Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2918

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.239.342_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenaar is ex artikel 278 eerste lid Rv niet-ontvankelijk in het hoger beroep nu de advocaat van schuldenaar in het beroepschrift slechts ter sauvering van de beroepstermijn verzocht heeft het beroepschrift pro forma in behandeling te nemen. Gronden voor het beroep zijn in dat beroepschrift in het geheel niet vermeld, terwijl het vonnis waarvan beroep wel als bijlage was bij gevoegd en derhalve (tijdig) in het bezit van schuldenaar was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 278
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 juli 2018

Zaaknummer : 200.239.342/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/208R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R. Mahovic te Maastricht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 mei 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen, met dien verstande dat zijn schuldsanering zal kunnen worden voortgezet.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Mahovic,

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 29 mei 2018, 25 juni 2018 en 2 juli 2018,

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 21 juni 2018.

Na behandeling van de zaak op zitting is bij het hof nog ingekomen het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 maart 2018. Het hof heeft van de inhoud hiervan geen kennis genomen nu die inhoud ook niet meer met betrokkenen besproken kon worden.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 15 maart 2016 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de voormalige bewindvoerder d.d. 22 januari 2018 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2. De saniet heeft tijdens de looptijd van de schuldsanering alles bij elkaar ruim 5 maanden gewerkt in twee werkervaringsplaatsen. De resterende looptijd heeft de saniet slechts een enkele keer bewijsstukken van sollicitaties overgelegd aan de bewindvoerder. Tijdens het verhoor van 14 februari 2017 is de saniet opnieuw op zijn arbeids- en sollicitatieplicht gewezen. Desondanks solliciteert de saniet nog steeds mondeling. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de saniet in voldoende mate heeft gesolliciteerd. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat de saniet (volledig) arbeidsongeschikt moet worden geacht, nu niet is gebleken dat de saniet de bewindvoerder van medische informatie heeft voorzien waaruit die arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid.

2.3.

Tijdens het verhoor is eveneens gesproken over de te dure huurwoning. De saniet wil graag in deze woning blijven wonen vanwege zijn kinderen die al genoeg hebben meegemaakt na de beëindiging van de relatie van hun ouders in maart 2016. Tijdens het verhoor is afgesproken dat de saniet mogelijk in de te dure woning kan blijven wonen als hij een baan zou vinden. In de tussentijd diende de te dure huur te worden gecompenseerd met

€ 50,- per maand. Na april 2017 is er geen huurcompensatie meer aan de boedel afgedragen. De boedelachterstand bedraagt inmiddels € 877,- en er zijn nieuwe schulden ontstaan voor een bedrag van € 308,99.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 mei 2018, - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Sinds december 2015 is de relatie met zijn partner beëindigd en kreeg [appellant] daardoor de zorg over twee minderjarige kinderen van 13 en 15 jaar, hetgeen geen sinecure is. Het bedrijf dat hij had tezamen met zijn ex-partner was een VOF. Voor de goede orde laat [appellant] weten dat zijn ex-partner in de schuldsaneringsregeling zit. [appellant] wil en kan graag werken en doet daartoe de nodige moeite. Met name de zorg voor zijn kinderen heeft hem veel energie gekost. Gelukkig zijn die kinderen, mede door zijn toedoen, nu zelfstandig en kan [appellant] in ieder geval werken, hetgeen hij ook graag zou doen. Hij heeft weliswaar niet op de conventionele manier gesolliciteerd, maar heeft dat zeer vaak telefonisch gedaan.

In hoeverre er een boedelachterstand is en er nieuwe schulden gemaakt zijn, wordt door [appellant] sterk in twijfel getrokken, gezien de malversaties van de voormalige bewindvoerder, [voormalige bewindvoerder] . [appellant] stelt zich op het standpunt dat, gezien de "werkzaamheden" van [voormalige bewindvoerder] , deze sterk in twijfel genomen moeten worden en niet op hem geprojecteerd dienen te worden. Hij stelt zich op het standpunt dat de nieuw benoemde bewindvoerder in casu de kwestie zou moeten bekijken en bezien in hoeverre de schuldsanering tussentijds beëindigd dient te worden.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] erkent dat het initiële beroepschrift als op 15 mei 2018 ingediend, ondanks het feit dat het - als bijlage aangehechte - vonnis waarvan beroep op dat moment wel voorhanden was, geen inhoudelijke grieven bevat en dat deze grieven eerst bij het tweede of aanvullende beroepschrift zijn geformuleerd. Voorts verzoekt [appellant] thans zijn schuldsaneringsregeling met een verlenging voor de duur van tenminste één jaar te verlengen teneinde hem in staat te stellen om gedurende die verlengde periode de niet nakoming van zijn verplichtingen te compenseren en zijn boedelachterstand en nieuwe schulden geheel in te lossen. [appellant] is immers de mening toegedaan dat hij, waar dat voorheen niet het geval was, thans wel in staat moet worden geacht om de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen. Zo zit hij op dit moment psychisch beter in zijn vel dan voorheen het geval was, zijn zijn kinderen inmiddels dermate zelfstandig dat de verzorging hiervan niet meer aan het vervullen van een fulltime arbeidsbetrekking in de weg hoeft te staan en zijn er diverse financiële kwesties, met name ten aanzien van de toeslagen waarop hij gelet op de verzorging en inwoning van zijn dochter al geruime tijd recht heeft, opgelost. Dat [appellant] zijn psychosociale problematiek destijds direct aan zijn (toenmalige) bewindvoerder had dienen te melden, wist hij naar eigen zeggen niet. Hij heeft het wel tijdens het verhoor door de rechter-commissaris gemeld. Dat hij nog geen nieuwe arbeidsbetrekking heeft kunnen vinden via het benaderen van zijn oude contacten, komt volgens [appellant] omdat potentiële werkgevers hem uitsluitend als ZZP-er in dienst willen nemen en dat is in het kader van de schuldsaneringsregeling niet toegestaan. De nieuwe schulden betreffen allemaal energieschulden en hangen volgens [appellant] samen met het feit dat hij, juist om op deze kosten te besparen, van leverancier gewisseld was, maar dat, vanwege het feit dat deze overstap in de wintermaanden heeft plaatsgevonden, hem door de nieuwe leverancier een erg hoog voorschot in rekening is gebracht. Het doorgeven van de juiste meterstanden heeft volgens [appellant] vooralsnog ook niet tot een herziening van de hoogte van dit voorschot geleid. Omdat hij wel betalingsregelingen getroffen heeft zal een van deze energieschulden in augustus 2018 wel geheel zijn afgelost. Tot slot geeft [appellant] aan dat hij eerst bij de aanzegging van de voordracht tot een tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling werd bericht van het feit dat mevrouw Jongen zijn nieuwe bewindvoerder zou gaan worden. Gelet op voornoemde voordracht heeft hij, omdat hij dit zinloos achtte, vanaf dat moment ook geen informatie(bladen) meer aan zijn, voormalige noch huidige, bewindvoerder meer verstrekt.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Voor de bewindvoerder is het ontslag van haar voorganger, [voormalige bewindvoerder] , voor het hoger beroep niet relevant. In dit dossier zijn er immers geen aanwijzingen dat er gelden onterecht door [voormalige bewindvoerder] aan de boedel zijn onttrokken. De schuldsaneringsregeling werd beëindigd op grond van het feit dat [appellant] niet aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan en dat hij niet heeft meegewerkt aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft niet aantoonbaar gesolliciteerd conform de hiervoor geldende regels en is hierover door de voormalige bewindvoerder veelvuldig op aangesproken. [appellant] heeft, ondanks de vele verzoeken, waarschuwingen en zelfs een verhoor, niet gesolliciteerd conform de hiervoor geldende richtlijnen. Ook na de beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft de bewindvoerder geen sollicitatie-inspanningen of andere informatie ten aanzien van de arbeidsplicht mogen ontvangen. Het laatste inlichtingenformulier dateert van 22 augustus 2017. Wanneer de inlevertermijnen voor de inlichtingenformulieren werden gevolgd zou [appellant] inmiddels een inlichtingenformulier hebben moeten inleveren op 21 november 2017, 21 februari 2018 en 21 mei 2018. Daarnaast is er thans een boedelachterstand tot en met mei 2018 van € 977,00. De bewindvoerder heeft in het dossier geen voorstellen aangetroffen van [appellant] waarin deze een oplossing aanbiedt om de boedelachterstand in te lopen. [appellant] is in april 2017 reeds gestopt met afdragen. Er is een nieuwe schuld bij Energie Direct van € 781,47. Voor deze vordering werd er een betalingsregeling van € 50,00 per maand overeengekomen. Daarnaast is er nog een nieuwe schuld bij Nuon per mei 2017 van € 772,31 die sinds augustus 2017 wordt afgelost met € 51,48 per maand. Deze vordering zou in augustus 2018 volledig voldaan moeten zijn. Stand van de boedel per 5 april 2018 is € 256,92, surplus boedelbijdragen is € 0,00, concurrente crediteuren bedragen € 548.719,03 en preferente crediteuren € 18.305,00.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder ziet in beginsel weinig heil in een verlenging van de schuldsaneringsregeling, mede gelet op haar twijfels over de mogelijkheid tot verbeteringen aan zijde [appellant] . Zo is er door [appellant] met betrekking tot het volledig afbetalen van zijn boedelachterstand en nieuwe schulden geen plan van aanpak ingediend en is er door hem, ook na het vonnis waarvan beroep, nog steeds niet aantoonbaar, conform de Recofa-richtlijnen, gesolliciteerd. Daarbij komt dat de door [appellant] gestelde mondelinge sollicitaties ook uitsluitend binnen zijn eigen netwerk en vakgebied hebben plaatsgevonden. Het is weliswaar juist dat [appellant] gedurende het verhoor door de rechter-commissaris melding heeft gemaakt van zijn psychosociale klachten, maar laatstgenoemde heeft hier geen reden in gezien om [appellant] geheel dan wel gedeeltelijk vrij te stellen van de sollicitatie- en arbeidsplicht. Of de kwestie met de toeslagen voor de dochter van [appellant] inderdaad is opgelost weet de bewindvoerder niet. [appellant] heeft hiervan immers geen enkel schriftelijk bewijs overgelegd.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, zo hij daar aan toekomt, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden. Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen dient het hof evenwel eerst de ontvankelijkheid van [appellant] te beoordelen.

3.8.2.

Naar vaste rechtspraak dient het beroepschrift, met overeenkomstige toepassing van artikel 278 eerste lid Rv, de gronden van het hoger beroep te vermelden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van dit vereiste worden afgeweken – namelijk in geval het een zeer korte appeltermijn betreft en de tekst van de beslissing waartegen het beroep wordt gericht nog niet beschikbaar is – in welk geval kan worden volstaan met een ‘blanco’ beroepschrift. Meer in het bijzonder in het kader van het instellen van rechtsmiddelen in het kader van de wettelijke schuldsanering is de regel dat, zo men op dat moment niet tijdig kan beschikken over een essentieel processtuk (zoals het vonnis waartegen men wil appelleren), in het hoger beroepschrift het voorbehoud dient te worden gemaakt tot aanvulling van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk (zie i.h.a. ook Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9075). Volgens vaste jurisprudentie dient zo’n aanvullend beroepschrift vervolgens met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen – of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn – heeft te gelden. Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift, zulks op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

3.8.3.

In het op 15 mei 2018 ter griffie van dit hof ingekomen beroepschrift heeft de advocaat van [appellant] slechts ter sauvering van de beroepstermijn verzocht het beroepschrift pro forma in behandeling te nemen. Gronden voor het beroep zijn in dat beroepschrift in het geheel niet vermeld, terwijl het vonnis waarvan beroep als bijlage was gevoegd.. Bij indieningsformulier d.d. 29 mei 2018, derhalve 14 dagen na indiening van het inleidende beroepschrift heeft de advocaat een aanvullend beroepschrift ingediend, waarin in aanvulling op het op 15 mei 2018 indiende beroepschrift de gronden van het hoger beroep voor het eerst worden geformuleerd. Gelet op de hierboven weergegeven vaste jurisprudentie zijn de geformuleerde grieven in het aanvullend beroepschrift ruimschoots te laat in het geding gebracht, daargelaten nog dat in het inleidende beroepschrift niet het voorbehoud is gemaakt tot het aanvullen van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk; het vonnis waarvan beroep was in elk geval ook aan het beroepschrift van 15 mei 2018 gehecht. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat het hof hetgeen namens [appellant] in het aanvullend beroepschrift van 29 mei 2018 als nieuwe grieven is aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep niet in zijn oordeelsvorming zal betrekken. Het hof overweegt wellicht ten overvloede dat door [appellant] ook niet is gesteld of anderszins is gebleken dat de advocaat niet in staat is geweest binnen de hiervoor vermelde termijn in een aanvullend beroepschrift grieven te formuleren tegen het vonnis waarvan beroep omdat hij niet (tijdig) de beschikking heeft gehad over een essentieel processtuk, zoals bijvoorbeeld het bestreden vonnis. De enkele door de advocaat aangevoerde omstandigheid, dat hij eerst op 15 mei 2018, zijnde een dag voor het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn, door [appellant] voor het instellen van het hoger beroep is benaderd en om die reden nog niet in staat is geweest de gronden van het hoger beroep tegen het bestreden vonnis in het inleidende beroepschrift te formuleren, levert naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging op voor de termijnoverschrijding. Het laat benaderen van een advocaat ligt immers in de risicosfeer van [appellant] zelf. Bovendien was de inhoud van het vonnis en derhalve waren de gronden voor de beslissing toen al bekend, zoals blijkt uit de als-bijlage-voeging van het vonnis waarvan beroep aan het beroepschrift van 15 mei 2018.

3.8.4.

Voorts, en gelet op het vorengaande ten overvloede, overweegt het hof dat, indien [appellant] in hoger beroep wel ontvankelijk zou zijn geweest, zijn schuldsaneringsregeling, al dan niet met een verlengde looptijd, niet zou zijn gecontinueerd en het vonnis waarvan beroep derhalve zou zijn bekrachtigd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

3.8.5.

[appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verzocht om een verlengde continuering van zijn schuldsaneringsregeling teneinde hem in de gelegenheid te stellen om zijn kernverplichtingen alsnog naar behoren na te komen en de boedelachterstand en nieuwe schulden geheel te voldoen. [appellant] heeft evenwel verzuimd een realistisch en financieel deugdelijk onderbouwd plan van aanpak te overleggen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [appellant] daadwerkelijk in staat moet worden geacht om voornoemde betalingsachterstanden geheel in te lopen zonder dat er daarbij nieuwe betalingsachterstanden zouden (kunnen) ontstaan. Daarbij komt dat [appellant] , ook na het vonnis waarvan beroep van nagenoeg twee maanden geleden, nog geen enkele aantoonbare sollicitatie heeft verricht en ten aanzien van het vinden van een arbeidsbetrekking zich vooralsnog (nagenoeg) uitsluitend lijkt te richten op zijn eigen netwerk en vakgebied. Tevens heeft [appellant] , nadat hem was bericht dat (toenmalige) bewindvoerder zijn schuldsaneringsregeling voor een tussentijdse beëindiging had voorgedragen, zijn voormalige noch huidige bewindvoerder van enige informatie voorzien. Een en ander klemt des te meer nu [appellant] , ook in hoger beroep, zijn stelling met betrekking tot bijvoorbeeld de nakoming van de door hem met zijn (voormalige) energieleverancier overeengekomen betalingsregeling of de huidige situatie met betrekking tot de ontvangst van de diverse toeslagen voor zijn inwonende dochter niet middels verificatoire bescheiden heeft weten te onderbouwen. [appellant] heeft naar het oordeel van het hof derhalve geen enkel (aantoonbaar) initiatief getoond waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij, indien zijn schuldsaneringsregeling zou worden gecontinueerd, zijn daaruit voortvloeiende verplichtingen thans wel naar behoren zou gaan nakomen. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen, zowel voorafgaand aan als gedurende de periode na het vonnis waarvan beroep, [appellant] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270). Nadere (medische) stukken die tot een ander oordeel zouden kunnen voeren zijn niet overgelegd,

3.9.

Hetgeen hiervoor bij r.o. 3.8.1. tot en met 3.8.3. is overwogen voert het hof evenwel tot de slotsom dat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

Verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.