Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3030

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
200.169.597_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:836, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

burenzaak, al dan niet verboden uitzicht in de zin van artikel 5:50 BW, uitzicht recht naar voren vs. zijdelings uitzicht; onbedoeld/onvermijdelijk uitzicht vs. doelbewuste inkijk door op ladders of andere hulpmiddelen te klimmen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/447
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.169.597/01

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. F.K. van den Akker te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. T.B.M. Kersten te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 juli 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/276214/HA ZA 14-210 gewezen vonnis van 28 januari 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 26 juli 2016 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 oktober 2016;

  • -

    het schriftelijke pleidooi, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep


De feiten

6.1.

Het hof neemt de volgende vaststaande feiten tot uitgangspunt.
a) [appellante] is vanaf 30 juli 1973 eigenaar van het perceel met opstallen (waaronder een woning) aan de [adres 1] te [plaats] . [geïntimeerde] is vanaf 30 juli 1979 eigenaar van het perceel met opstallen (waaronder een woning) aan de [adres 2] te [plaats] . Partijen zijn buren van elkaar.

b) Het vanaf de [straat] gezien rechter bijgebouw (hierna: het bijgebouw) op het perceel van [appellante] , dat dwars op de woning van [geïntimeerde] staat, ligt in de volle lengte langs het terras en de achtertuin op het perceel van [geïntimeerde] . De buitenkant van de muur van het bijgebouw is gelegen tegen de grens tussen de percelen van partijen.

c) [appellante] heeft op verschillende momenten vier dakramen geplaatst in het schuine dak van het bijgebouw aan de zijde van het perceel van [geïntimeerde] (dit deel van het dak hierna aan te duiden als: het dak). De huidige dakramen zullen hierna worden aangeduid als: het raam linksboven, het raam linksonder, het raam rechtsboven en het raam rechtsonder.

d) Bij brief van 3 oktober 2008 (onderdeel van prod. 1 inl. dagv.) heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de vier ramen in het dak, omdat zij niet conform de regels van het burenrecht zijn geplaatst, en heeft hij verzocht om ze te verwijderen.


De eerste aanleg

6.2.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] , na wijziging en vermeerdering van eis, gevorderd dat de rechtbank [appellante] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:
1) primair: om de vier dakramen binnen 21 dagen na dagtekening van het vonnis te verwijderen en verwijderd te houden en de gaten in het dak, waarin zich thans nog de dakramen bevinden, af te dichten met dakpannen, een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- voor ieder dag(deel) dat [appellante] niet aan enig deel van deze veroordeling voldoet;

2) subsidiair: om de vier dakramen binnen 21 dagen na dagtekening van het vonnis te voorzien en voorzien te houden van ondoorzichtige vensters, alsmede deze zodanig af te sluiten en afgesloten te houden dat deze zonder gebruikmaking van gereedschap niet kunnen worden geopend, een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,- voor ieder dag(deel) dat [appellante] niet aan enig deel van deze veroordeling voldoet,
3) primair en subsidiair: tot betaling van de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

6.2.2.

Bij tussenvonnis 28 mei 2014 heeft de rechtbank een descente, gevolgd door een comparitie van partijen gelast, die beide hebben plaatsgevonden op 4 juli 2014.

6.2.3.

Bij eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde:
a) [appellante] veroordeeld, uitvoer bij voorraad, om het raam rechtsonder binnen 30 dagen na dagtekening van het vonnis te voorzien en voorzien te houden van een ondoorzichtig venster, alsmede dat raam zodanig af te sluiten en afgesloten te houden dat het zonder gebruikmaking van gereedschap niet kan worden geopend, een en ander op straffe van een direct opeisbare dwangsom van € 250,-, met een maximum van € 25.000,-, voor ieder dag(deel) dat [appellante] niet aan enig deel van deze veroordeling voldoet,
b) de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen, samengevat:
(1) dat van de vier dakramen alleen het raam rechtsonder is aangebracht in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 lid BW;
(2) dat deze strijdigheid daarin bestaat dat vanuit de zolderkamer in het bijgebouw door een groot raam in de binnenmuur van die kamer, via de daarachter gelegen vide boven de keuken op de begane grond, door het raam rechtsonder duidelijk zicht bestaat op het erf van [geïntimeerde] , en
(3) dat vast staat dat het raam rechtsonder is geplaatst binnen twee meter van de erfgrens, terwijl is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] [appellante] heeft toegestaan om het dakraam op die plaats aan te brengen.
De grieven en de omvang van het hoger beroep
6.3.1. [appellante] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] in zijn vorderingen althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties met rente.

6.3.2.

[geïntimeerde] heeft geantwoord in principaal hoger beroep en heeft in incidenteel hoger beroep, onder wijziging van zijn eis, acht grieven aangevoerd.
De eiswijziging komt daarop neer dat [geïntimeerde] thans subsidiair niet langer vordert, onder meer, de veroordeling van [appellante] om ‘de vier dakramen (…) te voorzien en voorzien te houden van ondoorzichtige vensters’, maar om ‘de vier dakramen (…) te voorzien en voorzien te houden van ondoorzichtig glas (matglas), niet zijnde helder glas met daarop aangebracht ondoorzichtige plakfolie of enig ander materiaal dat weer kan worden verwijderd’.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot toewijzing van zijn vorderingen zoals gewijzigd bij memorie van grieven, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties met nakosten en rente.

6.3.3.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aan zijn vorderingen mede ten grondslag gelegd dat [appellante] door de geopende dakramen gesprekken in zijn tuin kan afluisteren, zodat zijn privacy in het geding is, en dat [geïntimeerde] hinder ondervindt van geluiden uit de woning van [appellante] .
De rechtbank heeft de desbetreffende stellingen opgevat als een beroep op het bepaalde in artikel art. 5:37 BW en heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] ter zake niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Tegen dit oordeel heeft [geïntimeerde] geen grieven aangevoerd, zodat de (in de woorden van de rechtbank:) ‘auditieve privacy’ van [geïntimeerde] in hoger beroep verder niet aan de orde is.

Artikel 5:50 BW

6.4.1.

[appellante] voert met haar grieven I-III in principaal hoger beroep aan, samengevat, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij door het raam rechtsonder een door artikel 5:50 BW verboden uitzicht heeft op het erf van [geïntimeerde] (grief I) en dat de rechtbank met betrekking tot dat raam ten onrechte haar beroep op (het ontstaan van een erfdienstbaarheid van uitzicht na) bevrijdende verjaring heeft verworpen (grieven II en III).
voert met zijn grief II in incidenteel hoger beroep aan, samengevat, dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘uitzicht’ in artikel 5:50 lid 1 BW en dat als de juiste uitleg (zoals door [geïntimeerde] geschetst) wordt gevolgd, het oordeel dient te luiden dat alle vier de dakramen een door artikel 5:50 BW verboden uitzicht geven. Met grief III in incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, afgezien van de eis dat de verjaringstermijn is voltooid, aan alle uit artikel 3:105 jo. 3:306 BW voortvloeiende vereisten voor het ontstaan van de erfdienstbaarheid van uitzicht is voldaan.
De genoemde grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6.4.2.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of - al dan niet - sprake is van ramen die een door artikel 5:50 lid 1 BW verboden uitzicht geven, doorslaggevend is de feitelijke toestand op het moment van de beoordeling. Mogelijke veranderingen in die toestand in de toekomst zijn alleen relevant als en voor zover een reële kans bestaat dat zij zich binnen een afzienbare tijd zullen voordoen.
Het hof stelt verder voorop dat vast staat dat (in elk geval) de ramen linksonder, rechtsboven en rechtsonder zich bevinden binnen de afstand van twee meter zoals bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW en dat voor alle vier de dakramen geldt dat zij aldaar zijn geplaatst zonder toestemming van [geïntimeerde] .

6.4.3.

[appellante] stelt in hoger beroep dat zij aan de veroordeling in het vonnis waarvan beroep gevolg heeft gegeven door een houten lat tegen het raam rechtsonder te schroeven en door ondoorzichtige folie te plakken tegen het glasoppervlak van dat raam. [appellante] stelt verder dat zij in juli 2015 het inpandige raam in de zolderkamer heeft dichtgemaakt door de schuifpanelen waarmee het raam kon worden afgesloten vast te schroeven en door aan twee zijden een betimmering aan te brengen. Ten bewijze hiervan heeft [appellante] foto’s (prod. 6 mvg) in het geding gebracht.
[geïntimeerde] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat het inpandige raam sinds juli 2015 is afgesloten op de wijze zoals door [appellante] geschetst.
Uitgaande van die afsluiting staat vast dat het raam rechtsonder niet langer het door artikel 5:50 BW verboden uitzicht geeft, dat heeft geleid tot de veroordeling in het vonnis waarvan beroep.
[geïntimeerde] stelt dat het hof hieraan voorbij dient te gaan, omdat niet kan worden uitgesloten dat [appellante] de afdichting van het inpandige raam ongedaan maakt na afloop van de onderhavige procedure. Hij heeft die stelling echter niet deugdelijk onderbouwd, met name in het licht van de alleszins reële mogelijkheid dat [appellante] zich dan opnieuw geconfronteerd zal zien met - naar is gebleken: niet kansloze - juridische stappen zijdens [geïntimeerde] . Het hof passeert daarom deze stelling van [geïntimeerde] .
stelt verder dat de ramen rechtsonder en rechtsboven hoe dan ook verboden uitzicht geven, omdat [appellante] zichzelf vanaf de keukenvloer via een trap of een ander hulpmiddel uitzicht kan verschaffen op zijn erf.
Het hof volgt [geïntimeerde] niet in deze opvatting. Daartoe overweegt het hof allereerst dat [appellante] onweersproken heeft gesteld dat de onderste rand van het raam rechtsonder ongeveer drie meter boven de keukenvloer ligt. Gesteld noch gebleken is verder dat [appellante] in het verleden heeft getracht om zich, door hulpmiddelen als trappen, via de dakramen in de keuken doelbewust uitzicht te verschaffen op het erf van [geïntimeerde] of dat zij het voornemen heeft om dit in de toekomst te doen.

6.4.4.

Meer in het algemeen is het hof van oordeel dat in verband met artikel 5:50 BW doorslaggevend belang toekomt aan de bouwkundige gesteldheid ter plaatse en dat het verbod zó moet worden begrepen dat het zich keert tegen de situaties waarin die bouwkundige gesteldheid juist ook onbedoelde inkijk erg gemakkelijk of zelfs onvermijdelijk maakt. Van een dergelijke (mogelijkheid tot) inkijk is geen sprake als een venster zich duidelijk ver boven ooghoogte bevindt en als inkijk op het erf van de buurman door dat venster alleen mogelijk is als daarvoor doelbewust hulpmiddelen - zoals in dit geval: lange ladders - worden ingezet.
Als dit laatste daadwerkelijk zou gebeuren, dan staat de eigenaar van het belendende erf uiteraard niet machteloos. Hij kan een vordering instellen op grond van artikel 6:162 BW, ervan uitgaande dat het vertoonde gedrag, zeker als het meer dan eens wordt vertoond, al snel de grenzen van het maatschappelijk betamelijke zal overschrijden. De nabuur die overlast ondervindt van dergelijke bewust gezochte en overlast opleverende inkijk vanuit een venster beschikt in zoverre over dezelfde - en afdoende - mogelijkheden om op te treden als de eigenaar van een erf die overlast ondervindt van ‘gluren’ vanuit, bijvoorbeeld, de achtertuin van de buren.

6.4.5.

[geïntimeerde] heeft niet gesteld dat het raam rechtsboven thans uitzicht geeft op zijn erf dat in strijd komt met het bepaalde in artikel 5:50 BW, anders dan in de (hiervoor behandelde) situatie dat gebruik zou worden gemaakt van lange ladders of andere hulpmiddelen. Gelet daarop en gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat [geïntimeerde] thans geen bezwaar kan maken tegen de aanwezigheid van de ramen rechtsboven en rechtsonder op basis van het bepaalde in artikel 5:50 BW, ook als deze zijn voorzien van helder glas en kunnen worden geopend.

6.4.6.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] op grond van het bepaalde in artikel 5:50 BW evenmin bezwaar kan maken tegen de aanwezigheid van de ramen linksonder en linksboven, ook als deze ramen (zoals nu het geval is) zijn voorzien van helder glas en kunnen worden geopend. Het hof overweegt daartoe als volgt.

6.4.7.

In verband met het raam linksonder staat tussen partijen vast dat het zich bevindt in het schuine dak van de badkamer op de begane grond van het bijgebouw. De rechtbank heeft tijdens de descente waargenomen dat het vanuit dat raam redelijkerwijs niet mogelijk is om zicht te hebben op het erf van [geïntimeerde] . Laatstgenoemde heeft deze feitelijke vaststelling niet bestreden, maar stelt dat in verband met het raam in de badkamer rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat [appellante] op de badrand gaat staan en zich aldus uitzicht verschaft op zijn erf.
Het hof verwerpt deze stelling en verwijst daartoe naar de inhoud van de rechtsoverwegingen 6.4.3. en 6.4.4., die hier van overeenkomstige toepassing is, ook omdat [appellante] bij pleidooi heeft gesteld dat de onderrand van het badkamerraam zich op (meer dan) drie meter hoogte bevindt en deze stelling door [geïntimeerde] niet is weersproken.

6.4.8.

In verband met het raam linksboven heeft de rechtbank tijdens de descente vastgesteld dat het vanuit dat raam ‘slechts mogelijk (is) zicht te hebben op de daken met een viertal ramen van de woning van [geïntimeerde] als men gebruik maakt van een verhoging’ (zie p-v. descente). Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat men vanuit dat raam ‘schuin naar rechts (moet) kijken omdat de woning van [geïntimeerde] dwars op het bijgebouw van [appellante] staat’ (zie r.o. 4.4. in het vonnis waarvan beroep).
[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van grieven in incidenteel hoger beroep gesteld dat een wat langer persoon, om uitzicht te hebben via het raam linksboven, geen hulpmiddel als een krukje of een trapje nodig heeft. Deze laatste stelling is door [appellante] niet betwist. Dat betekent echter niet dat het raam linksboven in strijd komt met het bepaalde in artikel 5:50 BW.
Het hof overweegt in dit verband allereerst dat niet vaststaat dat dat raam zich bevindt binnen de afstand van twee meter zoals genoemd in artikel 5:50 lid 1 BW. De desbetreffende stelling van [geïntimeerde] is door [appellante] voldoende gemotiveerd betwist.
Het hof laat deze kwestie echter rusten met het oog op het bepaalde in artikel 5:50 lid 3 BW. Gelet daarop dient de afstand van twee meter tot de erfgrens te worden gemeten ‘rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt’. Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 5:50 BW, betreft dit voorschrift niet alleen de afstand tot de erfgrens als zodanig, maar volgt daaruit ook dat het verbod in artikel 5:50 lid 1 BW alleen betrekking heeft op uitzicht recht naar voren.
De wetgever heeft hiermee bewust willen aansluiten op de situatie die naar oud BW bestond vanaf het einde van de negentiende eeuw, toen het wetboek werd gewijzigd omdat ‘(s)inds in de grote steden van iedere handbreedte grond partij (moet) worden getrokken, terwijl de gewoonte om veranda’s of serres aan te brengen, schier algemeen is en het toetreden van licht en lucht van volksbelang is, (…) het handhaven van het verbod van zijdelings uitzicht niet meer te handhaven (is)’.
De beoogde beperking was aanvankelijk met zoveel woorden opgenomen in de tekst van het ontwerp-NBW, door middel van de woorden ‘een rechtstreeks uitzicht geven’ en later ‘recht naar voren uitzicht geven’ in artikel 5.4.12 lid 1. Op een later moment zijn deze woorden uit de (ontwerp-)wettekst verwijderd, maar uitsluitend omdat de regering van oordeel was dat het ‘derde lid voldoende duidelijk aan(geeft) hoe de afstand moet worden gemeten’ (zie Parl. Gesch. Boek 5, p. 202 e.v.).
[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van grieven in incidenteel hoger beroep geen grief gericht of anderszins concreet (mede voor [appellante] kenbaar) bezwaar gemaakt tegen de hierboven weergegeven (tweede) feitelijke vaststelling door de rechtbank met betrekking tot het raam linksboven. Tijdens het pleidooi heeft [geïntimeerde] weliswaar nog gesteld dat vanuit het raam linksboven zicht bestaat op méér dan alleen zijn slaapkamer, maar deze stelling komt, wanneer zij zou kunnen worden opgevat als een grief, in strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel, die meebrengt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven (hier: in incidenteel appel) worden aangevoerd. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden weliswaar uitzonderingen worden aanvaard, maar gesteld nog gebleken is dat zich een van de relevante uitzonderingssituaties heeft voorgedaan.
Het hof neemt daarom, met de rechtbank, tot uitgangspunt dat het raam linksboven alleen uitzicht geeft op het dak/de daken van de woning van [geïntimeerde] als schuin naar rechts wordt gekeken. Dit zijdelingse uitzicht valt om de hiervoor gegeven reden niet binnen het bereik van het verbod in artikel 5:50 lid 1 BW, ook niet als het zou bestaan zonder het gebruik van hulpmiddelen.

6.4.9.

Het hof overweegt nog dat de omstandigheid dat zijdelings uitzicht niet binnen het bereik van het verbod in artikel 5:50 lid 1 BW valt, een extra argument vormt om die bepaling uit te leggen op de in r.o. 6.4.4. weergegeven wijze, omdat het ongerijmd voorkomt om het verbod ook betrekking te laten hebben op situaties waarin het uitzicht - recht naar voren - alleen bestaat als daarvoor doelbewust moeite moet worden gedaan, bijvoorbeeld door op een ladder te gaan staan, terwijl het verbod geen betrekking heeft op de in een bebouwde omgeving heel normale situatie waarin - ook onbedoeld - vanuit vensters zijdelings uitzicht bestaat op het erf van buren (zoals vanuit een raam op de eerste etage van de achtergevel van een woning in de richting van de achtertuinen van belendende woningen).

6.4.10.

Het voorgaande betekent dat grief I in principaal hoger beroep slaagt en dat grief II in incidenteel hoger beroep faalt.

Nu voor alle ramen in het dak geldt dat zij geen door artikel 5:50 BW verboden uitzicht geven op het erf van [geïntimeerde] , komt het hof niet toe op het beroep van [appellante] op (verkrijging van een erfdienstbaarheid na) bevrijdende verjaring. Al hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld kan verder onbesproken blijven.
In verband hiermee behoeven ook de grieven II en III in principaal hoger beroep en grief III in incidenteel hoger beroep geen verdere behandeling.
Hetzelfde geldt voor grief IV in principaal hoger beroep en grief IV in incidenteel hoger beroep. De eerste grief heeft betrekking op een ander, inmiddels niet meer relevant verweer van [appellante] , te weten haar beroep op misbruik van omstandigheden. De tweede grief heeft betrekking op de inmiddels niet meer relevante afweging die de rechtbank heeft gemaakt tussen het primair gevorderde verwijderen en het subsidiair gevorderde vast en ondoorzichtig maken van de dakramen.

Bestuursrechtelijke bezwaren

6.5.1.

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] mede aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd de stelling dat de panden van partijen zich bevinden binnen een Rijksbeschermd Dorpsgezicht, dat deze panden voorts Rijksmonumenten zijn en dat [appellante] de vier ramen zonder de (het hof begrijpt: van overheidswege) vereiste toestemming heeft aangebracht, zodat zij illegaal zijn geplaatst.
Deze stellingen van [geïntimeerde] zijn door [appellante] gemotiveerd betwist.
De rechtbank heeft de genoemde stellingen afgewezen, op grond van het argument dat, samengevat, de bestuursrechter over de bestuursrechtelijke bezwaren van [geïntimeerde] dient te oordelen en dat ook reeds heeft gedaan.

6.5.2.

Met grief I in incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen dit oordeel, zij het dat [geïntimeerde] uitsluitend nog stelt dat de rechtbank zijn bestuursrechtelijke argument ten onrechte niet heeft betrokken bij haar keuze tussen de toewijzing van de primaire of de subsidiaire vordering. Aldus onderbouwd faalt grief I, reeds omdat deze keuze in hoger beroep niet langer aan de orde is.
Tijdens het pleidooi heeft [geïntimeerde] vervolgens erkend dat zijn bestuursrechtelijke grondslag/argument inmiddels zonder waarde is, omdat de dakramen sinds enige tijd vergunning-vrij zijn. Ook om deze reden faalt de genoemde grief I.

Waardevermindering

6.6.

Nu de vorderingen van [geïntimeerde] tot het verwijderen of het ondoorzichtig maken van de ramen niet toewijsbaar zijn, is niet relevant of en in hoeverre hij financieel belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen. Grief V in incidenteel hoger beroep faalt daarom.

Ten slotte

6.7.1.

Met de grieven V en VI in principaal hoger beroep voert [appellante] aan, samengevat, dat de rechtbank met betrekking tot het raam rechtsonder ten onrechte de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] heeft toegewezen, met inbegrip van een dwangsomveroordeling.
Met de grieven VII en VIII in incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] aan dat de rechtbank ten onrechte niet de primaire vordering (volledig) heeft toegewezen, en dat, als dat niet gebeurt, in elk geval reden bestaat om de gewijzigde subsidiaire vordering (volledig) toe te wijzen.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven V en VI in principaal hoger beroep slagen en dat de grieven VII en VIII in incidenteel hoger beroep falen.

6.7.2.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover daarin de subsidiaire vordering is toegewezen met betrekking tot het raam rechtsonder. Opnieuw rechtdoende zal het hof de subsidiaire vordering ook in zoverre afwijzen en het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigen.

6.7.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de proceskosten gecompenseerd, overwegende dat partijen over en weer op bepaalde punten in het ongelijk zijn gesteld.
[appellante] maakt met grief V in principaal hoger beroep mede bezwaar tegen deze proceskostenbeslissing en vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van (onder meer) de eerste aanleg.
voert met grief VI in incidenteel hoger beroep aan dat [appellante] dient te worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg.
Beide grieven falen. [appellante] heeft eerst ná het vonnis waarvan beroep de feitelijke situatie gewijzigd. Gelet op de feitelijke en juridische situatie ten tijde van haar beslissing heeft de rechtbank terecht de subsidiaire vordering toegewezen met betrekking tot het raam rechtsonder en heeft zij het gevorderde voor het overige evenzeer terecht afgewezen. Gelet op deze uitkomst kan worden geoordeeld dat partijen over en weer op bepaalde punten in het ongelijk zijn gesteld.

6.7.4.

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep.
De kosten van het principaal hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden begroot op € 405,19 aan verschotten (explootkosten € 94,19 en griffierecht € 311,-), en € 3.222,-
(3 punten x € 1074,-) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.
De kosten van het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op € 537,- (1 punt x 0,5 x € 1.074,-) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.
De door [appellante] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep


vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin de subsidiaire vordering van
[geïntimeerde] is toegewezen met betrekking tot het raam rechtsonder;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de subsidiaire vordering ook in zoverre af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, deze kosten aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 405,19 en € 3.222,- voor het principaal hoger beroep en op € 537,- voor het incidenteel hoger beroep;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, W.J.J. Beurskens en G. van der Wal en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2018.

griffier rolraadsheer