Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3027

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
200.191.999_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1257, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling projectontwikkelingsovereenkomst; aansprakelijkheid betrokkenen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.999/01

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.F.E. van Essen te Apeldoorn,

tegen

1 [de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] , vennoot van de inmiddels opgeheven VOF [VOF] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] , vennoot van de inmiddels opgeheven VOF [VOF] ,
wonende te [woonplaats] , Bondsrepubliek Duitsland,

4. [geïntimeerde 4] , vennoot van de inmiddels opgeheven VOF [VOF],

5. [de vennootschap 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

6. [geïntimeerde 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerde 1] c.s. en ieder afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] ,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 december 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/282009/HAZA 14-558 gewezen vonnis van 9 maart 2016. De hierna volgende paragrafen worden aansluitend aan voormeld tussenarrest doorgenummerd.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 december 2017;

  • -

    het op 6 maart 2018 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen aktes hebben genomen en pleitnota’s zijn overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Het hof gaat uit van de navolgende, door de rechtbank vastgestelde feiten. Hierbij merkt het hof op dat onder 6.1.6. niet is overgenomen dat [appellante] heeft gesteld dat zij een opeisbare (onderstreping hof) vordering op [geïntimeerde 1] had. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen hierna omtrent grief 1 wordt overwogen.

6.1.1.

[appellante] heeft samen met de VOF [VOF] op 22 november 2000 een perceel (bouw)grond gekocht. Het betreft het perceel [perceel] te [plaats 1] . De koopsom was NLG 2.667.676,00 (€ 1.210.538,59) inclusief BTW. VOF [VOF] en [appellante] zijn ieder eigenaar geworden van de onverdeelde helft van het perceel.

6.1.2.

Vennoten van VOF [VOF] waren [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4]

6.1.3.

De feitelijke betaling van de koopsom is geheel door [appellante] gedaan.

6.1.4.

[geïntimeerde 1] is de rechtsopvolger van [VOF] per 31 januari 2002. [VOF] en/of haar vennoten hebben van de rechtsovergang geen melding gemaakt bij [appellante] . Bestuurder/enig aandeelhouder van [geïntimeerde 1] was [geïntimeerde 5] .

6.1.5.

Op 1 februari 2002 is de onverdeelde helft van het perceel die eigendom was van [VOF] ingebracht in [geïntimeerde 1] .

6.1.6.

[geïntimeerde 1] heeft in 2002 bij de rechtbank Zutphen verdeling gevorderd van het perceel. In die procedure heeft [appellante] gesteld dat zij een vordering heeft op [geïntimeerde 1] en dat zij, zolang deze niet wordt voldaan, zich op opschorting beroept van de verplichting tot medewerking aan de verdeling. De rechtbank Zutphen heeft bij vonnis van 12 december 2002, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“5.5 [geïntimeerde 1] heeft erkend dat [appellante] de gehele koopsom aan de verkoper heeft voldaan, maar stelt dat zij een vordering op [appellante] had ter grootte van de helft van die koopsom, nu die koopsom is betaald met de winst die [appellante] en zij hadden gegenereerd met de aan- en verkoop van een kantoorgebouw in [plaats 2] , hierna de transactie [plaats 2] genoemd. In die winst zou [geïntimeerde 1] , althans haar rechtsvoorgangster, voor 50% hebben geparticipeerd. Omdat alle samenwerking tussen partijen mondeling en in goed vertrouwen verliep, is deze participatie, aldus [geïntimeerde 1] , niet op papier gesteld. [appellante] betwist dat [geïntimeerde 1] , althans v.o.f. [VOF] , heeft geparticipeerd in de transactie [plaats 2] en dus (voor 50%) heeft geparticipeerd in de winst die met die participatie gemoeid was.

5.6

[appellante] verwijst, ten bewijze van haar stelling dat [geïntimeerde 1] in gebreke is de helft van de koopsom met betrekking tot het onderhavige perceel grond aan haar te voldoen, naar het meerbedoelde rekeningafschrift en twee transportaktes van 9 augustus 2000 met betrekking tot de transactie [plaats 2] .

5.7.

Uit die transportaktes blijkt dat het Waterschap Zuiderzeeland aan de heer [directeur van appellante] , handelend in zijn hoedanigheid van directeur van [appellante] , heeft verkocht en geleverd een kantoorgebouw in [plaats 2] voor een bedrag van ƒ 4.695.000,--, welk kantoorgebouw op datzelfde moment is doorverkocht en geleverd door [appellante] aan de Regiopolitie Flevoland voor een bedrag van ƒ 7.501.700,--. Uit deze of enige andere stukken valt niet op te maken dat [geïntimeerde 1] op enigerlei wijze betrokken was bij deze transactie, op grond waarvan zij aanspraak kan maken op de (helft van de ) met die transactie gerealiseerde winst. Derhalve wordt voorshands bewezen geacht dat [appellante] de gehele koopsom heeft voldaan uit de winst die zij heeft behaald met de transactie [plaats 2] en nog een opeisbare vordering op [geïntimeerde 1] heeft terzake de helft van die koopsom.

5.8

[geïntimeerde 1] zal, overeenkomstig haar bewijsaanbod, tot tegenbewijs worden toegelaten.”

6.1.7.

De procedure voor de rechtbank Zutphen is uiteindelijk in 2003 geroyeerd.

6.1.8.

Met ingang van 29 december 2010 zijn [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] via hun persoonlijke holdings (toevoeging hof: respectievelijk [holding 1] , [holding 2] en [holding 3] ) aandeelhouders/bestuurders van [geïntimeerde 1] . [geïntimeerde 5] is geen bestuurder meer.

6.1.9.

Op 5 juli 2011 heeft [geïntimeerde 1] haar onverdeelde aandeel in het perceel verkocht aan [geïntimeerde 5] . De koopprijs bedroeg € 986.346,38 inclusief BTW.

6.1.10.

Sinds 1 juli 2011 is [geïntimeerde 6] bestuurder/enig aandeelhouder van [geïntimeerde 5] .

6.1.11.

Op 9 januari 2012 bericht [appellante] per brief aan de advocaat van [geïntimeerde 5] dat zij akkoord gaat met splitsing van het perceel.

6.1.12.

De splitsing is op vordering van [geïntimeerde 5] bij verstekvonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 april 2012 bevolen (prod. 8 CvA conventie).

6.1.13.

[appellante] heeft op 27 mei 2014 conservatoir beslag doen leggen op het deel van het perceel dat bij de splitsing aan [geïntimeerde 5] is toegedeeld.

6.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het volgende gevorderd:

I. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot betaling van € 795.809,17, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 5 juli 2011 tot datum betekening dagvaarding ad € 202.613,70, en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van betekening dagvaarding,

II. hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] tot betaling van € 100.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 5 juli 2011 tot en met 15 mei 2014 ad € 25.460,16, vermeerderd met de wettelijke handelsrente tot de dag van voldoening,

III. hoofdelijke veroordeling van gedaagden [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] tot betaling van de wettelijke handelsrente vanaf 5 juli 2011 tot de dag der dagvaarding ad € 25.460,16,

IV. te verklaren voor recht dat gedaagden [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen uit de overeenkomst die zij met [appellante] hebben gesloten, inhoudende betaling van de helft van de initiële verkoopprijs en verdeling van de winst van (de helft van) het perceel,

V. veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de beslagkosten ad € 2.013,77,

VI. veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 6.422,00,

een en ander met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van de procedure.

6.3.

[appellante] heeft aan het gevorderde – zoals verwoord door de rechtbank – het volgende ten grondslag gelegd.

6.3.1.

Ten tijde van de gezamenlijke aankoop van het perceel grond te [plaats 1] was door [appellante] en [VOF] afgesproken dat [appellante] de aankoopsom zou voorfinancieren en dat partijen gezamenlijk zouden delen in de winst van het project, hetzij bij doorverkoop, hetzij bij ontwikkeling voor nieuwbouw. [geïntimeerde 1] (als rechtsopvolgster van [VOF] ) heeft (in 2011) haar onverdeelde helft van het perceel verkocht aan [geïntimeerde 5] , zonder de helft van de aankoopsom met [appellante] af te rekenen. Dit levert een toerekenbare tekortkoming op van de vennoten van [VOF] , die hoofdelijk aansprakelijk blijven voor de verplichtingen die zij (in 2000) voor de overgang van [VOF] naar [geïntimeerde 1] (in 2002) zijn aangegaan. Zij zijn ook in gebreke gebleven de verkoop te melden aan [appellante] , wat op grond van artikel 3:176 BW wel vereist was. Het gevolg is dat de (voormalige) vennoten aansprakelijk zijn voor de door [appellante] als gevolg van het achterwege blijven van de vereiste mededeling geleden schade.

6.3.2.

[geïntimeerde 1] is vanwege de overname van de onverdeelde helft van het perceel (in 2002) op grond van artikel 3:176 lid 2 BW mede aansprakelijk voor de verplichtingen van de vennoten [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] jegens [appellante] . Voorts is [geïntimeerde 1] uit hoofde van onrechtmatig handelen jegens [appellante] aansprakelijk voor de door [appellante] geleden schade. [geïntimeerde 1] profiteert van de hiervoor bedoelde toerekenbare tekortkoming van de vennoten en is te vereenzelvigen met de vennoten. Daarnaast heeft [geïntimeerde 1] de verkoop aan [geïntimeerde 5] (in 2011) voor [appellante] verzwegen en heeft [geïntimeerde 1] paulianeus gehandeld omdat door de verkoop aan [geïntimeerde 5] de verhaalsmogelijkheden voor [appellante] ernstig zijn beperkt.

6.3.3.

[geïntimeerde 5] wordt onrechtmatig handelen jegens [appellante] verweten. [geïntimeerde 5] was bestuurder/enig aandeelhouder van [geïntimeerde 1] geweest, dus wist van de hoed en de rand betreffende de verplichtingen van de vennoten jegens [appellante] . [geïntimeerde 5] profiteert van de toerekenbare tekortkoming van de vennoten jegens [appellante] en heeft meegewerkt aan het frustreren van de verhaalsmogelijkheden van [appellante] . Voorts had ook [geïntimeerde 5] [appellante] op grond van 3:176 BW moeten inlichten over de verkoop van het perceel door [geïntimeerde 1] (in 2011). Door dat niet te doen is zij aansprakelijk voor de door [appellante] als gevolg daarvan geleden schade.

6.3.4.

[appellante] stelt dat [geïntimeerde 6] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door mede het plan op te zetten om [geïntimeerde 5] te kopen en vervolgens met [geïntimeerde 5] het perceel van [geïntimeerde 1] te kopen. [geïntimeerde 6] wist van de betalingsverplichting jegens [appellante] . Door daar geen melding van te maken, handelt hij onrechtmatig. Voorts heeft ook [geïntimeerde 6] de mededelingsplicht van artikel 3:176 BW geschonden.

6.3.5.

[appellante] heeft [geïntimeerde 1] een lening verstrekt van € 100.000,00, waarvoor de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn. Deze lening is nog niet terugbetaald en is direct opeisbaar, aldus [appellante] .

6.4.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft verweer gevoerd.

6.5.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft in eerste aanleg na haar eis te hebben vermeerderd – zoals door de rechtbank samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in reconventie gevorderd:

I. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 636.812,47, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 9 augustus 2000 tot aan de dag van voldoening,

II. veroordeling van [appellante] tot betaling van € 77.041,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening,

III. opheffing van de ten laste van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 6] onder [geïntimeerde 5] gelegde conservatoire derdenbeslagen,

IV. opheffing van het ten laste van [geïntimeerde 4] op de onroerende zaak te [plaats 3] gelegde conservatoir beslag,

V. opheffing van het ten laste van [geïntimeerde 5] op de onroerende zaak te [plaats 1] gelegde conservatoir beslag,

VI. veroordeling van [appellante] de inschrijving van de hiervoor bedoelde beslagen op onroerende zaken binnen een dag na betekening van dit vonnis door te halen, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag dat [appellante] in gebreke blijft daaraan te voldoen, alsmede machtiging van [geïntimeerde 1] c.s. de doorhaling zelf te bewerkstelligen.

Een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure in reconventie.

6.6.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft in eerste aanleg, zoals door de rechtbank overwogen, aan het gevorderde het volgende ten grondslag gelegd.

6.6.1.

[geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] hebben in 1999 samen met [appellante] een kantoorgebouw in [plaats 2] gekocht. De koopprijs bedroeg NLG 4.695.000,00. De overdracht vond plaats op 9 augustus 2000. Op dezelfde datum heeft [appellante] het kantoorgebouw weer overgedragen aan een derde, voor een bedrag van NLG 7.501.700,00. De winst bedroeg NLG 2.806.700,00. Omdat partijen hadden afgesproken de winst te delen, hebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] gezamenlijk recht op de helft van de winst, NLG 1.400.350,00 (€ 636.812,47).

6.6.2.

Omdat de vordering van [appellante] in conventie moet worden afgewezen, dienen de beslagen die tot zekerheid van verhaal van die vordering zijn gelegd te worden opgeheven.

6.6.3.

[appellante] heeft ten laste van [geïntimeerde 5] conservatoir beslag gelegd op de onroerende zaak van [geïntimeerde 5] aan de [perceel] te [plaats 1] . [geïntimeerde 5] heeft die onroerende zaak aan een derde verkocht en met de opbrengst daarvan weer een ander perceel gekocht. Op dit laatste perceel zou een crematorium worden ontwikkeld. Vanwege het gelegde beslag op het perceel aan de [perceel] kon de overdracht niet doorgaan, waardoor de verkoopopbrengst van dat perceel niet kon worden benut. De koopovereenkomst met betrekking tot het perceel voor het crematorium is ontbonden, waardoor [geïntimeerde 1] c.s. schade heeft geleden ten bedrage van in totaal € 77.041,99.

6.7.

[appellante] heeft verweer gevoerd tegen voormelde vorderingen.

6.8.

Bij tussenvonnis van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen, welke is gehouden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

6.9.

In het bestreden vonnis van 9 maart 2016 heeft de rechtbank als volgt beslist:

in conventie

5.1.

veroordeelt [geïntimeerde 1] om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 190.537,17 (honderdnegentigduizend vijfhonderdzevenendertig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 10 juni 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellante] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 100.000,00 met ingang van 10 juni 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in de beslagkosten ten bedrage van € 1.237,78,

5.4.

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 7.984,04,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

heft de op 27 mei 2014 ten laste van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 6] onder [geïntimeerde 5] gelegde conservatoire derdenbeslagen op,

5.8.

heft het op 27 mei 2014 ten laste van [geïntimeerde 4] gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] te [plaats 3] , kadastraal bekend gemeente [plaats 3] , sectie [sectie] , nummer [nummer] , op,

5.9.

beveelt [appellante] de inschrijving van het beslag op de hiervoor in 5.8 genoemde onroerende zaak in de openbare registers te doen doorhalen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat zij na de betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-,

5.10.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.11.

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 2.580,00,

5.12.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.13.

wijst het meer of anders gevorderde af.”

6.10.

In hoger beroep vordert [appellante] in haar memorie van grieven vernietiging van het vonnis van 9 maart 2016 en alsnog volledige toewijzing van haar vorderingen. In haar pleitnota heeft [appellante] dit verduidelijkt en toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg gevorderd, naast de reeds toegewezen vorderingen onder 5.1. tot en met 5.4. Hiertoe heeft [appellante] zes grieven aangevoerd. Voorts heeft [appellante] in haar pleitnota aanvullend geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, ook na vermeerdering, van [geïntimeerde 1] c.s.

6.11.

[geïntimeerde 1] c.s. vordert vernietiging van het vonnis van 9 maart 2016 en opnieuw rechtdoende wordt gevorderd:

1. de vorderingen van [appellante] af te wijzen;

2. [appellante] te veroordelen aan [geïntimeerde 1] c.s. te betalen € 80.979,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

3. [appellante] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4. [appellante] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van dit arrest het beslag op de [adres] te [plaats 3] door te halen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.500.000,-;

5. [appellante] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

in principaal appel

Hoofdelijke aansprakelijkheid [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ?

Grieven 1, 4 en 5 (deels): verjaring?

6.12.

[appellante] kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank in 4.10 inhoudende: “Niettemin dient de vordering van [appellante] op deze grondslag te worden afgewezen omdat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op verjaring op dit punt slaagt.” en niet met de conclusie in 4.11 dat er sprake is van verjaring van de vordering met betrekking tot de helft van de aankoopsom van de gronden, dat deze is gaan lopen vanaf 22 augustus 2002 en de vordering derhalve was verjaard op 22 augustus 2007 (grief 1).

[appellante] kan zich evenmin verenigen met overweging 4.20 van de rechtbank omdat de rechtbank volgens haar ten onrechte heeft overwogen: “ [appellante] heeft geen nakoming gevorderd eerder dan in het kader van de onderhavige procedure.” Ten onrechte komt de rechtbank in die overweging tot de conclusie dat haar vordering is verjaard (grief 4).

Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte in 4.21 overwogen dat de overige grondslagen jegens [geïntimeerde 1] geen bespreking behoeven omdat deze samenhangen met de vordering tot betaling van de koopprijs (grief 5).

6.12.1.

[geïntimeerde 1] c.s. onderschrijven het oordeel van de rechtbank.

6.13.

In artikel 3:307 lid 1 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

6.13.1.

In de procedure bij de rechtbank Zutphen heeft [appellante] in haar conclusie van antwoord van 22 augustus 2002 zich als volgt verweerd tegen de vordering van [geïntimeerde 1] , welke vordering inhield dat de rechtbank de verdeling zou vaststellen:

“Primair stelt [appellante] dat zij een vordering heeft op [geïntimeerde 1] terzake van het onderhavige perceel, bestaande uit de helft van de destijds door [appellante] betaalde koopsom vermeerderd met de kosten en rente die nadien met betrekking tot dit perceel zijn opgekomen en door haar zijn betaald. [appellante] is eerst bereid mee te werken aan de verzochte verdeling indien [geïntimeerde 1] deze vordering aan haar voldoet. Tot die tijd schort zij haar gehoudenheid tot medewerking aan verdeling op,…” (conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, productie 3).

Gezien het voorgaande heeft [appellante] niet (onderstreping hof) gesteld dat haar vordering opeisbaar was ten tijde van het nemen van de conclusie van antwoord op 22 augustus 2002.

6.13.2.

Voorts kan niet worden geconcludeerd dat [appellante] zich als primair verweer heeft beroepen op een opschortingsrecht als bedoeld in artikel 6:52 of 6:262 BW, waaruit zou volgen dat [appellante] zich op het standpunt zou hebben gesteld dat haar vordering opeisbaar was. Nu het immers om een verweer tegen de vordering tot verdeling van [geïntimeerde 1] ging, kan dit primaire verweer, zoals ook het meer subsidiaire verweer luidt, niet anders worden opgevat dan als een beroep op artikel 3:178 lid 3 BW. Voormeld artikel houdt in dat, indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. Gelet op het voorgaande kan, anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoeren, 22 augustus 2002 niet als begin van de verjaringstermijn gelden.

6.13.3.

Andere momenten waarop de verjaringstermijn een aanvang zou hebben genomen en als gevolg waarvan de vordering van [appellante] op onder meer [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ten tijde van het instellen van de inleidende dagvaarding op 10 juni 2014 zou zijn verjaard, zijn niet gesteld door [geïntimeerde 1] c.s. Hierbij merkt het hof op dat op [geïntimeerde 1] c.s. de last rust voldoende te stellen dat de vordering van [appellante] zou zijn verjaard, aangezien [geïntimeerde 1] c.s. zich beroepen op verjaring.

6.13.4.

De conclusie van het hof is dat [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende hebben gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de vordering van [appellante] om [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] hoofdelijk te veroordelen om de helft van de door [appellante] betaalde koopprijs van het perceel [perceel] te [plaats 1] te betalen, is verjaard. In zover slaagt deze grief.

6.14.

Vanwege het slagen van deze grief zullen de overige verweren van [geïntimeerde 1] c.s. tegen deze vordering tot betaling van de helft van de koopprijs van het perceel moeten worden besproken.

6.14.1.

[geïntimeerde 1] c.s. zijn van mening dat deze vordering uitsluitend kan worden ingesteld tegen [geïntimeerde 1] (conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, nr. 9.). Echter het enkele feit dat [geïntimeerde 1] de rechtsopvolger is van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] , zoals [geïntimeerde 1] c.s. aanvoeren, neemt niet weg dat [appellante] en VOF [VOF] de grond samen hebben gekocht, dat [appellante] en VOF [VOF] ieder eigenaar zijn geworden van de onverdeelde helft van het perceel, zodat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als vennoten van de toenmalige VOF [VOF] naar het oordeel van het hof mede gehouden zijn tot betaling van de helft van de koopsom, welke geheel door [appellante] is betaald en tot betaling van de helft van de winst.

Dit verweer wordt dus gepasseerd.

6.14.2.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben zich ook nog beroepen op rechtsverwerking (conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie, nr. 16. tot en met 19.).

Voor het aannemen van rechtsverwerking levert enkel tijdsverloop geen toereikende grond op. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (Hoge Raad 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827 (https:// [internetsite] )).

Het feit dat [appellante] € 100.000,- heeft geleend aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] nadat ook door [appellante] royement was verzocht van de procedure in de rechtbank Zutphen, terwijl [appellante] toen met geen woord heeft gerept over de verschuldigde helft van de koopsom, acht het hof op zichzelf onvoldoende voor [geïntimeerde 1] c.s. om op grond daarvan gerechtvaardigd te kunnen menen dat [appellante] niet meer de helft van de koopsom terug zou vorderen. Bovendien heeft de advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. ter comparitie verklaard (proces-verbaal van comparitie, blz. 4 en 5) dat er toen is afgesproken om te gaan royeren en te gaan praten, dat zij toen dachten dat zij er toen wel uit zouden komen, maar dat dat niet is gelukt. Gegeven dit overleg na royement van de procedure in de rechtbank Zutphen hebben [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] onvoldoende gesteld om een gerechtvaardigde verwachting aan hun kant aan te kunnen nemen dat [appellante] haar vorderingen zou laten varen.

Evenmin acht het hof het feit dat [appellante] op 4 april 2012 heeft meegewerkt aan de splitsing van de grond zonder op dat moment aanspraak te maken op betaling van de helft van de koopprijs van de grond, een omstandigheid op grond waarvan gezegd kan worden dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ervan uit mochten gaan dat [appellante] niet langer haar vordering tot betaling van de helft van de koopprijs zou willen handhaven. Hierbij komt dat deze splitsing door [geïntimeerde 5] is gevorderd en niet door [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] .

Het beroep van [geïntimeerde 1] c.s. op rechtsverwerking wordt op voormelde gronden verworpen.

Grief 2: schuldoverneming door [geïntimeerde 1] ?

6.15.

[appellante] kan zich voorts niet verenigen met de beslissing van de rechtbank onder 4.13 waar de rechtbank overweegt: “ De rechtbank is daarom, anders dan [appellante] , van oordeel dat wel sprake is van schuldoverneming in de zin van artikel 6:155 BW. [appellante] heeft [geïntimeerde 1] als deelgenoot/wederpartij aanvaard.”

6.15.1.

[geïntimeerde 1] c.s. voeren aan dat [appellante] en [geïntimeerde 1] met instemming van [appellante] deelgenoten waren geworden en dat [appellante] op de hoogte was van de overgang van de vordering naar [geïntimeerde 1] .

6.16.

In artikel 6:155 BW is bepaald dat een schuld overgaat van de schuldenaar op een derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming kennis hebben gegeven.

6.16.1.

Niet is gesteld dat [appellante] uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de gestelde schuldoverneming.

6.16.2.

[geïntimeerde 1] c.s. voeren aan dat de opstelling van [appellante] in de procedure uit 2002 een zodanige gedraging in de zin van artikel 3:37 lid 1 BW is, dat het deelgenootschap van [geïntimeerde 1] instemming van [appellante] had.

Het hof stelt hierbij voorop dat in die procedure niet [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] waren betrokken.

Verder is niet gesteld dat [appellante] heeft ingestemd met de inbreng van de onverdeelde helft van de grond in [geïntimeerde 1] . Aan de overdracht van de grond kan dus geen gerechtvaardigd vertrouwen van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] worden ontleend dat [appellante] instemde met schuldoverneming door [geïntimeerde 1] .

Tenslotte kan de opstelling van [appellante] in de procedure in de rechtbank Zutphen, die immers betrekking had op de verdelingsvordering van [geïntimeerde 1] , niet als een gedraging worden geduid die tot de conclusie zou kunnen leiden dat [appellante] zou hebben ingestemd met schuldoverneming. Immers [appellante] kon in die procedure niet veel anders dan erkennen dat [geïntimeerde 1] deelgenoot was geworden aangezien de onverdeelde helft van het perceel door [VOF] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in [geïntimeerde 1] was ingebracht. Gezien het bepaalde in artikel 3:175 lid 1 BW waren eerstgenoemden daartoe ook beschikkingsbevoegd. Als deelgenoot kon [appellante] vervolgens jegens [geïntimeerde 1] het standpunt innemen dat [geïntimeerde 1] haar, [appellante] ’s, vordering diende te voldoen voordat er verdeeld kon worden. Dit standpunt brengt niet mee dat [appellante] haar vordering alleen tegen [geïntimeerde 1] geldend wilde maken. Immers [geïntimeerde 1] was betrokken in deze procedure en niet [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] .

Gezien het voorgaande heeft [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende aangedragen om te kunnen aannemen dat er sprake is van schuldoverneming door [geïntimeerde 1] waardoor [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] niet meer zouden kunnen worden aangesproken.

Deze grief slaagt dus.

6.17.

In eerste aanleg zijn in het kader van het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. gebaseerd op schuldoverneming niet meer of andere opmerkingen door [geïntimeerde 1] c.s. gemaakt die vanwege het slagen van deze grief bespreking behoeven.

Grief 3: mededeling verkrijging aandeel.

6.18.

[appellante] kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank onder 4.14. en 4.15. daar waar de rechtbank overweegt: “De rechtbank overweegt dat artikel 3:176 lid 1 BW… aan de overige deelgenoten.”

6.18.1.

[geïntimeerde 1] c.s. onderschrijven het oordeel van de rechtbank.

6.19.

In artikel 3:176 leden 1 en 2 BW is bepaald:

“ 1. De verkrijger van een aandeel of een beperkt recht daarop moet van de verkrijger onverwijld mededeling doen aan de overige deelgenoten of aan degene die door de deelgenoten of de rechter met het beheer over het goed is belast.

2. Een overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar schuldig was. Vervreemder en verkrijger zijn hoofdelijk voor deze vergoeding aansprakelijk. De verkrijger kan zich aan deze verplichting onttrekken door zijn aandeel op zijn kosten aan de overige deelgenoten over te dragen; dezen zijn verplicht aan een zodanige overdracht mede te werken.”

6.19.1.

[appellante] merkt in haar toelichting op dat in het kader van artikel 3:176 lid 2 BW de vervreemder ( [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] ) en de verkrijger ( [geïntimeerde 1] ) mededeling dienen te doen aan de andere deelgenoot op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid van beiden voor de schade van [appellante] . Enige mededelingsverplichting van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als vervreemders blijkt echter niet uit deze bepaling. Die mededelingsverplichting blijkt enkel uit lid 1 van genoemde bepaling en rust slechts op de verkrijger van een aandeel, dus op [geïntimeerde 1] , zoals de rechtbank terecht overweegt in 4.15.

6.19.2.

[appellante] betoogt dat op grond van artikel 3:176 lid 2 BW [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding aan de gemeenschap waarvan [appellante] deelgenoot is. Dit betoog wordt verworpen. Immers door [appellante] is niet gesteld dat haar vordering op [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] een vordering op de gemeenschap is. Derhalve kan niet geconcludeerd worden dat er sprake is van enige verschuldigdheid aan de gemeenschap van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als vervreemders, zoals bedoeld in voormelde bepaling.

Deze grief faalt. Aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] kan dus niet worden gegrond op artikel 3:176 leden 1 en 2 BW.

6.20.

De slotsom op grond van hetgeen in 6.12 e.v. en 6.15 e.v. is dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] als voormalige vennoten van VOF [VOF] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vorderingen van [appellante] , aangezien die vorderingen niet zijn verjaard, het recht daarop niet is verwerkt en de schulden van de voormalige vennoten jegens [appellante] niet zijn overgenomen door [geïntimeerde 1] .

Aansprakelijkheid [geïntimeerde 5] ?

Grief 5: mededeling verkrijging aandeel?

6.21.

[appellante] kan zich niet verenigen met overweging 4.23 en zij acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank de schade niet evident gelijk heeft bevonden aan de helft van de aankoopsom.

6.21.1.

[geïntimeerde 1] c.s. onderschrijft het oordeel van de rechtbank.

6.22.

[appellante] heeft in haar toelichting op deze grief aangevoerd dat [geïntimeerde 5] zich onrechtmatig jegens [appellante] heeft gedragen en dat [geïntimeerde 5] uit hoofde van artikel 3:176 lid 2 BW aansprakelijk is.

6.22.1.

Bij brief van 22 augustus 2011 aan [appellante] heeft [geïntimeerde 5] onder verwijzing naar een telefoongesprek van 3 augustus 2011, aangegeven medewerking te willen verlenen aan de splitsing van het perceel (memorie van antwoord/grieven, productie 1). Uit het voorgaande trekt het hof de conclusie dat [appellante] als deelgenoot door [geïntimeerde 5] als verkrijger op 3 augustus 2011 is medegedeeld dat zij, [geïntimeerde 5] , op 5 juli 2011 een aandeel in het perceel had verkregen. [appellante] heeft niet betoogd dat deze mededeling als niet onverwijld gedaan moet worden beschouwd. [geïntimeerde 5] kan daarom niet op grond van artikel 3:176 lid 1 BW aansprakelijk worden gehouden. In zoverre faalt deze grief.

6.22.2.

De door [appellante] gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerde 5] op grond van onrechtmatige daad heeft [appellante] in de toelichting op grief 6 uitgewerkt, zodat die grondslag bij die grief wordt besproken.

Grief 6: onrechtmatige daad?

6.23.

[appellante] is van mening dat de rechtbank in 4.22 ten onrechte heeft beslist dat [geïntimeerde 5] niet onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van de voormalige vennoten van [VOF] en later van [geïntimeerde 1] .

6.23.1.

[geïntimeerde 1] c.s. verweert zich door te verwijzen naar haar conclusie van antwoord en haar toelichting tijdens de comparitie van partijen.

6.24.

In haar toelichting op deze grief verwijst [appellante] naar de inleidende dagvaarding, nrs. 29 tot en met 34. [appellante] komt in haar toelichting en in haar voormelde passages tot de conclusie dat [geïntimeerde 5] bewust heeft meegewerkt aan het frustreren van verhaal voor haar vordering.

6.24.1.

Vast staat dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] niet de helft van de koopprijs van de grond aan [appellante] hebben voldaan.

6.24.2.

Op 5 juli 2011 is de onverdeelde helft van het perceel door [geïntimeerde 1] overgedragen aan [geïntimeerde 5] . Niet is gesteld of gebleken dat [appellante] met die overdracht heeft ingestemd of tevoren daarvan op de hoogte is gesteld.

6.24.3.

Op voormeld moment van overdracht van de grond door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 5] was [geïntimeerde 6] directeur van [geïntimeerde 5] en waren [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] via hun persoonlijke holdings aandeelhouders van [geïntimeerde 5] , zoals ter gelegenheid van het pleidooi is verklaard. In [geïntimeerde 1] waren [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] via hun persoonlijke holdings bestuurders en aandeelhouders van [geïntimeerde 1] . De zeggenschap in [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] lag dus uiteindelijk bij [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] .

6.24.4.

In de akte van overdracht van 5 juli 2011 (inleidende dagvaarding, productie 4) van de onverdeelde helft door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 5] is in artikel 3.1 bepaald dat [geïntimeerde 1] als verkoper afstand doet van het recht om de koopprijs te vorderen en dat [geïntimeerde 5] als koper de koopprijs van € 986.346,38 als schuldig erkent. Enige reden voor deze bepaling is niet gesteld. [geïntimeerde 1] c.s. hebben niet gesteld dat [geïntimeerde 5] de koopprijs op enig later moment wel heeft voldaan aan [geïntimeerde 1] .

6.24.5.

Gelet op voormelde zeggenschap van [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in [geïntimeerde 1] en in [geïntimeerde 5] is het hof van oordeel dat eerstgenoemden wisten (althans moeten hebben geweten) dat [appellante] stelde een vordering te hebben op [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] en dat die wetenschap dient te worden toegerekend aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] . Daaruit volgt dat voormelde betrokkenen wisten dat door de overdracht van het perceel door [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 5] , [appellante] , in het geval haar vordering op [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] zou worden toegewezen, in haar mogelijkheden om voor die toegewezen vordering verhaal te nemen op het perceel, werd bemoeilijkt. Immers [appellante] heeft onbetwist gesteld dat [geïntimeerde 5] ten behoeve van [geïntimeerde 6] hypotheek heeft verleend op de grond. [geïntimeerde 1] c.s. hebben ter zake van deze hypotheekverlening geen stukken in het geding gebracht, zodat de omvang van de hypotheek niet kan worden vastgesteld.

6.24.6.

Hetgeen [geïntimeerde 1] c.s. aanvoeren ter rechtvaardiging van hun handelwijze , te weten in de projectontwikkeling gebruikelijke risicospreiding en aanpassing van de naam aan de plaatselijke situatie (conclusie van antwoord/eis nr. 34. e.v. en pv comparitie) acht het hof onvoldoende. Immers [geïntimeerde 1] c.s. hebben niet aangevoerd dat en waarom om die redenen de grond niet in [geïntimeerde 1] zou kunnen blijven en (slechts) de naam van [geïntimeerde 1] zou kunnen worden aangepast aan de plaatselijke situatie.

6.24.7.

Het hof acht , gelet op het voorgaande, de hiervoor bedoelde handelwijze van [geïntimeerde 5] in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens [appellante] . [geïntimeerde 5] heeft derhalve onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld. Grief 6 slaagt dus.

6.24.8.

De schade bestaat uit de benadeling ter zake van het verhaal. [appellante] heeft in deze procedure niet duidelijk gemaakt wat die schade is, zodat die schade niet in dit arrest kan worden begroot. De mogelijkheid dat [appellante] wel zulke schade heeft geleden is aannemelijk. Daarom wordt de vordering van [appellante] tot schadevergoeding door [geïntimeerde 5] naar de schadestaatprocedure verwezen.

De conclusie is dat de grief slaagt.

6.25.

In eerste aanleg zijn in het kader van het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. ter zake van de vordering van [appellante] op grond van onrechtmatige daad van [geïntimeerde 5] niet meer of andere opmerkingen gemaakt die vanwege het slagen van deze grief bespreking behoeven

Aansprakelijkheid [geïntimeerde 6] ?

6.26.

In grief 6 brengt [appellante] naar voren dat zij zich niet kan verenigen met de overwegingen 4.24 en 4.25 van de rechtbank met betrekking tot de onrechtmatige daad van [geïntimeerde 6] .

6.26.1.

[geïntimeerde 1] c.s. verweren zich door te verwijzen naar hun conclusie van antwoord en hun toelichting tijdens de comparitie van partijen.

6.27.

In haar toelichting merkt [appellante] op dat [geïntimeerde 6] van alles op de hoogte was, actief heeft meegewerkt aan het uit het bereik van [appellante] houden van de grond en een recht van hypotheek heeft verkregen op de grond zonder dat daaraan een titel ten grondslag lag.

6.27.1.

Op 1 juli 2011 is [geïntimeerde 6] enig bestuurder van [geïntimeerde 5] geworden. Gelet hierop en nu dat overigens onvoldoende is betwist, wist [geïntimeerde 6] van de door [appellante] gepretendeerde vordering. Gezien hetgeen hiervoor onder 6.24.1. tot en met 6.24.7. is overwogen, heeft ook [geïntimeerde 6] onrechtmatig jegens [appellante] gehandeld. Het hof acht het handelen van [geïntimeerde 6] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [geïntimeerde 6] wist of had redelijkerwijze behoren te begrijpen dat de door hem toegelaten handelwijze van [geïntimeerde 5] tot gevolg zou hebben dat het verhaal voor de vordering van [appellante] bemoeilijkt zou worden en dat [appellante] hierdoor schade zou leiden.

6.27.2.

De grief slaagt.

6.27.3.

Op de hiervoor ten aanzien van [geïntimeerde 5] vermelde gronden wordt de zaak naar de schadestaat verwezen.

6.28.

In eerste aanleg zijn in het kader van het verweer van [geïntimeerde 1] c.s. ter zake van de vordering van [appellante] op grond wegens onrechtmatige daad van [geïntimeerde 6] niet meer of andere opmerkingen gemaakt die vanwege het slagen van deze grief bespreking behoeven

in incidenteel appel

Grief I: bekendheid [appellante] met [geïntimeerde 1] als rechtsopvolger van de vennoten.

6.29.

[geïntimeerde 1] c.s. stellen dat de rechtbank in 2.4. van het vonnis als feit heeft vastgesteld dat [geïntimeerde 1] geen melding heeft gemaakt bij [appellante] omtrent haar rechtsopvolging en dat [geïntimeerde 5] bestuurder/enig aandeelhouder was van [geïntimeerde 1] .

6.30.

[geïntimeerde 1] c.s. hebben niet gesteld welk belang zij hebben bij deze grief, nu zij niet aangeven waar deze grief, in geval van gegrondbevinding daarvan, toe zou moeten leiden. Indien [geïntimeerde 1] c.s. met deze grief hebben willen betogen dat [geïntimeerde 1] alleen aansprakelijk is en dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] daarom niet langer aansprakelijk zijn wordt verwezen naar hetgeen in grief 2 in het principaal appel is overwogen.

Deze grief wordt dus verworpen.

Grief II: winstverdeling bij helfte?

6.31.

[geïntimeerde 1] c.s. voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde 1] de helft van de gerealiseerde winst aan [appellante] dient te betalen.

6.32.

In hun toelichting betwisten [geïntimeerde 1] c.s. dat is overeengekomen dat de winst van de grond bij verkoop bij helfte zou worden verdeeld.

Het hof acht deze betwisting onvoldoende. Immers [geïntimeerde 1] c.s. geven zelf aan dat de afspraak was dat [appellante] tezamen met [geïntimeerde 1] de grond zou ontwikkelen. Aangezien, nu daaromtrent niets anders is gesteld, het hof aanneemt dat de afgesproken ontwikkeling van de grond tot doel heeft gehad winst te maken, acht het hof de enkele stelling van [geïntimeerde 1] c.s., dat partijen geen winstverdeling hebben afgesproken, een onvoldoende betwisting van de stelling van [appellante] dat verdeling bij helfte is afgesproken. Hierbij komt dat [geïntimeerde 1] c.s. ter onderbouwing van hun stelling dat zij aanspraak kunnen maken op de helft van de winst van het project [plaats 2] aan hebben gevoerd dat partijen al vaker onroerend goed transacties hadden gedaan waarbij telkens samen de winst werd verdeeld (proces-verbaal comparitie, blz. 6). De opmerking van [geïntimeerde 1] c.s. in hun toelichting, dat in het project [plaats 2] de winst werd verdeeld omdat het project onmiddellijk was doorverkocht, doet, zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, niets af aan voormelde eigen stelling van [geïntimeerde 1] c.s. Hierbij wijst het hof bovendien op de eigen stelling van [geïntimeerde 1] c.s., dat omdat partijen het project [plaats 2] tezamen deden, ieder van partijen recht had op de helft (conclusie van antwoord/eis, nr. 43.).

De grief is ongegrond.

Grief III: wettelijke rente over € 100.000,-.

6.33.

Naar de mening van [geïntimeerde 1] c.s. heeft de rechtbank ten onrechte [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van wettelijke rente over

€ 100.000,- vanaf 10 juni 2014 tot aan de dag van voldoening.

6.34.

In de toelichting op deze grief wordt door [geïntimeerde 1] c.s. gesteld dat door toedoen van [appellante] , namelijk het negeren van de toenadering door [geïntimeerde 1] c.s. en het blokkeren van het te gelde maken van de grond, terwijl [appellante] wist dat [geïntimeerde 1] c.s. onvoldoende liquiditeit hadden om het bedrag te voldoen, betaling van € 100.000,- achterwege is gebleven. [geïntimeerde 1] c.s. vinden dit een vorm van crediteursverzuim van [appellante] .

Dit betoog wordt verworpen. Immers [geïntimeerde 1] c.s. stellen zelf dat zij geen voldoende liquiditeiten hadden om het verschuldigde te betalen. De door [geïntimeerde 1] c.s. gestelde toenadering leidt namelijk niet tot het wel hebben van voldoende betalingsmiddelen. [geïntimeerde 1] c.s. hebben niet aangegeven dat het te gelde maken van de grond indien daarop geen beslag was gelegd, voldoende zou hebben opgebracht voor de betaling van de lening. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat een beroep op schuldeisersverzuim als bedoeld in artikel 6:58 BW niet opgaat.

De grief slaagt niet.

Grief IV: proceskostenveroordeling eerste aanleg.

6.35.

Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. betogen heeft de rechtbank terecht [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] in de proceskosten veroordeeld. Dit volgt uit hetgeen hierboven is overwogen in het principaal appel.

De grief wordt verworpen.

Grief V: afwijzing proceskostenveroordeling ten behoeve van [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] .

6.36.

Uit hetgeen in het principaal appel is overwogen volgt dat [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] in het ongelijk worden gesteld. Dit brengt mee dat de rechtbank terecht een proceskostenveroordeling ten behoeve van [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] heeft afgewezen.

Ook deze grief strandt.

Grief VI: schade als gevolg van beslag.

6.37.

Deze grief gaat niet op omdat het beslag onder [geïntimeerde 5] op het perceel in [plaats 1] niet ten onrechte is gelegd, zoals uit het principaal appel volgt.

6.38.

In de toelichting op deze grief hebben [geïntimeerde 1] c.s. betoogd dat een dwangsom van

€ 1.500.000,- dient te worden verbonden aan de veroordeling van [appellante] tot doorhaling van de inschrijving van het beslag op de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats 3] . In hun memorie van antwoord/grieven hebben [geïntimeerde 1] c.s. die dwangsom ook gevorderd. Bij akte van 6 maart 2018 hebben [geïntimeerde 1] c.s. deze vordering ingetrokken. De grief wordt verworpen omdat [geïntimeerde 1] c.s. daar geen belang bij hebben.

Bewijsaanbiedingen in principaal in incidenteel appel.

6.39.

Bewijsaanbiedingen van partijen worden gepasseerd omdat ze, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet ter zake dienend zijn.

Slotsom in principaal en incidenteel appel.

6.40.

Het vonnis in conventie zal wat betreft de beslissing onder 5.1., 5.3. en 5.4. worden vernietigd en opnieuw rechtdoende zal worden beslist als in het dictum bepaald.

Voor het overige zal het vonnis in conventie en in reconventie, voor zover in hoger beroep aan de orde, worden bekrachtigd.

Proceskosten.

6.41.

[geïntimeerde 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden veroordeeld.

6.41.1

Voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg brengt het voorgaande mee dat behalve [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] , die reeds in de beslag- en proceskosten in eerste aanleg zijn veroordeeld, ook [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] in de beslag- en proceskosten worden veroordeeld.

6.41.2.

In hoger beroep worden de kosten begroot op € 21.051,- advocaatkosten ([<memorie van grieven=1 punt + pleidooi=2 punten> x tarief VII=€ 4.678,-] x 1,5 vanwege incidenteel appel), € 93,73 dagvaardingskosten en € 5.213,- griffierecht.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

vernietigt het vonnis van 9 maart 2016 in conventie gewezen onder 5.1., 5.3. en 5.4. en in zover opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] , hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [appellante] te betalen € 795.809,17 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 10 juni 2014 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] in de beslagkosten ten bedrage van € 1.237,78;

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 4] , [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] begroot op € 7.894,04;

veroordeelt [geïntimeerde 5] en [geïntimeerde 6] tot schadevergoeding op te maken bij staat;

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt voor het overige het vonnis van 9 maart 2016 in conventie en in reconventie gewezen voor zover het aan dit hoger beroep is onderworpen;

veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 93,73 aan dagvaardingskosten, op € 5.213,- aan griffierecht en op € 21.051,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,-indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, O.G.H. Milar en van J.H.M. van Erp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2018.

griffier rolraadsheer