Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3036

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
20-001016-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreigingen van een burgemeester en een wethouder. Het hof veroordeelt verdachte ter zake van bedreiging van een opsporingsambtenaar tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001016-18

Uitspraak : 20 juli 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 12 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-845742-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en in het vonnis nader genoemde algemene en bijzondere voorwaarden, waarbij is bevolen dat de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar] . De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is de verdachte veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Tot slot is bij voormeld vonnis het tegen de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis, welke voorlopige hechtenis op 21 december 2017 reeds geschorst was, opgeheven.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en daaraan de door de politierechter eerder opgelegde bijzondere voorwaarden zal verbinden.

Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 200,00.

De raadsman heeft primair bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Subsidiair heeft de raadsman verzocht dat het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van de ten laste gelegde bedreiging ten aanzien van de [burgemeester] en de [wethouder] .

Voorts is door de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Tot slot heeft de raadsman bepleit dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal afwijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 november 2017 tot en met 7 december 2017 te [plaats] , althans in Nederland, een of meerdere personen, te weten [wethouder] en/of [opsporingsambtenaar] en/of [burgemeester] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door telefonisch (in gesproken woord en/of middels tekstbericht) in gesprek met [leerplichtambtenaar] de navolgende bedreigingen te uiten en welke voornoemde bedreiging(en) bestonden uit het opzettelijk dreigend toevoegen van de woorden:

- " die kanker burgemeester, vuile arrogante kwal. Ze hebben de verkeerde voor zich als ze mij willen pakken. Het zal niet de eerste keer zijn als er iemand gevonden wordt uitgebrand in de kofferbak van een auto. Mij krijgen ze niet kapot" en/of

- " die kut [opsporingsambtenaar] ben ik ook nog niet klaar mee. Die heeft een van mijn zoons aangehouden en geslagen. Voor mij staat hier de doodstraf op, dat doe je niet bij een kind. Ik weet waar hij woont en ik hou hem op Instagram in de gaten. Hem pak ik nog wel" en/of

- " ik ben er klaar mee. Als de wethouder iets belooft moet ze dat ook waarmaken. In mijn milieu maakt belofte schuld. Indien je die niet inlost kun je het vergelden in mijn milieu. Want ik ben er helemaal klaar mee " en/of

- " ik kan ieders vriend zijn. Maar in deze kankertoestanden zal ik de ergste horror doen uitkomen. Met risico op lange detenties heeft niemand mij ooit bang kunnen maken. Wat gebeuren moet, zal simpelweg uitkomen. Ik ben opzettelijk gejok, gelieg en het politieke gedwarsboom meer dan kotsbeu. Als iemand mijn geschiedenis heeft gevolgd dan moet dood en vergelding opgevallen zijn", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreiging(en) voornoemde perso(o)n(en) ook hebben bereikt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële vrijspraken

Door de verdediging is primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair is door de verdediging betoogd dat er minst genomen geen dan wel onvoldoende bewijs van bedreigingen ten aanzien van de [burgemeester] en de [wethouder] voorhanden is, nu de uitlatingen van verdachte te weinig concreet zijn en niet expliciet zien op die personen.

Het hof overweegt als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich – kortgezegd – in (telefoon/sms-)gesprekken met [leerplichtambtenaar] schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [wethouder] en/of [opsporingsambtenaar] en/of [burgemeester] . Daartoe is telkens (door middel van gedachtestreepjes) een aantal daaraan ten grondslag liggende uitlatingen van verdachte ten laste gelegd. Ten behoeve van de leesbaarheid zal hieronder per gedachtestreepje aan de orde komen of het hof de uitlating gedaan door verdachte bewezen acht en, zo ja, of de bewezen verklaarde uitlating naar het oordeel van het hof een bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling vereist is dat de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen dan wel dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje

Met de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte van het eerste gedachtestreepje, inhoudende de uitlatingen “die kanker burgemeester, vuile arrogante kwal. Ze hebben de verkeerde voor zich als ze mij willen pakken. Het zal niet de eerste keer zijn als er iemand gevonden wordt uitgebrand in de kofferbak van een auto. Mij krijgen ze niet kapot” dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In een proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2017 heeft [leerplichtambtenaar] gerelateerd dat hij op 13 november 2017, omstreeks 15.00 uur, werd gebeld door het [telefoonnummer] . Dat nummer is in zijn telefoon gekoppeld aan de naam [verdachte] . Toen [leerplichtambtenaar] de telefoon opnam en zichzelf had voorgesteld, hoorde hij de voor hem bekende stem van [verdachte] . [leerplichtambtenaar] hoorde dat de persoon zich ook voorstelde als [verdachte] . [leerplichtambtenaar] hoorde verdachte het volgende zeggen: (..) “Want die kanker burgemeester, vuile arrogante kwal, zit me ook al dwars. (..) Ze hebben de verkeerde voor zich als ze mij willen pakken. Zal niet de eerste keer zijn dat er iemand gevonden wordt uitgebrand in de kofferbak van een auto. Mij krijgen ze niet kapot. Ik had al eerder onder de grond moeten liggen, ben al vaker beschoten en er is al vaker geprobeerd mij om te leggen. Dat gaat zo in mijn milieu en gebeurt ook om me heen. (..)”.1

Het hof heeft vastgesteld dat onderhavig ‘proces-verbaal’ niet is ondertekend en bovendien niet vermeldt of het op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt. Het relaas van [leerplichtambtenaar] is als zodanig niet aan te merken als een proces-verbaal als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 2˚, van het Wetboek van Strafvordering, zodat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd niet, zoals is bepaald bij artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, op het relaas uit bovenomschreven proces-verbaal alleen kan worden aangenomen. Het relaas van [leerplichtambtenaar] is derhalve aan te merken als een ‘ander geschrift’ als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5˚, van het Wetboek van Strafvordering, welk geschrift alleen kan gelden in verband met de inhoud van een ander bewijsmiddel.

Naar het oordeel van het hof bevindt zich geen dergelijk ander bewijsmiddel in het dossier. Weliswaar bevindt zich in het dossier een aangifte van [burgemeester] , doch de inhoud van deze aangifte is te herleiden naar de hierboven weergegeven bron. Het bewijs voor de bedreiging schiet dus om deze formele reden reeds tekort.

Voorts is de tekst van de uitlating naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek om te kunnen spreken van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Zoals door de raadsman naar voren is gebracht, is de uitlating “die kanker burgemeester, vuile arrogante kwal” veeleer aan te merken als een belediging.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, geconfronteerd met de woorden “Zal niet de eerste keer zijn dat er iemand gevonden wordt uitgebrand in de kofferbak van een auto. Mij krijgen ze niet kapot.”, dat hij zichzelf herkent in die woorden, maar dat hij in die woorden zichzelf als voorbeeld heeft bedoeld en geen specifieke personen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden uitgesloten, zoals eveneens door de verdediging is betoogd, dat de uitlating “zal niet de eerste keer zijn dat er iemand gevonden wordt uitgebrand in de kofferbak van een auto” op verdachte zelf betrekking heeft, ook nu verdachte zich in de daaropvolgende uitlatingen richt op bedreigingen aan zijn adres.

De door de verdachte gedane uitlatingen zijn derhalve niet van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [burgemeester] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen dan wel dat hij het leven zou laten.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van de [burgemeester] , zodat verdachte van de onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde uitlatingen zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het derde gedachtestreepje

Met de verdediging is het hof van oordeel dat verdachte eveneens van het derde gedachtestreepje, inhoudende de uitlatingen “ik ben er klaar mee. Als de wethouder iets belooft moet ze dat ook waarmaken. In mijn milieu maakt belofte schuld. Indien je die niet inlost kun je het vergelden in mijn milieu. Want ik ben er klaar mee” dient te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

In het eerdergenoemde proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2017 heeft [leerplichtambtenaar] gerelateerd dat hij op 13 november 2017, omstreeks 15.00 uur, werd gebeld door [verdachte] . [leerplichtambtenaar] hoorde verdachte het volgende zeggen: “Ik ben er klaar mee! Als de wethouder iets belooft moet ze het ook waarmaken. In mijn “milieu” maakt een belofte schuld. Indien je die niet inlost betaal je met geld of kun je het vergelden in mijn “milieu”. Want ik ben er helemaal klaar mee”.2

Hetgeen hiervoor onder het kopje ‘Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje’ omtrent bovengenoemd proces-verbaal is overwogen, te weten dat het relaas van [leerplichtambtenaar] als zodanig niet is aan te merken als een proces-verbaal als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 2˚, van het Wetboek van Strafvordering, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd, in die zin dat voor ‘aangifte van [burgemeester] ’ hier dient te worden gelezen ‘aangifte van [wethouder] ’.

Ook hiervoor geldt dat zich geen ander bewijsmiddel in het dossier bevindt. De inhoud van de aangifte van [wethouder] is te herleiden naar de hierboven weergegeven bron. Het bewijs voor de bedreiging schiet dus om deze formele reden tekort.

Het hof overweegt voorts dat bovenstaande uitlatingen, gelet op de algemene woordkeuze, niet van dien aard zijn dat bij [wethouder] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen dan wel dat zij het leven zou laten. Bovendien zijn er geen omstandigheden gebleken waardoor een dergelijke redelijke vrees evenwel kon ontstaan.

Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van de [wethouder] , zodat verdachte van de onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde uitlatingen zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, eerste deel

Aan verdachte is onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging door opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen: “ik kan ieders vriend zijn. Maar in deze kankertoestanden zal ik de ergste horror doen uitkomen. Met risico op lange detenties heeft niemand mij ooit bang kunnen maken. Wat gebeuren moet, zal simpelweg uitkomen. Ik ben opzettelijk gejok, gelieg en het politieke gedwarsboom meer dan kotsbeu. Als iemand mijn geschiedenis heeft gevolgd dan moet dood en vergelding opgevallen zijn”.

Naar het oordeel van het hof dient verdachte van het eerste deel van de uitlating (“ik kan ieders vriend zijn (..) meer dan kotsbeu”) te worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2017, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , volgt dat de verbalisant de inhoud van de telefoon van [leerplichtambtenaar] heeft bekeken. Binnen de berichten werd door de verbalisant een berichtensessie aangetroffen met een contact genaamd [verdachte] met daaraan gekoppeld het [telefoonnummer] . Binnen deze berichtensessie werd op de datum 6 december 2017 een groot aantal inkomende sms-berichten aangetroffen. De inhoud van de ten laste gelegde berichten is als volgt.

00:42 (..) Ik kan ieders grote vriend zijn. Maar in kankertoestanden als deze zal ik de
ergste horror doen uitkomen. Met risico op lange detenties heeft niemand mij ooit
bang kunnen maken. Wat gebeuren moet, zal simpelweg uitkomen.

00:44 Ik ben het opzettelijke gejok, gelieg en het politieke gedwarsboom van iedereen
meer dan kots en kotsbeu.3

Anders dan hiervoor is overwogen ten aanzien van het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2017 van [leerplichtambtenaar] , betreft het bovenstaande een proces-verbaal dat op ambtsbelofte is opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] en derhalve voldoet aan de eisen zoals aan de processen-verbaal als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 2˚, van het Wetboek van Strafvordering gesteld. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

Het hof is echter van oordeel dat nog afgezien van de vraag of de betreffende uitlating is aan te merken als een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, uit de inhoud van de uitlatingen, bezien ook in het licht van de overige inhoud van de berichten die verdachte in die nacht van 00:42 uur tot 04:54 uur heeft verzonden naar [leerplichtambtenaar] , niet kan worden afgeleid tot wie de uitlatingen zijn gericht, zodat verdachte van het eerste deel van het vierde gedachtestreepje zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 13 november 2017 tot en met 7 december 2017 in Nederland [opsporingsambtenaar] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door telefonisch (in gesproken woord en/of middels tekstbericht) in gesprek met [leerplichtambtenaar] de navolgende bedreigingen te uiten en welke voornoemde bedreigingen bestonden uit het opzettelijk dreigend toevoegen van de woorden:

- " die kut [opsporingsambtenaar] ben ik ook nog niet klaar mee. Die heeft een van mijn zoons aangehouden en geslagen. Voor mij staat hier de doodstraf op, dat doe je niet bij een kind. Ik weet waar hij woont en ik hou hem op Instagram in de gaten. Hem pak ik nog wel" en/of

- “ Als iemand mijn geschiedenis heeft gevolgd dan moet dood en vergelding opgevallen zijn", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreigingen voornoemde persoon ook hebben bereikt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 13 november 2017 in Nederland [opsporingsambtenaar] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door telefonisch in gesprek met [leerplichtambtenaar] de navolgende bedreiging te uiten en welke voornoemde bedreiging bestond uit het opzettelijk dreigend toevoegen van de woorden: “die kut [opsporingsambtenaar] ben ik ook nog niet klaar mee. Die heeft een van mijn zoons aangehouden en geslagen. Voor mij staat hier de doodstraf op, dat doe je niet bij een kind. Ik weet waar hij woont en ik hou hem op Instagram in de gaten. Hem pak ik nog wel”. Het hof overweegt daartoe als volgt.

In het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2017 heeft [leerplichtambtenaar] gerelateerd dat hij op 13 november 2017, omstreeks 15.00 uur, werd gebeld door het [telefoonnummer] . Dat nummer is in zijn telefoon gekoppeld aan de naam [verdachte] . [leerplichtambtenaar] hoorde [verdachte] het volgende zeggen: “(..) Want die kut [opsporingsambtenaar] van de politie ben ik ook nog niet klaar mee. Die heeft een van mijn zoons aangehouden, dubbel geboeid en hierna vol in zijn gezicht geslagen. Voor mij staat hierop de doodstraf dit doe je niet bij een kind. Ik weet waar die vandaan komt en waar hij woont. Ik hou hem in de gaten op Instagram met z’n kankerfoto’s die hij hier opzet. Hem pak ik nog wel”.4

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zichzelf herkent in bovenstaande uitlatingen. Gelet ook op deze verklaring gaat het hof voorbij aan de stelling van de raadsman dat de geverbaliseerde woorden een interpretatie zouden zijn van [leerplichtambtenaar] .

Hetgeen hiervoor onder het kopje ‘Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje’ omtrent bovengenoemd proces-verbaal is overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd, in die zin dat voor ‘aangifte van [burgemeester] ’ hier dient te worden gelezen ‘aangifte van [opsporingsambtenaar] ’. Het hof is evenwel, anders dan onder het kopje ‘Partiële vrijspraken’ is overwogen, van oordeel dat bovenstaand geschrift wordt ondersteund door de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van overige bewijsmiddelen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2017, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , volgt dat de verbalisant de inhoud van de telefoon van [leerplichtambtenaar] heeft bekeken. Binnen de berichten werd door de verbalisant een berichtensessie aangetroffen met een contact genaamd [verdachte] met daaraan gekoppeld het [telefoonnummer] . Binnen deze berichtensessie werd op de datum 6 december 2017 een groot aantal inkomende sms-berichten aangetroffen. De inhoud van een aantal van die berichten is als volgt.

00:48 Het is nog niet alles. Wat jouw kankeropvolger (het hof begrijpt: [opsporingsambtenaar]) onze
[naam 1] geflikt heeft. Ik verwacht dat hem of iemand die hem zeeeeer lief is het ooit
zal gaan bezuren. Vertrekken of verstoppen of vluchten maakt niets meer goed. Hij
heeft persoonlijk zijn vonnis voltrokken met het plaatsen van zijn dikke smerige
kankerkop op zijn kanker-instagram en tevens 1 foto met die [naam 2] naast hem.

00:51 Mijn bekenden beste vrienden fam leden en ik genieten enorm de sympathie over
een evenzo enorm gebied. Zet de klok maar gelijk aan die van mij. Er is al een
doodsvloek en doodsverwensing over hem heen geroepen.

(..)
00:54 Dikke kankerkoppen als die van [opsporingsambtenaar] en zijn kankercollega [naam 3] zijn zaken die
zichzelf oplossen. Teveel voorbeelden vanuit mijn milieus en netwerk waarin dit de
normaalste zaak vd wereld is. Het kost immers niks.

00:56 Ik kom die 2 persoonlijk nog tegen. Zet ook daar de klok gelijk op aan de mijne.
Wat mijn leden zal treffen raakt ook mij.

01:00 Het is mijn 2de natuur [leerplichtambtenaar] om te leven op de minste voorzieningen of op niets. En als iemand al mijn geschiedenis gevolgd heeft wat eenvoudig lukt. Dan moet dood en vergelding opgevallen zijn.

(..)
01:06 Ik heb geen reden tot geweten in toestanden die spelen zoals op heden.

(..)
04:13 [leerplichtambtenaar] .. Jij bent de voorganger geweest van deze kankerlijer [opsporingsambtenaar]

04:14 Ik zeg het niet auw (het hof begrijpt: gauw) maar er komt een moment dat iemand
uit mijn achterban de vloek zal uitroepen over deze kankerlijer [opsporingsambtenaar] .

04:15 Die kankerlijer is nog niet klaar met zijn kankerberichtgevingen op instagram,
begeleid met persoonlijke foto’s.

(..)

04:20 Als de doodstraf in dit land mogelijk was dan zou ik de filmopnamen ervan in
repeat op de grafzerk van deze kankeropvolger laten bevestigen.5

Voorts heeft het hof bij zijn oordeel het proces-verbaal van aangifte van [opsporingsambtenaar] van 15 december 2017 betrokken, waaruit blijkt dat [opsporingsambtenaar] op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat, gelet op de persoon [verdachte] en zijn verleden, bij hem de overtuiging bestaat dat hij deze bedreiging mogelijk (deels) om zal zetten in daden. [opsporingsambtenaar] heeft verklaard dat hij op 15 juli 2017 de zoon van verdachte, [naam 4] , heeft aangehouden, waarbij [naam 4] verzet pleegde. Hier doelt [verdachte] ook op in zijn bedreigingen, aldus [opsporingsambtenaar] .6

Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 24 januari 2018 is gebleken dat onder verdachte zijn mobiele telefoon in beslag is genomen. Door verdachte is in de sms-berichten gesuggereerd dat hij jeugdagent [opsporingsambtenaar] via social media in de gaten hield. Door [verbalisant] werd binnen de veiliggestelde gegevens hier onderzoek naar gedaan. Binnen de gegevens werden meerdere screenshots van het [Instagram-account] aangetroffen.7

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat de onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde uitlatingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij de bedreigde [opsporingsambtenaar] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde uitlating kan aldus bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje, laatste deel

Het hof is van oordeel dat kan worden bewezen verklaard dat verdachte op 6 december 2017 in Nederland [opsporingsambtenaar] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door telefonisch in gesprek met [leerplichtambtenaar] de navolgende bedreiging te uiten en welke voornoemde bedreiging bestond uit het opzettelijk dreigend toevoegen van de woorden: “Als iemand mijn geschiedenis heeft gevolgd dan moet dood en vergelding opgevallen zijn”. Daartoe overweegt als volgt.

Op grond van de inhoud van het hiervoor in de bewijsoverwegingen onder het kopje ‘Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje’ weergegeven proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2017 kan, gelet op de daarvoor en daarna gedane verwijzingen naar [opsporingsambtenaar] , worden geconcludeerd dat deze uitlating zich richt tot [opsporingsambtenaar] . Uit het proces-verbaal van aangifte van [opsporingsambtenaar] van 15 december 2017 volgt bovendien dat [opsporingsambtenaar] op de hoogte is geraakt van de jegens hem geuite bedreiging op 6 december 2017.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat de onder het laatste deel van het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde uitlating van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde [opsporingsambtenaar] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De desbetreffende uitlating kan aldus bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreigingen tegen het leven gericht van [opsporingsambtenaar] op twee verschillende dagen. Een dergelijk feit heeft een gewelddadig karakter en kan in het algemeen tot gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer leiden. Het slachtoffer [opsporingsambtenaar] heeft verklaard dat hij zich niet prettig voelt bij de geuite bedreiging, het geeft hem een heel vervelend gevoel dat hij zijn werk probeert te doen en daardoor bedreigd wordt. In de toelichting op de vordering benadeelde partij heeft [opsporingsambtenaar] beschreven dat bij hem de overtuiging bestaat dat verdachte de (woordelijke) bedreiging mogelijk (deels) om zal zetten in daden. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van een politieambtenaar, in wiens functie het is gelegen de veiligheid van de samenleving te waarborgen.

Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld, meer in het bijzonder een veroordeling van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 5 november 2015 ter zake van bedreiging tegen het leven gericht waarvan een werknemer met een publieke taak slachtoffer is geworden. Die veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden wederom een soortgelijk delict te plegen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof kennis genomen van het advies van de reclassering ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris d.d. 20 december 2017, alsmede het reclasseringsadvies met geplande realisatiedatum 2 maart 2018 (ten behoeve van de zitting in eerste aanleg d.d. 12 maart 2018), waaruit blijkt dat het recidiverisico als ‘midden’ wordt ingeschat. Bij een veroordeling wordt door de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling geadviseerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij vier kinderen heeft, zijn kinderen studeren en geen antecedenten hebben. De kinderen van verdachte hebben bovendien zijn schulden afbetaald. Verdachte is arbeidsongeschikt. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij reclasseringstoezicht heeft (het hof begrijpt: door de in deze zaak dadelijk uitvoerbaar verklaarde voorwaarden). Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij het zal accepteren als hij tot straf wordt veroordeeld, waaruit het hof afleidt dat verdachte de verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt.

Anders dan is geadviseerd, ziet het hof – gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en nu het hof minder bewezen acht dan de politierechter – geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke straf met algemene en bijzondere voorwaarden op te leggen. Anders dan de politierechter, ziet het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, nu verdachte heeft verklaard dat [opsporingsambtenaar] hem vrijwillig in de penitentiaire inrichting heeft bezocht en verdachte en zijn kinderen zijn uitgenodigd op het politiebureau ‘voor een goed gesprek’, ook geen aanleiding om aan verdachte een contact- of locatieverbod op te leggen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis passend en geboden. Het hof zal daarbij de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering brengen naar rato van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Vordering van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar]

De benadeelde partij [opsporingsambtenaar] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met het verzoek om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [opsporingsambtenaar] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Het hof is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Het hof begroot de immateriële schade op € 200,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 december 2017 – zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade aan het slachtoffer [opsporingsambtenaar] is toegebracht tot een bedrag van € 200,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag en vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor de duur van 4 dagen zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [opsporingsambtenaar] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 december 2017.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Karsdorp, griffier,

en op 20 juli 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie dossierpagina’s 42-43.

2 Zie dossierpagina’s 42-43.

3 Zie dossierpagina’s 62-65.

4 Zie dossierpagina’s 42-43.

5 Zie dossierpagina’s 62-65.

6 Zie dossierpagina’s 44-45.

7 Zie dossierpagina’s 90-101.