Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3009

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
200.229.385_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:8678
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:7393
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Paulianeuze rechtshandelingen ex artikel 3:45 BW. Betalingsonwil. Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.229.385/01

arrest van 17 juli 2018

gewezen in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring

in de zaak van

1 ABC Wonen B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [appellante 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

hierna aan te duiden als: [appellanten] ,

advocaat: mr. R.H.J.G. Borger te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

hierna aan te duiden als: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. P.J.L. Tacx te Someren,

als vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 13 februari 2018 in het hoger beroep van de – onder zaaknummer C/04/113927 / HA ZA 12-40 gewezen – vonnissen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 26 september 2012, 17 juli 2013, 20 mei 2015, 2 september 2015 en 6 september 2017.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 13 februari 2018;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van eis in incident van [geïntimeerden] ;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident van [appellanten]

Het hof heeft een datum bepaald voor arrest in het incident.

2. De beoordeling

in het incident

2.1.

Bij genoemde rolbeslissing zijn [appellanten] bevolen zich in de memorie van grieven uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de vonnissen in de zaak met nummer C/04/114635 / HA ZA 12-76, in welke zaak [geïntimeerden] in eerste aanleg geen partij waren. Bij memorie van grieven hebben [appellanten] medegedeeld dat sprake was van een misverstand en dat het onderhavige appel enkel ziet op de vonnissen in de procedure met zaaknummer C/04/113927/HA ZA 12-40. In het petitum van de memorie van grieven hebben [appellanten] geconcludeerd tot vernietiging van "de vonnissen van de rechtbank Roermond onder zaaknummer C/04/113927/HA ZA 12-40 d.d. 26 september 2012; 17 juli 2013; 20 mei 2015; september 2015 en 6 september 2017 (…)".

2.2.

[geïntimeerden] hebben vervolgens bij memorie van eis in incident gevorderd dat het hof [appellanten] in hun beroep niet-ontvankelijk verklaart met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, met de wettelijke rente.

2.3.

[geïntimeerden] hebben daartoe aangevoerd dat [appellanten] op 6 december 2017 in één appeldagvaarding zijn opgekomen tegen vonnissen van de rechtbank Limburg in de procedures met de rolnummers C/04/114635 / HA ZA 12-76 en C/04/113927 / HA ZA 12-40, maar dat op grond van vaste jurisprudentie de goede procesorde zich – op straffe van niet-ontvankelijkheid – ertegen verzet dat in één dagvaarding beroep wordt ingesteld tegen vonnissen gewezen in verschillende procedures.

2.4.

[appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

2.5.

Bij de beoordeling gaat het hof uit van het volgende. [appellanten] zijn bij exploot van 6 december 2017 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 september 2012, 20 mei 2015, 2 september 2015 en 6 september 2017 in de zaak met nummer C/04/113927 / HA ZA 12-40 en in de zaak met nummer C/04/114635 / HA ZA 12-76.

In eerste aanleg is de zaak met nummer C/04/113927 / HA ZA 12-40 gevoerd tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellanten], tezamen met NV All Technology Investment Group en [naam], als gedaagden. De zaak met nummer C/04/114635 / HA ZA 12-76 is in eerste aanleg gevoerd tussen [appellanten] als eisers en NV All Technology Investment Group en [naam] als gedaagden. [geïntimeerden] waren in deze laatste zaak geen partij.

Beide zaken zijn door de rechtbank gevoegd behandeld en zijn verschillende keren in één vonnis beslist.

2.6.

Uit de reactie van [appellanten] op de rolbeslissing in de memorie van grieven en uit haar verweer in de memorie van antwoord in het incident begrijpt het hof dat het (tevens) vermelden van zaaknummer C/04/114635 / HA ZA 12-76 in de appeldagvaarding op een misverstand berust, veroorzaakt door een wisseling van advocaat na het eindigen van de procedure in eerste aanleg. Dat [appellanten] nooit beoogd hebben om in beide zaken (tegelijk) hoger beroep in te stellen blijkt ook uit het gegeven dat de appeldagvaarding van 6 december 2017 niet tevens is uitgebracht aan de gedaagden in de zaak met nummer C/04/114635 / HA ZA 12-76, NV All Technology Investment Group en [naam], hetgeen [geïntimeerden] moeten hebben opgemerkt. Het hof gaat daarom ervan uit dat sprake is geweest van een kennelijke misslag en is van oordeel dat er bij [geïntimeerden] redelijkerwijs geen twijfel over heeft kunnen bestaan dat het hoger beroep beperkt was tot de vonnissen in de zaak met nummer C/04/113927 / HA ZA 12-40 en dat het vermelden van het andere zaaknummer een vergissing was, te meer omdat deze vergissing reeds voordat dit incident werd opgeworpen door het formuleren van een nieuw petitum in de memorie van grieven was hersteld. [geïntimeerden] zijn door deze – inmiddels herstelde – misslag ook niet in hun verdediging benadeeld.

2.7.

Het voorgaande betekent dat het gegeven dat de appeldagvaarding mede het zaaknummer C/04/114635 / HA ZA 12-76 vermeldt, niet aan de ontvankelijkheid van [appellanten] in de weg staat. De jurisprudentie waarnaar [geïntimeerden] verwijzen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze jurisprudentie ziet immers op zaken waarin doelbewust bij één exploot een rechtsmiddel is ingesteld tegen vonnissen of arresten in meerdere zaken. Zoals gezegd is dat in deze zaak niet het geval.

2.8.

De vordering in het incident zal worden afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aan gehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

3 De uitspraak

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [geïntimeerden] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 28 augustus 2018 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, O.G.H. Milar en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2018.

griffier rolraadsheer