Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3156

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
200.237.561_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 juli 2018

Zaaknummer : 200.237.561/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/02/333307 / JE RK 17-1312

C/02/333309 / JE RK 17-1313

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: aanvankelijk mr. A. van den Berg, thans mr. A.P. van Stralen,

tegen

Stichting Nidos [vestigingsnaam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (afgekort: de GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer en mevrouw [de pleegouders] , hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming Zuidwest Nederland,

regio: [regio] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2018, verbeterd bij beschikking van 8 maart 2018. Bij die uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van

  • -

    [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , en

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,

in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 5 september 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 18 april 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de (periode voor verlening van de) machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in te korten, dan wel te beëindigen.

2.2.

Bij brief van 5 juni 2018 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 juni 2018, heeft de GI verzocht – naar het hof begrijpt – het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. A. van den Berg en door een tolk in de Franse taal, mevrouw R. de Vogel (nr. 1200);

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de pleegouders.

Aan mevrouw [medewerkster bij Dunya Zorg en Welzijn] , medewerkster bij Dunya Zorg en Welzijn en in die hoedanigheid de persoonlijke begeleidster van de moeder, is door het hof bijzondere toegang verleend om de zitting bij het hof bij te wonen.

De raad is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het door de advocaat van de moeder overgelegde dossier uit eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 27 april 2018;

  • -

    de namens de pleegouders overgelegde brief van Juzt Pleegzorg van 31 mei 2018 met bijlagen, ingekomen ter griffie op 4 juni 2018;

  • -

    de brief van de pleegouders met bijlagen ingekomen ter griffie op 4 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Het ouderlijk gezag over de twee kinderen wordt uitgeoefend door de moeder.

3.2.

De moeder stelt – kort samengevat – dat de uithuisplaatsing van de kinderen kan worden beëindigd en dat de kinderen thans weer thuis kunnen wonen. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te bekorten.

3.3.

De GI en de pleegouders hebben afzonderlijk verweer gevoerd, welke verweren hierna voor zo ver nodig zullen worden behandeld.

3.4.

Het hof overweegt het volgende.

3.4.1.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.4.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen om de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.4.3.

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de kinderen op al zeer jonge leeftijd veel negatieve ervaringen opgedaan hebben ten tijde van de opvoeding door de moeder. De moeder heeft de kinderen meegenomen naar verschillende verblijfssituaties waarbij het steeds onduidelijk was hoe lang het kon duren voordat de moeder met de kinderen zich weer zou verplaatsen. De moeder voelde zich heel onveilig en was bang dat de kinderen direct gevaar zouden lopen als zij bij haar zouden wonen. Zij zouden namelijk direct fysiek bedreigd of ontvoerd kunnen worden door de vader van haar oudste twee kinderen, omdat deze man betrokken zou zijn bij een netwerk rondom mensenhandel. De moeder heeft vanwege de onveiligheid in haar situatie in de nazomer van 2015 meegewerkt aan een vrijwillige uithuisplaatsing van de kinderen. Tijdens de pleeggezinplaatsing zijn er ook zorgen ontstaan over de pedagogische vaardigheden van de moeder en specifieke zorgen over de kinderen zelf gezien haar hardhandige aanpak van, gebrekkige inleving en affectie naar en aansluiting bij de kinderen. De kinderen zijn daarop bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2016 onder toezicht gesteld en bij rechterlijke machtiging uithuisgeplaatst. De kinderrechter overwoog daarbij dat naar genoemde dreiging en de pedagogische vaardigheden van de moeder nader onderzoek diende te worden gedaan. Ook diende te worden onderzocht of, en zo ja bij welke, specifieke hulpverlening de kinderen gebaat zouden zijn.

3.4.4.

Bij tussenbeschikking van 4 september 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 5 januari 2018. In deze beschikking is onder andere overwogen dat sprake was van een visieverschil tussen de GI en de pleegouders/Juzt. Het uitgangspunt van de GI was dat nog steeds onderzocht zou worden of de minderjarigen in de nabije toekomst weer bij hun moeder konden gaan wonen. Door de GI werd gezien dat de situatie bij de moeder was verbeterd. Zowel pleegzorg als pleegouders uitten hierover hun zorgen en twijfels. De kinderrechter was van oordeel dat het onderzoek van Keinder in dezen heel belangrijk zou zijn en duidelijkheid zou kunnen geven over het toekomstperspectief van de kinderen.

3.4.5.

Bij tussenbeschikking van 19 december 2017 heeft de rechtbank de behandeling van het resterende verzoek van de GI aangehouden en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot uiterlijk 5 februari 2018.

3.4.6.

Bij de bestreden beschikking van 23 januari 2018, verbeterd bij beschikking van

8 maart 2018, is de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot uiterlijk

5 september 2018. In deze beschikking is onder meer overwogen dat het rapport van Keinder de conclusie kan dragen dat sprake is van een vermijdende, bagatelliserende houding van de moeder en dat de moeder onvoldoende openheid van zaken geeft op het gebied van haar psychische alsmede fysieke gezondheid. Ook op het gebied van het geven van openheid over de financiële situatie alsmede op het gebied van veiligheid bestonden er nog steeds zorgen. Dat alles maakte dat er op dat moment nog geen mogelijkheden waren om de kinderen binnen de gevraagde periode van uithuisplaatsing thuis te plaatsen. Omdat de rechtbank op grond van de onderdelen hiervoor genoemd reeds tot de conclusie kwam dat de machtiging tot uithuisplaatsing diende te worden verlengd, is de kinderrechter niet toegekomen aan een uitgebreide bespreking van het onderwerp opvoedingsvaardigheden van de moeder.

3.4.7.

Thans verblijven de kinderen ruim 2,5 jaar in het pleeggezin van de pleegouders. De moeder en de kinderen hebben één keer per drie weken 1,5 uur contact. Het lukt de betrokkenen echter niet om de contactmomenten altijd te laten doorgaan. De moeder is onlangs bevallen van een dochter en voedt zelf haar dochter in de thuissituatie op. Partijen zijn het er over eens dat er thans geen sprake meer is van een dreiging vanuit de ex-partner van de moeder.

3.4.8.

Anders dan de moeder betoogt, is het hof op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het onderzoek van Keinder een voldoende onafhankelijk onderzoek is geweest. Het hof zal dan ook de resultaten van het onderzoek, zoals Keinder dat heeft neergelegd in het rapport van november 2017, in zijn beoordeling betrekken.

3.4.9.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de in het geding gebrachte stukken en hetgeen ter zitting is besproken, blijkt dat ten tijde van de bestreden beschikking voldaan was aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW en dat deze gronden ook thans (nog) aanwezig zijn. De zorgen rondom de kinderen zijn immers nog niet voldoende weggenomen. Het hof overweegt in dat kader het volgende.

3.4.10.

Blijkens de rapportage van Keinder van november 2017 laat [de minderjarige 1] gedragsproblemen zien, zowel op internaliserend als externaliserend gebied. Er zijn voornamelijk zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Onveilige hechting en mogelijk onverwerkt trauma lijken ten grondslag te liggen aan zijn gedragsproblemen. [de minderjarige 1] is een gesloten jongen die het moeilijk vindt om zijn emoties op adequate wijze te reguleren. Zijn basisveiligheid is beperkt ontwikkeld en zijn zelfvertrouwen is onvoldoende ontwikkeld. Daarnaast laat hij verschillende gedragingen (vermijding, verhoogde prikkelbaarheid) zien die in verband gebracht kunnen worden met mogelijk onverwerkt trauma. In de gezinssituatie leidt dit tot gedragsproblemen en op school tot problemen in de sociale relatie met klasgenootjes en is zijn concentratie zwak te noemen. Voor [de minderjarige 1] adviseert Keinder speltherapie met daarnaast hulpverlening gericht op het bevorderen van de hechtingsrelatie tussen [de minderjarige 1] en de pleegouders.

3.4.11.

Ook [de minderjarige 2] heeft te kampen met hechtingsproblematiek. Hoewel zij op dit gebied positieve ontwikkelingen laat zien, laat zij ook nog steeds gedragingen zien die kunnen duiden op een onveilige hechting. Zo wil [de minderjarige 2] graag bepalen, voelt zij zich snel angstig en verloren, ervaart zij stress bij nieuwe situaties en soms bij het kunnen uitspreken van eigen wensen en behoeften. De basisveiligheid van [de minderjarige 2] is nog beperkt ontwikkeld. Op andere gebieden zijn er op dit moment geen zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige 2] . Voor [de minderjarige 2] wordt thans geen aanvullende therapie geadviseerd.

3.4.12.

De moeder heeft een zeer belaste voorgeschiedenis, die is beschreven in bijlage 8 van eerdergenoemde rapportage van Keinder, als gevolg waarvan zij met psychische en fysieke klachten is geconfronteerd. De moeder stelt dat zij veel begeleiding heeft gehad voor haar psychische toestand, onder andere bij Centrum ’45 en I-Psy. Voor haar fysieke klachten staat zij onder behandeling bij het AMC. Positief in de situatie van de moeder is dat zij zegt zich thans rustiger te voelen, sinds drie jaar een positieve relatie heeft met een man die in Frankrijk woont en dat zij vaste woonruimte heeft, terwijl ook haar financiële situatie meer stabiel wordt. De moeder is bereid om hulp te aanvaarden om ervoor te kunnen zorgen dat de kinderen in een goede en veilige situatie terug kunnen keren. De moeder leeft van een uitkering, maar heeft de motivatie om te gaan werken of studeren. Hoewel de moeder volgens het rapport van Keinder behandeling voor haar psychische problemen nodig heeft, stelt de moeder dat er geen noodzaak is voor verdere behandeling en verwijst onder meer naar het verslag van I-Psy (productie 9 van de moeder in eerste aanleg).

Genoemd verslag vermeldt over de moeder: “Op basis van ons onderzoek, dat heeft plaatsgevonden op 07-07, lijkt er geen sprake te zijn van psychische klachten. Daarbij heeft ze aangegeven geen andere hulpvraag te hebben dan de beëindiging van de uithuisplaatsing van haar kinderen. Aangezien ze geen klachten heeft en haar hulpvraag niet aansluit op ons behandelaanbod, wordt ze terugverwezen naar de huisarts.”.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de informatie van I-Psy niet kan afdoen aan de conclusies en aandachtspunten met betrekking tot moeder zoals die blijken uit het onderzoek van Keinder.

3.4.13.

Hoewel het naar het oordeel van het hof met de moeder thans beter lijkt te gaan dan bij aanvang van de uithuisplaatsing van de kinderen het geval was en er thans geen sprake meer lijkt te zijn van een dreiging vanuit de ex-partner van de moeder, betekent dit niet dat de kinderen thans bij de moeder kunnen wonen. De specifieke behoeften en kindeigen problematiek van de kinderen maken namelijk dat de kinderen een omgeving nodig hebben waarin zij zich veilig voelen en waarin zij gereguleerd worden in hun emoties. Hoewel er sprake is van een band tussen de kinderen en de moeder, is er – blijkens het rapport van Keinder – op dit moment geen sprake van een veilige hechtingsrelatie tussen de moeder en de kinderen. Dit maakt dat de moeder de kinderen de veilige en regulerende omgeving waaraan zij behoefte hebben, thans niet kan bieden. [de minderjarige 1] verblijft thans twee jaar in het pleeggezin, waarbij hij een hechtingsrelatie met de pleegouders is aangegaan en hij veiligheid lijkt te ervaren. Voorts zijn er nog steeds onduidelijkheden met betrekking tot de opvoedingsvaardigheden en de mogelijkheden van de moeder om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te bieden wat zij nodig hebben om zich zo adequaat mogelijk te ontwikkelen. Onder deze omstandigheden acht het hof het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen dat hun verblijf in het pleeggezin wordt voortzet. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Er wordt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding gezien de duur van deze uithuisplaatsing te bekorten.

3.5.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof een oog heeft voor de moeizame tenuitvoerlegging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. De vele wisselingen van gezinsvoogden en de verschillen van visie tussen de GI en de pleegzorginstantie/-ouders gedurende afgelopen jaren hebben de belangen van de kinderen niet gediend. Het hof vindt het daarom in het belang van alle betrokkenen, en dan met name dat van de kinderen, dat de GI zo spoedig mogelijk, in samenwerking met alle betrokkenen en op zorgvuldige wijze, een bestendige lijn gaat uitzetten voor de toekomst van de kinderen en de rol van de moeder daarin.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 januari 2018, verbeterd bij beschikking van 8 maart 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en

M.L.F.J. Schyns en is op 26 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.