Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
200.215.891_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; verdeling huwelijksgemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 juli 2018

Zaaknummer: 200.215.891/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/314568 / FA RK 16-2400

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Z. Yeral,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.R. Klaver.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 mei 2017, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen (voor zover het betreft de beslissing aangaande de vaststelling en verdeling van de auto Renault Mégane met kenteken [kenteken] en voor zover het betreft de beslissing aangaande de schuld aan de zus van de vrouw) en in zoverre opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    de waarde van de aan de vrouw toegedeelde auto Renault Mégane met kenteken
    [kenteken] vastgesteld wordt op een bedrag van € 2.500,--, zodat aan de man toekomt een bedrag van € 1.250,--;

  • -

    de schuld aan de zus van de vrouw van € 15.000,-- bij helfte verdeeld wordt, met dien verstande dat een bedrag van € 7.500,-- van de schuld aan de man wordt toegedeeld en een bedrag van € 7.500,-- aan de vrouw wordt toegedeeld.

Desgevraagd heeft de advocaat van de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat zijn verzoek met betrekking tot de schuld aan de zus van de vrouw aldus moet worden begrepen dat gevraagd wordt de draagplicht van deze schuld tussen partijen vast te stellen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juli 2017, heeft de man verzocht de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap nader vast te stellen zoals weergegeven onder de grieven III, IV en V van het incidenteel appel en de vrouw te veroordelen om binnen 14 dagen na de in dezen te geven beschikking aan de man te voldoen hetgeen de vrouw aan de man verschuldigd is, dan wel subsidiair een verdeling vast te stellen die het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide procedures.

Desgevraagd heeft de advocaat van de man ter zitting in hoger beroep verklaard dat zijn grief III met betrekking tot de schulden aan de heren [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] aldus moet worden begrepen, dat gevraagd wordt de draagplicht voor deze schulden tussen partijen vast te stellen.

Het hof begrijpt de grieven IV en V aldus dat de man verzoekt:

  • -

    het “pensioenrecht” van de vrouw van € 10.400,-- tussen partijen bij helfte te verdelen (grief IV);

  • -

    de vrouw krachtens art. 21 en 22 Rv te bevelen opening van zaken te geven over het saldo op de peildatum van de spaarrekening van de vrouw bij een Bulgaarse bank met rekeningnummer [rekeningnummer] , alsmede ten aanzien van een tweede Bulgaarse rekening (grief V).

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2017, heeft de vrouw verzocht het incidenteel appel van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in beroep.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 april 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Z. Yeral;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. P.R. Klaver.

2.4.

Het hof heeft ter zitting in hoger beroep met partijen vastgesteld dat, anders dan in het beroepschrift staat vermeld, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg ontbreekt.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 23 november 2007 te Roosendaal met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2.1.

Op 19 april 2016 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

3.2.2.

Bij de bestreden beschikking van 14 februari 2017 is daarop de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 17 maart 2017 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts en voor zover thans van belang:

  • -

    de wijze van verdeling gelast van de gemeenschappelijke goederen van partijen op de wijze zoals vermeld in rov. 3.8 tot en met 3.22;

  • -

    de kosten van het geding gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vrouw heeft twee grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De man heeft drie grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep (genummerd III tot en met V).

De grieven zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    de Renault Mégane (grief 1 van de vrouw);

  • -

    de schuld aan de zus van de vrouw (grief 2 van de vrouw);

  • -

    de schulden aan de heren [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] (grief III van de man);

  • -

    het pensioen in Turkije (grief IV van de man);

  • -

    de bankrekeningen (grief V van de man).

3.6.

Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.7.

Ingevolge art. 4 lid 3 Rv brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak (waarvan hier sprake is op grond van art. 3 Brussel IIbis: partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland) ook rechtsmacht met betrekking tot het verdelingsverzoek mee, ongeacht de plaats van ligging van de boedelbestanddelen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de verdeling Nederlands recht van toepassing is en heeft vervolgens ook Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

De Renault Mégane (grief 1 van de vrouw)

3.8.1.

Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte de Renault Mégane aan de vrouw heeft toegedeeld tegen een waarde van € 7.500,--. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

De waarde van de Renault Mégane bedroeg in december 2015 € 2.500,--. Er was sprake van behoorlijke motorschade. Verwezen wordt naar een offerte (productie 10) waaruit blijkt dat de reparatiekosten € 2.651,41 bedroegen. Uit de als productie 21 in het geding gebrachte

e-mail van garage [garage] , waarin bevestigd wordt dat de hiervóór genoemde offerte medio 15 december 2015 is opgesteld, blijkt dat de waarde van de auto met motorschade € 2.500,-- bedroeg.

3.8.2.

De man heeft hiertegen aangevoerd dat de rechtbank bij de toedeling van de Renault Mégane aan de vrouw van een juiste waarde uitgegaan.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen hebben desgevraagd verklaard dat onderhavige grief alleen betrekking heeft op de waarde van de auto. De vrouw stelt dat de waarde van de Renault Mégane € 2.500,-- bedraagt. Daartoe heeft zij ter onderbouwing als productie 21 in hoger beroep een e-mail van [garage] in het geding gebracht. Dat de e-mail niet authentiek zou zijn of niet afkomstig zou zijn van een garagebedrijf heeft de man niet aangevoerd. Ook anderszins heeft de man de aldus onderbouwde stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof dient daarom van de in de e-mail genoemde waarde van € 2.500,-- uit te gaan. De man heeft nog wel foto’s overgelegd om, zoals hij ter zitting heeft verklaard, de geloofwaardigheid van het verhaal van de vrouw over de door haar gestelde verkoop van de auto in twijfel te trekken. Nu het hof hier alleen dient te beslissen over de waarde van de auto en de foto’s daar geen betrekking op hebben, doet dit aan het voorgaande niet af.

Mitsdien slaagt de grief van de vrouw. Hetgeen de man in eerste aanleg nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De schuld aan de zus van de vrouw (grief 2 van de vrouw)

3.9.1.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank zich ten onrechte niet in staat heeft geacht om te beslissen over de draagplicht van partijen ten aanzien van de schuld van € 15.000,-- aan de zus van de vrouw, nu niet is komen vast te staan dat partijen daadwerkelijk dit geld hebben geleend. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.

Partijen hebben omstreeks 2010 of 2011 € 15.000,-- geleend van de zus van de vrouw. Partijen hebben het geleende geld gebruikt om paspoorten aan te schaffen, een werkvergunning voor de vrouw aan te vragen en verder om in hun levensonderhoud te voorzien. Verwezen wordt naar productie 15 waarbij de vertaling van de originele overeenkomst is overgelegd.

3.9.2.

De man heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd. Hij weerspreekt dat partijen € 15.000,-- hebben geleend van de zus van de vrouw. Het gezin van de zus van de vrouw leeft in Bulgarije onder zeer eenvoudige, sobere, arme omstandigheden. Het is ongeloofwaardig dat dit gezin € 15.000,-- aan de vrouw kan lenen. Voorts is de geldleningsovereenkomst incorrect en niet door de man ondertekend. Verder heeft de vrouw niet aangetoond hoe de geldstroom is geweest.

3.9.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Van een door beide partijen aangegane lening bij de zus van de vrouw blijkt niet uit de door de vrouw overgelegde overeenkomst van geldlening. De overeenkomst is alleen door haar en niet door de man ondertekend. Verder ontbreekt enige objectieve bron waaruit het bestaan van de familielening (van de zus aan partijen samen, dan wel van de zus alleen aan de vrouw) zou blijken. Zo is er geen aangifte inkomstenbelasting overgelegd of een bankafschrift waaruit een overboeking van het bedrag van € 15.000,-- blijkt. De vrouw heeft ook geen plausibele verklaring gegeven voor de noodzaak een bedrag van € 15.000,-- te lenen. Zij noemt de aanschaf van paspoorten, het aanvragen van een werkvergunning voor zichzelf en het kunnen voorzien in het levensonderhoud, maar enig inzicht in de kosten daarvan laat zij na te geven. In het licht van het voorgaande is de onderbouwing van de vrouw van het bestaan van de familielening tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man van onvoldoende gewicht gebleken. De grief van de vrouw faalt.

De schulden aan de heren [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] (grief 3 van de man)

3.10.1.

Grief 3 houdt in het verzoek de draagplicht vast te stellen tussen partijen met betrekking tot de schuld aan de heer [schuldeiser 1] van in totaal € 3.000,--, de schuld aan de heer [schuldeiser 2] van in totaal € 5.000,-- en de schuld aan de zoon van de man, de heer [schuldeiser 3] , van € 3.600,--. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Partijen hebben geld geleend van de heer [schuldeiser 1] (tweemaal € 1.500,--). Partijen hebben dit geld gebruikt voor het bekostigen van de vliegreis om de vrouw naar Nederland te halen, alsmede voor de aanschaf van trouwringen.

De schuld aan de heer [schuldeiser 2] heeft betrekking op de aanschaf van een auto van € 1.400,--, alsmede op een lening van € 3.600,-- die verstrekt is gedurende de schuldsanering.

Voorts hebben partijen vanaf januari 2010 gedurende drie jaar lang elke maand € 120,-- geleend van de zoon van de man, de heer [schuldeiser 3] .

De hiervóór genoemde schulden moeten door partijen nog worden terugbetaald.

3.10.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd. Zij weerspreekt het bestaan van de geldleningen. Zij heeft nimmer de door de man overgelegde stukken met betrekking tot de vermeende geldleningen ondertekend. De man dan wel iemand anders heeft, zonder haar instemming, “haar” handtekening gezet. Er is sprake van valsheid in geschrifte. De stukken zijn ook niet ondertekend door de heren [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] en de stukken lijken ook niet ten behoeve van deze personen te zijn opgemaakt. De man heeft ook niet uitgelegd waarom de stukken toen zouden zijn opgemaakt. De heren [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] zijn vrienden van de man. De heer [schuldeiser 3] is zijn zoon. Deze personen nemen het verder niet zo nauw met de waarheid. De vermeende geldlening van de heer [schuldeiser 1] is gedateerd 20 oktober 2007. De vrouw was toen nog maar net twee dagen in Nederland. Er is geen sprake geweest van een vliegreis en er zijn geen trouwringen gekocht.

De heer [schuldeiser 2] heeft een eenvoudige WIA-uitkering, een hypotheek, drie kinderen en een niet-werkende vrouw. De heer [schuldeiser 2] kan zelf niet rondkomen van het inkomen dat hij heeft. Hij is dan ook niet in staat een geldlening aan de man te verstrekken. Ten aanzien van de vermeende geldlening van de zoon, wordt opgemerkt dat de zoon ten tijde van de geldlening nog minderjarig was. Hij had geen uitkering of werk en moest zijn levensonderhoud bekostigen met alimentatie die de man aan hem betaalde. Het is dan ook niet mogelijk dat de man geld van zijn zoon kon lenen. De zoon had simpelweg geen geld. Opvallend is dat de overeenkomsten van geldleningen allemaal dezelfde stijl hebben, met hetzelfde lettertype en vorm. Dit is een aanwijzing dat deze overeenkomsten door de man zelf zijn opgesteld en ondertekend.

3.10.3.

Het hof oordeelt als volgt.

De schulden aan de heer [schuldeiser 1]

De vrouw heeft het bestaan van de twee leningen bij de heer [schuldeiser 1] voldoende gemotiveerd betwist. De man noemt (als noodzaak voor de schuld) de aanschaf van trouwringen en het bekostigen van de vliegreis om de vrouw naar Nederland te halen. Enige specificatie van de kosten daarvan laat hij na te geven en de vrouw heeft (de noodzaak van) de uitgaven betwist. Desgevraagd heeft de advocaat van de man verklaard dat er facturen zijn, maar dat deze zich niet in het dossier bevinden.

De schulden aan de heer [schuldeiser 2]

De vrouw heeft het bestaan van de twee leningen bij de heer [schuldeiser 2] voldoende gemotiveerd betwist. De man noemt (als noodzaak voor de schuld van € 1.400,--) de aanschaf van een auto. Enige specificatie van de kosten daarvan laat hij na te geven en de vrouw heeft (de noodzaak van) de uitgave betwist. Als noodzaak voor de schuld van € 3.600,-- noemt de man het aflossen van een eerdere lening bij de heer [schuldeiser 2] . Dit is innerlijk tegenstrijdig zoals door de man ter zitting in hoger beroep ook is toegegeven.

De schuld aan de heer [schuldeiser 3]

De vrouw heeft het bestaan van de lening bij de heer [schuldeiser 3] voldoende gemotiveerd betwist. De man noemt (als noodzaak voor de schuld) het gedurende de schuldsanering kunnen voorzien in het levensonderhoud van partijen. Enige specificatie van de kosten daarvan laat hij na te geven en de vrouw heeft (de noodzaak van) de uitgaven betwist.

Conclusie:

De slotsom van het voorgaande is dat de grief van de man faalt. De man heeft van zijn stellingen ter zake van de schulden geen bewijsaanbod gedaan. Aan het in algemene termen gedane bewijsaanbod gaat het hof voorbij.

Het pensioen in Turkije (grief 4 van de man)

3.11.1.

Grief 4 houdt in het verzoek te bepalen dat het “pensioen” van de vrouw in Turkije met een waarde van € 10.400,-- tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld, zodat aan de man toekomt een bedrag van € 5.200,--. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De vrouw heeft in Turkije een “pensioen” met een waarde van € 10.400,-- onder de naam [Turkse naam van de vrouw] , haar Turkse naam. Feitelijk gaat het om een uitkering die in Turkije pensioen genoemd wordt. De vrouw ontvangt op haar rekening bij de ING-Bank in Turkije maandelijks een bedrag van € 350,-- à € 400,--. Haar zus in Bulgarije haalt dit bedrag van die rekening en ontvangt daarvoor € 50,-- per maand, derhalve € 150,-- per drie maanden. Bij opname van deze rekening behoudt de zus van de vrouw dit bedrag en het restbedrag is bestemd voor de vrouw.

3.11.2.

De vrouw heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd. Er is geen sprake van een pensioen in Turkije. Zij ontvangt ook geen uitkering in Turkije. Zij heet geen [Turkse naam van de vrouw] en beschikt niet over een ING-rekening in Turkije. Voorts wordt ontkend dat haar zus in Bulgarije gelden van een Turkse ING-rekening haalt. Haar zus woont ook niet in Bulgarije maar in Duitsland.

3.11.3.

Het hof oordeelt als volgt.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man zijn vordering tot verdeling van het “pensioenrecht” van de vrouw in Turkije van € 10.400,-- onvoldoende (nader) geconcretiseerd en onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen. Het verzoek van de man om de vrouw ex art. 22 Rv te bevelen stukken in het geding te brengen aangaande het pensioen behoeft om die reden geen bespreking meer.

De bankrekeningen (grief 5 van de man)

3.12.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat het saldo op de Bulgaarse bankrekening met nummer [rekeningnummer] op de peildatum € 399,79 bedraagt en dat dit bedrag tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. Aldus zal het hof bepalen.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man zijn stelling dat sprake is van een tweede Bulgaarse bankrekening (waarvan het saldo tussen partijen verdeeld moet worden), onvoldoende (nader) geconcretiseerd en onderbouwd. Zo heeft de man nagelaten een bank te noemen (en/of een rekeningnummer). Daarom gaat het hof aan die stelling voorbij. Dit brengt mee dat het verzoek van de man om de vrouw ex art. 21 en 22 Rv te bevelen stukken in het geding te brengen aangaande de vermeende tweede Bulgaarse bankrekening geen bespreking behoeft. In zoverre faalt de grief van de man.

Proceskosten

3.13.

Partijen hebben over en weer verzocht om elkaar in de proceskosten in beide instanties te veroordelen. Het hof ziet in hetgeen partijen over een weer hebben gesteld geen reden om af te wijken van hetgeen in een familierechtelijke procedure gebruikelijk is, te weten dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Om die reden zal het hof met toepassing van het bepaalde in art. 289 juncto art. 362 Rv (in samenhang met art. 237 juncto art. 353 Rv) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 februari 2017, voor zover daarbij de waarde van de aan de vrouw toegedeelde Renault Mégane is vastgesteld op een waarde van € 7.500,-- en is bepaald dat de vrouw de helft van dit bedrag, € 3.750,--, aan de man moet voldoen,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

stelt de waarde van de Renault Mégane vast op € 2.500,--, zodat de vrouw aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 1.250,--;

bepaalt dat de vrouw ter zake van het saldo op de Bulgaarse bankrekening met nummer [rekeningnummer] aan de man de helft van € 399,79, zijnde € 199,90, dient te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en H.J.M. van Arkel-van Gasselt, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is bij afwezigheid van de voorzitter mr. G.J. Vossestein ondertekend door mr. P.P.M. van Reijsen en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar.