Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3059

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
16/03912 en 16/03913
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek na verwijzing. Na verwijzing is in geschil of belanghebbende op 12 april 2001 in Nederland gevestigd was respectievelijk of zij op deze datum over een vaste inrichting in Nederland beschikte. Het Hof acht bij beantwoording van deze vraag zowel het Planzer-arrest als het Stoppelkamp-arrest van belang, aangezien belanghebbende weinig economische activiteiten verricht. Het Hof leidt uit voornoemde arresten af dat aanknopingspunten met betrekking tot de vestigingsplaats die rechtstreeks verband houden met de door de ondernemer uitgeoefende economische activiteit als eerste in aanmerking genomen moeten worden. Naar het oordeel van het Hof leveren de door de Inspecteur gestelde feiten en omstandigheden voldoende aanknopingspunten op met betrekking tot de factoren die rechtstreeks verband houden met de door de ondernemer uitgeoefende economische activiteit. De Inspecteur heeft, naar het oordeel van het Hof, door verwijzing naar voornoemde feiten en omstandigheden, aannemelijk gemaakt dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende zich op 12 april 2001 in Nederland bevond. De enkele omstandigheid dat de vennoten op deze datum in het buitenland woonden is onvoldoende om te concluderen dat de zetel van de bedrijfsuitoefening zich op dat moment in het buitenland bevond. Het Hof veroordeelt de Minister voor Rechtsbescherming voorts tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-10-2018
FutD 2018-2705
V-N Vandaag 2018/2233
V-N 2018/1716
V-N 2018/60.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03912 en 16/03913

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] V.O.F.,

gevestigd te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 12 juli 2012, nummers AWB 09/2018 en 09/2019, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag, beschikking heffingsrente en boetebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] .F01.150.6 ten bedrage van € 133.987 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente tot een bedrag van € 21.737 (hierna: de beschikking heffingsrente) in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd tot een bedrag van € 133.987 (hierna: de boetebeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. Ambtshalve heeft hij de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 30.000, en de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 297.

1.4.

De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep relevant, de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op het bezwaar vernietigd, de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 24.000, de Inspecteur gelast aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het bezwaar en in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij Hof Arnhem-Leeuwarden. De griffier van Hof Arnhem-Leeuwarden heeft ter zake van dit hoger beroep van belanghebbende een griffierecht geheven van € 466.

1.6.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft, voor zover in de onderhavige procedure relevant, bij uitspraak van 31 maart 2015, kenmerken 12/00507 en 12/00508, ECLI:NL:GHARL:2015:2569 (hierna: de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden) de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het bezwaar, het geding bij de Rechtbank en het geding bij Hof Arnhem-Leeuwarden en de Inspecteur gelast aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling bij de Rechtbank en Hof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht te vergoeden.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 25 november 2016, nr. 15/02183, ECLI:NL:HR:2016:2664 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, het geding naar dit Hof (hierna: het Hof) verwezen ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het verwijzingsarrest, de Staatssecretaris van Financiën gelast aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht te vergoeden en de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende.

1.8.

De Inspecteur en belanghebbende zijn door de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest. De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 19 januari 2017 een conclusie ingezonden. Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 17 februari 2017 een reactie op het verwijzingsarrest en de conclusie van de Inspecteur ingezonden.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2018. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende diens gemachtigden [A] en [B] , verbonden aan [C] te [plaats 2] , alsmede, namens de Inspecteur, [D] , [E] en [F] .

1.10.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.20 van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden en naar de feitelijke uitgangspunten zoals opgenomen in de onderdelen 2.1.1 tot en met 2.1.3 van het verwijzingsarrest, die als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

In aanvulling hierop stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.2.

Belanghebbende is opgericht op [datum 1] 1996 en in het register van de Kamer van Koophandel (hierna: de KvK) geregistreerd onder het handelsnummer [nummer 1] . In dit register zijn, volgtijdelijk, de volgende vestigingsadressen van belanghebbende geregistreerd:

Adres

[adres 1] 2 –A, [postcode 1] [plaats 1]

Datum ingang

[datum 1] -1996

Adres

[adres 2] 17-B, [postcode 2] [plaats 3]

Datum ingang

[datum 3] -1998

Adres

[adres 1] 2-A, [postcode 1] [plaats 1]

Datum ingang

[datum 4] -2001

Adres

[adres 3] 27, [postcode 3] [plaats 1]

Datum ingang

[datum 5] -2003

Adres

[adres 4] 56, [postcode 4] Arnhem

Datum ingang

[datum 6] -2011

2.3.

Uit het register van de KvK blijkt dat [G] (hierna: [G] ) met ingang van 18 februari 1998 tot en met 1 december 2001 volledig gevolmachtigd was om namens belanghebbende op te treden. Met betrekking tot [G] is het adres [adres 2] 17, [postcode 2] te [plaats 3] in het register van de KvK opgenomen. Dit betreft het adres van een bedrijfspand waarvan [G] de eigenaar is en dat gelegen is op een bedrijventerrein in [plaats 3] .

2.4.

[G] is een aangetrouwde oom van [H] (hierna: [H] ) en [H1] (hierna: [H1] ), de vennoten van belanghebbende (hierna samen: de vennoten). [G] was in de periode waarin hij namens belanghebbende als gevolmachtigde optrad werkzaam in de functie van transportleider.

2.5.

De Belastingdienst heeft aan belanghebbende het BTW-nummer [nummer 2] toegekend.

2.6.

In de akte van levering van [datum 7] 2001 (hierna: de akte van levering), waarbij belanghebbende een gedeelte van een bouwterrein (hierna: het bouwterrein) heeft geleverd aan [bedrijf 1] B.V., is opgenomen dat belanghebbende kantoor houdt aan [adres 2] 17-B, [postcode 2] te [plaats 3] . Voorts is, voor zover in hoger beroep relevant, in de akte van levering het handelsnummer [nummer 1] (zie onderdeel 2.2) opgenomen. De vennoten waren volgens de akte van levering op het moment van levering niet in Nederland woonachtig.

2.7.

Op het bouwterrein bevond zich een bouwkeet.

2.8.

Op 1 juni 1999 is [H] , verhuisd naar Duitsland. Met betrekking tot deze emigratie heeft [H] een door de Belastingdienst verstrekte ‘‘Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende’’ (hierna: de opgaaf) ingevuld. Voor zover in hoger beroep relevant, heeft hij in de opgaaf verklaard dat hij ook na emigratie vennoot blijft van belanghebbende. [H] heeft in de opgaaf [adres 3] 27, [postcode 3] te [plaats 1] als adres van belanghebbende vermeld.

2.9.

Ter zake van de verkoop van een vrachtwagen met het kenteken [kenteken] en chassisnummer [nummer 3] (hierna: de vrachtwagen) aan [bedrijf 2] B.V. heeft belanghebbende een factuur met dagtekening 30 augustus 2001 (hierna: de factuur) opgesteld. Op de factuur zijn het adres [adres 1] 2-A, [postcode 1] [plaats 1] , de (Nederlandse) telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , het (Nederlandse) faxnummer [faxnummer] , het bankrekeningnummer ING Regiobank [rekeningnummer] , het BTW-nummer [nummer 2] en het handelsnummer [nummer 1] opgenomen. Op de factuur is voorts een bedrag aan omzetbelasting ter hoogte van ƒ 9.310 (19% van de verkoopprijs van de vrachtwagen) vermeld.

2.10.

Belanghebbende heeft in de door haar ter zake van de tijdvakken in de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 ingediende aangiften omzetbelasting het BTW-nummer [nummer 2] vermeld.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil, na verwijzing, betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Was belanghebbende op 12 april 2001 – de datum waarop zij aan twee verschillende kopers delen van het bouwterrein heeft geleverd – in Nederland gevestigd respectievelijk beschikte zij op deze datum over een vaste inrichting in Nederland van waaruit de desbetreffende leveringen zijn verricht?

II. Bij ontkennende beantwoording van vraag I: Slaagt de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende op één of meer facturen melding heeft gemaakt van omzetbelasting?

III. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van door haar geleden immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn na de verwijzing door de Hoge Raad?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat vragen I en II ontkennend en vraag III bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is primair van mening dat vraag I bevestigend moet worden beantwoord en subsidiair, voor het geval vraag I ontkennend beantwoord wordt, dat vraag II bevestigend moet worden beantwoord.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Zakelijk weergegeven hebben de gemachtigden van belanghebbende ter zitting het volgende verklaard:

 [G] is een aangetrouwde oom van de vennoten. [G] was op 12 april 2001 als transportleider werkzaam bij belanghebbende.

Met ingang van [datum 3] 1998 tot [datum 4] 2001 is in het register van de KvK het adres [adres 2] 17-B, [postcode 2] te [plaats 3] als vestigingsadres van belanghebbende opgenomen. Dit betreft een bedrijfspand dat eigendom is van [G] . Het desbetreffende adres is in het register van de KvK als vestigingsadres van belanghebbende opgenomen uitsluitend met het doel om op dit adres de voor belanghebbende respectievelijk de vennoten bestemde post te ontvangen.

  • -

    Overleg met betrekking tot de bedrijfsvoering van belanghebbende vond uitsluitend telefonisch plaats. Beslissingen werden ook uitsluitend telefonisch genomen. De bouwkeet is niet met dit doel gebruikt.

  • -

    Belanghebbende heeft geen vaste inrichting in Nederland. Voor zover belanghebbende al zou beschikken over een dergelijke vaste inrichting, dan was deze vaste inrichting niet betrokken bij de onderhavige leveringen.

  • -

    Vanwege de lange duur van de onderhavige procedure kan belanghebbende aanspraak maken op vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.

3.5.

Zakelijk weergegeven heeft de Inspecteur ter zitting het volgende verklaard:

  • -

    Ik betwist bij gebrek aan wetenschap dat uitsluitend telefonisch overleg heeft plaatsgevonden met betrekking tot de bedrijfsvoering. Voorts betwist ik dat beslissingen uitsluitend telefonisch werden genomen.

  • -

    Ik stel mij op het standpunt dat belanghebbende in de periode [datum 3] 1998 tot [datum 4] 2001 kantoor hield op het adres [adres 2] 17-B, [postcode 2] te [plaats 3] . Ik betwist dat dit adres uitsluitend gebruikt werd als postadres.

  • -

    Mijns inziens kon de onderneming gevoerd worden vanuit de bouwkeet. Voor het voeren van een transportonderneming heb je niet meer nodig dan een ‘kantoorruimte’ en voertuigen. De vrachtwagen bevond zich eveneens op het bouwterrein.

3.6.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.224 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente en tot vernietiging van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de boetebeschikking en tot vernietiging van de boetebeschikking.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

De Hoge Raad heeft het Hof door middel van het verwijzingsarrest opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de stelling van belanghebbende dat zij ten tijde van de levering van delen van het bouwterrein buiten Nederland was gevestigd.

4.2.

Het Hof stelt voorop dat – anders dan de Inspecteur verdedigt (conclusie na verwijzing p. 3, vierde alinea van onderen) – de bewijslast met betrekking tot de vestigingsplaats of de aanwezigheid van een vaste inrichting van belanghebbende op de Inspecteur rust, aangezien vestiging in Nederland of het hebben van een vaste inrichting in Nederland een voorwaarde is om belanghebbende op grond van artikel 12, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting (hierna: de Wet OB 1968) in de belastingheffing te betrekken.

4.3.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: HvJ) volgt dat bij het vaststellen van de vestigingsplaats van een ondernemer voor de omzetbelasting beoordeeld dient te worden waar de zetel van de bedrijfsuitoefening zich bevindt. In het arrest HvJ van 28 juni 2007, Planzer Luxembourg Sàrl, nr. C-73/06, ECLI:EU:C:2007:397 (hierna: het Planzer-arrest) heeft het HvJ overwogen dat bij het bepalen van de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een vennootschap rekening gehouden dient te worden met tal van factoren waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald. Het HvJ heeft voorts overwogen dat ook andere elementen in aanmerking genomen kunnen worden bij het vaststellen van de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, de plaats waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en de plaats waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld.

4.4.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat toepassing van de hierboven opgesomde factoren in het onderhavige geval tot de conclusie leidt dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende zich in Nederland bevindt.

4.4.1.

De Inspecteur betoogt in dit kader dat de statutaire zetel van belanghebbende zich op [datum 7] 2001 in Nederland bevond. De Inspecteur wijst in dit verband op het feit dat op het moment dat de onderhavige leveringen plaatsvonden het adres [adres 2] 17-B, [postcode 2] te [plaats 3] in het register van de KvK als vestigingsadres van belanghebbende is geregistreerd (zie onderdeel 2.2) en op het feit dat Nederlandse adressen op de akte van levering (zie onderdeel 2.6), de ‘Opgaaf Informatie emigratie belanghebbende’ (zie onderdeel 2.8) en de factuur ter zake van de verkoop van de vrachtwagen (zie onderdeel 2.9) zijn vermeld.

4.4.2.

Voorts stelt de Inspecteur zich – bij gebrek aan wetenschap – op het standpunt dat de aanwezigheid van een in Nederland gelegen bouwkeet (zie onderdeel 2.7), de keuze om het adres van een in Nederland gelegen bedrijfspand als vestigingsadres in het register van de KvK op te nemen (zie onderdeel 2.3), het ontbreken van aanwijzingen van het bestaan van een in het buitenland gelegen bedrijfsruimte en de omstandigheid dat administratie van belanghebbende in Nederland is aangetroffen, erop wijzen dat zowel de dagelijkse bedrijfsvoering als het kernmanagement van belanghebbende vanuit Nederland plaatsvonden.

4.4.3.

Ten slotte betoogt de Inspecteur dat belanghebbende haar bankzaken met name in Nederland regelt. De Inspecteur wijst in dit verband op de omstandigheid dat belanghebbende over een bankrekening bij de ING Regiobank beschikt en de omstandigheid dat belanghebbende het nummer behorende bij deze bankrekening vermeld heeft op de factuur van 30 augustus 2001 (zie onderdeel 2.9). Voorts heeft belanghebbende zich, volgens de Inspecteur, voor de omzetbelasting gepresenteerd als een in Nederland gevestigde onderneming, doordat zij het aan haar toegekende Nederlandse BTW-nummer op voornoemde factuur en in de door haar ter zake van de tijdvakken in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 ingediende aangiften heeft vermeld.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, door inbreng van het uittreksel uit het register van de KvK (zie onderdeel 2.2), aannemelijk gemaakt dat de statutaire zetel van belanghebbende zich op [datum 7] 2001 in Nederland bevond.

4.6.

Voorts leveren de door de Inspecteur gestelde feiten en omstandigheden (zie de onderdelen 4.4.1 tot en met 4.4.3), in samenhang bezien, het beeld op dat de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen, de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald en de plaats waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld zich op deze datum in Nederland bevonden.

4.7.

Mede in aanmerking nemende dat elementen zoals opgenomen in het Planzer-arrest niet eenvoudig toepasbaar zijn op situaties – zoals de onderhavige – waarin een onderneming weinig economische activiteiten verricht, acht het Hof het arrest HvJ van 6 oktober 2011, Markus Stoppelkamp, nr. C-421/10, ECLI:EU:C:2011:640 (hierna: het Stoppelkamp-arrest) mede van belang. In dit arrest is namelijk overwogen dat aanknopingspunten die rechtstreeks verband houden met de door de ondernemer uitgeoefende economische activiteit als eerste in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van de vestigingsplaats. Naar het oordeel van het Hof leveren de door de Inspecteur gestelde feiten en omstandigheden (zie de onderdelen 4.4.1 tot en met 4.4.3) voldoende aanknopingspunten op met betrekking tot de factoren die rechtstreeks verband houden met de door de ondernemer uitgeoefende economische activiteit. Aldus is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de zetel van de bedrijfsuitoefening van belanghebbende zich op [datum 7] 2001 in Nederland bevond. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur derhalve voldaan aan de op hem rustende bewijslast als bedoeld in onderdeel 4.2.

4.8.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij op [datum 7] 2001 buiten Nederland was gevestigd uitsluitend gewezen op de omstandigheid dat [H] op deze datum in Duitsland (zie onderdeel 2.8) en [H1] in Nieuw-Zeeland woonde (zie onderdeel 2.11 van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij door verwijzing naar de privé-woonplaatsen van de vennoten aannemelijk gemaakt heeft dat de bedrijfsuitoefening (telefonisch) vanuit het buitenland plaatsvond.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof is de enkele omstandigheid dat de vennoten ten tijde van de onderhavige leveringen in het buitenland woonden echter onvoldoende om te concluderen dat de zetel van de bedrijfsuitoefening zich in het buitenland bevond.

4.10.

Het HvJ heeft in het Stoppelkamp-arrest namelijk overwogen dat de privéwoonplaats van een vennoot – en de overige factoren die op grond van het Planzer-arrest in tweede instantie in aanmerking genomen kunnen worden – uitsluitend aan de orde komen wanneer geen aanknopingspunten voorhanden zijn die rechtstreeks verband houden met de door de ondernemer uitgeoefende economische activiteit. Zoals uit het vorenoverwogene volgt is daar naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval echter geen sprake van.

4.11.

Gelet op het voorgaande beantwoordt het Hof vraag I bevestigend.

Vraag II

4.12.

Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I, komt het Hof niet toe aan beantwoording van vraag II.

Vraag III

4.13.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de schade die zij geleden heeft door overschrijding van de redelijke termijn na de verwijzing door de Hoge Raad.

4.14.

Belanghebbendes stelling slaagt.

4.15.

Uit het arrest Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252 volgt dat een verwijzingsrechter, behoudens bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37.984, ECLI:NL:HR:2005:AT4468, uitspraak dient te doen binnen één jaar na het uitspreken van het verwijzingsarrest.

4.16.

Niet gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur zouden rechtvaardigen.

4.17.

Het verwijzingsarrest is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016. Gelet hierop en de uitspraak van heden van het Hof is de redelijke termijn om uitspraak te doen (afgerond naar boven) met één jaar overschreden.

4.18.

Als uitgangspunt dient een schadevergoeding ter hoogte van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden aan belanghebbende toegekend te worden. Het Hof ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.

4.19.

Het Hof zal de Staat (de Minister voor rechtsbescherming) derhalve veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende in verband met de overschrijding van de redelijke termijn heeft geleden tot een bedrag van € 1.000.

4.20.

Het Hof zal voorts, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, zaaknummer 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, de Staat (de Minister voor rechtsbescherming) veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 1.000 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de uitspraak heden in het openbaar van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.

Slotsom

4.21.

Gelet op de omstandigheid dat de Hoge Raad de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden geheel heeft vernietigd en de Inspecteur geen incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het oordeel van Hof Arnhem-Leeuwarden om de boetebeschikking te vernietigen, is de slotsom dat het hoger beroep gegrond is en dat uitspraak van de Rechtbank vernietigd dient te worden, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boetebeschikking. Het Hof zal, gelet op het voorgaande, het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ter zake van de boetebeschikking gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar ter zake van de boetebeschikking vernietigen en de boetebeschikking vernietigen. Voorts zal het Hof de Minister voor Rechtsbescherming veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende geleden heeft tot een bedrag van € 1.000 en een rentevergoeding indien niet tijdig zal worden betaald.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Gelet op de omstandigheid dat het hoger beroep gegrond is, is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij Hof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van € 466 wordt vergoedt. De beslissing van de Rechtbank omtrent het griffierecht blijft in stand.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

4.24.

Gelet op het verwijzingsarrest, waarbij de Hoge Raad de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden heeft vernietigd, zal het Hof de tegemoetkoming in de kosten van het geding bij Hof Arnhem-Leeuwarden opnieuw vaststellen. Het Hof bepaalt de hoogte van de vergoeding aan de hand van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

4.25.

Aangezien het Hof de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend vernietigt voor wat betreft de beslissing omtrent de boetebeschikking en de beslissing van de Rechtbank omtrent de proceskosten derhalve in stand blijft, zal het Hof de tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar en het geding bij de Rechtbank niet opnieuw vaststellen.

4.26.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling bij Hof Arnhem-Leeuwarden, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 3 (punten) x € 501 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.503.

4.27.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling bij het Hof (na verwijzing), mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 1,5 (punten) x € 501 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 751,50.

4.28.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boetebeschikking;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ter zake van de boetebeschikking bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur ter zake van de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    veroordeelt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden in verband met de overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000 en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de heden in het openbaar gedane uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij Hof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van € 466 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij Hof Arnhem-Leeuwarden en het Hof (na verwijzing) aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 2.254,50.

Aldus gedaan op 19 juli 2018 door P. Fortuin, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is door P.A.M. Pijnenburg en de griffier ondertekend aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.