Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2920

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
16/00046 tot en met 16/00049
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7717, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:733
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2009, Zvw 2009, IB/PVV 2010 en Zvw 2010. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 inkomsten uit de handel in hennep heeft genoten ter hoogte van € 35.953 respectievelijk € 25.365. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende deze inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden aan moeten geven in de aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2009 en 2010. Belanghebbende heeft dit verzuimd. Aangezien de hoogte van de navorderingsaanslagen kan worden verklaard met de handel in hennep, behoeft, naar het oordeel van het Hof, de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast al dan niet aan de orde is geen behandeling. Het Hof acht de aan belanghebbende opgelegde vergrijpboeten in beginsel passend en geboden, doch verminderd deze in verband met overschrijding van de redelijke termijn. In verband met overschrijding van de redelijke termijn veroordeelt het Hof de Minister voor rechtsbescherming voorts tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-09-2018
V-N Vandaag 2018/2083
V-N 2018/56.1.6
Viditax (FutD), 17-05-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00046 tot en met 16/00049

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 november 2015, nummers BRE 15/3945 tot en met 15/3950, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen belastingaanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekering (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.953 (hierna: de navorderingsaanslag IB/PVV 2009). Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 is aan belanghebbende een beschikking heffingsrente ter hoogte van € 907 gegeven en bij beschikking een boete ter hoogte van € 3.700 opgelegd.

1.2.

Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag in de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 35.953 (hierna: de navorderingsaanslag Zvw 2009). Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw 2009 is aan belanghebbende een beschikking heffingsrente ter hoogte van € 190 gegeven.

1.3.

Voor het jaar 2010 is aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.780 (hierna: de navorderingsaanslag IB/PVV 2010). Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 is aan belanghebbende een beschikking heffingsrente ter hoogte van € 497 gegeven en bij beschikking een boete ter hoogte van € 2.943 opgelegd.

1.4.

Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 25.365 (hierna: de navorderingsaanslag Zvw 2010). Gelijktijdig met de navorderingsaanslag Zvw 2010 is aan belanghebbende een beschikking heffingsrente ter hoogte van € 105 gegeven.

1.5.

Na tegen de voornoemde belastingaanslagen (hierna samen: de navorderingsaanslagen) en beschikkingen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur deze bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.6.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende éénmaal griffierecht geheven van € 45.

1.7.

De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard doch enkel wat betreft de over het jaar 2010 aan belanghebbende gegeven boetebeschikking, de uitspraken op bezwaar vernietigd doch enkel wat betreft de beslissing omtrent voornoemde boetebeschikking en deze boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 2.496.

1.8.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende éénmaal griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.9.

De eerste zitting heeft plaatsgehad op 11 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende zijn gemachtigde [A] , verbonden aan [B] te [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [D] en [E] .

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting van 11 oktober 2017 het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat, teneinde, overeenkomstig het namens belanghebbende ingediende verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling, belanghebbende in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn bij een volgende zitting, waarbij de onderhavige hoger beroepen inhoudelijk behandeld zullen worden, en teneinde [F] (hierna: [F] ), overeenkomstig het eenparig door partijen ter zitting ingediende verzoek, te horen.

1.11.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.12.

Bij brief met dagtekening 1 november 2017 heeft het Hof [F] opgeroepen om ter zitting van 30 november 2017 te verschijnen teneinde in de onderhavige zaken als getuige te worden gehoord.

1.13.

De nadere zitting heeft plaatsgehad op 30 november 2017. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [A] voornoemd, alsmede namens de Inspecteur, [G] , [D] en [E] .

1.14.

Bij aanvang van de zitting zijn partijen erop gewezen, dat de meervoudige Belastingkamer tijdens het onderzoek ter zitting op 11 oktober 2017 was samengesteld uit A.J. Kromhout (voorzitter), P.C. van der Vegt en D.A. Hofland (leden), en dat de zaak verder wordt behandeld in een gewijzigde samenstelling van de Belastingkamer door A.J. Kromhout (voorzitter), P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden (leden), en dat de zaken worden voortgezet, gelet op artikel 8:64, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in de stand waarin deze zich bevonden op 11 oktober 2017. Partijen hebben verklaard daar geen bezwaar tegen te hebben.

1.15.

Tijdens het onderzoek ter zitting van 30 november 2017 heeft het nadere onderzoek plaatsgevonden en is [F] als getuige gehoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen en op de door hem afgelegde verklaring te reageren.

1.16.

De door [F] afgelegde verklaring is onverwijld door de griffier op schrift gesteld en voorgelezen. De op schrift gestelde verklaring is door [F] ondertekend. Het proces-verbaal van deze getuigenverklaring is gehecht aan het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van 30 november 2017, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.17.

Aan het einde van het onderzoek ter zitting van 30 november 2017 heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV respectievelijk aangifte Zvw voor de jaren 2009 en 2010.

2.2.

Voor het jaar 2009 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV respectievelijk aangifte Zvw gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 0. Voor het jaar 2010 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV respectievelijk aangifte Zvw gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 8.415. Dit inkomen wordt gevormd door het loon dat belanghebbende heeft genoten in het kader van zijn dienstbetrekking bij [H] B.V.

2.3.

De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV 2009 en 2010 opgelegd overeenkomstig de door belanghebbende ingediende aangiften. Met betrekking tot de Zvw heeft de Inspecteur ter zake van de jaren 2009 en 2010 geen belastingaanslagen aan belanghebbende opgelegd.

2.4.

Op 4 september 2012 is de Belastingdienst, voor zover in hoger beroep relevant, een boekenonderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de door belanghebbende ter zake van de jaren 2009 en 2010 ingediende aangiften IB/PVV (hierna: het boekenonderzoek). Het rapport dat is opgesteld naar aanleiding van het boekenonderzoek dateert van 13 november 2013 (hierna: het rapport van het boekenonderzoek).

2.5.

In het rapport van het boekenonderzoek is een vermogensvergelijking (hierna: de vermogensvergelijking) opgenomen. Met betrekking tot de onderhavige jaren luidt de vermogensvergelijking als volgt:

2009

2010

beginvermogen

- € 15.070

- € 13.556

inkomen

€ 0

€ 7.521

theoretisch eindvermogen

- € 15.070

- € 6.035

eindvermogen

- € 13.556

- € 12.201

bruto privé

- € 1.514

€ 6.166

benoemde posten

€ 28.114

€ 25.206

netto privé

- € 29.628

- € 19.040

2.6.

In de vermogensvergelijking wordt rekening gehouden met de begin- en eindstand van de bankrekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote, mevrouw [J] (hierna: zijn echtgenote), met de door belanghebbende en zijn echtgenote in de aangiften IB/PVV aangegeven inkomsten en met de inkomsten en uitgaven zoals deze uit voornoemde bankrekeningen blijken.

2.7.

Het uit de vermogensvergelijking voor de jaren 2009 en 2010 blijkende inkomenstekort van € 29.628 respectievelijk € 19.040 is vermeerderd met een bedrag van € 6.325, zijnde het bedrag dat volgens het Nibud nodig is om een gezin, dat qua samenstelling gelijk is aan dat van belanghebbende, te kunnen voeden.

2.8.

Met verwijzing naar de vermogensvergelijking en voornoemd cijfer van het Nibud wordt in het rapport van het boekenonderzoek de conclusie getrokken dat belanghebbende ter zake van de jaren 2009 en 2010 inkomsten ter hoogte van € 35.953 respectievelijk € 25.365 verzwegen heeft. In dit kader kondigt de Inspecteur in het rapport van het boekenonderzoek aan voornemens te zijn om ter zake van de jaren 2009 en 2010 navorderingsaanslagen IB/PVV aan belanghebbende op te leggen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.953 respectievelijk € 33.780.

2.9.

Voor zover relevant, is in het rapport van het boekenonderzoek het volgende opgenomen met betrekking tot door belanghebbende in het kader van het boekenonderzoek afgelegde verklaringen:

2 Algemeen

Op 4 september 2012 heeft ondergetekende een gesprek gevoerd met belastingplichtige. Hierin is onder andere aan de orde gekomen hoe belastingplichtige voorziet in zijn levensonderhoud.

Daarnaast heeft belastingplichtige tijdens het gesprek aangegeven dat hij nog steeds in de “handel” heeft gezeten om zijn schuld bij Justitie af te lossen. Volgens belastingplichtige interesseert het Justitie niets waar het geld vandaan komt waarmee zijn schuld wordt afgelost. Zijn “handel” zou bestaan uit het kopen en verkopen van natte hennep. Nu zou belastingplichtige niet meer actief zijn in de handel omdat hij inmiddels inkomsten verdient uit een loonbetrekking.

(…)

6 Boete

6.1

Vergrijpboete inkomstenbelasting

(…)

Het is aan opzet van belastingplichtige te wijten dat de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011 tot te lagen bedragen zijn vastgesteld (…). De opzet wordt afgeleid uit de volgende feiten en omstandigheden:

(…)

- belastingplichtige heeft aangegeven dat hij in de jaren 2008 tot en met 2011 nog in de handel van hennep was betrokken; (…)”.

2.10.

In lijn met het in voornoemd rapport aangekondigde voornemen heeft de Inspecteur op 4 februari 2014 de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 en de navorderingsaanslag Zvw 2009 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 35.953. Voorts heeft de Inspecteur op 4 februari 2014 de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 en de navorderingsaanslag Zvw 2010 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning respectievelijk een bijdrage-inkomen van € 33.780 en € 25.365.

2.11.

Belanghebbende heeft zich in het kader van het tegen voornoemde navorderingsaanslagen gemaakt bezwaar voor het eerst op het standpunt gesteld dat de Inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de opbrengst die belanghebbende heeft genoten uit de verkoop van enkele aan hem toebehorende paarden.

2.12.

In het kader van het door belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen gemaakte bezwaar heeft op 15 oktober 2014 een hoorgesprek (hierna: het hoorgesprek) plaatsgevonden tussen belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en twee medewerkers van de Belastingdienst. Tijdens het hoorgesprek zijn door belanghebbende drie, namens [FF] opgestelde, bescheiden, gericht aan belanghebbende, overgelegd (hierna: de bescheiden). De bescheiden zijn niet op het moment van verkoop, doch vlak voor het hoorgesprek, door [F] aan belanghebbende overhandigd.

2.13.

Voor zover relevant, is op het bescheid met dagtekening 3 februari 2008 het volgende opgenomen:

Betreft het bemiddelen van het springpaard [paard 1] met

chippnummer: [nummer 1]

Bemiddeld voor verkoop naar Spanje voor een bedrag van €34000,00”.

2.14.

Voor zover relevant, is op het bescheid met dagtekening 8 maart 2009 het volgende opgenomen:

Betreft het bemiddelen van het springpaard [paard 2] met

chippnummer: [nummer 2]

Bemiddeld voor verkoop naar Mexico voor een bedrag van €36000,00”.

2.15.

Voor zover relevant, is op het bescheid met dagtekening 4 januari 2010 het volgende opgenomen:

Betreft het bemiddelen van het springpaard [paard 3] met

chippnummer: [nummer 3]

Bemiddeld voor verkoop naar Turkije voor een bedrag van €23000,00”.

2.16.

Blijkens het verslag dat is opgesteld van het hoorgesprek op 15 oktober 2014 heeft belanghebbende tijdens dit gesprek het volgende verklaard met betrekking tot de handel in hennep:

Belanghebbende geeft te kennen dat hij in de jaren na 2003 ook een paar keer iets heeft gedaan met het vervoer van stekken hennep, voor het laatst in 2007. In 2009 heeft hij niets gedaan. Vanaf 2010 is belanghebbende weer gaan werken.”.

2.17.

Naar aanleiding van de bevindingen uit voormeld hoorgesprek is een derdenonderzoek (hierna: het derdenonderzoek) uitgevoerd bij [FF] met als doel om te beoordelen of de bescheiden terug te vinden zijn in de administratie van [FF] . Voor zover in hoger beroep relevant, is in het verslag met dagtekening 29 respectievelijk 30 oktober 2014 dat is opgesteld ter zake van het derdenonderzoek het volgende opgenomen:

Bezoek 29 oktober 2014.

Bezoek aan de heer [F] .

(…) Kort zakelijk samengevat heeft de heer [F] het volgende verklaard.

(…)

- Als wij vragen voor welke personen hij heeft bemiddeld wordt door de heer [F] ook de naam van [belanghebbende] genoemd.

- Voor [belanghebbende] heeft de heer [F] een aantal keer bemiddeld in de verkoop van springpaarden. Zelfs onlangs nog.

- Hij kan zich de periode, de naam van de paarden en de bedragen van de bemiddeling in het verleden niet meer herinneren. Dat is te lang geleden.

- De heer [F] heeft van niemand het verzoek gekregen documenten op te maken die betrekking hebben op bemiddeling in het verleden.

Wij confronteren de heer [F] met het document gedagtekend 03-02-2008.

Wij vragen of het document door hem is opgemaakt.

De heer [F] geeft nog een keer aan dat hij in het verleden geen administratie heeft bijgehouden laat staan bewaard. Ook kan hij niet meer aangeven of en met welke details een bemiddeling heeft plaatsgevonden. (…)”.

2.18.

Naar aanleiding van de bevindingen bij het derdenonderzoek heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief met dagtekening 10 november 2014 in de gelegenheid gesteld om opnieuw gehoord te worden. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid en is op 16 maart 2015 opnieuw gehoord in aanwezigheid van zijn gemachtigde.

2.19.

Ten slotte heeft op 20 april 2015 opnieuw een gesprek plaatsgevonden met de Belastingdienst, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als [F] zijn verschenen. Blijkens het van dit gesprek opgestelde verslag heeft [F] tijdens dit gesprek verklaard dat hij de in de onderdelen 2.12 tot en met 2.15 opgenomen bescheiden in 2014 op verzoek van belanghebbende heeft opgesteld aan de hand van “krabbeltjes” (hierna: de handgeschreven notities) die hij uit deze tijd bewaard heeft. [F] heeft tijdens dit gesprek voorts verklaard dat hetgeen op de bescheiden is opgenomen overeenstemt met de waarheid, met dien verstande dat hij overschrijffouten gemaakt kan hebben bij de vermelding van de chipnummers van de paarden en de op de bescheiden vermelde data niet overeenstemmen met de exacte data waarop hij heeft bemiddeld.

2.20.

Belanghebbende is veroordeeld wegens het, in het jaar 2003, handelen in hennep. Het met de handel in hennep behaalde voordeel is bij uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 31 januari 2008 vastgesteld op € 111.782. Aan belanghebbende is een ontnemingsvordering ter hoogte van € 111.782 opgelegd (hierna: de ontnemingsvordering).

2.21.

Belanghebbende heeft in het jaar 2009 een bedrag van, in totaal, € 444 betaald aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) en in het jaar 2010 een bedrag van, in totaal, € 360.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Zijn de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd?

2. Zijn de onderhavige boeten terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van de zittingen van 11 oktober 2017 en 30 november 2017 opgemaakte processen-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen en van de bijbehorende beschikkingen heffingsrente en/of boetebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1

4.1.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende heeft verzuimd om ter zake van de jaren 2009 en 2010 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw te doen. Dit standpunt baseert hij op de door hem gemaakte vermogensvergelijking (onderdeel 2.5) waaruit, aldus de Inspecteur, onverklaarde inkomenstekorten blijken. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende ter verklaring van het inkomenstekort aangevoerde verkoopopbrengsten van de paarden als resultaat uit overige werkzaamheden in de heffing van de IB/PVV en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw betrokken kunnen worden.

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ter zake van de jaren 2009 en 2010 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw heeft gedaan. Ter onderbouwing van dit standpunt voert belanghebbende aan dat in de vermogensvergelijking van een onjuist beginvermogen wordt uitgegaan. Volgens belanghebbende had bij de vaststelling van het beginvermogen rekening gehouden moeten worden met het feit dat hij in de jaren 2009 en 2010 beschikte over bedragen in contanten uit de handel in hennep ter zake waarvan aan hem een ontnemingsvordering ter hoogte van € 111.782 is opgelegd. Bovendien zou het, uit de vermogensvergelijking blijkende, vermeende inkomenstekort te verklaren zijn doordat hij in de desbetreffende jaren geleefd heeft van de opbrengsten van de verkoop van enkele van zijn paarden. Volgens belanghebbende heeft hij deze verkoopopbrengsten terecht niet in voornoemde aangiften aangegeven omdat deze niet belastbaar zijn.

4.3.

Het Hof stelt voorop dat de in de vermogensvergelijkingen opgenomen post “beginvermogen” gebaseerd is op de beginstand van de bankrekeningen die op naam van belanghebbende en zijn echtgenote staan. Gelet op het feit dat belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2009 respectievelijk de aangifte IB/PVV 2010 niet heeft aangegeven te beschikken over vermogen, al dan niet in contanten, is bij het vaststellen van het beginvermogen terecht enkel rekening gehouden met de beginstand van voornoemde bankrekeningen. Naar het oordeel van het Hof is het dan aan belanghebbende, als meest gerede partij, om gegevens met betrekking tot andere vermogensbestanddelen, waarmee in de vermogensvergelijking ten onrechte geen rekening is gehouden aan te dragen.

4.4.

Het Hof acht onaannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 bedragen uit de handel in hennep die in het jaar 2003 heeft plaatsgevonden en ter zake waarvan hem in het jaar 2008 een ontnemingsvordering is opgelegd, heeft gebruikt om te voorzien in zijn dagelijkse levensonderhoud.

4.5.

Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij deze gelden heeft gebruikt om de aan hem opgelegde ontnemingsvordering van € 111.782 te voldoen.

4.6.

Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat in de vermogensvergelijkingen ten onrechte geen rekening is gehouden met de opbrengst van de verkoop van paarden. Naar het oordeel van het Hof dient belanghebbende als meest gerede partij de onderbouwende gegevens van deze verkopen aan te dragen, aangezien uit de goed onderbouwde vermogensvergelijkingen en het aan de Nibud-gegevens ontleende bedrag met betrekking tot de kosten voor het aanschaffen van levensmiddelen blijkt dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 inkomsten ter hoogte van € 35.953 respectievelijk € 25.365 heeft genoten die hij niet in zijn aangiften IB/PVV en Zvw heeft verantwoord.

4.7.

Het Hof stelt in dit kader voorop dat belanghebbende ter zitting bij het Hof diverse malen heeft verklaard dat hij de ontnemingsvordering heeft voldaan met uit de hennephandel afkomstige gelden, dat hij na de betaling van de ontnemingsvordering geen geld meer had en dat hij na betaling van de ontnemingsvordering de paarden heeft verkocht. Het Hof acht deze verklaring geloofwaardig, aangezien het logisch is dat belanghebbende, gelet op zijn grote liefde voor paarden, uitsluitend bij grote financiële nood over zou gaan tot de verkoop van zijn paarden.

4.8.

Gelet op het feit dat het Hof geloof hecht aan de verklaring van belanghebbende dat hij eerst de ontnemingsvordering heeft voldaan en vervolgens zijn paarden heeft verkocht dient vastgesteld te worden wanneer belanghebbende de ontnemingsvordering heeft voldaan.

4.9.

Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de ontnemingsvordering in de jaren 2009 en 2010 respectievelijk in voorgaande jaren heeft voldaan. Het Hof legt aan dit oordeel ten grondslag dat het Hof belanghebbende ter zitting heeft voorgehouden dat de afschriften van zijn bankrekening van de jaren 2009 en 2010 uitsluitend kleine betalingen aan het CJIB laten zien terwijl belanghebbende heeft verklaard dat, op € 10.000 na, hij de ontnemingsvordering via zijn bankrekening aan het CJIB heeft betaald en de in onderdeel 2.21 vermelde betalingen waarschijnlijk betalingen betreffen met betrekking tot verkeersovertredingen. De ter zitting van de Rechtbank door belanghebbende afgelegde verklaring dat hij de ontnemingsvordering in de jaren 2009 en 2010 heeft voldaan, vindt derhalve geen steun in de stukken van het geding. Voorts is gesteld noch gebleken dat belanghebbende in de jaren voorafgaande aan het jaar 2009 betalingen heeft gedaan in verband met de ontnemingsvordering. Voor zover belanghebbende eerst ter zitting van het Hof heeft aangeboden nader bewijs te leveren van de periode waarin de ontnemingsvordering is voldaan, heeft het Hof dat aanbod als tardief gepasseerd. Het valt niet in te zien waarom belanghebbende bewijsstukken dienaangaande niet in een veel eerder stadium van de procedure in het geding had kunnen brengen, terwijl een aanhouding van de zaak met het oog op nadere bewijsvoering een ernstige inbreuk op een goede en doelmatige procesgang zou betekenen. Dit klemt te meer nu de kwestie van betaling van de ontnemingsvordering door belanghebbende ook reeds in de procedure in eerste aanleg aan de orde is geweest, onder andere in het kader van het onderzoek ter zitting van de Rechtbank.

4.10.

Het Hof vindt bevestiging van zijn oordeel in het feit dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard dat de betalingen in verband met de ontnemingsvordering zijn gedaan vanaf 2 augustus 2011.

4.11.

Gelet op belanghebbendes aannemelijke verklaring dat hij eerst de ontnemingsvordering heeft voldaan en vervolgens de paarden heeft verkocht en het feit dat het Hof aannemelijk acht dat belanghebbende tot en met het jaar 2010 geen betalingen in verband met de ontnemingsvordering heeft gedaan, komt het Hof tot de conclusie dat de desbetreffende verkopen, in tegenstelling tot de data (3 februari 2008, 8 maart 2009 respectievelijk 4 januari 2010) die vermeld staan op de bescheiden (zie onderdelen 2.12 tot en met 2.15) en de handgeschreven notities (zie onderdeel 2.19), niet in de jaren 2009 en 2010 hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Hof komt aan de bescheiden, de handgeschreven notities en de door [F] tijdens het getuigenverhoor afgelegde verklaring dat de bescheiden en de hierop opgenomen data overeenstemmen met de werkelijkheid niet een zodanige bewijskracht toe dat hierdoor belanghebbendes, zonder voorbehoud afgelegde, verklaring met betrekking tot de volgorde van voornoemde gebeurtenissen als ongeloofwaardig ter zijde geschoven moet worden. Het Hof legt aan dit oordeel mede ten grondslag dat de door [F] tijdens het getuigenverhoor afgelegde verklaring tegenstrijdig is aan hetgeen hij, blijkens het verslag van het derdenonderzoek, tijdens dit derdenonderzoek heeft verklaard. Tijdens dit onderzoek heeft [F] namelijk verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren in welke periode hij bemiddeld heeft bij de verkoop van paarden van belanghebbende.

4.12.

Naar het oordeel van het Hof faalt derhalve belanghebbendes stelling dat hij in de jaren 2009 en 2010 niet-belastbare inkomsten heeft genoten uit de verkoop van paarden. Gesteld nog gebleken is dat belanghebbende in de desbetreffende jaren andere niet-belastbare inkomsten heeft genoten.

4.13.

Gelet op het feit dat belanghebbende bij het boekenonderzoek heeft verklaard dat hij in de jaren 2008 tot en met 2011 nog in de hennephandel was betrokken en gelet op het feit dat belanghebbende geen andere geloofwaardige verklaring voor het door de Inspecteur geconstateerde inkomenstekort heeft gegeven en de berekening van de vermogensvergelijking anders dan hiervoor is vermeld niet wordt bestreden, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 inkomsten uit de hennephandel heeft genoten ter hoogte van € 35.953 respectievelijk € 25.365. Belanghebbende heeft verzuimd deze inkomsten in de aangiften IB/PVV en Zvw voor de jaren 2009 en 2010 als resultaat uit overige werkzaamheden aan te geven.

4.14.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het voorgaande tot de conclusie dient te leiden dat belanghebbende voor deze jaren niet de “vereiste aangifte” heeft gedaan in de zin van artikel 27e van de AWR, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, hetgeen betekent dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn.

4.15.

Op grond van voorgaande oordelen is het Hof van oordeel dat aannemelijk is gemaakt dat de door de Inspecteur berekende inkomenstekorten met de handel in hennep kan worden verklaard en dat deze bedragen als resultaat uit overige werkzaamheden bij belanghebbende dienen te worden belast. Aangezien de Inspecteur geen andere correcties heeft aangebracht, behoeft de vraag of omkering en verzwaring van de bewijslast al dan niet aan de orde is geen behandeling omdat deze niet tot een ander resultaat kan leiden.

Vraag 2

4.16.

De Inspecteur stelt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Subsidiair stelt hij dat belanghebbende grove schuld kan worden verweten. Belanghebbende stelt zich daarentegen op het standpunt dat de Inspecteur geen enkel bewijs heeft aangedragen waaruit zou kunnen blijken dat belanghebbende dergelijke verwijten kunnen worden gemaakt.

4.17.

Zoals reeds overwogen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2009 en 2010 inkomsten uit de hennephandel heeft genoten ter hoogte van € 35.953 respectievelijk € 25.365, welke inkomsten in de, namens belanghebbende ingediende, aangifte IB/PVV 2009 en 2010 ten onrechte niet zijn verantwoord. Belanghebbende heeft bij het invullen van voornoemde aangiften gebruik gemaakt van professionele bijstand. Aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de inkomsten uit de hennephandel op advies van zijn adviseur niet heeft aangegeven, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de adviseur niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat hij in de jaren 2009 en 2010 inkomsten uit hennepteelt heeft genoten en dat het niet vermelden van voornoemde inkomsten in de aangiften derhalve aan belanghebbende is toe te rekenen. Het niet in voornoemde aangiften verantwoorden van deze inkomsten is naar zijn aard opzettelijk geschied en erop gericht dat de aanslagen tot een te laag bedrag zullen worden vastgesteld. Belanghebbende dient zich door het niet vermelden van deze inkomsten aan zijn adviseur ervan bewust te zijn geweest dat de door laatstgenoemde ingevulde aangiften in geen geval juist konden zijn. Gelet op de ernst van deze vergrijpen acht het Hof het, in beginsel, passend en geboden om aan belanghebbende vergrijpboeten van 50% van de nagevorderde bedragen aan IB/PVV op te leggen. Voorts zijn de vergrijpboeten qua hoogte in overeenstemming met de in artikel 67e, eerste lid, van de AWR juncto § 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst opgenomen richtlijnen.

4.18.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de vraag of de vergrijpboeten passend en geboden zijn, aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 en IB/PVV 2010 met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast aan hem zijn opgelegd.

4.19.

Zoals hiervoor in onderdeel 4.15 is overwogen heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende voormelde inkomsten uit hennepteelt heeft genoten. De hoogte van de verschuldigde belasting is derhalve niet komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Er bestaat dan geen aanleiding om op basis van het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2008, nr. 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962 bij de afweging of de opgelegde vergrijpboeten, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, een passende en geboden sanctie zijn voor het vergrijp dat is begaan met die omstandigheid rekening te houden.

4.20.

Naar het oordeel van het Hof bestaat er daarentegen wel reden om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.21.

Ten aanzien van de matiging van de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het Hof als volgt. De redelijke termijn vangt aan met de brief van de Inspecteur van 11 oktober 2013 waarin de Inspecteur aangekondigd heeft voornemens te zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2009 en 2010 met boeten op te leggen. Aangezien het Hof allereerst heden, 12 juli 2018, uitspraak heeft gedaan is de redelijke termijn van, in totaal, vier jaar met, afgerond naar hele maanden, negen maanden overschreden. Deze overschrijding is deels toe te rekenen aan de bezwaarfase en deels aan de behandeling in hoger beroep. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase wordt, naar het oordeel van het Hof, gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden (zie onderdeel 4.28). Voor de hoffase heeft te gelden dat het pro forma hoger beroepschrift op 18 januari 2016 is ingediend, terwijl het Hof heden, 12 juli 2018, uitspraak heeft gedaan. De redelijke termijn voor de behandeling van de hoger beroepen is derhalve met, afgerond naar hele maanden, zes maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn wordt niet gerechtvaardigd door bijzondere omstandigheden. Overeenkomstig de uitgangspunten als vermeld in de uitspraak Hof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298 dienen boetebeschikkingen bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden verlaagd te worden met 10%.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat boetbeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 verminderd dient te worden tot een bedrag van (0,90 x € 3.700 =) € 3.330 en de boetebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een bedrag van (0,90 x € 2.496 =) € 2.246,40.

Ten aanzien van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.23.

Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak niet verzocht om vergoeding van immateriële schade. Een dergelijk verzoek kan echter ook niet worden verlangd indien de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak in hoger beroep, hetgeen in het onderhavige geval aan de orde is (zie hierna). Alsdan dient het Hof ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en zo nodig ambtshalve een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen (Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, ov. 3.13.2 (hierna: BNB 2016/140)), waarbij de duur van de totale procedure tot dusverre in ogenschouw wordt genomen (BNB 2016/140, ov. 3.3.3 en 3.8.2). Het Hof hanteert in dit verband als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor die procedure tot dusverre (bezwaar, beroep en hoger beroep) vier jaar bedraagt.

4.24.

Het Hof heeft heden, 12 juli 2018, uitspraak gedaan, terwijl de aan het einde van het onderzoek ter zitting aangekondigde uitspraakdatum 11 januari 2018 was. Daarom zal het Hof de voornoemde ambtshalve beoordeling verrichten.

4.25.

De redelijke termijn begint te lopen op het moment waarop de Inspecteur het pro forma bezwaarschrift heeft ontvangen. In het onderhavige geval was dat op 12 maart 2014. Uitgaande van de voornoemde termijn van vier jaar, is in het onderhavige geval de redelijke termijn verstreken op 12 maart 2018. De redelijke termijn is derhalve met – naar boven afgerond – een half jaar overschreden. Hetgeen in beginsel – behoudens het bestaan van bijzondere omstandigheden – resulteert in een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 500. Naar het oordeel van het Hof kan met betrekking tot de onderhavige hoger beroepen volstaan worden met één schadevergoeding, aangezien de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (BNB 2016/140, ov. 3.10.2).

4.26.

De overschrijding van de redelijke termijn is deels aan de behandeling van het bezwaar en deels aan de behandeling van het hoger beroep te wijten.

4.27.

De redelijke termijn is namelijk, zoals hiervoor in onderdeel 4.25 overwogen, aangevangen op 12 maart 2014. De Inspecteur heeft op 20 mei 2015 uitspraken op bezwaar gedaan.

4.28.

De bezwaarfase besloeg derhalve, afgerond in hele maanden, 15 maanden. De redelijke termijn voor behandeling van een bezwaarschrift bedraagt een half jaar. Naar het oordeel van het Hof is deze overschrijding van de redelijke termijn te rechtvaardigen doordat sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het Hof is hiervan sprake vanwege het (derhalve gedurende de bezwaarperiode) uitgevoerde derdenonderzoek bij [FF] (zie onderdeel 2.17), de omstandigheid dat na het afronden van dit derdenonderzoek een tweede en derde hoorgesprek heeft plaatsgevonden en de omstandigheid dat, mede door de proceshouding van belanghebbende en het niet-verschijnen van [F] op het tweede hoorgesprek, het zorgvuldig afronden van de hoorfase meer tijd heeft gevergd. Naar het oordeel van het Hof is de overschrijding van de redelijke termijn, gelet op voornoemde bijzondere omstandigheden, niet aan de Inspecteur te wijten.

4.29.

Het pro forma hoger beroepschrift is ingediend op 18 januari 2016. Het Hof heeft heden, 12 juli 2018, uitspraak gedaan. De redelijke termijn is derhalve, afgerond naar hele maanden, met zes maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn wordt niet gerechtvaardigd door een bijzondere omstandigheid.

4.30.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de Minister voor rechtsbescherming (hierna: de Minister) veroordeeld dient te worden tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 500 (zie onderdeel 4.25).

Slotsom

4.31.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.32.

Gelet op de omstandigheid dat het Hof de Minister veroordeelt tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende geleden heeft, is het Hof van oordeel dat redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Minister aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt (BNB 2016/140, ov. 3.14.1).

Ten aanzien van de proceskosten

4.33.

Gelet op de omstandigheid dat er reden is voor vergoeding van immateriële schade en matiging van de boeten, acht het Hof termen aanwezig de Minister te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.34.

Het Hof gaat hierbij uit van vier samenhangende zaken waarin aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding toegekend wordt.

4.35.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 3 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 1.127,25.

4.36.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend wat betreft de boetebeschikkingen behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2010;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar ter zake van deze boetebeschikkingen;

  • -

    vermindert de boetebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 tot een bedrag van € 3.330;

  • -

    vermindert de boetebeschikking behorende bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een bedrag van € 2.246,40;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende geleden heeft tot een bedrag van € 500;

  • -

    gelast dat de Minister aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Minister in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 1.127,25.

Aldus gedaan op 12 juli 2018 door A.J. Kromhout, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.