Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3151

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
200.213.305_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur van demontabel paviljoen, dat door huurder ter beschikking is gesteld aan derde in het kader van een Expo in Milaan

vordering tot het geven van inzage (art. 843a Rv), ingesteld door huurder tegen verhuurder. Onvoldoende belang bij overlegging van bescheiden die de contractuele verhouding van verhuurder met de derde betreffen (rov. 6.6)

Geen contractsoverneming of schuldoverneming op grond waarvan huurder jegens verhuurder is ontslagen uit haar verplichtingen. Daarvoor is nodig dat huurder uit verklaringen en gedragingen van verhuurder heeft mogen afleiden verhuurder ermee instemde dat huurder uit haar verplichtingen werd ontslagen. Gegeven de context van de zaak is daarvoor onvoldoende dat de derde zich (ook) tegenover verhuurder heeft verbonden (rov. 6.16-6.18).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.213.305/01

arrest van 17 juli 2018

in de zaak van

1 [de vennootschap 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [de vennootschap 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident op grond van artikel 843a Rv,

hierna gezamenlijk ook in enkelvoud aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen

[de vennootschap 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident op grond van artikel 843a Rv,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.J.M. van Meer te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 december 2017 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4951485 16/3912 gewezen vonnissen van 23 juni 2016 (in het incident op grond van artikel 843a Rv) en 16 februari 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 5 december 2017 waarbij het hof pleidooi heeft gelast;

  • -

    het pleidooi in het incident en in de hoofdzaak, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident en in de hoofdzaak bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

De feiten

6.1.

In dit geding kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 november 2015 blijkt het volgende over [de vennootschap 1] . De vennootschap is gevestigd in [vestigingsplaats] . Haar handelsnaam is [de vennootschap 1] Haar bezoek- en postadressen zijn in [plaats 1] . Haar activiteiten zijn: uitvoeren van bouwkundige werken, exploiteren, administreren, verwerven, bezwaren en vervreemden van registergoederen, tentoonstellingenbouw, interieurverzorging, verzorging van tentoonstelling- en etalagereclame. Haar enig aandeelhouder is [holding] Haar (enig) bestuurder is de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ).

b. Uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 november 2015 blijkt het volgende over [de vennootschap 2] . De vennootschap is gevestigd in [vestigingsplaats] . Haar handelsnamen zijn onder meer: [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] en [de vennootschap 2] Haar bezoek- en postadressen zijn in [plaats 2] . Haar activiteiten zijn: het uitvoeren van bouwkundige werken, exploiteren, administreren, kopen en verkopen van onroerende zaken en al hetgeen daarmede in verband staat; advies, begeleiding, ontwerp en uitvoering van internationale tentoonstellings- en interieurprojecten, decorbouw, tentoonstellings- en etalagereclame, displays en specials. Haar enig aandeelhouder is [holding] Haar (enig) bestuurder is de heer [bestuurder] .

c. Bij brief van 10 februari 2015 aan:

“ [handelsnaam 2]

t.a.v. de heer [medewerker bij appellant]

Postbus [postbus]

[postcode] [plaats 1] ”

heeft [geïntimeerde] geschreven

“Geachte heer [medewerker bij appellant] ,

Bedankt voor uw opdracht! Bijgaand treft u de officiële bevestiging aan conform onze aanbieding (….).”

De brief vermeldt als bijlagen: Opdrachtbevestiging d.d. 10 februari 2015, Tekening (….), Technische omschrijving (….) en Algemene Voorwaarden [de vennootschap 3]

b. De opdrachtbevestiging vermeldt voor zover van belang als volgt:

(…)

Klantnaam: [appellant]

(….)

OPDRACHTBEVESTIGING

1 HUUR

Productomschrijving Aantal Huurbedrag per week

Gebouw World Expo 2015 inclusief terras 1 1.185,00

Totaal verhuur gebouw € 1.185,00

2 BIJKOMENDE KOSTEN

Bij aanvang project Bedrag

  • -

    Bijkomende kosten t/m oplevering gebouw € 203.539,00

  • -

    Bijkomende kosten terras t/m oplevering € 60.385,00

Totaal bij aanvang project € 263.924,00

Bij verwijdering

  • -

    Transport retour & demontage gebouw excl. Terras € 66.461,00

  • -

    Retourkosten van het terras € 13.620,00

Totaal bij verwijdering € 80.081,00

(…)

De opdrachtbevestiging is voor akkoord getekend door “De heer [medewerker bij appellant] namens [appellant] ”. Op één van de pagina’s staat daarnaast een akkoord van “ [purchase manager bij appellant] Purchase manager [appellant] ”.

Het hof zal de met deze opdrachtbevestiging bevestigde overeenkomst voor de montage van een paviljoen met terras in Milaan, de huur en de demontage ervan verder aanduiden als: de huurovereenkomst.

d. Het verhuurde paviljoen met terras is in Milaan gebruikt in het kader van de World Expo Milaan 2015 door de Stichting [stichting] , gevestigd te [plaats 3] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft met [de vennootschap 2] een overeenkomst gesloten, onder meer over de terbeschikkingstelling van het paviljoen met terras door [de vennootschap 2] aan [stichting] .

e. Het ondertekende proces-verbaal van oplevering van het verhuurde paviljoen op 25 maart 2015 vermeldt als opdrachtnemer [geïntimeerde] en als opdrachtgever [handelsnaam 2] .

f. [geïntimeerde] heeft de facturen voor ingevolge de huurovereenkomst verschuldigde bedragen verzonden aan [handelsnaam 2] , Postbus [postbus] , [postcode] [plaats 1] .

g. Bij brief van 28 september 2015 aan [stichting] heeft de advocaat van [appellant] gerefereerd aan een brief van [stichting] van 25 september 2015 waarin [stichting] aangeeft dat [stichting] de demontage van het verhuurde paviljoen door een derde laat uitvoeren en voorts [stichting] (onder meer) gesommeerd om [appellant] volledig te vrijwaren voor alle mogelijke aanspraken, die voortvloeien uit de contractuele afspraken die zijn aangegaan door [appellant] in relatie tot de demontage van het verhuurde paviljoen.

h. Tussen [geïntimeerde] , [appellant] en [stichting] heeft in oktober 2015 overleg plaatsgevonden over de ontstane situatie.

j. Bij brief van 3 november 2015 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de heer [bestuurder] onder meer geschreven:

“4. Bij mail d.d. 6 oktober jl. schrijft u namens [appellant] dat deze in een discussie verwikkeld is met de Stichting [stichting] ( [stichting] ). In deze mail geeft u aan dat de directeur van [stichting] , de heer [directeur van stichting] , heeft aangegeven van plan te zijn om zelf de demontage van het paviljoen op de expo en de presentatie in het [museum] Museum te doen. U meldt dat voor vragen en verdere communicatie over de demontage [geïntimeerde] zich rechtstreeks dient te wensen tot [stichting] .

5. Bij mail d.d. 7 oktober jl. heeft de heer [derde] namens [geïntimeerde] laten weten dat [appellant] de contractspartner is en blijft voor het werk in Expo Milaan. Tevens wordt aangegeven dat de huurovereenkomst loopt tot minimaal week 44 en dat deze stilzwijgend doorloopt tot aan de daadwerkelijke demontage in Milaan. Aangegeven wordt dat [stichting] geen partij is voor [geïntimeerde] . [appellant] wordt op voorhand aansprakelijk gesteld voor alle geleden en te lijden schade.”

In deze brief wordt [de vennootschap 2] , samengevat, gesommeerd om de huurovereenkomst na te komen en de overeengekomen bedragen voor huur en demontage te betalen.

k. De advocaat van [appellant] heeft in reactie op deze brief onder meer geantwoord dat deze niet aan [de vennootschap 2] maar aan [de vennootschap 1] had moeten worden gericht. De advocaat van [geïntimeerde] heeft vervolgens bij brief van 9 november 2015 aan [de vennootschap 1] de sommatie herhaald en daarbij vermeld:

“Deze brief is alleen geschreven in geval de rechter zou uitmaken dat [de vennootschap 1] de contractspartner zou zijn en niet [de vennootschap 2] ”.

l. In een kort geding tussen [geïntimeerde] en [stichting] is [stichting] bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 20 november 2015 verboden om het paviljoen met terras te (laten) demonteren, transporteren of anderszins te (laten) wijzigen of verplaatsen en veroordeeld, kort samengevat, om aan [geïntimeerde] de resterende huur en de kosten van demontage te betalen. [stichting] heeft aan deze veroordeling niet voldaan. [stichting] is later failliet verklaard.

De standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] een verklaring voor recht dat [de vennootschap 1] en/of [de vennootschap 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun/haar verplichtingen ingevolge de overeenkomst met [geïntimeerde] van 10 februari 2015, en hoofdelijke veroordeling van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] tot betaling van € 155.471,11, te vermeerderen met de contractuele althans wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en de proceskosten.

6.2.2.

[appellant] heeft een vrijwaringsincident opgeworpen. [geïntimeerde] heeft zich gerefereerd ten aanzien van de gevorderde vrijwaring. De gevorderde oproeping tot vrijwaring is toegestaan bij incidenteel vonnis van 23 juni 2016.

6.2.3.

[appellant] heeft ook een incidentele vordering tot het geven van inzage door middel van het verstrekken van kopieën van bescheiden op grond van art. 843a Rv ingesteld. [geïntimeerde] heeft tegen deze vordering verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vordering bij incidenteel vonnis van 23 juni 2016, hierna het 843a-vonnis, afgewezen en het oordeel over de kosten aangehouden.

6.2.4.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerde] in de hoofdzaak en gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

6.2.5.

In het tussenvonnis van 6 oktober 2016 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

6.2.6.

In het vonnis van 16 februari 2017 heeft de kantonrechter:

- [de vennootschap 2] veroordeeld om terzake van de huurpenningen een bedrag van € 8.603,10 en terzake van de demontage en het retourtransport bedragen van € 80.417,81 en € 16.480,20, één en ander vermeerderd met de rente, te betalen;

- de zaak over de vordering tot vergoeding van schade verwezen naar de rol voor een conclusie van repliek; en

- de overige beslissingen aangehouden.

Bij vonnis van 16 maart 2017 heeft de kantonrechter [appellant] verlof verleend om van het vonnis van 16 februari 2017, voor zover een tussenvonnis, in hoger beroep te gaan.

6.2.7.

[appellant] heeft in de dagvaarding in hoger beroep 7 grieven aangevoerd, waarvan de eerste betrekking heeft op het 843a-vonnis en de overige op het vonnis van 16 februari 2017.

6.2.8.

[appellant] heeft in het incident gevorderd het 843a-vonnis te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen over te gaan tot overlegging van de op pag. 30/31 van de dagvaarding in hoger beroep vermelde bescheiden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident in beide instanties.

6.2.9.

In de hoofdzaak heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 16 februari 2017, tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [de vennootschap 2] van het bedrag van € 125.490,41, dat [de vennootschap 2] ingevolge het vonnis van 16 februari 2017 aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 tot aan de dag van de voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

6.2.10.

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van beide beroepen vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

Bespreking van de grief in het incident

6.3.

De bescheiden waarvan [appellant] overlegging vordert zijn door [appellant] als volgt omschreven:

a. Kopieën van de in het kader van de gevoerde procedure in kort geding bij de Rechtbank Rotterdam dat heeft geleid tot het eindvonnis van 20 november 2015, gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [stichting] als gedaagde, door [geïntimeerde] ingebrachte en overgelegde dagvaarding alsmede de door [geïntimeerde] en [stichting] overgelegde producties en pleitnota’s, met dien verstande dat uit de overgelegde documenten minimaal alle condities moeten blijken waaronder [geïntimeerde] en [stichting] afspraken hebben gemaakt;

b. Kopieën van alle tussen [geïntimeerde] en [stichting] alsmede namens deze partijen gewisselde correspondentie over de periode 1 februari 2015 tot de datum van het door de Rechtbank in dit incident gewezen vonnis, althans de datum van dagvaarding in de hoofdzaak in eerste aanleg, zijnde 22 maart 2016;

c. Kopieën van alle opnamerapporten die door [geïntimeerde] en/of [stichting] zijn uitgevoerd op de locatie ter plaatse, anders dan door [geïntimeerde] ingebrachte foto’s;

d. Kopieën van alle tussen [geïntimeerde] en/of [stichting] gesloten overeenkomsten, toegezonden concept overeenkomsten, offertes en reacties op deze documenten door [geïntimeerde] en/of [stichting] .

6.4.

[geïntimeerde] heeft in punt 2.10 van de conclusie van antwoord in het incident gemotiveerd betwist dat er opnamerapporten, zoals bedoeld onder c, bestaan waarover [appellant] nog niet beschikt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet juist is en dat is ook anderszins niet gebleken. Het hof zal op deze grond de vordering met betrekking tot de onder c. bedoelde opnamerapporten afwijzen.

6.5.

[appellant] heeft in punt 48 van haar incidentele conclusie in eerste aanleg gesteld dat haar belang bij overlegging van de onder a, b en d bedoelde bescheiden is gelegen in het volgende. De bescheiden zijn voor [appellant] van belang in verband met het door haar te leveren tegenbewijs en/of om de stellingen van [geïntimeerde] nog beter te ontkrachten die onder meer betrekking hebben op de navolgende betwiste en te betwisten stellingen van [geïntimeerde] :

i. dat niet, althans niet uitsluitend [de vennootschap 1] partij is bij de overeenkomst met [geïntimeerde] van 10 februari 2015;

ii. dat [geïntimeerde] en/of [stichting] niet heeft ingestemd met een contractsovername en/of de overname door [stichting] van de rechten en verplichtingen van [de vennootschap 1] en/of [de vennootschap 2] uit de met [geïntimeerde] op 10 februari 2015 gesloten overeenkomst voor de resterende verplichtingen;

iii. dat de met [de vennootschap 1] en/of [de vennootschap 2] op 10 februari 2015 gesloten overeenkomst niet zou zijn beëindigd.

[appellant] heeft een en ander tijdens het pleidooi nader toegelicht (pleitnota, nrs. 8 en 10)

Wat betreft de door [appellant] onder ii en iii vermelde doeleinden merkt het hof allereerst op dat [appellant] niet heeft aangevoerd dat het haar gaat om het verkrijgen van feitelijke informatie, bijvoorbeeld over de verhuurde zaken of de situatie in Milaan. Ook anderszins valt niet in te zien dat het belang van [appellant] bij over te leggen stukken zou zijn gelegen in het bekend worden met feitelijke informatie die voor haar voor haar bewijspositie van belang zou zijn. Aldus gaat het hof ervan uit dat het [appellant] gaat om tussen [geïntimeerde] en [stichting] in de opgevorderde bescheiden uitgewisselde standpunten over de in dit geding aan de orde zijnde rechtsverhoudingen.

6.6.

[appellant] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende belang bij overlegging van de onder a, b en d bedoelde bescheiden. De overeenkomst, waarvan [geïntimeerde] in dit geding de nakoming vordert, is gesloten tussen [geïntimeerde] en één van de [appellant] -vennootschappen. Uit tussen [geïntimeerde] en [stichting] gewisselde standpunten zou kunnen volgen dat die overeenkomst is geëindigd of dat [geïntimeerde] , in het kader van een overname van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van [appellant] door [stichting] , [appellant] uit haar verplichtingen heeft ontslagen. De door [appellant] gestelde contract- of schuldoverneming, of beëindiging van de huurovereenkomst, kan zich immers niet buiten het gezichtsveld van [appellant] tussen [geïntimeerde] en [stichting] hebben voltrokken, en er zijn door [appellant] geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld waarom dat in de onderhavige situatie anders zou kunnen zijn. Voorts heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] daadwerkelijk beschikt over bescheiden waaruit het bewijs van de stellingen van [appellant] blijkt.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat grief 1 faalt. Het 843a-vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof zal de in hoger beroep opnieuw geformuleerde incidentele vordering van [appellant] afwijzen.

bespreking van de grieven van [appellant] in de hoofdzaak

6.7.

Met grief 2 betoogt [appellant] dat de [de vennootschap 1] de contractpartij van [geïntimeerde] bij de huurovereenkomst is en dat de kantonrechter ten onrechte [de vennootschap 2] als zodanig heeft aangemerkt.

6.8.

Het antwoord op de vraag of door de accordering van de opdrachtbevestiging van 10 februari 2015 een huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 1] of tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 2] tot stand is gekomen, hangt af van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden.

6.9.

Voorafgaand aan het verzenden door [geïntimeerde] van de opdrachtbevestiging moet overleg tussen [appellant] en [geïntimeerde] hebben plaatsgevonden. Bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel gaat het hof ervan uit dat de adressering van de opdrachtbevestiging aan “ [handelsnaam 2] ” de resultante is van dat overleg. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] heeft geprotesteerd tegen deze adressering, de identieke adressering van de door [geïntimeerde] verzonden facturen of de vermelding in het proces-verbaal van oplevering dat [handelsnaam 2] de opdrachtgever is. [handelsnaam 2] was één van de in het handelsregister geregistreerde handelsnamen van [de vennootschap 2] . De huur van het paviljoen met terras past geheel in hetgeen door [de vennootschap 2] in het handelsregister bekend is gemaakt als haar activiteiten. Daarom mocht [geïntimeerde] er, in het licht van het bovenstaande, naar het oordeel van het hof vanuit gaan dat [de vennootschap 2] haar contractpartij was.

6.10.

Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] nog aangevoerd dat ook [de vennootschap 1] de handelsnaam [handelsnaam 2] gebruikte, maar dat was voor derden als [geïntimeerde] niet kenbaar uit het handelsregister en niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] daarmee anderszins bekend was. Dit argument legt dus geen gewicht in de schaal.

6.11.

Dat de opdrachtbevestiging is gericht aan het postadres van [de vennootschap 1] in [plaats 1] , zoals [appellant] heeft aangevoerd, doet evenmin aan het bovenstaande af, omdat [appellant] weliswaar heeft gesteld dat het kantoor van [de vennootschap 1] in [plaats 1] was, en dat van [de vennootschap 2] in [plaats 2] , maar onvoldoende heeft onderbouwd dat de activiteiten van [de vennootschap 2] strikt beperkt waren tot [plaats 2] en dat dit ook door [appellant] consequent aan derden kenbaar werd gemaakt. De door [geïntimeerde] in hoger beroep overgelegde enveloppe van [de vennootschap 2] , die gepost is op het postbusnummer van [de vennootschap 1] bevat een sterke aanwijzing van het tegendeel. Voor zover op dit punt bij derden, zoals [geïntimeerde] , verwarring kon ontstaan is die verwarring aan [de vennootschap 2] toe te rekenen omdat zij heeft toegelaten een tweede tot dezelfde groep behorende vennootschap, [de vennootschap 1] , actief was met bedrijfsactiviteiten die sterk op de hare leken en die bovendien, naar de eigen stelling van [de vennootschap 2] , dezelfde handelsnaam gebruikte als de door [de vennootschap 2] in het handelsregister bekend gemaakte handelsnaam en kan zij dat niet aan [geïntimeerde] tegenwerpen.

6.12.

Het argument van [appellant] dat de persoon die de opdrachtbevestiging heeft getekend niet bevoegd was om [de vennootschap 2] te vertegenwoordigen gaat evenmin op. Voor zover dat juist is, wettigt de gang van zaken naar het oordeel van hof de conclusie dat [de vennootschap 2] de toerekenbare schijn heeft gewekt dat dit anders was.

6.13.

Tenslotte verwerpt het hof ook het betoog van [appellant] dat er sprake zou zijn van een gerechtelijke erkenning van [geïntimeerde] door in het verzoekschrift, waarbij [geïntimeerde] verlof heeft verzocht voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [de vennootschap 1] en in de daarop gevolgde dagvaarding, die niet is aangebracht, te vermelden dat de huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [de vennootschap 1] , omdat dit standpunt door [geïntimeerde] niet is ingenomen in een geding waarbij [de vennootschap 2] partij was. Het stond [geïntimeerde] vrij om tegenover [stichting] , [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] tegengestelde standpunten in te nemen over de vraag met wie zij een contract had gesloten, en dat zij dit heeft gedaan is in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof ook alleszins begrijpelijk. Voor zover [appellant] meent dat er sprake is een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv, deelt het hof die mening niet nu mede gelet op het voorgaande aan de vereisten daarvoor niet is voldaan.

6.14.

De conclusie van het bovenstaande is dat [de vennootschap 2] de contractpartij van [geïntimeerde] is. Grief 2 faalt.

6.15.

Grief 3 richt zich tegen de verwerping door de kantonrechter van het betoog van [appellant] dat er sprake is van contractsoverneming door [stichting] . [appellant] voert in hoger beroep aan dat er sprake is van contractsoverneming door [stichting] , althans van schuldoverneming door [stichting] , dan wel dat [geïntimeerde] met [stichting] een nieuwe huurovereenkomst heeft gesloten en dat de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] daardoor is geëindigd per 1 november 2015.

6.16.

In het midden kan blijven of tussen [appellant] en [stichting] is overeengekomen dat [stichting] de verplichtingen van [appellant] uit hoofde van de huurovereenkomst zou overnemen en of de overgelegde e-mailwisseling tussen [appellant] en [stichting] is aan te merken als akte in de zin van art. 6:159 BW. Voor het slagen van het verweer van [appellant] is immers vereist dat [appellant] uit verklaringen of gedragingen heeft mogen afleiden dat [geïntimeerde] ermee instemde dat [appellant] uit haar verplichtingen uit de huurovereenkomst werd ontslagen, of dit nu in het kader van een contractsoverneming geschiedde, of in het kader van een schuldoverneming door [stichting] , dan wel in het kader van het sluiten van een nieuwe huurovereenkomst door [geïntimeerde] met [stichting] .

6.17.

Wat [appellant] uit verklaringen en gedragingen van [geïntimeerde] mocht afleiden wordt bepaald door de context in september/oktober 2015. Het door [geïntimeerde] aan [appellant] verhuurde paviljoen met terras stond toen in Milaan. [appellant] was jegens [geïntimeerde] gehouden als goed huisvader voor het paviljoen met terras te zorgen, de huur te betalen en de overeengekomen kosten van de demontage van het paviljoen door [geïntimeerde] te vergoeden. In die situatie schreef [stichting] aan [appellant] dat [stichting] de demontage zou opdragen aan een derde en sommeerde [appellant] [stichting] om haar te vrijwaren van aanspraken van derden. De heer [bestuurder] , enig bestuurder van [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] , heeft tijdens de pleidooizitting verklaard dat [stichting] ook haar rekeningen niet voldeed en dat hij toen de heer [derde] van [geïntimeerde] gebeld heeft en [derde] heeft geïnformeerd dat [appellant] de toegang tot het expositieterrein was geweigerd. [bestuurder] heeft volgens zijn verklaring toen onder meer gezegd: “Als je met [stichting] afspraken maakt, zorg dat je het geld krijgt”. Na dit telefoongesprek is overleg tussen [geïntimeerde] en [stichting] tot stand gekomen.

6.18.

De context wordt dus bepaald door de dreiging dat [stichting] het in Italië staande paviljoen door een derde zou laten demonteren, terwijl [appellant] [geïntimeerde] had gewaarschuwd dat zij geen toegang meer had tot het paviljoen en bovendien twijfel had over de kredietwaardigheid van [stichting] . In deze context mocht [appellant] , behoudens een uitdrukkelijke verklaring van [geïntimeerde] , mede aan [appellant] gedaan, niet zonder meer uit gedragingen van [geïntimeerde] , of uit verklaringen van [geïntimeerde] aan [stichting] gedaan, afleiden dat [geïntimeerde] [appellant] in het kader van een contractsoverneming, een schuldoverneming of het sluiten van een nieuwe overeenkomst met [stichting] , uit haar verplichtingen uit de huurovereenkomst ontsloeg. [geïntimeerde] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij [appellant] heeft ontslagen uit haar verplichtingen. Zij is teneinde haar (mogelijke) schade te beperken in contact getreden met [stichting] toen [appellant] in een discussie verwikkeld raakte met [stichting] . Mede gelet op de in rov. 6.17 aangehaalde mededeling van de heer [bestuurder] heeft [appellant] dit ook redelijkerwijs begrepen althans moeten begrijpen. Niet valt ook in te zien waarom [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden afstand zou doen van haar rechten jegens [appellant] . Hiervoor is onvoldoende hetgeen [appellant] , resumerend, in nummer 67 van de dagvaarding in hoger beroep heeft gesteld:

- dat [geïntimeerde] in onderhandeling trad met [stichting] ;

- dat die onderhandelingen naar de stellingen van [geïntimeerde] in een kort geding tegen [stichting] hebben geleid tot een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [stichting] op grond waarvan het [stichting] niet was toegestaan het paviljoen met terras te (laten) demonteren en [stichting] gehouden was de openstaande betalingen uit de huurovereenkomst te voldoen;

- dat die vorderingen zijn toegewezen in een vonnis waartegen geen hoger beroep is ingesteld;

- dat [appellant] pas is gedagvaard door [geïntimeerde] nadat [stichting] aan [geïntimeerde] heeft aangegeven niet aan het vonnis te kunnen voldoen;

- dat [stichting] aan [appellant] heeft meegedeeld dat [stichting] de verplichtingen van [appellant] uit hoofde van de huurovereenkomst overnam;

- dat de laatste factuur die [appellant] van [geïntimeerde] heeft ontvangen de factuur van 10 september 2015 is;

- dat [geïntimeerde] vorderingen heeft ingediend in het faillissement van [stichting] .

6.19.

Op grond van het bovenstaande faalt grief 4.

6.20.

De grieven 4 tot en met 6 bestrijden de conclusies die de kantonrechter in het vonnis heeft getrokken uit de overwegingen, waartegen de grieven 2 en 3 zijn gericht. Ze delen het lot van de grieven 2 en 3.

6.21.

Grief 7 betreft een overweging van de kantonrechter over de verschuldigde BTW. Blijkens de toelichting op de grief heeft [appellant] alleen bezwaar tegen deze overweging in relatie tot de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding. De schadevergoeding is pas aan de orde in het verdere verloop van het geding in eerste aanleg, zoals, naar tijdens het pleidooi is gebleken, tussen partijen niet in geschil is. De overweging van de kantonrechter kan niet worden verstaan dat deze alvast een voorschot zou hebben genomen op een beslissing over de verschuldigde BTW over de eventueel toe te wijzen schadevergoeding.

Grief 7 faalt.

6.22.

Al het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vonnissen waartegen het hoger beroep zich richt moeten worden bekrachtigd, dat de incidentele vordering van [appellant] moet worden afgewezen en dat [appellant] , als de in het ongelijk gestelde partij, moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten van de in hoger beroep opnieuw ingestelde incidentele vordering zullen worden begroot op nihil.

7 De uitspraak in het incident en in de hoofdzaak

Het hof:

wijst de incidentele vordering van [appellant] af;

bekrachtigt de door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4951485 16/3912 gewezen vonnissen van 23 juni 2016 (in het incident op grond van artikel 843a Rv) en 16 februari 2017;

veroordeelt [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 5.200,00 aan griffierecht en op € 9.483,00 aan salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00, vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van het arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest, wat betreft deze veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.AE. Uniken Venema, J.P. de Haan en J.K. Six-Hummel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2018.

griffier rolraadsheer