Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3034

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
200.220.326_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:431
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid

Statusvoorlichting

Ontvankelijkheid van appellante in hoger beroep nu er is sprake is van een gedeeltelijke eindbeschikking.

Voorts is er een bijzondere curator benoemd die dient te onderzoeken of statusvoorlichting in het belang van de minderjarige is en zo ja, wanneer en op welke wijze statusvoorlichting dient plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 juli 2018

Zaaknummer: 200.220.326/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/311783 FA RK 16-1005

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L. Barenbrug,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. N.A. Boelhouwer.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 april 2017 en de beschikking van diezelfde rechtbank van 19 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2017, heeft de vrouw het hof verzocht de beschikkingen van 19 juli 2016 en 19 april 2017 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, te vernietigen voor zover het daarbij de beslissing betreft die ziet op de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling, en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder wijziging of aanvulling van de gronden, bij beschikking, te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de man, in zijn verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat zijn verzoek dient te worden afgewezen, althans een beslissing te nemen zoals het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 september 2017, heeft de man het hof verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep tegen de beschikkingen van 19 juli 2016 en 19 april 2017, dan wel haar verzoek tot vernietiging van de beschikkingen van 19 juli 2016 en 19 april 2017 af te wijzen voor zover het betreft de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek tot het treffen van een zorgregeling, als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft aanvankelijk plaatsgevonden op 12 april 2018.

Omdat bij aanvang van de mondelinge behandeling is gebleken dat [belanghebbende] als belanghebbende niet in de gelegenheid was gesteld om een verweerschrift in te dienen, terwijl [belanghebbende] zich nog wenste te beraden of hij van die mogelijkheid gebruik wilde maken, is de behandeling aangehouden. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 16 mei 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Barenbrug;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Boelhouwer;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    [belanghebbende] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met als bijlagen de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 2 juni 2016 en 17 maart 2017 van de advocaat van de vrouw d.d. 3 april 2018;

  • -

    het rapport van de raad van 24 oktober 2016 ingekomen ter griffie van het hof op 8 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

Op 30 april 2015 is [minderjarige] erkend door [belanghebbende] , die derhalve de juridische vader van [minderjarige] is.

De vrouw oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 19 juli 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover thans van belang, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging van de erkenning door [belanghebbende] . Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de man ter zake de vervangende toestemming tot erkenning afgewezen. De rechtbank heeft de raad verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of en zo ja welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarige in het belang van de minderjarige geacht moet worden en daarover te rapporteren en te adviseren en heeft de behandeling van het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling tot 15 november 2016 aangehouden in afwachting van de raadsrapportage.

3.3.

In het raadsrapport van 24 oktober 2016 adviseerde de raad, kort samengevat, om de behandeling van het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen aan te houden voor de duur van een jaar en partijen te verwijzen naar de stichting Kompaan en de Bocht voor het volgen van een maatwerk hulpverleningstraject waarbij gestart wordt met statusvoorlichting van [minderjarige] omdat hij moet weten wie zijn biologische vader is en er aansluitend begeleide omgang bij het omgangshuis en ouderschapsbemiddeling zal plaatsvinden. De raad adviseerde de resultaten van het voornoemd hulpverleningstraject mee te nemen bij de uiteindelijke beoordeling van het verzoek van de man.

3.4.

Bij de beschikking van 19 april 2017 heeft voornoemde rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, partijen verwezen naar de Stichting Kompaan en de Bocht voor een maatwerktraject statusvoorlichting, waarbij de stichting Kompaan en de Bocht tevens zal adviseren ten aanzien van de mogelijkheden voor omgang tussen de man en [minderjarige] . Voorts heeft de rechtbank partijen bevolen mee te werken aan de oproep van de Stichting Kompaan en De Bocht en aan de uitvoering van voornoemd traject. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot 5 december 2017 pro forma, zulks in afwachting van het rapport van de Stichting Kompaan en De Bocht over het verloop van de statusvoorlichting, alsmede het advies over de omgang tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank heeft zich iedere verdere beslissing voorbehouden.

3.5.

De vrouw kan zich met de beslissingen van de rechtbank van 19 juli 2016 en 19 april 2017 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek in eerste aanleg

3.5.1.

De vrouw stelt dat de in de bestreden beschikking d.d. 19 juli 2016 door de rechtbank genoemde bijkomende omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat er tussen de man en [minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.

De man is derhalve ten onrechte ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling, dan wel de rechtbank had het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling dienen af te wijzen en heeft partijen ten onrechte doorverwezen naar de stichting Kompaan en de Bocht.

De vrouw kan erkennen dat er een affectieve relatie van circa een half jaar tussen haar en de man is geweest maar de man heeft haar verlaten toen zij nog geen vier maanden zwanger was. De relatie stelde volgens de man niet veel voor. De door de man ter zitting in eerste aanleg niet onderbouwde bijkomende omstandigheden tonen eerder zijn passieve en afwachtende houding dan dat hij zich naar [minderjarige] actief en betrokken heeft opgesteld.

Hij heeft nimmer uit zichzelf aantoonbare interesse en toewijding naar [minderjarige] geuit.

Ondanks dat de vrouw de man er meerdere malen op heeft gewezen is de man niet overgegaan tot erkenning van de toen nog niet geboren [minderjarige] .

De man heeft de vrouw niet begeleid bij controles bij de verloskundige, echo’s en afspraak bij een gynaecoloog, heeft niet aangeboden bij te dragen aan de aanschaf van de uitzet en wilde niet bij de geboorte zijn. Hij heeft nimmer de wens geuit om op het geboortekaartje van [minderjarige] als vader te worden vermeld.

Ook thans toont de man geen interesse in de ontwikkeling van [minderjarige] .

Het was juist de man die rust wilde en geen contact met de vrouw wilde.

De contacten tussen de man en [minderjarige] sinds de geboorte zijn op initiatief van de vrouw tot stand gekomen en hebben vrijwel altijd plaatsgevonden bij een filiaal van de Mc Donald’s.

De man heeft geen aandeel in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] gehad.

3.5.2.

Verder stelt de vrouw dat nog niet vaststaat of het treffen van een omgangsregeling wel in het belang van [minderjarige] is. Dit dient eerst te worden vastgesteld, vóórdat een maatwerktraject statusvoorlichting bij de Stichting Kompaan en de Bocht wordt gestart. Daarbij dient een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van [minderjarige] om al dan niet omgang met zijn verwekker te hebben, waarbij zijn relatie met zijn ouders in ogenschouw genomen moet worden en afgewogen te worden tegen het belang van de man om omgang te hebben met [minderjarige] .

Onduidelijk is op welke leeftijd statusvoorlichting het best kan worden gegeven. Eerst zal onderzocht moeten worden welke leeftijd het meest geschikt is om statusvoorlichting aan [minderjarige] te geven en dus het meest in zijn belang is, aldus de vrouw.

3.5.3.

De vrouw biedt uitdrukkelijk aan al haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door het overleggen van nadere bescheiden en het horen van getuigen, zonder evenwel onverplicht enige bewijslast op zich te nemen.

3.6.

De man stelt in zijn verweerschrift - samengevat - het volgende.

Ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep

3.6.1.

De man stelt dat nu de beschikking van 19 juli 2016 een tussenbeschikking betreft, de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

De niet uitdrukkelijk in het dictum van de beschikking vermelde ontvankelijkverklaring van de man met betrekking tot zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling zou als eindbeschikking gezien moeten worden en daarvoor geldt dat de hoger beroepstermijn op 19 oktober 2016 is verstreken.

Ten aanzien van de beschikking van 19 april 2017: deze beschikking maakt in het dictum niet een (gedeeltelijk) einde aan het geding tussen partijen betreffende de omgangsregeling. De beroepen beschikking is mitsdien een tussenbeschikking en hoger beroep daarvan is niet mogelijk. De vrouw is derhalve niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de beschikkingen van de rechtbank 19 juli 2016 en 19 april 2017.

3.6.2.

Nu de verzoeken van de man ten aanzien van de vernietiging van de erkenning door [belanghebbende] en vervangende toestemming erkenning van [minderjarige] door de man zijn afgewezen zal het hof het verzoek van de man tot het treffen van een contactregeling in eerste aanleg lezen als een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling.

4.1.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Ontvankelijkheid van de vrouw in appel

4.1.1.

Op grond van artikel 358 lid 1 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) staat tegen eindbeschikkingen in zaken als bedoeld in artikel 261 Rv, behoudens berusting, hoger beroep open.

Artikel 358 lid 4 Rv bepaalt dat van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

4.1.2.

Allereerst is aan de orde de vraag of de vrouw ontvankelijk verklaard kan worden in haar beroep tegen de voornoemde beschikking van 19 april 2017 en in dat kader ligt de vraag voor of deze beschikking gekwalificeerd dient te worden als een tussenbeschikking of een deelbeschikking (gedeeltelijke eindbeschikking/tussenbeschikking).

Naar aanleiding van het verzoek van de man tot het vaststellen van een omgangsregeling met [minderjarige] heeft de rechtbank partijen verwezen naar de Stichting Kompaan en de Bocht voor een maatwerktraject statusvoorlichting, waarbij de stichting Kompaan en de Bocht tevens zal adviseren ten aanzien van de mogelijkheden voor omgang tussen de man en [minderjarige] .

In het dictum heeft de rechtbank derhalve niets beslist over (een deel van) het verzoek van de man tot het treffen van een omgangsregeling en daaraan zou de conclusie verbonden kunnen worden dat er sprake is van een tussenbeschikking.

Echter de rechtbank heeft tevens een beslissing gegeven over het vooraf aan de vraag of een omgangsregeling tot de mogelijkheden behoort, te lopen traject van de statusvoorlichting. Dit maatwerktraject van statusvoorlichting is voor partijen verplicht gesteld en is onlosmakelijk verbonden aan het onderzoek naar de mogelijkheid van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Voor de ontvankelijkheid in hoger beroep is doorslaggevend of deze - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat deze beslissing, indien eenmaal geeffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kan worden (HR 28 april 1989, LJN AG6061).

Beslissend is derhalve of de rechter na aanhouding van de zaak nog een van deze beslissing afwijkend oordeel kan geven betreffende de periode gelegen tussen deze beslissing en de eindbeschikking. Het hof is van oordeel dat dat niet meer kan ten aanzien van het onderdeel maatwerktraject statusvoorlichting en derhalve is het hof van oordeel dat het hier een gedeeltelijke eindbeschikking betreft, waartegen appel mogelijk is.

Nu het hier om een gedeeltelijke eindbeschikking gaat kan de vrouw in dit appel (tegen deze gedeeltelijke eindbeschikking) meenemen haar appel tegen de tussenbeschikking van 19 juli 2016, waarin is opgenomen de eindbeslissing dat de man door de rechtbank in rechtsoverweging 2.17. ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling.

4.1.3.

Nu er sprake is van een gedeeltelijke eindbeschikking en de vrouw derhalve ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de beschikking van 19 april 2017 kan de vrouw eveneens ontvangen worden in haar hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 19 juli 2016 waarin de rechtbank bij eindbeslissing in de overwegingen de man ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] .

Het hof zal derhalve eerst de kwestie van de ontvankelijkheid van de man in zijn inleidend verzoek beoordelen.

4.2.

Ontvankelijkheid van de man in eerste aanleg.

4.2.1.

De vrouw voert daartoe aan hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.5.1. is verwoord.

4.2.2.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Het hof is met de rechtbank, en op dezelfde gronden die de rechtbank hanteert en die het hof overneemt en na eigen afweging en waardering tot de zijne maakt, van oordeel dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken om een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige aan te nemen. Hetgeen de vrouw in beroep daartegen heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. De man is derhalve ontvankelijk in zijn omgangsverzoek.

4.2.3.

Thans komt het hof tot de beoordeling van de beslissing van de rechtbank om partijen te verwijzen naar de Stichting Kompaan en de Bocht voor een maatwerktraject statusvoorlichting, waarbij de stichting Kompaan en de Bocht tevens zal adviseren ten aanzien van de mogelijkheden voor omgang tussen de man en [minderjarige] .

4.2.4.

Het hof is ambtshalve van oordeel op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken dat zich in deze zaak (statusvoorlichting en omgang) met betrekking tot [minderjarige] een belangenstrijd voordoet in de zin van artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof acht het daarom noodzakelijk dat een bijzondere curator wordt benoemd die de belangen van [minderjarige] in deze kan behartigen en hem zowel in als buiten rechte kan vertegenwoordigen.

4.2.5.

Partijen verklaren ter zitting dat zij akkoord gaan met de benoeming van een bijzondere curator.

4.2.6.

Drs. E. Strikkers, ENNU coaching, [adres]
[postcode] te [kantoorplaats] is door het hof bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door het hof worden benoemd.

De bijzondere curator dient te onderzoeken of statusvoorlichting in het belang van [minderjarige] is en zo ja, wanneer en op welke wijze statusvoorlichting dient plaats te vinden.

Tevens staat het de bijzonder curator vrij om te onderzoeken of een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] tot de mogelijkheden behoort en zo ja op welke wijze aan een dergelijke regeling vorm gegeven zou kunnen worden.

Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, staat het haar vrij een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening in verband met de statusvoorlichting ten behoeve van [minderjarige] alsmede de omgangsregeling.

De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met de vrouw en de man en, indien wenselijk, hun huidige partners en met [minderjarige] .

Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen en met anderen, die informatie over [minderjarige] kunnen verschaffen.

Het hof wijst de man en de vrouw er op dat zij de verplichting hebben, aan de door de bijzondere curator in het kader van haar taakvervulling te geven instructies gevolg te geven.

Voorts verzoekt het hof de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW in acht te nemen, die te raadplegen is op www.rechtspraak.nl. Waar de leidraad mocht afwijken van hetgeen in deze beschikking is bepaald, prevaleert de inhoud van deze beschikking.

Het hof wijst er nog op dat de deskundige, vanuit de professionele beroepsuitoefening gezien, bij onderzoek en rapportage het navolgende in acht dient te nemen:

( i) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

(ii) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

(iii) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke

gronden de conclusies van het rapport steunen;

(iv) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, waaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; en

( v) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

4.7.

Al het voorgaande brengt mee dat als volgt dient te worden beslist.

5 De beslissing

Het hof:

benoemt - met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen - over de minderjarige

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

tot bijzondere curator:

Drs. E. Strikkers, ENNU coaching, adres houdende aan de [adres] , [postcode] te [kantoorplaats] ;

draagt de advocaat van de vrouw op om binnen vijf dagen na de datum waarop deze beslissing is gegeven een volledig afschrift van de processtukken, inbegrepen het rapport van de raad van 18 oktober 2017, aan de bijzondere curator ter beschikking te stellen;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de bijzondere curator zal toezenden;

bepaalt dat de advocaten van de partijen per omgaande adressen, telefoon- en e-mail

gegevens van de man en de vrouw aan de bijzondere curator ter kennis brengen, zodat zo spoedig als mogelijk contacten kunnen worden gelegd en afspraken gemaakt;

verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op 20 september 2018 het hof schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van haar rapport aan de raadslieden van partijen en de raad;

houdt de verdere mondelinge behandeling van de zaak aan tot PRO FORMA 20 september 2018;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.