Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:295

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
200.213.040_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3594
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 januari 2018

Zaaknummer: 200.213.040/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/203674 / FA RK 15-868

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.M.R. Vlaar,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.M.F. Honders.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 maart 2017, heeft de vader verzocht om (zo begrijpt het hof: voormelde beschikking te vernietigen en):

  • -

    de omgang tussen de vader en de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] te wijzigen in een overnachting van zaterdag op zondag of vrijdag op zaterdag, zodanig dat een verblijf in [woonplaats] in de woning van de vader mogelijk is, waarbij het hof de begin- en eindtijd van de omgang bepaalt;

  • -

    de raad opdracht te geven de omgang te evalueren en onderzoek te doen naar de mogelijkheden van gezamenlijk ouderlijk gezag, zoals de vader heeft verzocht.

De vader heeft voorwaardelijk verzocht te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per keer dat zij de omgangsregeling niet nakomt.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 mei 2017, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. C.M.M. Mikkers, waarnemend voor mr. Vlaar;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Honders;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 mei 2016.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij vonnis in kort geding van 1 april 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht – kort en zakelijk weergegeven – uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld en bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per keer dat zij na betekening van het vonnis de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,-.

3.3.

De vader heeft in eerste aanleg verzocht een omgangs- en informatieregeling vast te stellen en hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten.

3.3.1.

Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de rechtbank – kort en zakelijk weergegeven – een raadsonderzoek gelast naar het gezag en de omgang tussen de vader en [minderjarige] en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.2.

Bij beschikking van 15 september 2015 heeft de rechtbank – kort en zakelijk weergegeven – uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaald dat de begeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden bij het omgangshuis te [vestigingsplaats] en onder begeleiding van het omgangshuis te [vestigingsplaats] , welke regeling inhoudt dat gedurende 4 tot 6 maanden op de wijze en met de frequentie, duur en opbouw zoals door het omgangshuis dient te worden bepaald, er tussen [minderjarige] en de vader omgang zal zijn;

  • -

    bepaald dat het omgangshuis te [vestigingsplaats] de gezamenlijke gesprekken tussen de ouders op het omgangshuis dient te laten plaatsvinden en dient te begeleiden en dat de ouders aan die gesprekken dienen mee te werken;

  • -

    de raad verzocht de rapportage van het omgangshuis bij de rechtbank in te dienen en voor zover nodig aanvullend schriftelijk rapport uit te brengen.

Bij arrest in kort geding van 12 april 2016 heeft dit hof voormeld vonnis van 1 april 2015 bekrachtigd en in aanvulling daarop – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de moeder in het kader van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bij beschikking van 15 september 2015 bepaalde voorlopige omgangsregeling, gehouden is [minderjarige] naar [vestigingsplaats] te brengen en hem daar ook op te halen, alsmede dat ieder van partijen de eigen reiskosten verbonden aan deze omgangsregeling draagt.

3.3.3.

Bij beschikking van 3 juni 2016 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de begeleide omgangsregeling bij het omgangshuis te [vestigingsplaats] gehandhaafd;

  • -

    bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per keer dat zij de hiervoor bedoelde omgangsregeling niet nakomt, dat wil zeggen gemaakte afspraken met het omgangshuis niet nakomt, waaronder het zelf komen naar afspraken in [vestigingsplaats] en het brengen en halen van [minderjarige] op geplande omgangsmomenten, met een maximum van € 5.000,-.

  • -

    de raad verzocht de rapportage van het omgangshuis in te dienen, alsmede aanvullend te rapporten over de verzoeken van de vader inzake gezamenlijk gezag en de zorg- of omgangsregeling.

3.3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaald dat de vader omgang met [minderjarige] kan hebben elke laatste zaterdag van de maand, te beginnen op zaterdag 25 maart 2017, telkens van 10.00 uur tot 19.00 uur, in [woonplaats] , waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder moet ophalen en aan het einde van de omgang weer bij de moeder moet terugbrengen;

  • -

    bepaald dat de moeder de vader maandelijks, bij gelegenheid van de overdracht in de ochtend van [minderjarige] aan de vader in het kader van de omgang, schriftelijk dient te informeren over belangrijke zaken betreffende de persoon en het vermogen van [minderjarige] ;

  • -

    het meer of anders verzochte, waaronder gezamenlijk ouderlijk gezag, afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen, voor zover het betreft het oordeel van de rechtbank omtrent de omgang en de verzochte dwangsommen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De ouders verschillen nog altijd van mening over de vraag waar de omgang tussen de vader en [minderjarige] moet plaatsvinden. De beperkte financiële middelen van de ouders spelen daarbij een rol.

De vader wil [minderjarige] wel in [woonplaats] ophalen, maar de tijd die hij heeft is te kort om met hem naar [woonplaats] terug te rijden. In [woonplaats] kent de vader niemand en is er geen plek waar [minderjarige] rustig kan spelen. Het contact met [minderjarige] is bovendien niet afgestemd op het contact tussen de vader en zijn dochter elke zaterdag.

De vader heeft nog altijd zijn twijfels of de moeder de omgangsregeling zal nakomen. Een dwangsom is daarvoor in het verleden altijd noodzakelijk geweest. Het verzoek om dwangsommen op te leggen is voorwaardelijk gedaan, afhankelijk van het verloop tot de mondelinge behandeling van het hof. De moeder is de laatste twee afspraken niet nagekomen. De vader is steeds in [woonplaats] verschenen op de afgesproken locatie en het afgesproken tijdsstip, doch vergeefs. De vader acht dwangsommen dan ook noodzakelijk, ook om de moeder ertoe te bewegen dat zij de vader – conform de op haar rustende verplichting – omtrent [minderjarige] informeert.

Er zijn geen redenen om de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen. De vader betwist stellig dat hij de moeder heeft gestalkt. Desondanks weet de vader nog altijd niet waar de moeder en [minderjarige] wonen en heeft de vader geen telefoonnummer van de moeder. Door de gang van zaken in eerste aanleg – de vader heeft meerdere malen vergeefs om een nadere mondelinge behandeling verzocht – is er vijf maanden geen omgang geweest tussen de vader en [minderjarige] .

De vader wenst nog altijd mede met het ouderlijk gezag te worden belast. Na een half jaar omgang zou een evaluatie en een heroverweging van de beslissing omtrent het gezag moeten plaatsvinden. In het raadsrapport heeft de vader geen aanvaardbare reden kunnen lezen voor het niet toekennen van het gezamenlijk gezag.

3.6.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

In de procedure in eerste aanleg (onder meer in het kader van het raadsonderzoek) zijn de standpunten van partijen over de omgang volledig de revue gepasseerd en zijn partijen in de gelegenheid gesteld op het raadsrapport te reageren. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk was om over de voorliggende verzoeken te oordelen.

De vader wil op korte termijn een ruimere omgangsregeling dan volgens de moeder en de raad raadzaam is voor [minderjarige] . De vader moet eerst laten zien dat hij de geldende regeling kan en wenst na te komen. Een overnachting is op dit moment een stap te ver. Het zou ook te veel van [minderjarige] vragen om in één dag naar [woonplaats] en weer terug naar [woonplaats] te reizen. De woonomgeving van de vader is niet duidelijk. De moeder maakt zich zorgen over waar [minderjarige] dan zou verblijven.

Het verzoek om dwangsommen is strijdig met de pogingen van partijen om de samenwerking in het kader van de omgang te versterken en is schadelijk voor het onderlinge vertrouwen, dat noodzakelijk is voor het door de vader gewenste gezamenlijke gezag. De vader heeft zelf de omgang menigmaal niet laten doorgaan. De vader gaf dan geen antwoord op de e-mails van de moeder of pas de avond ervoor. Vóór de laatste geplande omgangsafspraak heeft de moeder de vader de vraag gesteld of het wel verstandig was [minderjarige] een hele dag met de vader te laten doorbrengen, omdat hij hem wellicht al niet meer kende.

Dat de moeder in [woonplaats] woont op een voor de vader onbekend adres en de vader het telefoonnummer van de moeder niet heeft, is het resultaat van de belaste geschiedenis tussen de ouders waarbij de vader de moeder heeft gestalkt.

De raad heeft geadviseerd geen gezamenlijk gezag toe te kennen. Wanneer de omgang loopt en er meer vertrouwen tussen de ouders ontstaat, komt er mogelijk ruimte voor gezamenlijk gezag. Het thans toekennen van gezamenlijk gezag zal een escalerend effect hebben en een belemmering vormen voor het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.

3.7.

De raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.

De raad verwijst naar zijn advies aan de rechtbank in eerste aanleg. De uitvoering van de vastgestelde omgangsregeling stagneert door de beperkte financiële middelen van beide ouders. De afstand [woonplaats] - [woonplaats] is daarmee een struikelblok geworden. Met name [minderjarige] heeft hier last van, want hij dient contact te hebben met de vader.

De ouders dienen nu steeds vast te stellen in welk weekend het contact plaatsvindt. Het zou helpen als zij zouden afspreken dat dit steeds (bijvoorbeeld) de eerste of tweede zaterdag van de maand is. De eindbeschikking bevat een open eind. De raad is van mening dat er nog iets dient te gebeuren. De ouders zijn zonder hulp niet in staat de omgangsregeling uit te voeren. Het verdient de voorkeur als een organisatie die ook ouderschapsbemiddeling biedt de omgang begeleidt. Niet alleen moeten de vader en [minderjarige] in staat worden gesteld elkaar te zien, ook dienen de ouders met elkaar te leren communiceren.

3.8.

Het hof oordeelt als volgt.

3.8.1.

De zitting van het hof op 12 december 2017 is enige tijd geschorst voor beraad aan de zijde van het hof.

3.8.2.

Na de hervatting van de zitting heeft het hof partijen voorgehouden dat zij zich in een situatie bevinden waarin contact tussen de vader en de minderjarige en daarmee het family life tussen hen volledig is verbroken, zonder dat daarvoor goede argumenten zijn aan te voeren.

Het hof heeft partijen voorts voorgehouden dat ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) de rechter – kort gezegd – gehouden is alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om omgang tussen een ouder en een kind te realiseren. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).

3.8.3.

Het hof wenst de ouders echter, alvorens daartoe (dwang)maatregelen te treffen, (nog) een kans te geven om zelf invulling te geven aan de omgang tussen vader en [minderjarige] , door de ingang onder begeleiding zorgvuldig op te bouwen.

Het hof heeft de ouders meegegeven dat naar het oordeel van het hof het in het belang van [minderjarige] is dat de omgang met de vader voortaan in (de omgeving van) [woonplaats] zal plaatsvinden, aangezien hij op die wijze ook bekend wordt met de leefwereld van de vader.

Verwijzing van de ouders naar een door een organisatie in Limburg aan te bieden BOR-module acht het hof dan ook aangewezen.

Het resultaat kán zijn dat gedurende of na afloop van het BOR-traject in duur of frequentie afgeweken zal worden van de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling.

3.8.4.

Het hof heeft de zitting vervolgens nogmaals geschorst om de ouders in de gelegenheid te stellen om zich te beraden over de vraag of zij kunnen instemmen met de verwijzing naar een BOR-traject en zo ja, de ouders in staat te stellen daarover samen nadere afspraken te maken.

3.8.5.

Na de hervatting van de zitting hebben de ouders het hof medegedeeld dat zij zich voor een BOR-traject willen laten verwijzen naar AnaCare te [vestigingsplaats] , Limburg. Specifiek achten de ouders de module ‘BOR II’, derhalve inclusief ouderschapsbemiddeling, het meest passend.

De ouders zijn voorts overeengekomen dat de vader € 40,- aan de moeder betaalt voor iedere keer dat zij naar Limburg dient te reizen ten behoeve van het BOR-traject.

De moeder heeft verder toegezegd de vader te zullen voorzien van informatie over [minderjarige] , conform de bestreden beschikking.

3.8.6.

Het hof zal de zaak ten behoeve van het BOR-traject voor de duur van acht maanden aanhouden, na verloop van welke termijn de raad het hof dient te informeren over het verloop en de resultaten van het BOR-traject.

4 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van AnaCare (‘BOR II’-regeling), waarbij de invulling van de BOR wordt bepaald door en zal worden overgelaten aan AnaCare;

verstaat dat de vader € 40,- aan de moeder betaalt voor iedere keer dat zij naar Limburg dient te reizen ten behoeve van het BOR-traject, welke betaling uiterlijk bij de start van een begeleid contact zal plaatsvinden;

verstaat dat moeder de vader zal voorzien van informatie over [minderjarige] , conform de bestreden beschikking, of zo als nader zal worden afgestemd tussen de ouders tijdens de begeleiding;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum de rapportage van AnaCare omtrent de voortgang van het BOR-traject bij het hof in te dienen, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, waarna het hof partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 25 september 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en P. Vlaardingerbroek en is op 25 januari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brouwer-van de Put, griffier.