Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3035

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
200.221.688_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 806 Rv, overschrijding beroepstermijn, niet-ontvankelijk

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 806
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 juli 2018

Zaaknummer: 200.221.688/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/324170 FA RK 16-7029

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante 1] ,

en

[appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de vrouw en de stiefvader,

advocaat: mr. C.G. Matze,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Klootwijk.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 augustus 2017, hebben de vrouw en de stiefvader verzocht zoals in het beroepschrift is weergegeven.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2017, heeft de man verzocht zoals in het verweerschrift is weergegeven.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 april 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw en de stiefvader, bijgestaan door mr. Matze;

- de man, bijgestaan door mr. Klootwijk;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het faxbericht met bijlage van de advocaat van de vrouw en de stiefvader, ingekomen ter griffie op 27 maart 2018;

- het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 12 april 2018;

- het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 16 april 2018;

- het journaalbericht met bijlagen van de advocaat van de vrouw en de stiefvader, ingekomen ter griffie op 9 mei 2018;

- het journaalbericht van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 9 mei 2018;

- de ter zitting door de advocaat van de vrouw en de stiefvader overgelegde verzendbevestigingen van faxberichten.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de stiefvader kunnen zich met voormelde beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.2.

Alvorens in te gaan op de inhoud van de van de grief van de moeder en de stiefvader, beoordeelt het hof de ontvankelijkheid van de moeder en de stiefvader in het door hen ingestelde hoger beroep.

3.3.

Het hof overweegt als volgt.

3.3.1.

Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in de onderhavige zaak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

3.3.2.

De bestreden beschikking dateert van 17 mei 2017. De laatste dag van de termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel in de onderhavige zaak door de moeder en de stiefvader was 17 augustus 2017.

3.3.3.

Op 18 mei 2017 is ter griffie van het hof een (origineel) exemplaar van het beroepschrift ingekomen, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn.

3.3.4.

Namens de moeder en de stiefvader is aangevoerd dat het beroepschrift met bijlagen per fax is ingediend op 16 augustus 2017 om 16.53 uur, welk faxbericht 22 pagina’s bevatte, en ook om 16.54 uur, welk faxbericht 64 pagina’s bevatte, hetgeen blijkt uit de twee overgelegde resultatenrapporten. Op de resultatenrapporten staat immers onder “Resultaat” de melding “ok” en indien de faxen niet verzonden zouden zijn zou hier een andere code hebben gestaan, aldus de moeder en de stiefvader. Uit de resultatenrapporten blijkt voorts dat beide faxen naar het juiste faxnummer zijn verzonden, te weten [faxnummer 1] . Het beroepschrift is volgens de moeder en de stiefvader derhalve tijdig ingediend. De advocaat van de moeder en de stiefvader stelt nooit problemen met de fax te hebben gehad. De faxen zijn verzonden vanaf faxnummer [faxnummer 2] . Overigens kan volgens hen het niet ontvangen van de faxberichten niet worden toegerekend aan verzender, appellanten, indien deze wel over verzendberichten beschikt (ECLI:NL:HR:2016:296).

3.3.5.

Het hof stelt voorop dat de dag waarop het beroepschrift is ingekomen ter griffie maatgevend is voor de beantwoording van de vraag of het hoger beroep door de advocaat van de moeder en de stiefvader tijdig is ingesteld (de ontvangsttheorie). De bewijslast dienaangaande ligt bij de (advocaat van de) moeder en de stiefvader. Namens de moeder en de stiefvader zijn hiertoe voormelde resultatenrapporten in het geding gebracht. Het hof heeft beide door de advocaat van de moeder en de stiefvader op 16 augustus 2017 verzonden faxberichten evenwel niet ontvangen. Aan de hand van de overgelegde resultatenrapporten heeft het hof intern uitvoerig onderzoek verricht. Op het overzicht van de op 16 tot en met 18 augustus 2017 op het faxnummer [faxnummer 1] ontvangen faxberichten komt het faxnummer [faxnummer 2] , waarvandaan de faxberichten namens appellanten zijn verzonden, niet voor. De op dit overzicht vermelde ontvangen faxen waarbij geen faxnummer staat vermeld, corresponderen zowel qua tijdstip (16 augustus 2017 om 16.53 uur en om 16.54 uur) als qua aantal pagina’s (22 respectievelijk 64 pagina’s) niet met de bedoelde faxen. Verder is uit navraag bij de facilitaire dienst van het hof gebleken dat er op en omstreeks die dag geen problemen waren met de fax en dat andere faxberichten in goede orde zijn ontvangen. Van technische gebreken dan wel interne andere problemen anderszins is niet gebleken. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de gestelde faxen door het hof in goede orde zijn ontvangen of geacht kunnen worden te zijn ontvangen. De overgelegde resultatenrapporten zijn, in samenhang met de opmerking van de advocaat van de moeder en de stiefvader dat zij nooit eerder problemen met de fax heeft gehad, onvoldoende als bewijs van een tijdige ontvangst. De code “TX” onder “Modus” op de verzendbevestiging duidt immers slechts op een succesvolle verzending, maar een dergelijk verzendbewijs is geen bewijs van daadwerkelijke ontvangst door de griffie van het hof..

Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Feiten of omstandigheden die een overschrijding van de beroepstermijn in het onderhavige geval rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken. Dit brengt mee dat het hof de moeder en de stiefvader niet-ontvankelijk dient te verklaren in het hoger beroep. Aan een beoordeling van de grieven wordt mitsdien niet toegekomen.

3.4.

Gelet op de aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.

3.5.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder en de stiefvader niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2017;

compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, H. van Winkel en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, bijgestaan door de griffier, en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.