Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
200.226.615_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:10171
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling;

het hof acht zich onvoldoende voorgelicht en acht een aanvullend raadsonderzoek noodzakelijk. Iedere beslissing wordt, in afwachting van het onderzoek, aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 juli 2018

Zaaknummer: 200.226.615/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/232620 / FA RK 17-830

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: R.A.J. van der Leeuw,

tegen

[verweerster] ,

wonende op een voor het hof bekend adres,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.H.M. Skrotzki.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 19 oktober 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2017, heeft de man het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat er alsnog een (begeleide) contactregeling wordt vastgesteld dan wel enige andere (ambtshalve) beslissing te nemen die het hof in het belang van de hierna te noemen minderjarige juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 december 2017, heeft de vrouw het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de man af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van der Leeuw;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Skrotzki;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 oktober 2017;

  • -

    de brief van de vrouw, ingekomen ter griffie op 24 april 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 1 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

De minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) is op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] geboren uit de vrouw. De man is de biologische vader..

3.2.

De vrouw en de man zijn op 25 mei 2005 te Roermond met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 23 november 2005 heeft de rechtbank Roermond tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 januari 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Op 7 februari 2012 is [minderjarige] erkend door [erkenner] . Op 20 februari 2012 is in het gezagsregister aangetekend dat de vrouw en [erkenner] gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 9 november 2015 is bepaald dat het gezag over [minderjarige] alleen aan de vrouw toekomt.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.4.

De man heeft in eerste aanleg primair verzocht tot vaststelling van een omgangsregeling verzocht tussen hem en [minderjarige] , in die zin dat [minderjarige] bij hem verblijft:

  • -

    gedurende een weekend per veertien dagen;

  • -

    gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

  • -

    om het andere jaar op zijn verjaardag en

  • -

    op vaderdag.

Subsidiair heeft de man verzocht om een onderzoek door de raad te gelasten naar of en hoe een omgangsregeling gerealiseerd kan worden.

3.5.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 april 2017 heeft de rechtbank de raad verzocht te adviseren ten aanzien van de door de man verzochte omgangsregeling en heeft de beslissing over de omgangsregeling pro forma aangehouden in afwachting van het advies van de raad.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de man eenmaal per kwartaal dient te informeren over [minderjarige] over zijn behandeling, zijn vorderingen op school, zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en andere relevante zaken. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

3.7.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De man stelt - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het advies van de raad om begeleide omgang te bepalen in de vorm van een BOR 3 bij de Mutsaersstichting en ten onrechte heeft geconcludeerd dat het niet in het belang van [minderjarige] is om thans met begeleide omgang te starten. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het onderzoek door de raad voor veel spanning en frustraties heeft gezorgd waardoor [minderjarige] weer in toenemende mate dwanghandelingen laat zien. De man stelt dat [minderjarige] had al langer last had van dwanghandelingen en de aanleiding daarvan niet bij de man dient te worden gezocht.

De rechtbank gaat bovendien ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat de huidige situatie waarin [minderjarige] zich bevindt de ontwikkeling van [minderjarige] schaadt en heeft eveneens ten onrechte geoordeeld dat het overgaan tot een begeleide omgang de ontwikkeling van [minderjarige] zal schaden.

De man is van mening dat uit de rapportage van de raad blijkt dat [minderjarige] knel zit en wel degelijk zijn vader wil zien. Het had op de weg van de rechtbank gelegen om, in het belang van [minderjarige] , middelen in te zetten teneinde hem uit de knel te halen.

3.9.

De vrouw heeft de grieven van de man gemotiveerd betwist.

3.10.

Ter zitting van het hof hebben partijen hun standpunten van partijen over een weer toegelicht. De man voert aan dat hij thans, na een turbulente periode, zijn leven op orde heeft. Hij heeft, in het belang van [minderjarige] , gewacht met het instellen van het onderhavige verzoek tot hij twaalf jaar was. Bij de man is het beeld ontstaan dat [minderjarige] niet de gelegenheid heeft gehad om zelf een beeld van de man te vormen, aangezien er weinig contact is geweest en de vrouw het beeld van [minderjarige] over de man mogelijk kleurt.

De vrouw heeft benadrukt dat de man ten onrechte de nadruk legt op haar negatieve houding ten opzichte van hem. Het probleem ligt met name in de problematiek van [minderjarige] . Spanningen niet goed zijn voor zijn ontwikkeling en contact met zijn biologische vader draagt daar niet aan bij, aldus de vrouw.

3.11.

Het hof overweegt als volgt.

3.11.1.

De meest recent beschikbare raadsrapportage dateert van 22 juni 2017. Mede gelet op het feit dat de behandelcoördinator van [minderjarige] bij de Mutssaersstichting door de raad niet is benaderd met de vraag of er contra-indicaties zijn voor begeleide omgang tussen de man en [minderjarige] , acht het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om op dit moment een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Ter zitting van het hof heeft de raad zich bereid verklaard om nader onderzoek te verrichten aan de hand van specifieke vragen, waarbij is benadrukt om [minderjarige] zo min mogelijk met dit onderzoek te belasten.

Het hof heeft ter zitting partijen in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen aan te geven wat in hun visie van belang is nader te onderzoeken en vragen te formuleren.

De advocaat van de vrouw heeft bij V8-formulier d.d. 28 juni 2018, ingekomen op 3 juli 2018, aan dit verzoek voldaan. De (advocaat van de) man heeft niet meer gereageerd.

3.11.2.

Op grond van het voorgaande verzoekt het hof dan ook de raad om een nader onderzoek in te stellen, waarbij de Mutsaersstichting waar [minderjarige] onder behandeling is , nadrukkelijker wordt betrokken, en aan het hof mede naar aanleiding van de bevindingen van de raad bij de Mutsaersstichting te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

A Zijn er contra-indicaties aanwezig voor (begeleid) contact tussen de man en [minderjarige] ?

- Zo ja, welke en in welke mate?

- Zo nee:

 welke (begeleide) omgangsregeling is het meest in het belang van [minderjarige] ?

 bestaat er de mogelijkheid om de (begeleide) contacten te betrekken in de behandeling/therapie die [minderjarige] krijgt vanuit de Mutssaersstichting?

 is de vrouw in staat de contacten tussen [minderjarige] en de man te ondersteunen, en zo nee, welke hulpverlening dient zij hiervoor te krijgen?

 Welk persoon/welke instantie is het meest geschikt om de omgang te begeleiden?

Zijn er op termijn mogelijkheden voor een reguliere onbegeleide omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] ?

Zijn er tijdens het nadere onderzoek nog feiten en omstandigheden met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] naar voren gekomen die naar het oordeel van de raad van belang zijn voor de in deze door het hof te nemen beslissing?

Het hof verzoekt de raad de huidige leefsituatie van de man en de vrouw alsmede de pedagogische mogelijkheden van ieder van de ouders en de huidige draagkracht/belastbaarheid van [minderjarige] hierbij te betrekken.

3.12.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak drie maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het (aanvullende) advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.11.2. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 25 oktober 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en is op 26 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.