt, subsidiair dat maximaal zou kunnen worden geconcludeerd dat de verklaringen van [medeverdachte 5] zoals in België afgelegd als betrouwbaar aangemerkt kunnen worden.

IV.2

Uit het procesdossier blijkt dat [medeverdachte 5] gedurende het opsporingsonderzoek en gedurende het strafproces in eerste aanleg veelvuldig en uitputtend is gehoord. Het gaat in totaal om 23 verhoren, waarvan 6 verhoren hebben plaatsgevonden in België in de periode van 25 november 2011 tot en met 9 januari 2012 en 17 verhoren hebben plaatsgevonden in Nederland in de periode van 7 maart 2012 tot en met 4 juni 2013.

IV.3

Uit de verschillende verhoren van [medeverdachte 5] valt op te maken dat hij aanvankelijk zeer terughoudend heeft verklaard ten aanzien van de rol die de verdachte bij het onderhavige feit heeft gespeeld. [medeverdachte 5] is echter later - in het bijzonder na 9 januari 2012 bij de verhoren door de Nederlandse politie - in zijn verklaringen steeds meer ingegaan op het handelen van de verdachte. Daarbij valt op dat [medeverdachte 5] - zoals ook door deskundige Van Koppen is opgemerkt en ook door de eerste rechter is overwogen - in de loop van de tijd meer details aan zijn verklaringen is gaan toevoegen en bovendien op een aantal punten tegenstrijdig heeft verklaard.

IV.4

Het vorenstaande neemt echter niet weg dat de verklaringen van [medeverdachte 5] vanaf het begin van het onderzoek (in België) met betrekking tot de kern van het onderhavige gebeuren (vrijwel) gelijkluidend en consistent zijn, in het bijzonder ten aanzien van de omstandigheden dat:

  • -

    hij zich, samen met de verdachte, op de ochtend van 6 augustus 2011 in de huiskamer van de woning van de familie [familienaam] te Tüddern bevond;

  • -

    [medeverdachte 2] zich op dat moment in de keuken bevond;

  • -

    er op een gegeven moment werd aangebeld en korte tijd later [slachtoffer] , die hij kende als [slachtoffer] , de woonkamer binnenkwam;

  • -

    [slachtoffer] vervolgens ruzie begon te maken met de verdachte, waarbij [slachtoffer] tegen [verdachte] zei dat hij geld (€ 10.000,00) van hem wilde hebben;

  • -

    hij tijdens de ruzie [slachtoffer] aansprak, waarop [slachtoffer] zich in de richting van [medeverdachte 5] draaide;

  • -

    [slachtoffer] op het daarop volgende moment ineens werd beschoten door [medeverdachte 2] , die een pistool met demper van merk Lüger, kaliber 6 mm, hanteerde;

  • -

    [medeverdachte 2] daarbij meerdere kogels op [slachtoffer] heeft afgevuurd en [slachtoffer] door enkele kogels in de buikstreek werd getroffen;

  • -

    [slachtoffer] vervolgens in de richting van [medeverdachte 5] is gevlucht en tussen [medeverdachte 5] en de bank weg wilde duiken;

  • -

    [slachtoffer] vervolgens [medeverdachte 5] als een soort schild gebruikte, waarna er een duwpartij is ontstaan;

  • -

    [slachtoffer] vervolgens opnieuw werd beschoten en, terwijl hij [medeverdachte 5] nog vasthield, naar de gang is gevlucht;

  • -

    de verdachte vervolgens heeft getracht [slachtoffer] tegen te houden;

  • -

    [slachtoffer] en [medeverdachte 5] samen in de gang op de grond zijn gevallen, waarna [slachtoffer] zwaargewond bleef liggen;

  • -

    [medeverdachte 5] toen hoorde dat [slachtoffer] rochelende geluiden maakte, waaruit hij concludeerde dat [slachtoffer] lag te stikken in zijn eigen bloed, hetgeen wel enkele minuten duurde;

  • -

    [medeverdachte 5] op een gegeven moment tegen de anderen heeft gezegd dat zij [slachtoffer] zo niet konden laten liggen en/of “dat ze hem uit zijn leed/lijden moesten verlossen”, althans woorden van soortgelijke strekking;

  • -

    het vuurwapen van [medeverdachte 2] is overgenomen door een tweede schutter, die het slachtoffer - om hem uit zijn lijden te verlossen - een schot in het hoofd heeft gegeven, waarna het slachtoffer is overleden.

IV.5

[medeverdachte 5] heeft op 15 juni 2012 voor het eerst tijdens een politieverhoor de verdachte aangewezen als de tweede schutter. Hij heeft toen verklaard -zakelijk weergegeven- dat hij kort nadat [slachtoffer] was doodgeschoten van de verdachte heeft gehoord dat de verdachte naar [medeverdachte 2] is toe gelopen, het vuurwapen heeft gepakt, vervolgens weer naar de hal is gelopen en het slachtoffer van dichtbij heeft neergeschoten. Vervolgens heeft hij toen verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer, nadat deze een tijdje in de hal op de grond had gelegen, van dichtbij door het hoofd werd geschoten. Bij gelegenheid van zijn verhoor van 9 augustus 2012 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij na dat laatste schot van de verdachte heeft gehoord dat deze het slachtoffer had doodgeschoten.

IV.6

Uit het proces-verbaal van zijn tweede verhoor d.d. 25 november 2011, door de Belgische Federale Politie, blijkt dat [medeverdachte 5] toen reeds heeft gezegd dat “bij de moord” [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en hijzelf aanwezig waren.

IV.7

[medeverdachte 4] heeft reeds op 25 november 2011, bij gelegenheid van zijn verhoor door de Duitse kantonrechter, melding gemaakt van het feit dat het slachtoffer ook in zijn hoofd zou zijn geschoten om hem stil te krijgen omdat het lichaam nog in beweging was, hetgeen hij van zijn moeder [medeverdachte 2] heeft gehoord.

IV.8

Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] d.d. 29 november 2011 blijkt dat deze ‘een kleine maand’ voordien van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] een kogel door het hoofd heeft geschoten, nadat het slachtoffer was neergeschoten door [medeverdachte 2] . Verder blijkt uit deze verklaring dat [getuige 1] het verhaal over [slachtoffer] van [medeverdachte 5] en van [medeverdachte 3] heeft gehoord.

IV.9

Daarnaast blijkt uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 2] d.d. 29 november 2011 dat hij van zijn neefjes en nichtjes, onder wie [getuige 1] , heeft gehoord dat [medeverdachte 3] had verteld dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten.

IV.10

Uit het vorenstaande volgt ten eerste dat de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer door het hoofd heeft geschoten, reeds voorafgaand aan 29 november 2011, door één ander persoon dan [medeverdachte 5] , te weten [medeverdachte 3] , aan (één of meer) anderen bekend is gemaakt.

Bovendien maakt het hof daaruit op dat de wetenschap van [medeverdachte 5] , inhoudende dat niet alleen [medeverdachte 2] , maar ook de verdachte één of meerdere kogels op het slachtoffer heeft afgevuurd en het slachtoffer uiteindelijk zelfs het “genadeschot” heeft gegeven, kennelijk reeds vanaf de ten laste gelegde datum bij hem aanwezig was, maar dat hij dit gegeven om hem moverende redenen - bijvoorbeeld uit loyaliteit naar de verdachte - eerst op 15 juni 2012 tegenover de politie bekend heeft willen maken. Gelet daarop gaat het hof voorbij aan hetgeen de deskundige Van Koppen hierover in voormeld rapport heeft geopperd, te weten dat dit pas in een laat stadium door [medeverdachte 5] naar voren gebrachte ‘detail’ mogelijk voortkomt uit suggestie door anderen (bijvoorbeeld: verhorende verbalisanten) of uit autosuggestie.

IV.11

Het hiervoor onder III.6 vermelde deskundigenrapport van prof. dr. Van Koppen houdt

-zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang- het volgende in.

(p. 28:)

[medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) wijzigde zijn verhaal in de loop van de langdurige verhoren nauwelijks.

(p. 29:)

In het begin van de verhoren in Nederland beriep [medeverdachte 5] zich op zijn zwijgrecht.

(…)

Niettemin werden de verhoren voortgezet en ondanks het beroep op zijn zwijgrecht beantwoordde [medeverdachte 5] toch regelmatig inhoudelijke vragen. Een verhoor van iemand die veel weerstand biedt, is riskant in de zin dat gemakkelijk suggestie wordt overgedragen. Suggestie is vrijwel afwezig bij iemand die gewoon zonder vragen zijn eigen verhaal vertelt. Als er vragen moeten worden gesteld, neemt de kans op suggestie toe.

(…)

Uit de verhoren blijkt dat [medeverdachte 5] opmerkelijk weinig gevoelig was voor suggestie door de verbalisanten.

(…)

Vanaf juni 2012 bleek [medeverdachte 5] bereid om te worden verhoord zonder een beroep op zijn zwijgrecht. Toen was hij veel aan het woord, waarbij de verbalisanten

(p. 30:)

weinig vragen hoefden te stellen zodat de kans op suggestie sowieso vanaf dat moment beperkt was.

(p. 32:)

Het is bijzonder dat nadien [medeverdachte 5] nogal ongevoelig is gebleken voor de eventuele suggestie van de verbalisanten. (…)

(p. 33:)

Wat betreft het verhaal dat [medeverdachte 5] van meet af aan vertelde, bood hij standvastig weerstand tegen de beïnvloeding door de verbalisanten.

(p. 39:)

Conclusie

De verhoren van [medeverdachte 5] verliepen in een vriendelijke sfeer. De verhoren waren niet bijzonder suggestief, op een aantal punten uitgezonderd.

(…)

Het valt op dat [medeverdachte 5] met suggestie door de verbalisanten nauwelijks meegaat.

(…)

Door de ongestructureerde reproductie door [medeverdachte 5] wordt het scenario gesteund dat hij het gehele verhaal vooral baseerde op zijn geheugen.

IV.12

Het hof neemt voormelde bevindingen en conclusies van de deskundige over en betrekt die bij zijn beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] .

IV.13

Het enkele gegeven dat een medeverdachte of getuige in een later stadium bepaalde, voor een verdachte belastende, elementen aan zijn verklaringen toevoegt, maakt nog niet dat die latere verklaringen onbetrouwbaar zijn. Uit de inhoud van het procesdossier volgt dat [medeverdachte 5] vanaf juni 2012 besloot zijn proceshouding te wijzigen, in die zin dat hij zich vanaf dat moment tegenover de Nederlandse politie niet langer beriep op zijn zwijgrecht en kennelijk heeft besloten vanaf dat moment openheid van zaken te geven, ook omtrent de rol van de verdachte. Vanuit dat oogpunt bezien is het logisch dat [medeverdachte 5] pas vanaf dat moment de voor de verdachte belastende elementen aan zijn verklaringen heeft toegevoegd.

IV.14

[medeverdachte 5] heeft ten aanzien van zichzelf vanaf het begin van het opsporingsonderzoek belastend verklaard.

IV.15

De verklaringen van [medeverdachte 5] vinden ook op bepaalde ondergeschikte detailpunten ondersteuning en bevestiging in getuigenverklaringen alsmede in technisch bewijs. Zo heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat het in de onderhavige zaak gebruikte vuurwapen, door de verdachte naar een persoon genaamd [naam 2] (het hof begrijpt: [naam 2] ) is gebracht “om te verstoppen”, hetgeen door laatstgenoemde bij gelegenheid van zijn getuigenverhoor door de rechter-commissaris in de rechtbank Maastricht d.d. 19 december 2012 is bevestigd. Een andere door hem genoemde omstandigheid, te weten dat hij van de verdachte hoorde dat er een kogel in de wand naast de TV terecht was gekomen en dat er in het gat een schroef is ingedraaid voor camouflage, vindt zijn bevestiging in het feit dat de politie in bedoelde wand een gat met daarin een schroef en een plug heeft aangetroffen, waarna men vervolgens het gat verder heeft uitgekapt, en in het feit dat uit nader onderzoek door het NFI naar het door de politie bemonsterde steengruis / stucwerk bleek dat zich daarin delen van een loden kogel bevonden.

IV.16

De omstandigheid dat in de onderscheidenlijke verklaringen van [medeverdachte 5] , inconsistenties aan te wijzen zijn, doet niet af aan het feit dat die verklaringen in de kern overeenstemmen. Zoals eerder vermeld, is [medeverdachte 5] veelvuldig en uitputtend verhoord over het onderhavige gebeuren, waarbij hij kennelijk toevallig aanwezig was, dat plotseling voor zijn ogen escaleerde en waarbij het slachtoffer kennelijk vanuit het niets ineens werd beschoten door de echtgenote van zijn vriend [verdachte] . Dat een getuige onder die omstandigheden zich niet ieder detail precies kan herinneren en tijdens zeer langdurige politieverhoren, waarbij men telkens zeer uitvoerig en gedetailleerd ingaat op bepaalde aspecten van het gebeuren, niet ten aanzien van ieder detail consistent verklaart en zich vergist in bepaalde zaken, is op zich niet verwonderlijk.

IV.17

Omtrent het door de raadsvrouwe naar voren gebrachte medicijngebruik van [medeverdachte 5] overweegt het hof als volgt.

De deskundige Van Koppen heeft hieromtrent in voormeld deskundigenrapport als volgt gerapporteerd.

Medicatie van [medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] )

Volgens het rapport van psycholoog S. Labrijn op 25 april 2013 gebruikte [medeverdachte 5] ten tijde van zijn detentie de volgende medicatie:

‘Om 8.00 uur: Omepranol (maagzuurremmer)

Seroquel (een atypisch anti-psychoticum)

Tramadol (een morifine-achtige pijnstiller)

Lorazepam (rustgevend, vermindert angstgevoelens en spanning)

Om 12.00 uur: Lorazepam

Om 17.00 uur: Seroquel

Om 21.00 uur: Mirtazapine (een anti-depressivum)

Simvastarine (ten behoeve van zijn hartklachten)

Zolpidem (slaapmiddel)

Lorazepam.’

De vraag is of het medicijngebruik van [medeverdachte 5] ten tijde van zijn detentie van invloed was op zijn herinnering aan de gebeurtenissen.

Volgens het testpsychologisch onderzoek scoorde [medeverdachte 5] slecht op het onderdeel cijferreeksen van de WAIS III dat een appel doet op concentratie en het korte-termijn-geheugen. Dat zegt echter in principe niets over het langetermijn-geheugen. De psycholoog rapporteerde dat [medeverdachte 5] naar eigen zeggen juist altijd een uitzonderlijk goed geheugen had. Hij claimde zelfs een fotografisch geheugen te hebben. De psycholoog vond geen aanwijzing voor een cognitieve stoornis.

Het lijkt er derhalve op dat het medicijngebruik van [medeverdachte 5] niet van invloed is geweest op zijn rapportage over de gebeurtenissen.

De deskundige Van Koppen heeft ter terechtzitting van het hof van 12 oktober 2017 over de invloed van medicijnen op de verklaringen van [medeverdachte 5] als volgt verklaard.

Stel dat u (het hof begrijpt: de raadsvrouwe) gelijk heeft dat de verklaringen van [medeverdachte 5] door de medicatie beïnvloed zijn, dan moet die invloed bij alle verhoren van [medeverdachte 5] , zowel in België als in Nederland, ongeveer hetzelfde geweest zijn. Dat lijkt me heel onwaarschijnlijk.

(…)

Stel nu dat mr. Landerloo gelijk heeft in haar stelling dat het medicijngebruik het geheugen van [medeverdachte 5] heeft beïnvloed en dat zijn geheugen daardoor slechter is geworden, dan zou bij een volgend verhoor [medeverdachte 5] zich niet alleen niet goed kunnen herinneren wat er tijdens het misdrijf is gebeurd maar evenmin wat er bij het vorige verhoor is gebeurd. En dan kun je eigenlijk op geen enkele manier verklaren dat hij steeds hetzelfde verhaal blijft vertellen.

De inhoud van de door [medeverdachte 5] afgelegde verklaringen geven geen aanleiding voor de veronderstelling dat medicijngebruik op wat voor manier dan ook daarop van invloed is geweest.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen aanwijzingen naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het medicijngebruik van [medeverdachte 5] van invloed is geweest op de inhoud van de door hem afgelegde verklaringen.

IV.18

De verklaringen van [medeverdachte 5] , zijn, voor zover tot het bewijs gebezigd, in de kern consistent en vinden op belangrijke detailpunten ondersteuning in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan het waarheidsgehalte van deze verklaringen in zoverre zou moeten worden getwijfeld

IV.19

Op grond van het vorenstaande acht het hof voormelde verklaringen van [medeverdachte 5] bruikbaar voor het bewijs en zal deze ook als zodanig gebruiken.

Overweging ten aanzien van ‘medeplegen’

V.1

Ten aanzien van het ten laste gelegde bestanddeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ overweegt het hof ambtshalve als volgt.

V.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Medeverdachte [medeverdachte 2] is tijdens de ruzie tussen [slachtoffer] en de verdachte vanuit de keuken naar de woonkamer gelopen en heeft daar een geladen semi-automatisch pistool onder de bank vandaan gehaald. Zij heeft vervolgens in de woonkamer [slachtoffer] met het pistool meerdere keren beschoten en hem met meerdere kogels in de buikstreek geraakt.

Vervolgens is er een worsteling ontstaan in de woonkamer tussen [slachtoffer] enerzijds en [medeverdachte 5] en de verdachte anderzijds. [medeverdachte 2] heeft in die fase nog een aantal kogels afgeschoten in de richting van het slachtoffer.

Vervolgens is verdachte naar [medeverdachte 2] gelopen, heeft het pistool van haar overgenomen en is vervolgens weer in de richting van [medeverdachte 5] en [slachtoffer] gelopen, waarna hij van dichtbij een aantal kogels op [slachtoffer] heeft afgeschoten, waarop het slachtoffer, samen met [medeverdachte 5] in de hal is neergevallen.

Het slachtoffer is zwaargewond in de hal op de grond blijven liggen. Het slachtoffer bloedde uit zijn mond en zijn neus en was stervende.

Nadat het slachtoffer een aantal minuten in stervende toestand op de grond had gelegen, heeft de verdachte [slachtoffer] met het pistool door het hoofd geschoten, waarop het slachtoffer is overleden.

V.3

Gelet op hetgeen de verdachte, voorafgaand aan het moment dat hij het pistool van medeverdachte [medeverdachte 2] overnam, waarnam en op de door hem, aansluitend op de door [medeverdachte 2] op het slachtoffer afgevuurde schoten met het door haar gehanteerde pistool, aan het slachtoffer toegebrachte schotverwondingen - die op zichzelf, en in ieder geval in het verband van de aan het slachtoffer reeds door mededader [medeverdachte 2] toegebrachte schotverwondingen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de dood van het slachtoffer - is sprake van een situatie waarin ten aanzien van de verdachte en de mededader [medeverdachte 2] kan worden gesproken van de voor medeplegen van levensberoving vereiste mate van volledige en nauwe samenwerking, gericht op de dood van het slachtoffer.

V.4

Door zich met de wetenschap dat het slachtoffer reeds meerdere malen was getroffen door kogels afkomstig uit het door de mededader [medeverdachte 2] gehanteerde pistool, niet van de mededader te distantiëren maar daarentegen het pistool van haar over te nemen teneinde daarmee het slachtoffer nogmaals te beschieten, is verdachte zich bij de mededader en haar, door de verdachte waargenomen, geweldshandelingen gaan aansluiten op een moment dat de levensberoving nog niet was voltooid en is sprake van een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen de mededader en de verdachte dat zij het slachtoffer tezamen en in vereniging van het leven hebben beroofd.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 6 augustus 2011 te Tüddern (Selfkant), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (een persoon zich bij het leven noemende) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet, meermalen met een vuurwapen op die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3. primair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft 6 augustus 2011, samen met zijn echtgenote, het slachtoffer [slachtoffer] van het leven beroofd door hem met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam en hoofd te schieten.

Verdachte heeft daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan onder meer de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan doodslag, één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Door een dergelijk delict wordt de rechtsorde zeer ernstig is geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffend:

  • -

    uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 oktober 2015, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen;

  • -

    briefrapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) d.d. 2 augustus 2012, opgemaakt door drs. E.M.M. Mol, psychiater;

  • -

    rapport, d.d. 28 december 2012, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater;

  • -

    rapport, d.d. 10 januari 2013, opgemaakt door mevr. drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog;

  • -

    rapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 16 april 2013, opgemaakt door J. Heerschop, psycholoog, en J. Marx, psychiater.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten, die met het onderhavige geval (grosso modo) vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren tot uitgangspunt genomen.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aangezien appel is ingesteld in juli 2013, terwijl de onderhavige einduitspraak plaatsvindt in januari 2018. Dit dient naar het oordeel van het hof matiging van de op te leggen straf tot gevolg te hebben. In plaats van het genoemde uitgangspunt van een gevangenisstraf van 8 jaren, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Beslag

De in beslag genomen en niet teruggegeven vrieskist, toebehorende aan verdachte, is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang, is bij gelegenheid van het onderzoek naar het hem in eerste instantie onder 1. ten laste gelegde feit aangetroffen en kan dienen tot het begaan of voorbereiding van een soortgelijk feit, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Dit voorwerp dient daarom te worden onttrokken aan het verkeer.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof van 16 oktober 2014 gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

De verdachte en zijn raadsvrouwe hebben ter terechtzitting van het hof de gelegenheid gehad zich over deze vordering uit te laten en hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en op het aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed, de rechtsorde door dat bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen vrieskist van het merk Nestle

Motta (nr. 6).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen personenauto's:

  • -

    1 Personenauto [kenteken 1] , DAIMLER DODGE Avenger, kleur: zwart;

  • -

    2 Personenauto [kenteken 2] , GRAND CHEROKEE Jeep, kleur: grijs;

  • -

    3 Personenauto [kenteken 3] , FORD MUSTANG, kleur: rood;

  • -

    4 Personenauto [kenteken 4] , FORD FOCUS, kleur: grijs;

  • -

    5 Personenauto [kenteken 5] , JEEP COMMANDER, kleur: zwart.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. W.E.C.A. Valkenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 30 januari 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.