Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2921

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
17/00073 tot en met 17/00078
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7757, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit een PGB dat is verstrekt in verband met verzorging moeder terecht in belastingheffing betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-10-2018
V-N Vandaag 2018/2146
FutD 2018-2710
V-N 2018/57.22.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00073 tot en met 17/00078

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 8 december 2016, nummers BRE 16/29 tot en met 16/32, BRE 16/1177 en BRE 16/1178, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn de volgende aanslagen opgelegd:

1.1.1.

Voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.756 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.939 en een aanslag Zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 33.427;

1.1.2.

Voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.006 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.647 en een aanslag Zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 33.372;

1.1.3.

Voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.267 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.391 en een aanslag Zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 33.720.

Na daartegen gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur elk van de aanslagen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

De Rechtbank heeft, vervat in één uitspraak, de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 25 mei 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [B] en [C] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbendes moeder, mevrouw [moeder] , is op [datum 1] 2009 gaan wonen bij belanghebbende thuis, op het adres [adres] 87 te [woonplaats] . Vóór die datum verbleef belanghebbendes moeder in verpleeghuis [D] , een centrum voor zorg en reactivering in [plaats] . Daar werd zij op [datum 2] 1997 opgenomen.

2.2.

Die opname hield verband met een zich aftekenende dementie. Belanghebbendes moeder is thans volledig afhankelijk van zorgverlening. Belanghebbende en haar broer, de heer [A] (hierna (ook): broer) , zijn bewindvoerders van hun moeder. De broer treedt op als contactpersoon.

2.3.

Al snel na de opname in verpleeghuis [D] toonden belanghebbende en haar broer zich ontevreden over de aan hun moeder verleende zorg. De zorg werd niet verleend zoals belanghebbende en haar broer dat graag wilden. Dat leidde er uiteindelijk toe dat, na vele gesprekken en een gerechtelijke procedure, aan de relatie met de Stichting voor Regionale Zorgverlening (SVRZ), de exploitant van verpleeghuis [D] , een einde kwam.

2.4.

Belanghebbende en haar broer besloten hun moeder thuis in de familiesfeer te verzorgen, toen opname van hun moeder in een ander verpleeghuis vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoorde en het inkopen van zorg bij professionele zorgverleners te duur bleek. Op [datum 1] 2009 werd moeder bij belanghebbende thuis ondergebracht. Belanghebbende en haar broer vroegen namens hun moeder in verband met de verzorging thuis een persoonsgebonden budget (pgb) aan.

2.5.

In 2013 slaagden belanghebbende en haar broer erin hun moeder in een zorginstelling onder te brengen waar de gewenste zorg werd verleend. Plaatsing geschiedde op 2 juli 2013.

2.6.

In de jaren 2011, 2012 en 2013 heeft belanghebbende voor de verleende zorg aan haar moeder bedragen uit het pgb ontvangen van respectievelijk € 16.485, € 33.372 en € 16.547.

2.7.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende op basis van de ingediende aangiften voor de jaren 2011, 2012 en 2013 de aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd. Belanghebbende heeft vervolgens bezwaren gemaakt tegen deze aanslagen voor zover de hiervoor genoemde bedragen zijn aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.

2.8.

In de brief van de Inspecteur van 26 maart 2015 is het volgende vermeld:

“Op 24 maart 2015 heb ik uw brief ontvangen. U verzoekt de bezwaarschriften 2011 en 2012 tegen zowel de aanslagen inkomensheffing en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet aan te houden totdat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan op uw beroep in cassatie betreffende de aanslag van het kalenderjaar 2010.

Ik ga akkoord met uw verzoek en zal de behandeling van de bezwaarschriften opschorten tot na de uitspraak van de Hoge Raad.”

2.9.

Voor de aanslagen IB/PVV en ZVW betreffende de belastingjaren 2012 en 2013 heeft de Inspecteur bij brieven van 14 oktober 2015 zijn voorgenomen beslissing op het bezwaar kenbaar gemaakt en belanghebbende in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 29 oktober 2015 heeft belanghebbende hierop gereageerd. De reactie van belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur niet veranderd. Voor deze aanslagen heeft de Inspecteur daarom op 3 november 2015 uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij de bezwaren zijn afgewezen.

2.10.

In de brief van belanghebbende van 10 november 2015 aan de Inspecteur is voor zover van belang het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van uw schrijven van 3 november 2015 het volgende:

(…)

Het gaat mij natuurlijk om de belastbaarheid van het bedrag dat ik uit het PGB van mijn moeder heb ontvangen. Waar alle voorgaande bezwaren en procedures om gingen. (…) Mijn bezwaar tegen uw voornemen om af te wijken van de aanslag 2013 gaat mede over het belasten van eerder genoemd bedrag in relatie met het PGB van mijn moeder.

(…)

Ik begrijp wel dat rechters mekaar de hand boven het hoofd houden maar mogelijk tref ik eens een goede die mijn motivatie meer gewicht toekent dan in voorgaande zaken is gebeurt. In de rechtspraak schijnt alles mogelijk te zijn.”

2.11.

Bij brief van 30 december 2015, ingekomen bij de Rechtbank op 5 januari 2016, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.

2.12.

In de brief van 29 oktober 2015 deelt belanghebbende de Inspecteur mee dat zij de (voorgenomen) beslissing op bezwaar voor het jaar 2011 mist. In de uitspraken op bezwaar en in het verweerschrift in eerste aanleg vermeldt de Inspecteur dat de bezwaarschriften gericht tegen de voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen zijn ontvangen op 15 januari 2015.

2.13.

Voor de aanslagen IB/PVV en ZVW betreffende het belastingjaar 2011 heeft de Inspecteur, met verwijzing naar de uitspraken op bezwaar van 3 november 2015, op 2 februari 2016 uitspraken op bezwaar gedaan, waarbij de bezwaren eveneens zijn afgewezen. De brief van belanghebbende met dagtekening 7 januari 2016, ingekomen bij de Rechtbank op 10 februari 2016, is door de Rechtbank aangemerkt als beroepschrift tegen deze uitspraken op bezwaar.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur de door belanghebbende in de jaren 2011, 2012 en 2013 ontvangen bedragen uit het pgb voor het verlenen van zorg aan haar moeder terecht in elk van voormelde jaren tot het belastbare inkomen uit werk en woning en tot het bijdrage-inkomen heeft gerekend.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.271 en een belastbaar inkomen uit sparen en belegging van € 2.939, tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2012 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.634 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.647, tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2013 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.720 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.391 en, naar het Hof begrijpt, tot vermindering van de aanslagen Zorgverzekeringswet voor de jaren 2011, 2012 en 2013. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de hoger beroepen.

4 Gronden

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

4.1.

De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2011 en de aanslag Zorgverzekeringswet 2011 zijn gedagtekend op 12 december 2014. Nu de Inspecteur heeft verklaard dat de bezwaren tegen die beide aanslagen op 15 januari 2015, en derhalve voor het einde van de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn, zijn ingekomen, acht het Hof belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaren.

4.2.

Gelet op de inhoud van de brief van 10 november 2015 is deze brief gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 3 november 2015. De Inspecteur had deze brief daarom moeten doorzenden als beroepschriften gericht tegen de voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde aanslagen. In aanmerking genomen dat voor de vraag of de beroepschriften tijdig zijn ingediend op grond van artikel 6:15, lid 3, van de Awb moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst van het beroepschrift door de Inspecteur, is belanghebbende voor het einde van de termijn in beroep gekomen. De Rechtbank heeft belanghebbende terecht ontvankelijk verklaard in haar beroepen tegen de voor de jaren 2012 en 2013 opgelegde aanslagen.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Het Hof heeft in zijn uitspraak van 12 december 2014, nr. 13/01021, ECLI:NL:GHSHE:2014:5265, het volgende overwogen:

“4.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr. 42 044, ECLI:NL:HR:2007:AY3626, BNB 2007/246, kan worden afgeleid dat werkzaamheden, waarvoor een pgb wordt ontvangen, steeds in het economische verkeer plaatsvinden, ongeacht of deze werkzaamheden door familieleden worden verricht of dat deze worden ingekocht bij professionele zorgverleners. Het Hof onderschrijft dat oordeel van de Rechtbank en maakt dat tot het zijne.

4.2.

Vaststaat dat belanghebbende en de heer [A] in verband met de verzorging van hun moeder bij belanghebbende thuis, nadat aan de relatie met verpleeghuis [D] een einde was gekomen, een pgb hebben aangevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het pgb in het leven is geroepen om mensen thuis te kunnen verzorgen, dat je met professionals voor de zorg er met het pgb niet uitkomt, dat zij en de heer [A] het toen maar zelf hebben gedaan en dat zij niet inzien waarom derden € 50 per uur zouden ontvangen voor zorgverlening en zij niets.

4.3.

Uit het vorenstaande blijkt dat belanghebbende en de heer [A] bij de verzorging van hun moeder bij belanghebbende thuis en het aanvragen van een pgb mede een financiële afweging hebben gemaakt. Aldus hebben zij mede een voordeel beoogd. Dat voordeel konden zij, bij de aanvraag van een pgb, ook redelijkerwijs voorzien.

4.4.

Niet in geschil is dat de moeder van belanghebbende en de heer [A] daadwerkelijk thuis, bij belanghebbende, is verzorgd en dat zowel belanghebbende als de heer [A] daaraan hebben bijgedragen.

4.5.

Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het door belanghebbende in 2010 ontvangen pgb ad € 33.670 moet worden aanmerkt als (belastbaar) resultaat uit overige werkzaamheden (artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001). De in geschil zijnde vraag moet bevestigend worden beantwoord.”

4.4.

In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ziet het Hof geen aanleiding om nu voor de jaren 2011 tot en met 2013, waarin de feitelijke situatie identiek was aan de situatie in 2010, tot een andere beslissing te komen. Het Hof neemt daarnaast in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015, nr. 15/00376, ECLI:NL:HR:2015:2996, de onder 4.3 vermelde uitspraak van het Hof in stand heeft gelaten.

Slotsom

4.5.

Op grond van het voorgaande is de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart de hoger beroepen ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 12 juli 2018 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en D. Hofland, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.