Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2916

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.239.335_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c Fw nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 12 juli 2018

Zaaknummer : 200.239.335/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/245436 FT RK 18-50

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. D.M. Gijzen te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 mei 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 mei 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing is, althans een beslissing te nemen welke het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2018. Bij die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Gijzen, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 april 2018;

- De indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 30 mei 2018 en 4 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 51.980,77. Daaronder bevindt zich een belastingschuld van € 10.584,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.1. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal kunnen nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te genereren. Verzoekster heeft psychische problemen. Zij is hiervoor weliswaar onder behandeling maar voornoemde problemen zijn momenteel niet in voldoende mate beheersbaar, zo blijkt uit de ingediende tussentijdse evaluatie van de psycholoog.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Op de eerste plaats is volgens [appellante] volstrekt onduidelijk hoe uit de evaluatie van de psycholoog kan blijken dat de psychische problemen momenteel niet in voldoende mate beheersbaar zijn. Bij gebreke van een motivering daaromtrent - welke ontbreekt - is dit oordeel onbegrijpelijk, aldus [appellante] . Op de tweede plaats hanteert de rechtbank volgens [appellante] een foutief criterium: uit artikel 5.4.3 in de bijlage IV bij het landelijk procesreglement, houdende de landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling, blijkt dat niet het criterium is of psychische problemen in voldoende mate beheersbaar zijn, maar of aannemelijk is dat psychosociale problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Daaraan heeft de rechtbank niet getoetst.

[appellante] wijst erop dat de psychosociale problemen al enige tijd beheersbaar zijn, dat zij zich

in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en dat er voldoende hulp (immers de psycholoog) en ook een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Artikel 5.4.3 voornoemd bepaalt ook nog dat de vraag of psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie. Daartoe kan de evaluatie van de psycholoog wel dienen: daarin wordt immers overwogen dat [appellante] zich gaandeweg ging openstellen naar zichzelf en de behandelaar waardoor er een goed fundament ontstond voor het realiseren van veranderingen in de therapie. Dit is een wijziging ten opzichte van het feit dat in het verleden behandelingen stagneerden vanwege haar afweermechanismen en komt volgens [appellante] onmiskenbaar neer op het beheersbaar zijn van psychosociale problemen waar dat vroeger niet het geval was.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat zij haar psychosociale problematiek op dit moment beheersbaar acht. Het is juist dat zij niet beschikt over een verklaring van een deskundige hulpverlener waarin dit wordt bevestigd, maar dat komt omdat dergelijke hulpverleners volgens [appellante] over het algemeen ook huiverig zijn om een dergelijke verklaring af te geven. Op dit moment staat zij nog wel onder behandeling van een psycholoog. De behandeling vindt tweemaal per week plaats en middels de zogenoemde EMDR therapie worden de diverse trauma’s van [appellante] successievelijk behandeld. De behandeling van het eerste trauma is inmiddels afgerond, de behandeling van een tweede trauma is recent gestart. Fysiek kent zij ook nog wel de nodige problemen, zij heeft de ziekte van Crohn en zit daarnaast op dit moment in verband met longklachten in een medisch diagnosetraject. Wel verricht [appellante] vier dagen in de week van 09:00 uur tot 16:00 uur vrijwilligerswerk en dit gaat haar goed af. [appellante] stelt voorts dat haar belastingschuld ziet op de terugvordering van een volgens de belastingdienst onterecht ontvangen kindertoeslag. Tegen deze terugvordering heeft zij destijds een bezwaarschrift ingediend, maar dit bezwaar is niet gehonoreerd. Onderliggende stukken met betrekking tot deze bezwaarprocedure zijn gedurende een verhuizing in het ongerede geraakt en daardoor thans in hoger beroep niet overgelegd. Op deze schuld heeft [appellante] wel al aanzienlijk afgelost, de schuld was aanvankelijk circa € 16.000,00 en zou nu naar inschatting van [appellante] nog maar circa

€ 8.000,00 bedragen. Tot slot merkt [appellante] op dat haar ex-partner zijn (huur)schuld aan haar inmiddels geheel heeft voldaan en dat budgetbeheer zorg draagt voor de betaling van haar rekeningen en daarnaast ook aflost op haar schuld aan haar zorgverzekeraar.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.2.

Vast staat dat er bij [appellante] (nog immer) sprake is van een actuele psychosociale problematiek. Ingevolge punt 5.4.3. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker of verzoekster zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellante] , zoals door haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook is erkend, niet overgelegd. Uit de wel door [appellante] overgelegde verklaring, in casu de verklaring van psycholoog [psycholoog] van Lionarons van 25 april 2018, kan bovendien worden herleid dat er van een inmiddels (duurzame) beheersing van de psychosociale problematiek vooralsnog ook geen sprake is. Zo vermeldt deze rapportage onder meer dat, ondanks een veranderde hulpvraag, een verdere behandeling noodzakelijk is, deze behandeling nog niet is afgerond en dat er in aansluiting op deze behandeling nog zal moeten worden bezien of de aanvankelijk geplande behandeling niet alsnog dient plaats te vinden. Bovendien blijkt uit voornoemde rapportage tevens dat voor de post-traumatische stress-stoornis van [appellante] nog een behandeldiagnose moet worden gesteld. Een en ander komt ook grotendeels overeen met hetgeen [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep met betrekking tot haar psychosociale problematiek zelf heeft verklaard. [appellante] heeft immers gesteld dat haar behandeling, met een frequentie van tweemaal per week, nog immer lopende is en dat er nog diverse trauma’s behandeld zullen moeten gaan worden.

3.6.3.

Het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, (op dit moment) dan ook te worden afgewezen. Nu uit voornoemde verklaring van Lionarons blijkt dat de behandeling van de psychosociale problematiek van [appellante] niet langer vanwege haar afweermechanismen stagneert, zij zich daarnaast met betrekking tot de behartiging van haar financiële zaken ondersteund weet door een budgetbeheerder en tevens wekelijks klaarblijkelijk een aanzienlijk aantal uren vrijwilligerswerk verricht, is het hof wel van oordeel dat [appellante] thans op de goede weg is. Niets staat er dan ook aan in de weg dat [appellante] , indien en zodra zij wel beschikt over een verklaring als bedoeld in artikel 5.4.3. van voornoemde bijlage en zij daarnaast de aard en ontstaansgeschiedenis van haar schulden - waarvan de ontstaansdatum valt binnen de in artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw gestelde termijn van vijf jaren - middels verificatoire bescheiden inzichtelijker weet te maken dan thans het geval is gebleken, opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij merkt het hof nog op dat een te premature toelating van [appellante] tot de wettelijke schuldsanering het voor haar ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij vervolgens niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor haar nog ingrijpender gevolg dat zij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031 -, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.

3.6.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling thans moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.