Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3144

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.236.892_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:225
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Bekrachtiging gezagsbeëindigende maatregel.

De ouders kunnen de minderjarige niet de specialistische opvoeding bieden die de minderjarige nodig heeft. Geen strijd met het EVRM en IVRK. De aanvaardbare termijn voor de minderjarige is verstreken.

Afwijzing verzoek artikel 810a lid 2 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 juli 2018

Zaaknummer : 200.236.892/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/335308 / FA RK 17-4940

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. A.L. Witteveen,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

- de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI);

- de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 januari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 april 2018, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    primair: het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] met benoeming van de GI tot voogdes alsnog af te wijzen;

  • -

    subsidiair: zoals gewijzigd ter zitting, een nader (NIFP-)onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 16 mei 2018, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Witteveen;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegouders.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de ouders op 18 april 2018;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de ouders op 8 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is, op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ) geboren.

De vader (de huidige partner van de moeder) heeft [de minderjarige] erkend.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit.

3.2.

[de minderjarige] staat sinds 13 september 2012 onder toezicht van de GI. [de minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 9 januari 2014 uit huis geplaatst bij de pleegouders.

De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zijn sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot 22 februari 2018.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder en de vader over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes over [de minderjarige] benoemd.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanwezig zijn. De ouders stellen daartoe dat in de periode nadat door de GI het opvoedbesluit is genomen hun woon- en leefomstandigheden sterk zijn verbeterd en gestabiliseerd. Het Centrum voor Jeugd en Gezin te [vestigingsplaats] en Impegno zijn in de thuissituatie bij de ouders betrokken en zowel het huishouden als de financiële situatie van de ouders is op orde. Beide ouders hebben een vaste baan en de moeder krijgt psycho-therapie bij Silver. De GZ-psycholoog van de moeder heeft verklaard dat de moeder de mogelijkheden heeft om voor [de minderjarige] te zorgen. De ouders erkennen dat er zorgen omtrent de ontwikkeling van [de minderjarige] bestaan, maar zij zijn bereid hiervoor hulpverlening en opvoedondersteuning te aanvaarden. Door verschillende oorzaken is in het verleden de hulpverlening niet van de grond gekomen. De rechtbank gaat er ten onrechte vanuit dat de ouders beperkt leerbaar zijn en niet bereid zijn om de tips en adviezen van de hulpverlening aan te nemen en toe te passen. De minderjarige dochter van de vader, [de minderjarige dochter van de vader] , is vanaf februari 2018 bij de ouders thuis geplaatst; er is voor [de minderjarige dochter van de vader] enkel hulpverlening in het vrijwillige kader aanwezig. De gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van [de minderjarige] in januari 2018 is tegenstrijdig met de terugplaatsing – zonder ondertoezichtstelling – van [de minderjarige dochter van de vader] slechts een maand later. Ook bij [de minderjarige dochter van de vader] is sprake van forse kind eigen problematiek. De ouders zijn van mening dat zij met de juiste hulpverlening ook de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zelf weer kunnen dragen en dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] nog niet is verstreken. [de minderjarige] kan zich aan meerdere personen hechten en een problematische hechtingsrelatie kan worden hersteld; de ouders voldoen aan de drie voorwaarden voor het ontstaan van een veilige hechtingsrelatie.

Het verzoek van de raad dient aan de internationale verdragen te worden getoetst, derhalve aan artikel 8 EVRM en aan de artikelen 3 lid 1, 7 lid 1, 9 lid 1 en 18 lid 1 van het IVRK. Op grond van deze verdragen dient de beëindiging van het gezag noodzakelijk te zijn in het belang van de minderjarige en daarenboven proportioneel en subsidiair. Aan deze voorwaarden is niet voldaan omdat de GI – gelet op de positieve ontwikkelingen in de thuissituatie – onvoldoende inspanningen heeft verricht om de ouders zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te laten dragen. De door de GI toegezegde psycho-educatie is nog steeds niet opgestart en ook de evaluatie van de begeleide omgang dient naar de mening van de ouders vaker plaats te vinden. Voorts hebben de ouders het recht om voor [de minderjarige] te zorgen en heeft [de minderjarige] het recht om bij de ouders op te groeien.

De ouders verzoeken subsidiair om een contra-expertise op grond van artikel 810a lid 2 Rv, nu het rapport van de raad de beslissing tot de beëindiging van het gezag van de ouders niet kan dragen. De informatie in het raadsrapport is verouderd omdat bij het raadsonderzoek geen rekening is gehouden met voornoemde positieve ontwikkelingen in de thuissituatie. Een nader onderzoek kan tot een andere beslissing leiden en het belang van [de minderjarige] verzet zich niet tegen een dergelijk onderzoek. Er dient onderzocht te worden of [de minderjarige] het aankan om thuis te worden geplaatst en er dient onderzoek te worden gedaan naar de pedagogische vaardigheden van de ouders.

De rechtbank heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire bevoegdheid om het gezag van de ouders in stand te laten. De ouders belemmeren de hulpverlening niet en ondersteunen de plaatsing van [de minderjarige] in het pleeg-gezin. De ouders geven [de minderjarige] emotionele toestemming om in het pleeggezin te wonen; [de minderjarige] heeft hierdoor geen last van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De ouders zijn van mening dat de beëindiging van het gezag niet noodzakelijk is en een schending oplevert van artikel 8 EVRM.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de ouders grief 3 ingetrokken.

3.6.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en gepersisteerd bij het eerder gedane verzoek. In het rapport van de raad van 11 september 2017 wordt onderbouwd waarom de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. De raad erkent dat er behoorlijk wat beweging is gekomen in de (thuis)situatie van de ouders, maar dat betekent niet dat aan het verzoek van de ouders tegemoet gekomen kan worden. Ten aanzien van de thuisplaatsing van [de minderjarige dochter van de vader] merkt de raad op dat de situatie van [de minderjarige dochter van de vader] anders is dan de situatie van [de minderjarige] , zodat deze situaties niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Met de ouders is de raad van mening dat de psycho-educatie door de GI zo spoedig mogelijk dient te worden opgestart.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat zij het verzoek van de raad onderschrijft. [de minderjarige] ontwikkelt zich op een aantal ontwikkelingsgebieden conform zijn kinderleeftijd. Op sociaal-emotioneel gebied heeft [de minderjarige] echter de ontwikkeling van een driejarige; er bestaat een risico op overvraging. [de minderjarige] gedraagt zich in het pleeggezin nog vaak als een peuter. De ouders hebben zich goed voor een thuisplaatsing van [de minderjarige] ingezet, maar het is hen niet gelukt. Het proces van de ouders om mee te beslissen over [de minderjarige] is zowel op het gebied van de hulpverlening als op school gestagneerd. Het was daarom belangrijk dat er een opvoedbesluit werd genomen. Het was aan [de minderjarige] te merken dat het besluit omtrent zijn toekomstperspectief werd uitgesteld. Na de gezagsbeëindigende maatregel is er rust voor [de minderjarige] ontstaan. [de minderjarige] ervaart in de huidige opvoedingssituatie bij de pleegouders rust en stabiliteit en kan daardoor toekomen aan zijn ontwikkelingstaken. [de minderjarige] volgt met de pleegouders Sherborne therapie bij Sterk Huis. De pleegouders zijn in staat om [de minderjarige] op de juiste wijze te benaderen en in de therapie te betrekken. Tot de kerstvakantie 2017-2018 heeft [de minderjarige] toegewerkt naar een volledige schoolweek. [de minderjarige] heeft veel onderwijstijd gemist door zijn deeltijd aanwezigheid. Sociale relaties aangaan/opbouwen is voor [de minderjarige] nog niet aan de orde. School vraagt veel energie van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft in april 2018 een start gemaakt met muziektherapie welke gericht is op het zich passend leren ontladen.

[de minderjarige] heeft ook tijdens de bezoekmomenten met de ouders begeleiding en sturing nodig in zijn spel omdat hij anders neigt het spel te gaan leiden. [de minderjarige] is bang dat hij anders zijn grip verliest en daardoor ontregelt raakt. [de minderjarige] en de ouders zien elkaar graag, maar de ouders kunnen soms moeilijk aansluiten bij (de problematiek van) [de minderjarige] . De ouders reageren dan verkeerd op [de minderjarige] waardoor de omgang voor [de minderjarige] ook spanning oplevert. Er is sprake van een pedagogisch visieverschil tussen de ouders en GI over hoe je [de minderjarige] aanspreekt als hij dingen doet die niet mogen. De door de ouders gewenste onbegeleide omgang bij de ouders thuis is op dit moment nog niet haalbaar. Wel zal door de GI steeds worden bekeken wat passend is qua omgang tussen de ouders en [de minderjarige] ; hierin zullen – gelet op de leeftijd van [de minderjarige] – nog een aantal veranderingen gaan plaatsvinden.

3.8.

De pleegouders voeren ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – aan dat het voor [de minderjarige] goed is dat er duidelijkheid gaat komen omtrent zijn toekomstperspectief. De pleeg-ouders zijn daarom van mening dat de gezagsbeëindigende maatregel moet worden gehand-haafd. [de minderjarige] heeft nu meer rust gekregen waardoor de pleegouders beter bij hem kunnen aansluiten. Het gaat op dit moment redelijk goed met [de minderjarige] . Op cognitief gebied gaat het goed op school met [de minderjarige] , maar op sociaal-emotioneel gebied loopt hij nog achter. [de minderjarige] zoekt nu wel veiligheid bij de pleegouders.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van gezag. Beoordeeld dient in deze zaak dan ook enkel te worden of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:266 aanhef en sub a BW.

3.9.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

Uit de overgelegde stukken (waaronder het rapport van de raad van 11 september 2017) en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat bij [de minderjarige] sprake is van ernstige kind eigen problematiek. [de minderjarige] vertoont onder meer gedragsproblemen (onzindelijkheid, opstandig gedrag, niet kunnen luisteren, boosheid, agressie onrust en onvrede) en heeft een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Voorts is [de minderjarige] gediagnostiseerd met hechtingsproblematiek. Hierdoor vraagt de opvoeding van [de minderjarige] van een opvoeder meer dan gemiddelde pedagogische vaardigheden. [de minderjarige] heeft een specifieke en bijna specialistische aanpak nodig en [de minderjarige] vraagt om extra sensitiviteit en responsiviteit van zijn opvoeders. Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat de ouders niet over voldoende pedagogische vaardig-heden beschikken om [de minderjarige] voornoemde specialistische opvoeding te kunnen bieden, ook niet met de inzet van hulpverlening. Dat [de minderjarige dochter van de vader] , de dochter van de vader, reeds een maand na de door de rechtbank uitgesproken gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van [de minderjarige] bij de ouders thuis is geplaatst, kan niet tot een ander oordeel van het hof leiden. Het hof overweegt daartoe dat sprake is van een ander kind met mogelijk geen of andere problematiek en die daardoor een appel doet op andere pedagogische vaardigheden van de ouders dan [de minderjarige] . Voorts is gebleken dat de pleegouders – met de inzet van hulpverlening en therapie – in staat zijn [de minderjarige] datgene te bieden wat hij nodig heeft en dat [de minderjarige] een (voorzichtige) hechtingsrelatie met de pleegouders is aangegaan.

Het hof stelt voorts vast dat [de minderjarige] inmiddels ruim 4,5 jaar bij de pleegouders woont, waardoor [de minderjarige] (mede gelet op zijn problematiek) belang heeft bij continuïteit van deze opvoedingssituatie alsmede behoefte heeft aan duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspec-tief. [de minderjarige] wordt door de huidige onduidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief in zijn ontwikkeling bedreigd. Hoewel het hof de wens van de ouders om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] uiteindelijk weer zelf ter hand te nemen begrijpelijk acht, is het hof met de raad en de GI van oordeel dat het perspectief van [de minderjarige] niet meer bij de ouders ligt omdat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] inmiddels ruimschoots is verstreken. Dat de (thuis)situatie van de ouders sedert het rapport van de raad van 11 september 2017 is verbeterd, zoals ook door de rechtbank in de bestreden beschikking is meegewogen in haar oordeel en ook door de raad ter zitting van het hof is erkend, maakt evenmin dat het hof tot een ander oordeel kan komen dan de rechtbank, nu de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. Het hof acht derhalve de door de rechtbank uitgesproken gezagsbeëindigende maatregel in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk om zijn huidige stabiele en veilige opvoedingssituatie bij de pleegouders te kunnen continueren.

3.9.4.

Ten aanzien van het beroep van de ouders op het EHRM en het IVRK, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde ter zitting, voldoende is komen vast te staan dat de gezags-beëindigende maatregel noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] , en dat het EHRM en het IVRK zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzet.

Grief 1 en 2 van de ouders falen derhalve.

3.9.5.

De ouders hebben subsidiair verzocht om een onderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv teneinde te onderzoeken of [de minderjarige] het aankan om thuis te worden geplaatst en onderzoek te doen naar de pedagogische vaardigheden van de ouders. Het hof zal het verzoek van de ouders tot het benoemen van een deskundige als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv afwijzen, nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit onderzoek, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, tot een ander oordeel zal kunnen leiden en het hof de belasting van een dergelijk onderzoek – gezien de ernstige kind eigen problematiek van [de minderjarige] – niet in zijn belang acht.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 januari 2018;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.D.M. Lamers en M.A. Ossentjuk en is op 19 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.