Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3143

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.199.941_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:5377, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4185
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aangaan v.o.f. in strijd met non-concurrentiebeding, beëindiging deelname v.o.f. ?, afrekenen samenwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/875
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.941/01

arrest van 17 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.F.J.M. Mulders te Echt,

tegen

1 [V.O.F.] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [V.O.F.] c.s. en afzonderlijk als respectievelijk [V.O.F.] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. F.G.H.J. Niemarkt te Heerlen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/203616/HA ZA 15-149 gewezen vonnis van 22 juni 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 december 2017 waarbij het hof een datum pleidooi heeft bepaald;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de onder meer op verzoek van het hof toegezonden ontbrekende stukken uit de overgelegde procesdossiers eerste aanleg (conclusie van antwoord en proces-verbaal van comparitie).

Na afloop van de pleidooien heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

6 De beoordeling

6.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het vonnis waarvan beroep, die niet zijn bestreden. Aangevuld met wat in dit hoger beroep verder is komen vast te staan, volgt hierna een overzicht van de relevante vaststaande feiten.

a. a) [appellant] voert sinds 2002 een eenmanszaak genaamd Accountantskantoor [accountantskantoor] (hierna te noemen: de eenmanszaak). Per 1 januari 2008 is hij in dienst getreden bij de Maatschap [maatschap] (hierna te noemen: [maatschap] Groep). In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentie- en een relatiebeding (hierna samen te noemen: non-concurrentie en relatiebeding) opgenomen. Op grond daarvan is het [appellant] – kort gezegd - verboden om gedurende een periode van een jaar na einde dienstverband betrokken te zijn bij een soortgelijk bedrijf als [maatschap] Groep en voor onbepaalde tijd om relaties van [maatschap] Groep te bedienen, een en ander op straffe van dadelijk opvorderbare boetes.

b) Op 15 december 2012 zijn [geïntimeerde 3] (vennoot sub 1), [geïntimeerde 2] (vennoot sub 2) en [appellant] (vennoot sub 3) overeengekomen met ingang van 1 januari 2013 en voor onbepaalde duur met elkaar een vennootschap onder firma aan te gaan onder de naam [V.O.F.] v.o.f. In de overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding, hierna te noemen: de oprichtingsovereenkomst) staat onder meer het volgende:

“(…)
ARTIKEL 4 ARBEIDSONGESCHIKTHEID

1. Ingeval van (wijziging van) arbeidsongeschiktheid van een vennoot behoudt deze zijn recht op het aan hem toekomende winstaandeel maar is hij gehouden de door de vennootschap gemaakte kosten voor vervangende arbeid aan de vennootschap te vergoeden.

2. Ingeval de (gewijzigde) arbeidsongeschiktheid langer dan 1 jaar ononderbroken voortduurt, zal in onderling overleg worden bepaald of en in hoeverre ter vervanging van bovenvermelde regeling de winstverdeling zal worden gewijzigd.

(…)

ARTIKEL 6 VERBODEN HANDELINGEN

1. Andere bedrijfsvoering dan die welke geschiedt voor het in de vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf (…) zal slechts met goedvinden van de andere vennoten mogen plaatsvinden, indien dit meebrengt dat dit in de normale werktijd geschiedt. (…)

2. Vorenstaande is niet van toepassing voor bedrijfsuitoefening en/of nevenfuncties, die bij het aangaan dezer overeenkomst reeds aanwezig waren, terwijl daarvoor verstrekte vergoedingen enkel toekomen aan de betreffende vennoot.

(…)

ARTIKEL 8 WINSTVERDELING

(…)

5. De (…) winst of het verlies wordt, door de vennoten genoten resp. gedragen als volgt:
- de vennoot sub 1 voor 1/3 deel;
- de vennoot sub 2 voor 1/3 deel;
- de vennoot sub 3 voor 1/3 deel.

(…)”

c) Op 10 januari 2013 is [appellant] door [maatschap] Groep op staande voet ontslagen vanwege de deelname van [appellant] in [V.O.F.] . [appellant] heeft daarover een kort geding en een bodemprocedure tegen [maatschap] Groep gevoerd. Bij vonnis van 8 maart 2013 is [appellant] in het kort geding in het ongelijk gesteld.

d) Op 13 maart 2013 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 2] een e-mail gestuurd waarin onder meer het volgende staat (productie 3 bij inleidende dagvaarding):

“(…) de kantonrechter wijst mijn vordering af, dus ik ben nergens in het gelijk gesteld. (…) op basis daarvan zijn er 2 mogelijkheden die ik met jullie wil doorspreken. Mijn concurrentie- en relatiebeding zijn op dit moment namelijk nog altijd van kracht.”

e) Op 14 maart 2013 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellant] per e-mail onder meer het volgende geantwoord (productie 3 bij dagvaarding):

“Maak je niet te druk, we hebben met ons drieën immers afgesproken jouw eventuele kosten/schade in de kwestie [maatschap] onderling te verdelen.”

f) Op 16 maart 2013 zijn partijen mondeling overeengekomen dat [appellant] per 1 januari 2013 formeel uit [V.O.F.] zou treden. Op dezelfde dag heeft [appellant] een wijziging ondernemings- en vestigingsgegevensformulier van de Kamer van Koophandel ingevuld en ingestuurd waarop hij heeft ingevuld dat de vestiging [vestiging] van [V.O.F.] is opgeheven per 15 maart 2013.

g) Op 10 mei 2013 hebben [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [appellant] een overeenkomst (hierna te noemen: de beëindigingsovereenkomst) ondertekend waarin onder meer het volgende staat (prod 5 inleidende dagvaarding):

“IN AANMERKING NEMENDE:

dat de vennoten met ingang van 15 december 2012 met elkaar een vennootschap onder firma voor onbepaalde tijd zijn aangegaan onder de naam “ [V.O.F.] v.o.f.” (…)

dat de vennoten de voorwaarden en bepalingen van de vennootschap onder firma schriftelijk hebben vastgelegd in een overeenkomst d.d. 12 december 2012;

dat vrijwel onmiddellijk daarna bleek dat de voormalige werkgever van de vennoot sub 3 van mening was dat de vennoot sub 3 – op grond van de arbeidsovereenkomst welke tussen hen was overeengekomen bij indiensttreding bij de werkgever – niet bevoegd was om tot voormeld samenwerkingsverband toe te treden;

dat vennoot sub 3 derhalve per 1 januari 2013 uit de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f. is getreden;

dat daarnaast de huurovereenkomst betreffende de kantoorruimte gelegen aan de [adres] (…) [plaats] eveneens is beëindigd;

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. Gedurende de periode dat de heer [appellant] voornoemd op grond van de arbeidsrechtelijke beperkingen geen vennoot kan zijn van de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f.”, zullen de resultaten welke door de heren [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [appellant] in de betreffende periode worden gegenereerd met hun werkzaamheden op het vlak van de administratie- en belastingadviespraktijk (een en ander in de meest ruime zin des woords) gelijkelijk worden gedeeld. Daarbij zal aan de heer [appellant] over deze periode tevens de vergoeding toekomen voor de kantoorruimte, gelegen aan de [adres] te (…) [plaats] , zoals deze in de betreffende huurovereenkomst was overeengekomen. (…)

2. In de onder punt 1 vermelde periode zullen de heren [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f.” tezamen voortzetten onder de in de overeenkomst van 12 december 2012 overeengekomen bepalingen en bedingen.

3. Zodra er geen arbeidsrechtelijke belemmeringen meer zijn voor de heer [appellant] om weer vennoot te worden in de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f.”, zal de toetreding onverwijld worden geregeld.

4. De vennoten verwachten dat de toetreding van de heer [appellant] tot de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f.” in de eerste helft van 2014 kan worden geëffectueerd. (…)”

h) Een door [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 2] en [appellant] ondertekende overeenkomst van onbepaalde datum houdt onder meer in:

1. De vennoten zijn met ingang van 15 december met elkaar een vennootschap onder firma voor onbepaalde tijd aangegaan onder de naam “ [V.O.F.] v.o.f.”(…).

2. De vennoten hebben de voorwaarden en bepalingen van de vennootschap onder firma schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst d.d. 12 december 2012.

3. Vrijwel onmiddellijk na het aangaan van voormelde vennootschap onder firma bleek de voormalige werkgever van de vennoot sub 3 van mening was dat de vennoot sub 3 – op grond van de arbeidsovereenkomst (…) – niet bevoegd was om tot voormeld samenwerkingsverband toe te treden.

4. In verband met het onder punt 3 vermelde is de vennoot sub 3 per 1 januari 2013 uit de vennootschap onder firma “ [V.O.F.] v.o.f.” getreden.

5. De huurovereenkomst betreffende de kantoorruimte, gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats] is per deze datum eveneens beëindigd.

i. i) Bij vonnis van 10 juli 2013 is [appellant] in de bodemprocedure tegen [maatschap] Groep ook in het ongelijk gesteld. Tevens is daarbij beslist dat [appellant] € 10.000,= aan [maatschap] Groep moet betalen wegens overtreding van het non-concurrente/relatiebeding, evenals € 1.000,= per dag of gedeelte van een dag dat hij het overeengekomen non-concurrentie/relatiebeding in de toekomst niet nakomt, met een maximum van € 50.000,=.

j) Op 11 januari 2014 is de eenjaarstermijn van het non-concurrentiebeding van [appellant] met [maatschap] Groep geëindigd.

k) Tot 1 oktober 2014 heeft [appellant] vanuit zijn eenmanszaak (onder meer) werkzaamheden voor [V.O.F.] verricht. [appellant] zond [V.O.F.] daarvoor facturen die door [V.O.F.] zijn voldaan.

l) Bij brief van 11 oktober 2014 gericht aan [geïntimeerde 3] (prod. 7 inl. dagv.), heeft mr. Mulders geschreven dat – kort gezegd - [appellant] wegens ernstig verstoorde onderlinge verhoudingen arbeidsongeschikt is geraakt, dat de regels van de vennootschapsakte de onderlinge werkverhouding tussen [appellant] en [V.O.F.] regelen en dat [appellant] daarom aanspraak maakt op doorbetaling van zijn winstdeel conform artikel 4 lid 1 van de vennootschapsovereenkomst.

m) Bij brief van 16 oktober 2014 heeft [V.O.F.] daarop afwijzend gereageerd – kort gezegd – met de mededeling dat [appellant] geen vennoot is en dat de samenwerking van [V.O.F.] met [appellant] (vanuit zijn eenmanszaak) inderdaad verstoord is en niet meer hersteld zal worden.

n) Sinds 1 oktober 2014 heeft [appellant] voor [V.O.F.] geen werkzaamheden meer verricht.

o) Bij vaststellingsovereenkomst van 24 maart 2015 (prod. 30 bij CvA in reconventie) heeft [appellant] met [maatschap] Groep een minnelijke regeling getroffen terzake overtredingen van het non-concurrentie- en relatiebeding, waarbij [appellant] is ontslagen van alle uit de voormalige arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen tegen betaling van een bedrag van € 50.000,= in maandelijkse termijnen van € 500,=.

p) Op de comparitie in eerste aanleg d.d. 5 februari 2016 heeft [appellant] verklaard weer arbeidsgeschikt te zijn.

6.2.

In eerste aanleg heeft [appellant] een groot aantal vorderingen geformuleerd (en meermaals gewijzigd), die kort samengevat neerkomen op het aan hem toekennen van zijn winstaandeel, vergoeding van de schade geleden door de procedures met [maatschap] Groep, en vergoeding van overige (buitengerechtelijke) kosten.

6.3.

[V.O.F.] c.s. hebben verweer gevoerd en in reconventie een groot aantal vorderingen geformuleerd, die kort samengevat neerkomen op het op de voet van art. 843a e.v. Rv veroordelen van [appellant] tot het verstrekken van nader genoemde documenten, het vernietigen van de oprichtingsovereenkomst wegens dwaling, een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig jegens [V.O.F.] heeft gehandeld en veroordeling van [appellant] tot vergoeding van de schade die [V.O.F.] als gevolg daarvan heeft geleden, nader op te maken bij staat.

6.4.

[V.O.F.] c.s. hebben verder met toestemming van de rechtbank [appellant] in vrijwaring opgeroepen en in de vrijwaring gevorderd – samengevat – dat, als de rechtbank oordeelt dat [appellant] materieel vennoot is, [appellant] wordt veroordeeld tot alles waartoe [V.O.F.] c.s. in de hoofdzaak zullen worden veroordeeld, als ook een verklaring voor recht dat [appellant] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en wordt veroordeeld tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat.

6.5.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – kort samengevat - overwogen dat de rechtsverhouding tussen partijen niet wordt beheerst door de inhoud van de oprichtingsovereenkomst, maar door de in de beëindigingsovereenkomst gemaakte afspraken, dat [appellant] op basis daarvan recht heeft op 1/3 deel van het resultaat van [V.O.F.] over de periode 15 maart 2013 tot 10 januari 2014, dat over 2013 evenwel geen vordering is ingesteld en dat [appellant] reeds € 73.000 betaald heeft gekregen. [V.O.F.] c.s. zijn veroordeeld om uit dien hoofde nog een (rest)post winst te betalen ten bedrage van € 1.495,=.

Ten aanzien van de schade als gevolg van het conflict met de [maatschap] Groep heeft de rechtbank overwogen dat niet geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] enige verplichting op zich hebben genomen met betrekking tot de kosten die zijn ontstaan nadat het kort geding vonnis is gewezen. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn wel ieder veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.795,24 als aandeel in de proceskosten gemaakt door [appellant] tot aan het kort geding vonnis. [V.O.F.] c.s. zijn hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.

Alle vorderingen van [V.O.F.] c.s. (in reconventie) zijn afgewezen met veroordeling van [V.O.F.] c.s. (hoofdelijk) in de proceskosten van de reconventie, van het vrijwaringsincident en van de vrijwaringszaak. [V.O.F.] c.s. zijn bovendien hoofdelijk veroordeeld in de nakosten.

6.6.

[appellant] heeft tegen het vonnis vier grieven geformuleerd en bij memorie van grieven onder (grief) V zijn eis gewijzigd en vermeerderd. [appellant] vordert in dit hoger beroep – samengevat – vernietiging van het vonnis waarvan beroep in conventie en:

I. een verklaring voor recht dat (primair) [V.O.F.] V.O.F. vanaf 15 december 2012 materieel is blijven voortbestaan ook na de tussen de vennoten op 16 maart 2013 gemaakte afspraken en (subsidiair) dat de rechtsverhouding tussen [appellant] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] , voor zover die betrekking heeft op het voor gezamenlijke rekening en risico uitoefenen van [V.O.F.] V.O.F., vanaf 1 januari 2013, maar ook na 16 maart 2013 wordt beheerst door de regels zoals vastgelegd in de oprichtingsovereenkomst;

II. (primair) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] wanprestatie hebben gepleegd door de niet nakoming van de beëindigingsovereenkomst, bestaande uit de weigering de VOF formeel te herstellen nadat op 10 januari 2014 de arbeidsrechtelijke beperkingen van [appellant] met de [maatschap] Groep waren beëindigd, (subsidiair) de beëindigingsovereenkomst te ontbinden vanwege die tekortkoming;

III. [V.O.F.] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het aan [appellant] toekomende winstaandeel uit [V.O.F.] over het boekjaar 2013 en volgende jaren tot de datum der beëindiging van de VOF;

IV. [V.O.F.] c.s. voor zoveel mogelijk hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van schade geleden als gevolg van hun tekortkomingen;

V. voor zover vordering II subsidiair wordt toegewezen tot herstel van [V.O.F.] en de inschrijving van [appellant] in [V.O.F.] op straffe van een dwangsom;

VI. (primair) voor rekening van [V.O.F.] c.s. een deskundige te benoemen die het winstaandeel vaststelt en en/of de controle op het winstaandeel alsmede de vereffening, (subsidiair) [V.O.F.] c.s. te bevelen inzage en afschrift te geven van alle bescheiden nodig om te kunnen komen tot vaststelling van het winstaandeel van [appellant] , (meer subsidiair) in goede justitie te bepalen maatregelen te treffen ter vaststelling c.q. controle van dat winstaandeel;

VII. [geïntimeerde 2] te veroordelen tot betaling van zijn aandeel in de schade als gevolg van de overtreding van het concurrentiebeding door [appellant] ten bedrage van € 29.372,40 te vermeerderen met de wettelijke rente;

VIII. [geïntimeerde 3] te veroordelen tot betaling van zijn aandeel in de schade als gevolg van de overtreding van het concurrentiebeding door [appellant] ten bedrage van € 29.372,40 te vermeerderen met de wettelijke rente;

IX. [V.O.F.] te veroordelen tot vergoeding van de contributie van de NBA, zijnde een bedrag van € 3.805,=

X. [V.O.F.] te veroordelen tot betaling van de huur aan [appellant] als ware de huurovereenkomst met [echtgenote van appellant] door [V.O.F.] volledig uitgediend, begroot op het bedrag van € 50.750,14;

XI. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten;

XII. voor het geval er sprake blijkt te zijn geweest van een pot of –poolovereenkomst, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ook gehouden zijn de resultaten van hun overige activiteiten in te brengen en gelijkelijk te verdelen;

XIII. voor zover [appellant] wordt opgedragen bewijs te leveren van bepaalde stellingen, [V.O.F.] c.s. op de voet van art. 843a Rv te gebieden inzage en afschrift te verstrekken van onder meer jaarrekeningen en balansen 2013 en 2014 van [V.O.F.] op straffe van een dwangsom;

XIV. [V.O.F.] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

6.7.

[V.O.F.] c.s. hebben verweer gevoerd en in incidenteel appel vijf grieven aangevoerd en hun eis gewijzigd. Zij vorderen in dit hoger beroep:

A. op de voet van artikel 843a e.v. Rv [appellant] te veroordelen om de volgende documenten aan hen te overhandigen/af te geven/beschikbaar te stellen:
- de jaarstukken van zijn eenmanszaak over 2012, 2013 en 2014;

- de aangiften omzetbelasting over de periode 12 december 2012 tot en met 31 december 2014;

- de belastingaangiften inkomstenbelasting / premieheffing volksverzekeringen over 2012, 2013 en 2014;

- de voorlopige en definitieve belastingaanslagen over 2012, 2013 en 2014

- de door [appellant] aan [maatschap] Groep ter beschikking gestelde stukken met bijlagen;

- de tussen [maatschap] Groep en [appellant] gesloten vaststellingsovereenkomst;

- de bewijsstukken omtrent de door [appellant] gestelde ziekte met ingang van 1 oktober 2014 en de uit hoofde van die arbeidsongeschiktheid ontvangen vergoedingen, uitkeringen en specificaties daarvan;

B. voor recht te verklaren dat de oprichtingsovereenkomst van 12 december 2012 nietig is wegens dwaling, indien in rechte komt vast te staan dat de overeenkomst nog voortduurt;

C. voor recht te verklaren dat [appellant] gehouden is de resultaten van zijn eenmanszaak van 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014, of, als de overeenkomst van 16 maart 2013 later is geëindigd, met ingang van 10 januari 2014, te delen; en voorts [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] ieder 1/3 deel van het resultaat gemaakt in zijn eenmanszaak te betalen;

D. voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst niet aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] mee te delen dat het hem vanwege het concurrentiebeding niet was toegestaan zijn eenmanszaak te drijven en niet was toegestaan enige overeenkomst van samenwerking met [V.O.F.] aan te gaan;

E. [appellant] te veroordelen tot betaling van de schade, nader op te maken bij Staat, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 7 oktober 2015;

F. [appellant] te veroordelen tot betaling van de proceskosten en de nakosten, bij gebreke van tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.

In het principaal en het incidenteel appel:

Eiswijziging

6.8.

Alvorens in te gaan op de grieven, constateert het hof dat [V.O.F.] tegen de gewijzigde en vermeerderde eis van [appellant] geen bezwaren heeft opgeworpen. Het hof ziet geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal recht doen op de gewijzigde en vermeerderde eis.

Het hof stelt daarbij vast dat [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi heeft erkend dat aan zijn deelname in [V.O.F.] door rechtsgeldige opzegging per 25 juni 2016 (prod. 36 bij akte d.d. 29 februari 2016) inmiddels een einde is gekomen en dat hij in verband daarmee zijn vordering sub V (tot herstel van zijn deelname in [V.O.F.] ) heeft ingetrokken.

Oprichtingsovereenkomst nog van toepassing ?

6.9.

Met grief I in principaal appel klaagt [appellant] dat de rechtbank de onder I door [appellant] gevorderde verklaring voor recht niet heeft uitgesproken. In de toelichting op deze grief herhaalt [appellant] zijn betoog uit de eerste aanleg dat de afspraken die partijen op 16 maart 2013 gemaakt hebben en die vastgelegd zijn in de beëindigingsovereenkomst, niet de werkelijke afspraken waren maar slechts ten doel hadden het voor de buitenwereld te doen voorkomen alsof [appellant] geen deel meer uitmaakte van [V.O.F.] . Het was onverminderd de bedoeling, aldus [appellant] , dat partijen de overeengekomen samenwerking zouden voortzetten conform het bepaalde in de oprichtingsovereenkomst.

6.10.

Het hof verwerpt dat betoog van [appellant] . Niet alleen hebben [V.O.F.] c.s. de stellingen van [appellant] op dit punt gemotiveerd bestreden, vast staat dat partijen de beëindigingsovereenkomst hebben gesloten nadat [appellant] met [maatschap] Groep in procedures verwikkeld raakte onder meer over de naleving van het non-concurrentiebeding dat [appellant] verbood vennoot bij een onderneming als [V.O.F.] te zijn. Met zoveel woorden staat in de considerans van de beëindigingsovereenkomst dat [appellant] per 1 januari 2013 is uitgetreden als vennoot en vast staat dat [appellant] de vestiging van waaruit hij zou participeren op 16 maart 2013 feitelijk bij de KvK heeft uitgeschreven. De bepalingen van de beëindigingsovereenkomst gaan verder over hoe de samenwerking tussen partijen vormgegeven zal worden gedurende de periode dat [appellant] op grond van “de arbeidsrechtelijke beperkingen” geen vennoot kan zijn. Expliciet is daarbij in artikel 2 bepaald dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] samen [V.O.F.] zullen voortzetten. Vast staat verder dat [appellant] zich in de tegen [maatschap] Groep gevoerde bodemprocedure heeft verweerd met de stelling dat hij het concurrentiebeding niet meer overtrad omdat hij zijn deelname als vennoot in [V.O.F.] had beëindigd. Of hij in die procedure ook één van de genoemde overeenkomsten als bewijs heeft ingebracht, zoals [V.O.F.] c.s. stelt en [appellant] bestrijdt, is een vraag die onbeantwoord kan blijven. In het vonnis in die zaak is op grond van de eigen stellingen van [appellant] vastgesteld dat de betrokkenheid van [appellant] als vennoot bij [V.O.F.] is geëindigd en de verschuldigde boetes zijn om die reden berekend tot de datum waarop [appellant] zich bij de KvK heeft uitgeschreven. Ten slotte staat als onbestreden vast dat ook uit de jaarrekening 2013 van [V.O.F.] , welke door [appellant] voor [V.O.F.] is opgesteld, blijkt dat [appellant] in 2013 geen vennoot was. De jaarrekening is niet in het geding gebracht, maar als onbestreden staat vast dat [appellant] in 2013 en 2014 vanuit zijn eenmanszaak aan [V.O.F.] bedragen vermeerderd met BTW gefactureerd heeft voor de door hem in opdracht van [V.O.F.] verrichte werkzaamheden en dat die facturen en bedragen door [V.O.F.] in de jaarstukken 2013 en 2014 als kosten zijn geboekt en verantwoord. De stelling van [appellant] dat die jaarrekening slechts is opgemaakt met uitsluitend [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] als vennoten omdat er financiering voor de aankoop van een bedrijfspand nodig was, is door [V.O.F.] c.s. gemotiveerd (onder meer onder verwijzing naar correspondentie met de [bank] ) weersproken en leidt niet tot een aannemelijke verklaring voor die door [appellant] zelf opgestelde jaarrekening.

6.11.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [appellant] het standpunt van [V.O.F.] dat [appellant] per 1 januari 2013 uit de vennootschap is getreden en dat als gevolg daarvan de rechtsverhouding tussen partijen niet meer wordt beheerst door de regels van de oprichtingsovereenkomst, maar door de afspraken uit de beëindigingsovereenkomst, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt daarom gepasseerd.

Grief I in principaal appel faalt. Terecht is vordering I afgewezen, ook als die wordt gelezen zoals in dit hoger beroep door [appellant] geformuleerd.

Toerekenbaar tekortschieten [V.O.F.] c.s. ?

6.12.

Vordering II in dit hoger beroep is een nieuwe vordering, waarover de rechtbank nog niet heeft geoordeeld. Aan deze vordering legt [appellant] ten grondslag het verwijt dat [V.O.F.] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de verplichting onder punt 3 van de beëindigingsovereenkomst (zie hiervoor onder 6.1.g), te weten het onverwijld regelen van de hernieuwde toetreding door [appellant] tot [V.O.F.] zodra de arbeidsrechtelijke belemmeringen waren opgeheven, zo begrijpt het hof het door [appellant] op pagina 16 van de memorie van grieven gestelde.

Anders dan [appellant] hier lijkt te stellen, rechtvaardigt het enkele feit dat er geen toetreding meer tot stand is gekomen ondanks het bepaalde in punt 3 van de beëindigingsovereenkomst, niet de conclusie dat [V.O.F.] c.s. zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit die overeenkomst. [V.O.F.] c.s. bestrijden dat ook gemotiveerd. Zij voeren aan dat zij meermaals, maar in elk geval in een gesprek op donderdag 12 december 2013, dus kort voordat de arbeidsrechtelijke belemmeringen zouden zijn opgeheven, met [appellant] gesproken hebben over de wijze waarop [appellant] de opdrachten voor (cliënten van) [V.O.F.] uitvoerde. In dat gesprek heeft [appellant] aangegeven “niet goed in zijn vel te zitten” en hebben [V.O.F.] c.s. [appellant] meegedeeld dat zij – gezien de problemen met zijn functioneren – geen aanleiding zagen voor zijn hernieuwde toetreding tot de vennootschap. [appellant] had daar begrip voor en het opnieuw toetreden tot [V.O.F.] is daarna nooit meer aan de orde geweest, aldus [V.O.F.] c.s. (MvA, pag. 33).

6.13.

Het hof constateert dat [appellant] niet heeft weersproken dat een gesprek in december 2013 heeft plaatsgevonden. Ook is door [appellant] niet weersproken de stelling van [V.O.F.] c.s. dat [appellant] (zowel in dat gesprek als ook na dat gesprek, zo begrijpt het hof) nooit aanspraak op “herintreding” heeft gemaakt. Anders dan [appellant] aanvoert zijn [V.O.F.] c.s. niet (op de voet van art. 6:83 onder c BW) toerekenbaar tekort geschoten en in verzuim komen te verkeren door de enkele mededeling aan [appellant] dat zij hem – bij nader inzien - niet meer wensten op te nemen in de vennootschap. Terecht hebben [V.O.F.] c.s. aangevoerd dat er redenen kunnen zijn om een eerder gemaakte afspraak te willen wijzigen. Als onweersproken staat vast dat daarover in het gesprek op 12 december 2013 is gesproken. Dat [appellant] het daarmee niet eens was is gesteld noch gebleken. Ook heeft [appellant] geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt dat [appellant] op enig moment zijnerzijds bij [V.O.F.] c.s. aanspraak heeft gemaakt op de (aanvankelijk) overeengekomen herintreding. Wellicht heeft [appellant] in de loop van het jaar 2013 de indruk gekregen dat aanspraak maken (of aanmanen) zinloos zou zijn omdat [V.O.F.] c.s. hem niet meer wenste op te nemen, maar dan had hij op zijn minst [V.O.F.] c.s. in gebreke moeten stellen op de wijze als in art. 6:82 lid 2 BW bepaald, door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat [V.O.F.] c.s. voor het uitblijven van de nakoming van de gemaakte afspraak aansprakelijk werden gesteld. Dat [appellant] dit gedaan heeft is gesteld noch gebleken.

Wat [appellant] heeft aangevoerd rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat [V.O.F.] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van deze in de beëindigingsovereenkomst gemaakt afspraak, laat staan dat zij daarmee in verzuim zijn geraakt en/of dat er sprake is van een tekortkoming die schadeplichtig maakt of die ontbinding van de beëindigingsovereenkomst (en het herleven van de deelname van [appellant] in de oprichtingsovereenkomst) rechtvaardigt. De vorderingen II en IV van [appellant] zullen dan ook als ongegrond worden afgewezen.

6.14.

Onder verwijzing naar het voorgaande constateert het hof dat de voorwaarden waaronder grief I en vordering B in het incidenteel appel zijn ingesteld niet zijn vervuld, zodat het hof aan behandeling daarvan niet toekomt.

Beëindigingsovereenkomst

6.15.

Het hof constateert dat [appellant] geen (andere) grieven heeft geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de gebondenheid aan de beëindigingsovereenkomst en de interpretatie van die overeenkomst als een pot- of poolovereenkomst. Ook heeft [appellant] geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank (in r.o. 4.10 van het bestreden vonnis) dat hij aldus recht heeft op één derde van het resultaat van [V.O.F.] , enkel over de looptijd van de beëindigingsovereenkomst, te weten van 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014.

Wel heeft [appellant] onder vordering III in dit hoger beroep (anders dan onder vordering III van [appellant] in eerste aanleg) aanspraak gemaakt op winstdeling vanaf 2013 (in plaats van 2014, wat [appellant] in eerste aanleg vorderde). Verder heeft hij onder vordering XII verzocht om (als er sprake blijkt te zijn geweest van een pot- of poolovereenkomst) voor recht te verklaren dat ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] gehouden zijn de resultaten van hun overige activiteiten gelijkelijk te verdelen. Het hof leest deze vorderingen als grieven, die zien op de berekening van wat meegenomen moet worden in de afrekening op basis van de beëindigingsovereenkomst en zo hebben [V.O.F.] c.s. die ook begrepen, getuige onder meer ook wat zij in het incidenteel appel in de toelichting op grief IV hebben aangevoerd.

Met die grief in het incidenteel appel klagen [V.O.F.] c.s. over het door de rechtbank aan [appellant] toegewezen bedrag ter zake van de afrekening. Zij bestrijden het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat de door [appellant] in zijn eenmanszaak behaalde resultaten niet hoeven te worden meegenomen in de berekening onder meer omdat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zouden hebben gezwegen over het bestaan van hun adviespraktijken. Met de vorderingen A en C willen zij bewerkstelligen dat alsnog wordt afgerekend met inachtneming van de resultaten van de eenmanszaak van [appellant] , zo begrijpt het hof hun stellingen.

6.16.

Als gevolg van wat het hof hiervoor onder 6.15 heeft geconstateerd en overwogen gaat het hof bij de verdere beoordeling van dit hoger beroep uit van een afrekening tussen partijen op grond van het bepaalde in de beëindigingsovereenkomst over de periode 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014.

6.17.

Het hof constateert dat partijen het eens zijn over de afspraak die gemaakt is in artikel 1 van de beëindigingsovereenkomst, te weten het gelijk tussen [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [appellant] verdelen van de resultaten die zij ieder behalen met de werkzaamheden op het vlak van de administratie- en belastingadviespraktijk.

Het hof constateert verder dat partijen het er ook over eens zijn dat in elk geval alle in [V.O.F.] door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] behaalde resultaten als zodanig kwalificeren. Het standpunt van [appellant] dat het resultaat van zijn eenmanszaak niet in de pot (en pool) zou moeten worden ingebracht, volgt het hof niet. Als onbestreden staat vast dat [appellant] gedurende de periode waar het hier over gaat zijn werkzaamheden op het vlak van de administratie- en belastingadviespraktijk in zijn eenmanszaak heeft verricht (nu dat niet in [V.O.F.] kon vanwege de arbeidsrechtelijke belemmeringen). Dat een (belangrijk) deel van die werkzaamheden in opdracht van [V.O.F.] (mede voor cliënten van [V.O.F.] ) is verricht en dat hij daarvoor door [V.O.F.] op factuur is betaald, doet er niet aan af dat het hier door hem in zijn eenmanszaak gerealiseerde resultaten betreft als bedoeld in genoemd artikel. Voor [V.O.F.] zijn de aan [appellant] betaalde facturen bovendien kosten, die ten laste van de (bij haar cliënten gefactureerde) omzet zijn gekomen, zo hebben [V.O.F.] c.s. terecht aangevoerd. Ook doet er niet aan af dat het [appellant] bij de [maatschap] Groep naast zijn dienstverband kennelijk was toegestaan beperkt activiteiten in zijn eenmanszaak te verrichten. Gesteld noch gebleken is dat partijen over die activiteiten (welke dat ook zijn, [appellant] heeft daar niets over gesteld) afwijkende afspraken hebben gemaakt. Ook is gesteld noch gebleken dat [appellant] in zijn eenmanszaak andere dan de in de beëindigingsovereenkomst bedoelde werkzaamheden heeft verricht.

6.18.

De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 2] naast [V.O.F.] inkomsten zou hebben genoten die zouden moeten worden ingebracht ter verrekening, passeert het hof als onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde 2] heeft dat betwist en ontkent dat hij andere bedrijfsactiviteiten heeft. Uit de enkele verwijzing door [appellant] naar twee bij de KvK ingeschreven BV’s van [geïntimeerde 2] met als activiteiten “beleggingsinstellingen met beperkte toetreding pensioen(…)” volgt niet dat [geïntimeerde 2] relevante andere activiteiten heeft of verzwijgt (zoals de rechtbank overwoog, met grief IV in incidenteel appel wordt bestreden en [geïntimeerde 2] ter gelegenheid van het pleidooi nogmaals heeft ontkend). Anders dan [appellant] stelt is het aan [appellant] als de partij die rechtsgevolgen aan zijn stellingen verbindt, om – bij betwisting - voldoende concreet onderbouwde feiten te stellen en indien nodig te bewijzen. De enkele stelling dat [geïntimeerde 2] niet alleen in [V.O.F.] , maar ook daarbuiten werkzaamheden heeft verricht waarvan de resultaten moeten worden ingebracht, voldoet niet aan die eis.

Datzelfde lot treft de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 3] naast [V.O.F.] inkomsten zou hebben genoten die moeten ingebracht ter verrekening. De stelling dat [geïntimeerde 3] de resultaten van zijn nevenactiviteiten als docent ter verdeling zou moeten inbrengen omdat die te beschouwen zouden zijn als activiteiten genoemd in artikel 1 van de beëindigingsovereenkomst, verwerpt het hof. Het moge zo zijn dat die activiteiten [V.O.F.] cliënten kunnen hebben opgeleverd, maar dat maakt deze (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet tot werkzaamheden op het vlak van de administratie- en belastingadviespraktijk.

6.19.

De slotsom van de twee voorgaande overwegingen is dat vordering XII van [appellant] moet worden afgewezen en dat Grief IV in het incidenteel appel slaagt. Het slagen van die grief betekent echter niet dat vordering C van [V.O.F.] c.s. tot betaling kan worden toegewezen. Op grond van wat het hof hiervoor heeft geoordeeld, zal de afrekening tussen partijen conform het bepaalde in de beëindigingsovereenkomst over de periode 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014 moeten worden berekend door de resultaten van [V.O.F.] over die periode en de resultaten van de eenmanszaak van [appellant] over die periode samen te nemen en gelijkelijk te delen. Op dit punt heeft het hof behoefte aan deskundig advies.

Aan het einde van dit arrest zal het hof verder op het in te winnen deskundigenbericht en de in dat kader nog (aan de deskundige) te verstrekken gegevens in gaan.

Contributie NBA

6.20.

Grief IV in principaal appel faalt. Met die grief klaagt [appellant] over de afwijzing van zijn vordering tot betaling van de contributie van de NBA door [V.O.F.] . Nu gesteld noch gebleken is dat is afgesproken dat [V.O.F.] die contributie zal betalen, deelt het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt en zal vordering IX van [appellant] worden afgewezen.

Schade conflict [maatschap] Groep

6.21.

Met grief II bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat niet alle door hem gevorderde schade als schade in verband met de overtreding van de arbeidsrechtelijke beperkingen door [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hoeft te worden vergoed. In eerste aanleg heeft [appellant] die schade berekend op een bedrag van € 88.117,21. Van de twaalf posten die [appellant] heeft opgevoerd, heeft de rechtbank er vier toegewezen (proceskosten kort geding vonnis 8 maart 2013, boete, proceskosten en nakosten bodem vonnis 10 juli 2013, totaal € 11.277,72). De posten gemist loon en vakantietoeslag zijn afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband. Alle advocaatkosten zijn afgewezen omdat [appellant] die ook gemaakt zou hebben bij een andere uitkomst. Ook de schade die voortvloeit uit het treffen van de minnelijke regeling met [maatschap] Groep (€ 50.000,=) vanwege het overtreden van het vonnis van 10 juli 2013 is afgewezen.

[V.O.F.] c.s. stellen in reactie op deze grief van mening te zijn dat de rechtbank een te uitgebreide lading en strekking aan de e-mail van 14 maart 2013 heeft gegeven en daar in incidenteel appel nog nader op terug te komen. [V.O.F.] c.s. hebben dat echter niet gedaan.

Het hof constateert dan ook dat noch in principaal, noch in incidenteel appel grieven zijn geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat (op basis van de inhoud van de e-mail van 14 maart 2013) vast staat dat [appellant] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] hebben afgesproken de eventuele kosten/schade van [appellant] in verband met de overtreding van de arbeidsrechtelijke beperkingen onderling te verdelen. Ook zijn geen grieven geformuleerd tegen (de hoogte van) de toegewezen bedragen, noch tegen de veroordelingen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in respectievelijk 5.2 en 5.3 van het dictum van het bestreden vonnis.

Het gevolg van het voorgaande is dat de rechtsstrijd met betrekking tot vorderingen VII en VIII van [appellant] zich beperkt tot de vraag of de door de rechtbank afgewezen posten al dan niet terecht zijn afgewezen.

6.22.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de posten gemist loon en vakantietoeslag. Terecht hebben [V.O.F.] c.s. gewezen op het kort geding vonnis van 8 maart 2013 waaruit blijkt dat die posten zijn veroorzaakt door een conflict dat [appellant] met [maatschap] Groep had over werkhervatting in 2012 en niets van doen hebben met de overtreding van de arbeidsrechtelijke beperkingen door de samenwerking met [V.O.F.] c.s. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet waarom daarover anders geoordeeld moet worden.

6.23.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met de enkele verwijzing naar de e-mail onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat ook de advocaatkosten die [appellant] gemaakt heeft bij zijn conflict met [maatschap] Groep, moeten worden aangemerkt als kosten/schade van [appellant] in verband met de overtreding van de arbeidsrechtelijke beperkingen als bedoeld in de e-mail van 14 maart 2013. Dat geldt temeer nu [V.O.F.] c.s. daartegen onweersproken aangevoerd hebben dat zij bij het schrijven van de bewuste e-mail wel op de hoogte waren van het feit dat er een kort geding was gevoerd over een ontslag op staande voet dat iets te maken had met de verboden samenwerking met [V.O.F.] , maar dat zij er niet van op de hoogte waren dat [appellant] in dat kort geding (en later ook nog in de bodemprocedure) toelating tot het werk en re-integratie bij [maatschap] Groep en doorbetaling loon vorderde, wat niet te rijmen is met het feit dat hij zich bij de oprichtingsovereenkomst had verbonden tot inbreng van zijn volledige arbeid in [V.O.F.] . Desgevraagd ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] verklaard dat het vorderen van herstel dienstverband hem door zijn (toenmalige) advocaat was geadviseerd in de hoop het conflict met [maatschap] Groep alsnog tot een goed einde te kunnen brengen met ontslag uit het non-concurrentiebeding. Dat moge zo zijn, maar daaruit volgt niet dat de advocaatkosten onder de in de e-mail gemaakte afspraak vallen.

6.24.

Het als schade gevorderde bedrag van € 50.000,= treft het zelfde lot. [V.O.F.] c.s. hebben daartegen onweersproken aangevoerd dat dit bedrag ziet op een minnelijke regeling ter zake van dwangsommen verbeurd door (kennelijke) overtreding van het vonnis van 10 juli 2013 door [appellant] , zonder dat [V.O.F.] c.s. de inhoud van dat vonnis kenden, wisten dat [appellant] het vonnis overtrad of door [appellant] zijn betrokken bij het treffen van de bewuste minnelijke regeling, laat staan dat zij zich verbonden hebben tot het meebetalen aan de uit die minnelijke regeling voortvloeiende kosten. Met de enkele verwijzing naar de e-mail van 14 maart 2013 heeft [appellant] zijn vordering ook op dit punt onvoldoende onderbouwd.

6.25.

De conclusie uit het voorgaande is dat grief II in het principaal appel faalt.

Huur

6.26.

Vordering X van [appellant] is een nieuwe (voorwaardelijke) vordering. Deze vordering betreft de huurpenningen uit hoofde van een door [V.O.F.] met [echtgenote van appellant] gesloten huurovereenkomst voor een door [appellant] als vennoot van [V.O.F.] te gebruiken kantoorruimte gelegen aan de [adres] te [postcode] [plaats] . Over de vraag of [V.O.F.] nog is gebonden aan die huurovereenkomst of dat die overeenkomst ook met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 is beëindigd zoals in de beëindigingsovereenkomst kan worden gelezen (zie citaat hiervoor onder 6.1.g), procedeert [echtgenote van appellant] tegen [V.O.F.] c.s. In eerste aanleg heeft de kantonrechter te Roermond geoordeeld dat die huurovereenkomst ook is geëindigd en haar vorderingen afgewezen. Het door [echtgenote van appellant] in die zaak ingestelde hoger beroep (zaaknr [zaaknummer] ) is nog aanhangig bij dit hof. Onder de voorwaarde dat het hof in die zaak het oordeel van de kantonrechter deelt, vordert [appellant] van [V.O.F.] c.s. betaling van de huurpenningen aan hem. Daaraan legt hij ten grondslag dat partijen na 16 maart 2013 de huur op de gebruikelijke manier hebben voortgezet en ook de bedoeling hadden die onder dezelfde condities voort te zetten.

6.27.

Deze vordering zal worden afgewezen. Afgezien van het feit dat de voorwaarde waaronder die is ingesteld (nog) niet is vervuld, heeft [appellant] zijn vordering ook onvoldoende (concreet) onderbouwd. Feiten of omstandigheden waaruit kan blijken dat de huurovereenkomst met [appellant] is voortgezet, zijn door [appellant] niet gesteld. Ook als het hof in de zaak van [echtgenote van appellant] het oordeel van de kantonrechter deelt dat partijen op 16 maart 2013 (ook) de huurovereenkomst met [echtgenote van appellant] hebben beëindigd, volgt daaruit niet zonder meer dat [appellant] dan zelf (in plaats van zijn echtgenote) jegens [V.O.F.] c.s. aanspraak kan maken op betaling van huurpenningen onder de condities van de huurovereenkomst. Die enkele stelling van [appellant] is dan ook onvoldoende. Daarbij hebben [V.O.F.] c.s. bij memorie van antwoord gemotiveerd weersproken dat de huur(overeenkomst) met [appellant] zelf is voortgezet, onder meer onder verwijzing naar wat daarover in de beëindigingsovereenkomst is opgenomen, op welk verweer [appellant] niet meer is ingegaan. De conclusie is dat deze vordering een grondslag ontbeert.

Onrechtmatig handelen [appellant] ?

6.28.

Met de grieven 2 en 3 in incidenteel appel bestrijden [V.O.F.] c.s. het oordeel van de rechtbank dat – kort gezegd - (r.o. 4.14 van het bestreden vonnis) in rechte niet kan worden vastgesteld dat [appellant] heeft gezwegen over het bestaan van het non-concurrentie/relatiebeding voorafgaand aan het sluiten van de oprichtingsovereenkomst en dat evenmin (r.o. 4.15) in rechte kan worden vastgesteld dat [appellant] er voorafgaand of ten tijde van de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst van op de hoogte was dat het non-concurrentie/relatiebeding hem ook verbood die overeenkomst aan te gaan. [V.O.F.] c.s. stellen dat [appellant] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door hen voorafgaand aan het aangaan van de samenwerking niet mee te delen dat hij gebonden was aan genoemd beding. De vorderingen D en E (in eerste aanleg E, F en H) van [V.O.F.] c.s. zien op dit gestelde onrechtmatig handelen. [V.O.F.] c.s. voeren aan dat de rechtbank ten onrechte niet aan [appellant] het bewijs heeft opgedragen van zijn stelling dat hij [V.O.F.] c.s. hier wel op heeft gewezen.

6.29.

[appellant] betwist gemotiveerd dat [V.O.F.] c.s. niet op de hoogte zijn geweest van het non-concurrentie/relatiebeding. Niet alleen heeft hij bij het aangaan van de samenwerking met [V.O.F.] c.s. meerdere malen zijn vrees uitgesproken voor eventuele problemen die daardoor zouden kunnen ontstaan, ook kunnen [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] geacht worden bekend te zijn geweest met het feit dat [maatschap] Groep een dergelijk beding hanteerde op grond van ervaringen daarmee in het verleden, als ook op grond van het algemeen bekende feit dat dit soort bedingen gebruikelijk zijn in de branche, aldus [appellant] .

6.30.

Wat er ook zij van de stellingen op dit punt, het hof is van oordeel dat ook indien zou komen vast te staan dat [appellant] niet op zijn gebondenheid aan het beding heeft gewezen, dat enkele feit niet de conclusie rechtvaardigt dat hij onrechtmatig jegens [V.O.F.] c.s. heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig, zoals feiten die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een inbreuk op een recht, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht en een doen of nalaten in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, als ook toerekenbaarheid en schade. Het hof constateert dat [V.O.F.] c.s. op al die punten geen concrete feiten heeft gesteld, zodat haar vorderingen D en E als onvoldoende onderbouwd moeten worden afgewezen.

Slotsom

6.31.

De slotsom van al het voorgaande is dat de vorderingen van beide partijen grotendeels moeten worden afgewezen, behalve de vorderingen die zien op de afrekening over de onder 6.20 genoemde periode van samenwerking op grond van de beëindigingsovereenkomst. Ter bepaling van de genoemde afrekening acht het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk.

Het hof is voornemens aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:

1. Hoe moet er, uitgaande van het in de beëindigingsovereenkomst bepaalde en met inachtneming van wat het hof daarover in dit arrest heeft overwogen, tussen [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [appellant] concreet worden afgerekend wil er sprake zijn van een gelijke verdeling van resultaten gerealiseerd in [V.O.F.] en in de eenmanszaak van [appellant] in de periode 1 januari 2013 tot en met 10 januari 2014 ?

2. Heeft u voor het overige nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak relevant (kunnen) zijn ?

6.32.

Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van [appellant] te brengen.

6.33.

De deskundige dient eventuele nadere informatie en stukken die hij/zij nodig heeft en die geen deel uitmaken van de processtukken, bij de advocaten op te vragen. De advocaat die informatie verschaft dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de advocaat van de wederpartij. De deskundige wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenbericht te voegen.

6.34.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 31 juli 2018 voor gelijktijdige akte aan de zijde van partijen met de hiervoor in 6.32 vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, C.W.T. Vriezen en J. Hallebeek en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2018.

griffier rolraadsheer