Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
200.234.219_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3052
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

gezagsbeëindigende maatregel. Geen perspectief meer op thuisplaatsing. Kind behoefte aan duidelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 juli 2018

Zaaknummer : 200.234.219/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/240784 / FA RK 17-3635

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.B.M. Rütten,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Mestrini,

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI,

- de familie [de pleegouders],

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 december 2017, gewezen onder bovengemeld zaaknummer, waarbij het ouderlijk gezag van beide ouders is beëindigd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 februari 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij haar ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] is beëindigd, althans dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

Evenals de moeder is ook de vader in hoger beroep gekomen van de boven vermelde beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 december 2017. Zijn beroep richt zich tegen voormelde beschikking, voor zover daarbij zijn ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] is beëindigd. Dat hoger beroep is door de griffie geadministreerd onder zaaknummer 200.235.254/01. De mondelinge behandeling van dat hoger beroep heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak.

Het hof beslist in iedere zaak bij afzonderlijke beschikking.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Rütten;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Mestrini;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de pleegouders.

Mevrouw [begeleider van de vader] , begeleider van de vader, heeft de zitting als toehoorder bijgewoond.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 november 2017, zoals overgelegd namens de advocaat van de moeder bij V-formulier van 6 april 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de in 2014 verbroken relatie van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

De ouders waren tot aan de bestreden beschikking gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2.

[minderjarige] is op 16 oktober 2012 onder toezicht gesteld van de GI.

3.3.

De moeder en [minderjarige] verbleven sinds december 2012 in een begeleid wonen traject van Radar. De vader verbleef daar met hen tot eind 2014. Sinds medio 2015 is er sprake van een uithuisplaatsing van [minderjarige] : aanvankelijk bij een tante van [minderjarige] (augustus 2015- augustus 2016) en daarna in een pleeggezin van Xonar (augustus 2016 - december 2016).

Sinds 2 december 2016 verblijft [minderjarige] in het huidige pleeggezin.

Beide ouders hebben contact met [minderjarige] dat door AnaCare wordt begeleid.

De moeder had maandelijks anderhalf uur contact met [minderjarige] . In maart 2018 is het contact tussen de moeder en [minderjarige] uitgebreid naar twee uur en een kwartier, waarvan één uur onbegeleid.

De vader heeft wekelijks twee uur begeleid contact met [minderjarige] .

3.4.

De raad heeft verzocht om het gezag van beide ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het gezag van beide ouders over [minderjarige] beëindigd.

3.5.

De moeder kan zich ten dele met deze beslissing niet verenigen. Zij is hiervan in hoger beroep gekomen voor zover het betreft de beëindiging van haar ouderlijk gezag over [minderjarige] . In haar beroepschrift voert zij, kort samengevat, het volgende aan.

In 2015 kon de moeder inderdaad niet voor [minderjarige] zorgen, omdat [minderjarige] problematisch gedrag vertoonde. Zij had driftbuien en had problemen op school. De moeder heeft destijds bij Radar te weinig begeleiding gehad. De moeder heeft ervoor gekozen om [minderjarige] tijdelijk bij haar zus te laten wonen. Helaas ging het niet beter met [minderjarige] , waarna zij in een pleeggezin terecht kwam.

Het gaat nu al geruime tijd goed met de moeder. Zij werkt, woont samen met haar partner en krijgt van hem veel steun. De moeder staat open voor hulpverlening en begeleiding. De moeder heeft er op aangedrongen dat onderzocht moest worden, in haar huiselijke omgeving, of een thuisplaatsing mogelijk was. Hier is geen gevolg aan gegeven. [minderjarige] verdient het dat wordt onderzocht of, en onder welke voorwaarden, zij bij de moeder zou kunnen wonen. Zolang dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden is een gezagsbeëindigende maatregel veel te vroeg.

Het is juist dat de moeder enkele omgangsafspraken heeft moeten afzeggen; zij was een aantal keren ziek en zij is afhankelijk van het openbaar vervoer dat niet altijd nauwkeurig en betrouwbaar is. Dat de moeder [minderjarige] een aantal keren niet heeft kunnen zien, kwam door overmacht en niet gemakzucht. De moeder heeft regelmatig belcontact met [minderjarige] .

Er is geen noodzaak om het ouderlijk gezag te beëindigen. De ouders hebben onderling goed contact en spreken de voogd regelmatig. De ouders verleenden toestemming in situaties waarin dit van hen als gezaghebbende ouders werd gevraagd zodat zaken voor [minderjarige] geregeld konden worden. Hiermee heeft de moeder laten zien goed in staat te zijn invulling te geven aan de op haar rustende verantwoordelijkheden ten aanzien van [minderjarige] .

Ter zitting van het hof heeft de moeder hieraan toegevoegd dat zij weet dat [minderjarige] het goed heeft in het pleeggezin, maar dat dit niet wegneemt dat [minderjarige] , op termijn, weer thuis kan worden geplaatst bij haar. De maatregelen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing geven tot die tijd nog voldoende duidelijkheid; beëindiging van haar ouderlijk gezag is daarom niet nodig.

3.6.

De raad heeft ter zitting, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[minderjarige] is sinds haar vierde levensjaar uithuisgeplaatst en voor die tijd had zij al veel meegemaakt. Sinds de plaatsing in het huidige pleeggezin heeft [minderjarige] een duidelijke groei doorgemaakt. Het is belangrijk dat zij zich verder blijft ontwikkelen en dat zij de kans krijgt zich verder te hechten aan haar pleegouders. De moeder blijft echter hoop houden dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De moeder straalt richting [minderjarige] niet uit dat zij erin berust dat [minderjarige] in het pleeggezin zal opgroeien. De aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken. [minderjarige] heeft recht op definitieve duidelijkheid over haar toekomst.

De rol die de moeder nu in het leven van [minderjarige] speelt zal na de gezagsbeëindigende maatregel niet minder worden. Het is nu met name belangrijk dat de moeder samen met de voogd en de pleegouders op zoek gaat naar een goede manier om invulling te blijven geven aan haar moederschap. Dit betreft in het bijzonder de vraag wat de moeder kan doen in haar ouderrol, en wat zij dient over te laten aan de voogd.

3.7.

De GI heeft ter zitting verklaard dat zij de afgelopen jaren veel gesprekken met de moeder heeft gevoerd teneinde met de moeder af te stemmen wat de moeder wel aankon in de zorg voor [minderjarige] en hoe er invulling diende te worden gegeven aan de contacten tussen haar en [minderjarige] . Dit heeft geen resultaat gehad, omdat de moeder wisselende signalen bleef afgeven: het ene moment zei de moeder dat zij de zorg voor [minderjarige] weer aankon en het andere moment gaf zij aan daartoe niet in staat te zijn. Voordat het verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel werd ingediend, heeft de GI onderzocht of een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk was. Dit bleek niet zo te zijn. De moeder had het vaak lastig en was een tijd niet in staat om de contactregeling met [minderjarige] na te komen. De moeder heeft [minderjarige] na haar plaatsing in het toenmalige pleeggezin in augustus 2016 vier maanden niet gezien en was in deze periode niet bereikbaar voor de GI. Omdat het met [minderjarige] in dat pleeggezin niet goed ging, is in november 2016 het opvoedbesluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. De GI is toen op zoek gegaan naar een perspectiefbiedend pleeggezin voor [minderjarige] . Inmiddels komt de moeder de contactregeling met [minderjarige] goed na; zij is hierin betrouwbaar gebleken. In het verleden heeft de moeder een tijdje aan [minderjarige] ‘getrokken’. Na uithuisgeplaatst te zijn in verschillende gezinnen, verdient [minderjarige] nu rust en duidelijkheid.

3.8.

De pleegouders hebben ter zitting verklaard dat [minderjarige] een beschadigd meisje is dat veel aandacht en structuur nodig heeft. Zij vertoont claimend gedrag. De pleegouders merken dat [minderjarige] onzeker is over waar zij mag opgroeien. [minderjarige] zoekt veel bevestiging wanneer het gaat over (bijvoorbeeld) de vraag waar zij op bepaalde momenten naartoe gaat en wie er met haar mee gaat. De pleegouders vermoeden, gezien het gedrag dat [minderjarige] vertoont, dat [minderjarige] bang is dat zij “weg moet”. Al met al vinden de pleegouders dat het nu redelijk goed gaat met [minderjarige] .

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.9.2.

Van misbruik van gezag is geen sprake. Beoordeeld moet worden of voldaan is aan de maatstaf van onderdeel a van lid 1 van voornoemd artikel.

3.9.3.

[minderjarige] is een kwetsbaar, zevenjarig meisje met een ontwikkelingsachterstand dat wisselende verblijfplaatsen heeft gekend. Sinds augustus 2015 verblijft [minderjarige] niet meer bij de moeder. [minderjarige] heeft meer dan een gemiddeld kind behoefte aan een opvoedingsklimaat waarin sprake is van een vaste structuur, duidelijkheid, rust, veiligheid en ondersteuning. Sinds december 2016 verblijft zij in het huidige pleeggezin en daar heeft zij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Binnen het pleeggezin komt [minderjarige] toe aan haar ontwikkelingstaken en is zij tot rust gekomen.

[minderjarige] heeft iedere maand contact met haar moeder. De moeder had in het verleden moeite om de contactmomenten na te komen, maar is thans betrouwbaar gebleken en heeft hierin

een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Inmiddels maakt sinds maart 2018 één onbegeleid uur met [minderjarige] onderdeel uit van de contactregeling. Dit neemt echter niet weg dat de moeder al geruime tijd niet meer zelf de verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft gedragen en dat hiervan in de toekomst, anders dan de moeder meent, evenmin sprake kan zijn. Sinds de start van de uithuisplaatsing is door de GI verscheidene keren een afweging gemaakt of thuisplaatsing bij de moeder mogelijk is. Dit bleek niet zo te zijn, onder meer omdat de moeder wisselende signalen bleef afgeven over wat zij aankon en omdat zij niet betrouwbaar was in de nakoming van de contactmomenten met [minderjarige] . Gezien de onzekerheid waarin [minderjarige] verkeerde, acht het hof het in november 2016 genomen opvoedbesluit van de GI dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt, maar binnen de pleegzorg – hoe pijnlijk ook voor de moeder – begrijpelijk en noodzakelijk in het belang van [minderjarige] . Thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder (dan wel een nader onderzoek of thuisplaatsing nog mogelijk is) acht het hof niet meer aan de orde.

Het hof is van oordeel dat de moeder niet in staat is gebleken het opvoedingsklimaat te creëren dat [minderjarige] nodig heeft. De in de wet bedoelde aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken en het perspectief van [minderjarige] ligt binnen het pleeggezin. Het is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat deze situatie voor de toekomst wordt gewaarborgd met een gezagsbeëindiging.

3.9.4.

De moeder stelt dat zij het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders niet ter discussie stelt, zodat het voor de duidelijkheid voor [minderjarige] over haar perspectief niet nodig is haar gezag te beëindigen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt het hof evenwel op dat de moeder het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders niet ten volle aanvaardt. Zo stelt de moeder zich op het standpunt dat [minderjarige] op termijn weer bij haar kan worden teruggeplaatst. Het hof maakt uit het betoog van de moeder op dat zij een verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders voor nu ondersteunt. Gelet hierop verwacht het hof dat als de bestreden beschikking wordt vernietigd en het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin wordt gecontinueerd met een jaarlijks te verlengen ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, de situatie omtrent het perspectief van [minderjarige] onrustig blijft. Bovendien zal de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin jaarlijks ter toetsing aan de rechter moeten worden voorgelegd. Aan de verlengingsverzoeken zullen besprekingen en rapportages vooraf gaan die voor onrust kunnen zorgen bij de betrokkenen, hetgeen zijn doorwerking zal hebben op [minderjarige] . Voorts zal [minderjarige] zelf vanaf haar twaalfde levensjaar door de rechter in de gelegenheid moeten worden gesteld haar mening kenbaar te maken over de verlenging van de bewuste maatregelen, met de daarmee voor haar gepaard gaande onrust en mogelijke onzekerheid van dien. Ook langs andere weg zal [minderjarige] bij de jaarlijkse verlenging van die maatregelen worden betrokken. Gelet op artikel 799a lid 2 en lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het verzoekschrift betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing namelijk vermelden of, en zo ja, op welke wijze de inhoud dan wel de strekking van het verzoekschrift is besproken met de minderjarige en welke reactie de minderjarige hierop heeft gegeven.

De signalen die [minderjarige] zelf afgeeft wijzen erop dat [minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid over de plaats waar zij zal opgroeien. Uit het raadsrapport en het besprokene ter zitting in hoger beroep komt naar voren dat [minderjarige] bij de pleegouders vaak de bevestiging zoekt dat zij bij hen mag blijven en dat zij zich daarover onzeker voelt. [minderjarige] verdient het dat de definitieve plaatsing binnen dit pleeggezin wordt geformaliseerd. Een beëindiging van het gezag van de moeder zal [minderjarige] de noodzakelijke duidelijkheid bieden en haar de rust geven om zich in haar huidige vertrouwde omgeving van het pleeggezin verder te ontwikkelen.

3.9.5.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en dat [minderjarige] ’s belang om die gezagsbeëindiging vraagt.

Het hof begrijpt dat behoud van het gezag voor de moeder van grote emotionele betekenis is, maar zij blijft ook na gezagsbeëindiging de moeder van [minderjarige] en haar band met [minderjarige] wordt niet verbroken. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat de moeder een plaats in haar leven behoudt, waarbij het hof opmerkt dat contact tussen de moeder en [minderjarige] belangrijk is en blijft voor [minderjarige] .

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige] is beëindigd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.