Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3123

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
200.170.317_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3814
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:204
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2824
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Executoriaal beslag. Vader doet activiteit onderneming over aan zoon. Is vader blijven werken in de onderneming?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.170.317/01

arrest van 24 juli 2018

in de zaak van

[manufacturing] Manufacturing B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [manufacturing] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] , België,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. A.M. van der Vliet te Amsterdam,

in vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 maart 2017 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/263937/HAZA 13-346 gewezen vonnissen van 28 mei 2014 en 14 januari 2015.

8 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 maart 2017;

  • -

    de processen-verbaal van de enquêtes gehouden op 27 juni 2017 en 10 oktober 2017;

  • -

    het H-16 formulier van 29 januari 2018 waarbij [manufacturing] heeft medegedeeld alsnog af te zien van contra-enquête;

  • -

    de memorie na enquête (MnE) van [geïntimeerden c.s.] tevens houdende overlegging van producties 14 t/m 19;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [manufacturing] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof in aansluiting op rov. 3.4.3 van het tussenarrest van 12 juli 2016 [geïntimeerden c.s.] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [de uitvinder en ondernemer]1 ten tijde van het leggen van het executoriaal beslag op 25 januari 2013, of nadien een vordering op [manufacturing] heeft, c.q. heeft gehad, althans met toepassing van artikel 479a Rv geacht moet worden te hebben (gehad) op [manufacturing] , in het bijzonder uit hoofde van door [de uitvinder en ondernemer] ten behoeve van [manufacturing] verrichte werkzaamheden.

9.2

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht hebben [geïntimeerden c.s.] achtereenvolgens [bestuurder van manufacturing] (bestuurder van [manufacturing] en van [group] Group Holding B.V.), [de uitvinder en ondernemer] , [zoon van de bestuurder van de manufacturing] jr. (“ [koosnaam] ” aldus [bestuurder van manufacturing] ), [getuige 1] , [geïntimeerde 1] (partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 1 Rv.), [getuige 2] en [getuige 3] als getuige doen horen en hebben zij bij memorie na enquête nadere producties overgelegd.

9.3

[geïntimeerden c.s.] concluderen bij memorie na enquête (MnE) dat op grond van het schriftelijk bewijs en de getuigenverklaringen duidelijk is dat [de uitvinder en ondernemer] in ieder geval tot en met juli 2013 werkzaamheden voor [manufacturing] heeft verricht. Uitgaande van de door de rechtbank gehanteerde redelijke vergoeding van € 2.500,-- per maand zou dat, aldus [geïntimeerden c.s.] , betekenen dat [manufacturing] geacht kan worden voor door [de uitvinder en ondernemer] van 1 januari 2012 verrichte werkzaamheden in ieder geval een bedrag van € 45.000,-- verschuldigd te zijn. Als derde­beslagene is [manufacturing] gehouden tenminste dit bedrag (alsmede het niet in geschil zijnde bedrag van € 4.338,--) aan [geïntimeerden c.s.] af te dragen.

[manufacturing] concludeert bij antwoordmemorie na enquête dat [geïntimeerden c.s.] niet in de bewijsopdracht zijn geslaagd. [de uitvinder en ondernemer] is nooit actief betrokken geweest bij [manufacturing] en hij heeft geen werkzaamheden en diensten verricht voor [manufacturing] van zodanige aard en omvang dat deze te beschouwen zouden zijn als werkzaamheden die gewoonlijk tegen betaling zouden worden verricht. [manufacturing] betwist de standpunten en stellingen van geïntimeerden.

9.4

Het hof zal zich hierna zetten aan de beoordeling van het bewijs. Daarbij zij opgemerkt dat de raadsheer-commissaris mr. Den Hartog Jager die de tussenarresten heeft meegewezen en voor wie de getuigenverhoren hebben plaatsgevonden, vanwege zijn overlijden helaas niet meer in de gelegenheid is dit eindarrest mee te wijzen.

9.5

Het hof neemt in herinnering wat in rov. 3.4.3. van zijn arrest van 12 juli 2016 is overwogen: “Het hof stelt voorop dat de bewijslast in een betwistingsprocedure ex artikel 477 Rv bij de beslagleggers ligt. Het is aldus aan [geïntimeerden c.s.] te bewijzen dat [de uitvinder en ondernemer] wel degelijk een vordering (eventueel een 479a Rv-vordering) op [manufacturing] heeft. Wel geldt dat [manufacturing] is gehouden haar verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256 en NJ 2009/106).

De rechtbank heeft in rov. 2.3 van het eindvonnis geoordeeld dat [manufacturing] aan haar verzwaarde stelplicht niet heeft voldaan. Daartegenover heeft [manufacturing] gesteld dat het ‘navenant bijna onmogelijk’ is om haar verklaring nader te onderbouwen en bewijsstukken te leveren, naar het hof begrijpt omdat het om negatief bewijs gaat, namelijk het bewijs dat werkzaamheden niet zijn verricht.

Anderzijds is het door [geïntimeerden c.s.] aangedragen bewijs (zie 2.5 eindvonnis) vrijwel uitsluitend gebaseerd op feiten die in 2009 en 2010 zich rond de oprichting van [manufacturing] hebben afgespeeld (punt 22 mva), een door [de uitvinder en ondernemer] gedane uitlating op een conferentie in 2012 en op het Secure Advance rapport over een voorval medio 2013. Dit alles tezamen levert wellicht enig begin van bewijs, zij het erg mager, van de aard en omvang van de werkzaamheden vanaf 1 januari 2012 op (en daarmee van de hoogte van de vergoeding) en ook voor de duur van de betalingsverplichting.”

9.6

Het hof heeft niet vastgesteld en ook niet kúnnen vaststellen aan de hand van hetgeen in dit geding is gesteld dat [manufacturing] is tekortgeschoten haar verklaring zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden. Ook uit hetgeen thans (nader) door [geïntimeerden c.s.] is aangevoerd en/of uit de overgelegde producties en getuigenverklaringen is gebleken, is dat niet komen vast te staan.

9.7

In deze zaak effectueert zich het bewijsrisico dat verbonden is aan (het hebben van) de bewijslast: [geïntimeerden c.s.] zijn er niet in geslaagd te bewijzen dat [de uitvinder en ondernemer] een vordering op [manufacturing] heeft of heeft gehad dan wel geacht moet worden te hebben (gehad) op [manufacturing] , in het bijzonder uit hoofde van door [de uitvinder en ondernemer] ten behoeve van [manufacturing] verrichte werkzaamheden.

[geïntimeerden c.s.] signaleren (MnE sub 8) zelf reeds dat [getuige 1] en [getuige 3] niets deden in “het bedrijf” (hof: [manufacturing] ) en [zoon van de bestuurder van de manufacturing] “eigenlijk niet wist wat zijn vader deed.” Hun verklaringen leveren in zoverre geen bewijs ten voordele van [geïntimeerden c.s.] op. Het hof neemt voor wat betreft de waardering van de getuigenverklaring van [de uitvinder en ondernemer] aan aantal tussen partijen vaststaande feiten (rov. 3.1 ten eerste van het tussenarrest van 12 juli 2016) in aanmerking: dat [de uitvinder en ondernemer] uitvinder en ondernemer is, hij zich bezig houdt met het ontwikkelen en produceren van verwarmingspanelen die in wanden of plafonds kunnen worden ingebracht en hij zijn uitvindingen via de [manufacturing] groep exploiteerde. Vast staat ook dat tot die [manufacturing] groep behorende ondernemingen zijn gefailleerd en de zoons [de uitvinder en ondernemer] (volgens de vaststaande feiten in het tussenarrest vier, uit de getuigenverklaringen kan afgeleid worden dat [getuige 3] eerst later is ingestapt) nieuwe vennootschappen hebben opgericht waaronder [manufacturing] . Volgens [geïntimeerden c.s.] (conclusie van repliek, o.m. sub 6 en 11) is [de uitvinder en ondernemer] “(nog steeds) werkzaam in de ondernemingen die thans formeel geleid worden door zijn zoon [bestuurder van manufacturing] .” Laatstgenoemde heeft, niet bestreden door [geïntimeerden c.s.] bij MnE, als getuige gesteld “Het product was al ontwikkeld toen mijn broers [manufacturing] begonnen” en “(…) hoe ik mijn vader ken, namelijk dat hij erg met zijn eigen zaken bezig is. Het product is ook zijn kindje.” Dat [de uitvinder en ondernemer] medio 2010 in BN De Stem zichzelf afficheerde als uitvinder van professie, bedenker en ontwikkelaar van een warmtepaneel, laat zich licht tegen deze achtergrond kennen. [de uitvinder en ondernemer] zag, al dan niet realistisch, een onderneming met 400 à 450 man personeel voor zich. Op met het stuk in BN De Stem vergelijkbare manier stond hij kennelijk gedurende enige tijd op de website van [manufacturing] : “ingenieur fysica-chemie, universitair professor en president van de vennootschap”. Maar deze verhalen van [de uitvinder en ondernemer] en/of vermelding op de website van [manufacturing] betekenen niet zonder meer dat [de uitvinder en ondernemer] daadwerkelijke, op geld waardeerbare werkzaamheden of andere prestaties voor [manufacturing] heeft verricht. Het hof stelt vast dat [manufacturing] de met producties onderbouwde stelling van [geïntimeerden c.s.] dat [de uitvinder en ondernemer] niet alleen geen hoogleraar is geweest (hetgeen hij zelf als getuige heeft erkend), maar zelfs niet is afgestudeerd en gepromoveerd in [plaats] - anders dan hijzelf verklaarde als getuige - bij antwoordmemorie na enquête niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. Maar dat, aldus [geïntimeerden c.s.] , [de uitvinder en ondernemer] c.s. niet schroomt onwaarheden te verkondigen, zelfs wanneer dat meineed oplevert, brengt niet met zich dat [geïntimeerden c.s.] geslaagd zijn in het door hen te leveren bewijs. Daarvoor hebben zij onvoldoende feitelijke informatie op tafel gekregen, ook wanneer in aanmerking wordt genomen dat [de uitvinder en ondernemer] zich in 2012 tooide met “Head R&D [group] Group Holding” (prod. 17) hetgeen overigens niet de naam van appellante [manufacturing] is maar de medegedaagde in eerste aanleg. “President van de vennootschap” (prod. 15) is, zonder een formele benoeming als (statutair) bestuurder welk een benoeming door [geïntimeerden c.s.] evenwel niet is gesteld en waarvan overigens ook niet is gebleken, een nietszeggende kreet. Het gebruik van het visitekaartje (dat overigens “advisor” vermeldt), het een enkele keer opnemen van de telefoon en de bevindingen gerelateerd door de getuige [getuige 2] reeds eerder neergelegd in het rapport van Secure Advance leveren, zoals in het tussenarrest overwogen en hiervoor gememoreerd, levert enig begin van bewijs op, maar ook niet meer dan dat. Hetzelfde geldt voor de door [geïntimeerden c.s.] (MnE 33) gememoreerde rekening- courantverhouding tussen [de uitvinder en ondernemer] en [manufacturing] . Immers, het betreft per ultimo 2012 een vordering van [manufacturing] op [de uitvinder en ondernemer] waarvan volstrekt onduidelijk is waarop die rc-schuld betrekking heeft, maar die als zodanig geen betrekking kan hebben op (een vordering van [de uitvinder en ondernemer] uit hoofde van) door [de uitvinder en ondernemer] voor [manufacturing] verrichte werkzaamheden. En dat [manufacturing] is gevestigd in bedrijfsruimten van de echtgenote van [de uitvinder en ondernemer] , (destijds) gelegen achter hun beider woning, betekent niet dat [de uitvinder en ondernemer] dus ook werkzaamheden voor haar verrichte. Integendeel, het brengt juist eerder met zich dat [de uitvinder en ondernemer] gemakkelijk “even de loods in banjert” zoals geschetst door [getuige 3] . Als hij daarbij soms ook wat doet en bijv. een enkele keer de telefoon opneemt of invalt voor [bestuurder van manufacturing] levert dat niet zonder meer een vordering van [de uitvinder en ondernemer] op [manufacturing] op (uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, opdracht of anderszins, waaronder artikel 479a Rv) als een geld waardeerbare prestatie als hiervoor bedoeld. Ten slotte: volgens het rapport van [getuige 2] (prod. 12) heeft [de uitvinder en ondernemer] hem weliswaar te woord gestaan, maar tijdens het gesprek heeft [de uitvinder en ondernemer] laten weten dat hij geen verkoper is en, op de opmerking van “Metselaar” ( [getuige 2] ) dat [de uitvinder en ondernemer] “als baas een mooi bedrijf en product had”, gezegd dat niet hij maar zijn zoon de baas was. De offerte ten slotte is niet door [de uitvinder en ondernemer] getekend maar door [bestuurder van manufacturing] .

Ten slotte: [geïntimeerde 1] spreekt, gehoord als getuige, uit het gevoel te hebben dat “vader veel meer voor de nieuwe [manufacturing] heeft gedaan, dan hij nu wil doen voorkomen.” [geïntimeerden c.s.] zijn er echter niet in geslaagd dat gevoel van voldoende feitelijke onderbouwing te voorzien om daarop een vordering te kunnen baseren.

9.8

De grieven 2 en 3 treffen doel, naar uit het voorgaande volgt. De door de rechtbank toegewezen veroordeling op de vordering van (36 x € 2.500,-- =) € 90.000,-- + € 2.500,-- per maand dient te worden vernietigd. De veroordeling tot betaling van het tussen partijen niet in geschil zijnde bedrag van € 4.338,-- uit hoofde van de rekening-courant [de uitvinder en ondernemer] - [manufacturing] blijft staan.

9.9

In het tussenarrest van 14 maart 2017 is onder 6.3. reeds vastgesteld dat de veroordeling in punt 2 van het dictum van het bestreden vonnis tot betaling van € 74.400,-- te vermeerderen met € 1.550,-- per maand tot einde huurovereenkomst (waarop grief 1. betrekking heeft) dient te worden vernietigd en de onderliggende vordering moet worden afgewezen.

9.9

Het hof zal voor de duidelijkheid de vonnissen van 28 mei 2014 en 14 januari 2015 van de rechtbank, voor zover tussen partijen gewezen, vernietigen en opnieuw recht doen. [geïntimeerden c.s.] behoren als grotendeels in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van [manufacturing] .

10 De beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen van 28 mei 2014 en 14 januari 2015 van de rechtbank waarvan beroep, voor zover tussen partijen gewezen,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [manufacturing] tot betaling aan de deurwaarder van een bedrag van € 4.338,--;

veroordeelt [geïntimeerden c.s.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [manufacturing] op € 589,-- aan griffierecht en op € 2.034,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 77,84 aan dagvaardingskosten, op € 711,-- aan griffierecht en op € 3.222,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.W. van Rijkom en Y.L.L.A.M. Delfos - Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juli 2018.

griffier rolraadsheer

1 Zijnde: [de uitvinder en ondernemer] (sr.), geboren op [geboortedatum] 1943. In aansluiting op de tussenarresten van het hof wordt hij ook in dit arrest met “ [de uitvinder en ondernemer] ” aangeduid.