Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3023

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
200.209.947_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:10693, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring. Geen overeenkomst tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.209.947/01

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. I. Bakker te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. Meuwissen te Maastricht,

op het bij dagvaardingsexploot van 2 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 december 2016 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5201154 CV EXPL 16-6643)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld bestreden vonnis en het daaraan voorafgegane -bij griffiersbrief van 1 september 2016 aan partijen meegedeelde- mondelinge tussenvonnis waarbij een comparitie na antwoord is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het dagvaardingsexploot,

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] met vier grieven en producties,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens vermeerdering grondslag vordering, van [geïntimeerde] met producties.

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken en die van de eerste aanleg.

2.3

Als stuk van de eerste aanleg bevat het overgelegde procesdossier een bij brief van 20 oktober 2016 door [geïntimeerde] aan de kantonrechter gezonden akte uitlating, tevens overlegging van producties, met vier producties. Hoewel het bestreden vonnis die bij brief van 20 oktober 2016 ingezonden stukken niet vermeldt, stelt [appellant] in zijn memorie van grieven dat [geïntimeerde] die akte met producties in eerste aanleg wel als processtukken in het geding heeft gebracht en legt hij die nadrukkelijk ook als productie 4 bij zijn memorie over. Nu [geïntimeerde] dat in haar memorie van antwoord niet gemotiveerd weerspreekt en als bijlagen bij haar memorie ook zelf twee van die vier producties in het geding brengt, gaat het hof er van uit dat het bestreden vonnis die stukken ten onrechte niet vermeldt en rekent het hof die bij brief van 20 oktober 2016 aan de kantonrechter gezonden akte met producties tot de processtukken uit de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

Gezien de onbestreden feitenvaststelling in het bestreden vonnis en overigens als gesteld en niet of onvoldoende betwist, gaat het hof uit van de navolgende feiten.

  1. In de periode van 2004 tot medio 2009 hadden partijen een affectieve relatie waaruit een dochter werd geboren.

  2. Partijen woonden samen in de aan [appellant] in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [plaats 1] , Duitsland (hierna: de woning).

  3. Tijdens hun samenwoning hebben partijen, mede op kosten van [geïntimeerde] , verbouwingen aan de woning uitgevoerd.

  4. Met het oog op de afwikkeling van hun onderlinge financiële aanspraken overhandigde [appellant] aan [geïntimeerde] een door hem ondertekend handgeschreven stuk d.d. 13 november 2009 (hierna: het stuk 13-11-2009) waarin was vermeld:

“- (…) het totaalbedrag ad Euro 12.000,-- (zegge: twaalfduizend euro) –

Welk bedrag [appellant] hierbij, pro resto verklaart schuldig te zijn aan [geïntimeerde] en welke schuldigverklaring door [appellant] hierbij ook integraal wordt aanvaard.

- Het hiervoor genoemde bedrag dient door [appellant] (…) (nadat hypotheek volledig geregeld is!) op een nader door [geïntimeerde] op te geven bankrekening te worden voldaan.

- [geïntimeerde] verleent hierbij aan [appellant] finale kwijting van elke verdere vordering uit welke hoofde dan ook.

- Uitzondering hierop vormt de nader vast te stellen alimentatie voor gemeenschappelijke dochter.

- (…)

- Partijen verklaren voorts, bij ondertekening dezes, onvoorwaardelijk afstand te doen van hun recht om gedeeltelijke of gehele ontbinding van deze overeenkomst te vorderen en zulks in als buiten rechte. (…)”

3.2

Bij het bestreden vonnis is, samengevat, [appellant] op inleidende vordering van [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld tot betaling van € 12.000,-- aan hoofdsom en van € 919,01 aan proceskosten, allebei die bedragen te vermeerderen met rente.

3.3.1

In hoger beroep concludeert [appellant] in hoofdlijn dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en -opnieuw rechtdoende- de inleidende vordering van [geïntimeerde] zal afwijzen, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van wat ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] is voldaan te vermeerderen met rente vanaf de dag van betaling en -zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- van de proceskosten van de beide instanties te vermeerderen met rente.

3.3.2

[geïntimeerde] weerspreekt dat en concludeert dat het hof, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden.

3.4.1

[geïntimeerde] legt aan haar toegewezen vordering een overeenkomst ten grondslag en voert daartoe in de kern het navolgende aan.

Na de verbreking van hun relatie heeft [appellant] in het stuk 13-11-2009 erkend

€ 12.000,-- aan [geïntimeerde] schuldig te zijn. Afgesproken werd dat [appellant] dat bedrag aan [geïntimeerde] zou betalen zodra hij de te koop staande woning zou hebben verkocht, maar hij haalde de woning in oktober 2010 uit de verkoop, hertrouwde en blijft daarin met zijn nieuwe partner [nieuwe partner van appellant] wonen. Omdat [appellant] weigert zijn betalingsverplichting aan [geïntimeerde] na te komen, is [appellant] bij aangetekende brief van 18 augustus 2010 (hierna: de sommatiebrief 18-8-2010) tot betaling gesommeerd. Bij brief van 28 augustus 2014 (hierna: de stuitingsbrief 28-8-2014) is de verjaring van de vordering gestuit.

3.4.2

[appellant] verweert zich in hoofdlijn als volgt.

Met het ter ondertekening aangeboden stuk 13-11-2009 deed [appellant] op 13 november 2009 een aanbod dat [geïntimeerde] niet accepteerde en verwierp, zodat geen overeenkomst tot stand kwam. Ook toen partijen in 2010 spraken over de door [geïntimeerde] verzochte kinderalimentatie, onderhandelden zij nog over de afwikkeling van hun financiële relatie maar bereikten zij daarover geen overeenstemming. Eerst uit de sommatiebrief 18-8-2010 blijkt dat [appellant] de in het stuk 13-11-2009 bedoelde € 12.000,-- claimt, maar niet dat [geïntimeerde] het stuk 13-11-2009 inmiddels (alsnog) had aanvaard en/of mee-ondertekend. Eerst met de inleidende dagvaarding nam [appellant] kennis van de beweerde mee-ondertekening van het stuk 13-11-2009 door [geïntimeerde] , maar het daarin door [appellant] gedane aanbod was toen al vervallen, in ieder geval doordat [geïntimeerde] het niet binnen redelijke tijd had aanvaard en verworpen. Als toch een overeenkomst mocht bestaan, is de vordering van [geïntimeerde] verjaard. De stuitingsbrief 28-8-2014 heeft [appellant] niet bereikt.

3.4.3

Tot hier (een samenvatting van) de standpunten van partijen.

3.5

Het hof overweegt dat dit geschil internationale aspecten heeft. [appellant] woonde op het moment dat de inleidende dagvaarding werd uitgebracht in [plaats 2] , Nederland. De kantonrechter heeft zich terecht en onbestreden de bevoegde Nederlandse rechter geacht en past onbestreden Nederlands recht toe.

3.6

Het bestreden vonnis is gebaseerd op het daaraan ten grondslag gelegde kantonrechtersoordeel dat partijen al op 12 november 2009 mondeling overeenstemming hadden bereikt over het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 12.000,-- zoals neergelegd in het stuk 13-11-2009.

3.7.1

Met grief 1 klaagt [appellant] er over dat de kantonrechter met dat oordeel ten onrechte een eerst ter comparitiezitting in eerste aanleg door [geïntimeerde] aangevulde grondslag voor haar vordering accepteert. [appellant] licht toe dat [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding niet over een mondelinge overeenkomst van 12 november 2009 rept en [geïntimeerde] zich daarin alleen beroept op de overeenkomst zoals schriftelijk neergelegd in stuk 13-11-2009, zodat hij zich bij conclusie van antwoord alleen tegen die schriftelijke overeenkomst heeft kunnen verweren.

3.7.2

Het hof laat onbesproken of en in hoeverre [geïntimeerde] met de bedoelde uitlating ter comparitiezitting

(dat partijen al op 12 november 2009 mondeling overeenstemming hadden bereikt over het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 12.000,-- zoals neergelegd in het reeds in de inleidende dagvaarding opgevoerde stuk 13-11-2009)

echt een nieuwe grond(slag) aan haar vordering ten grondslag legde. Als dat het geval was, had [geïntimeerde] die grond inderdaad al duidelijk in het inleidende dagvaardingsexploot behoren te vermelden. [appellant] heeft om die reden echter niet de nietigheid van dat exploot ingeroepen. Een dergelijk nietigheidsberoep zou bovendien zijn verworpen omdat [appellant] door dat gebrek niet onredelijk in zijn belangen is geschaad. Hoewel [appellant] op diezelfde comparitiezitting al de gelegenheid zal zijn geboden om zich over die nieuwe grondslag uit te laten, heeft [appellant] nu in hoger beroep in ieder geval de gelegenheid zich daarover naar behoren uit te laten. Zoals hierna zal blijken, heeft [appellant] zich daarover in zijn memorie ook daadwerkelijk uitgelaten. Reeds hierom kan grief 1 tot niets leiden.

3.8

Met de zich voor gezamenlijke behandeling lenende grieven 2 en 3 komt [appellant] op tegen het kantonrechtersoordeel van rov. 3.6 hiervoor. Met grief 4 klaagt [appellant] over de kantonrechtersoverweging dat [appellant] het verjaringsverweer niet langer handhaaft en betoogt [appellant] dat een op de overeenkomst gebaseerde vordering van [geïntimeerde] in ieder geval is verjaard. Omdat het hof bij een geslaagd verjaringsverweer niet aan een beoordeling van de verjaarde vordering toekomt, zal het hof hierna eerst grief 4 beoordelen.

3.9.1

Blijkens het bestreden vonnis heeft [appellant] zijn verjaringsverweer ter comparitie ingetrokken. Met zijn toegelichte grief 4 stelt [appellant] zijn verjaringsverweer in eerste aanleg niet te hebben prijsgegeven. De juistheid hiervan kan echter onbesproken blijven nu het hoger beroep de mogelijkheid biedt tot herstel- of aanvulling door partijen van de eigen manier van procederen in eerste aanleg, bijvoorbeeld door wijziging van een eerder ingenomen standpunt. In hoger beroep roept [appellant] in ieder geval het verjaringsverweer in en [geïntimeerde] heeft zich hierover voldoende kunnen uitlaten.

3.9.2

De vordering van [geïntimeerde] verjaart vijf jaren na de dag waarop zij opeisbaar is geworden. Nu [geïntimeerde] onweersproken 1 oktober 2010 als dag van opeisbaar worden stelt, verjaarde de vordering van [geïntimeerde] 1 oktober 2015, tenzij [geïntimeerde] de verjaring tijdig heeft gestuit waardoor een nieuwe vijfjarige verjaringstermijn is gaan lopen waarbinnen de inleidende dagvaarding van 22 juni 2016 werd uitgebracht. [geïntimeerde] stelt in haar memorie van antwoord (randnummers 31 en 32) dat haar (door [gemachtigde 1] geschreven) brief van 23 januari 2012 (hierna: de brief 23-1-2012) de verjaring heeft gestuit. Omdat [appellant] zich over deze in de memorie van antwoord opgenomen nieuwe stelling van [geïntimeerde] nog niet heeft kunnen uitlaten, dient het hof [appellant] nu eerst de gelegenheid te bieden zich bij akte over die nieuwe stelling van [geïntimeerde] uit te laten. Het hof zal [appellant] daartoe echter niet toelaten nu het hof de op een overeenkomst gebaseerde vordering van [geïntimeerde] in geen geval toewijsbaar oordeelt, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, en [appellant] daardoor dus niet in zijn belangen wordt geschaad.

3.10.1

Als de brief 23-1-2012 de verjaring uiteindelijk niet blijkt te hebben gestuit, komt op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep aan het hof voor te liggen de in eerste aanleg door [geïntimeerde] ingenomen stelling dat haar (door [gemachtigde 2] geschreven) stuitingsbrief 28-8-2014 de verjaring heeft gestuit. Omdat [appellant] de ontvangst van die brief ontkent maar [geïntimeerde] de rechtsgevolgen daarvan inroept, rust dan op [geïntimeerde] de bewijslast (van feiten en omstandigheden waaruit volgt) dat de stuitingsbrief 28-8-2014 [appellant] ook echt heeft bereikt. Bij gebreke van een toereikend bewijsaanbod hiertoe zal het hof wegens afwezigheid van een stuiting dan concluderen dat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard, dat aan een beoordeling van de grieven 2 en 3 niet wordt toegekomen en dat de op een overeenkomst gebaseerde vordering van [geïntimeerde] al hierom niet toewijsbaar is.

3.10.2

Als de brief 23-1-2012 de verjaring uiteindelijk wel blijkt te hebben gestuit, is op die datum een nieuwe vijfjarige verjaringstermijn gaan lopen en werd de inleidende dagvaarding tijdig uitgebracht. Dan komt het hof toe aan de beoordeling van de grieven 2 en 3, waarmee [appellant] opkomt tegen het kantonrechtersoordeel dat partijen al op 12 november 2009 mondeling overeenstemming hadden bereikt over het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 12.000,-- zoals neergelegd in het stuk 13-11-2009. Ook een beoordeling van de grieven 2 en 3 zal het hof echter niet tot een toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] doen concluderen zoals uit het navolgende zal blijken.

3.10.2.1 Omdat [geïntimeerde] de rechtsgevolgen daarvan inroept, rust dan op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast (van feiten en omstandigheden waaruit volgt) dat partijen op 12 en/of 13 november 2009 overeenkwamen dat [appellant] ter afwikkeling van hun onderlinge financiële aanspraken een bedrag van € 12.000,-- aan [geïntimeerde] betaalt.

3.10.2.2 Voor wat betreft een op 12 november 2009 gesloten overeenkomst stelt [geïntimeerde] onweersproken dat partijen op die dag hebben gesproken over de afwikkeling van hun onderlinge financiële aanspraken. [appellant] ontkent niet dat toen is gesproken over een daartoe door hem aan [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 12.000,--, maar betwist wel de stelling van [geïntimeerde] dat partijen toen overeenstemming hebben bereikt. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat die overeenstemming op 12 november 2009 wel werd bereikt, was dat volgens haar zelf niet onvoorwaardelijk maar gekoppeld aan de afspraken dat zij per 12 november 2009 wordt ontslagen uit haar aansprakelijkheid tegenover de hypotheekgever en dat [appellant] haar dat bedrag zal betalen zodra hij de woning heeft verkocht. Het door [geïntimeerde] ingeroepen handgeschreven en alleen door [appellant] ondertekende stuk d.d. 12 november 2009 (hierna: het stuk 12-11-2009) vermeldt echter geen enkele verwijzing naar een dergelijke betaling. [geïntimeerde] stelt geen bijkomende feiten en omstandigheden waaruit volgt dat stuk 12-11-2009 een toen gesloten overeenkomst weergeeft. Voor zover [geïntimeerde] zich beroept op het stuk 13-11-2009 volgt daaruit een de dag daarvóór gesloten overeenkomst ook niet. Het stuk 13-11-2009 verwijst in haar bewoordingen ook geenszins naar een al op 12 november 2009 gesloten overeenkomst, terwijl [geïntimeerde] geen bijkomende feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat stuk 13-11-2009 een al de dag daarvóór totstandgekomen overeenkomst weergeeft. Zonder (de ontbrekende) nadere toelichting, volgt uit de gestelde en ingeroepen omstandigheden en stukken dat partijen het op 12 november 2009 hooguit eens waren over het uitgangspunt dat [appellant] bereid was om in het kader van een te treffen regeling een bedrag van € 12.000,-- aan [geïntimeerde] te betalen, maar onderhandelden zij nog over de andere essentialia van een te sluiten overeenkomst en was een dergelijke overeenkomst op 12 november 2009 in ieder geval (nog) niet totstandgekomen.

3.10.2.3 Voor een op 13 november 2009 gesloten overeenkomst kan relevant zijn dat partijen de dag ervóór hebben gesproken over de afwikkeling van hun onderlinge financiële aanspraken en dat zij het toen eens waren over het uitgangspunt dat [appellant] bereid was om in het kader van een te treffen regeling een bedrag van € 12.000,-- aan [geïntimeerde] te betalen. Nu verder vast staat dat [appellant] op die dag zelf het toen alleen door hem ondertekende stuk 13-11-2009 met het oog op de afwikkeling van hun onderlinge financiële aanspraken aan [geïntimeerde] overhandigde, bevat het stuk 13-11-2009 als onderhandse akte hooguit de bereidverklaring van ondertekenaar [appellant] tot het aangaan van de daarin nader omschreven overeenkomst en bevat het dus slechts zijn aanbod daartoe. Voor zover [geïntimeerde] aangeeft dat [appellant] met zijn in stuk 13-11-2009 vervatte schriftelijke verklaring de overeenkomst tot stand deed komen, verhoudt zich dat zonder (de ontbrekende) toelichting ook niet met haar eigen nadrukkelijke stellingname dat zij (ook) dit stuk niet meteen aanvaardde en ondertekende maar voor beraad en ruggespraak eerst wilde doornemen met haar advocaat. Voor zover [geïntimeerde] stelt dat zij die schriftelijke verklaring ook:

“enige tijd later [heeft] besproken met haar advocaat”

en klaarblijkelijk zelf ook als een door [appellant] gedaan aanbod behandelde, maakte zij vervolgens niet binnen redelijke tijd aan [appellant] kenbaar zijn aanbod (alsnog) te aanvaarden. [geïntimeerde] stelt zelfs dat zij:

“daarop [is] vergeten om de door haar meegenomen documenten ook weer ondertekend terug te sturen aan de man”.

Hieruit volgt niet alleen dat op 13 november 2009 geen overeenkomst tot stand is gekomen, maar ook dat zo’n overeenkomst later niet alsnog met de aanvaarding van stuk 13-11-2009 tot stand is gekomen.

3.10.2.4 Bij dit alles komt nog dat partijen blijkens -al in eerste aanleg ingebrachte- mailcorrespondentie in ieder geval ook in juni 2010 (nog) onderhandelden over onder meer de afwikkeling van hun onderhavige financiële aanspraken. Voor zover [geïntimeerde] toelicht dat [appellant] in die periode probeerde eerder gemaakte afspraken terug te draaien, bieden de bedoelde mails daarvoor geen concrete aanknopingspunten.

3.11

Omdat [geïntimeerde] overigens geen concrete feiten stelt of te bewijzen aanbiedt die tot een ander oordeel leiden, komt het hof aan bewijslevering met betrekking tot de op een overeenkomst gegronde vordering van [geïntimeerde] niet toe. Resumerend oordeelt het hof -anders dan de kantonrechter- de vordering van [geïntimeerde] op basis van de daaraan ten grondslag gelegde overeenkomst in ieder geval niet toewijsbaar.

3.12

Ondanks het voorgaande zal het hof het bestreden vonnis nu (nog) niet vernietigen. Voor het geval dat een grief van [appellant] doel treft, zegt [geïntimeerde] in haar memorie van antwoord immers nadrukkelijk de grondslag van haar vordering te vermeerderen en haar vordering nu ook te baseren op ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] . Blijkens het voorgaande wordt die voorwaarde vervuld, maar alvorens het hof over die nieuwe subsidiaire grondslag zal oordelen, hoort [appellant] de gelegenheid te krijgen zich daarover eerst uit te laten. Omdat [geïntimeerde] de vermeerdering van de grondslag van haar vordering in strijd met het procesreglement niet in de kop van haar memorie en op het bijgevoegde H-formulier had vermeld, is dat niet onderkend en is [appellant] ten onrechte nog niet de gelegenheid daartoe geboden. Het hof zal [appellant] nu eerst alsnog de gelegenheid bieden zich uit te laten over die door [geïntimeerde] nieuw ingeroepen subsidiaire grondslag van haar vordering. Omdat de komende akte voor geen ander doel is bestemd, zal het hof daarin voorkomende uitlatingen van [appellant] over andere kwesties buiten beschouwing laten. Omdat het recht op wederhoor leidt tot de rolverwijzing en de door [appellant] te nemen akte, zal het hof [geïntimeerde] geen gelegenheid geven voor antwoordakte.

3.13

Onder aanhouding van iedere verdere beslissing beslist het hof als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 7 augustus 2018 voor akte aan de zijde van [appellant] met het hiervoor in rov. 3.12 vermelde doel, waarna [geïntimeerde] geen gelegenheid voor antwoordakte zal worden gegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2018.

griffier rolraadsheer