Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2900

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
200.213.905_01 en 200.213.906_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie; lotsverbondenheid; huwelijksvermogensrecht; toepasselijk recht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.213.905/01 en 200.213.906/01

zaaknummer rechtbank : C/01/304812 FA RK 16-829

beschikking van de meervoudige kamer van 12 juli 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.P. Scholte te 's-Hertogenbosch,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B.L.A. Ruijs te Oss.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 24 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 3 april 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 12 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 20 december 2016;

van de zijde van de man:

- een journaalbericht van 14 juni 2017 met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2017;

- een journaalbericht van 21 maart 2018 met bijlagen, ingekomen op 21 maart 2018;

van de zijde van de vrouw:

- een journaalbericht van 30 april 2018 met producties 1 tot en met 7, ingekomen op 30 april 2018.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 9 mei 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

  1. Partijen zijn op 4 oktober 2005 te Casablanca, Marokko, met elkaar gehuwd.

  2. De man bezat toen en bezit ook thans de Nederlandse nationaliteit. De vrouw bezat ten tijde van de huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit. Thans bezit zij daarnaast ook de Nederlandse nationaliteit.

  3. Op 18 februari 2016 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man € 140,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast overeenkomstig hetgeen onder het kopje 2.4 verdeling huwelijksgoederengemeenschap is overwogen.

4.2

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

I. De door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af te wijzen;

II. De vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in de door de vrouw verzochte verdeling, althans de door de vrouw verzochte wijze van verdeling af te wijzen, althans de wijze van verdeling vast te stellen als omschreven in het lichaam van het beroepschrift, althans de wijze van verdeling vast te stellen die het hof juist acht.

4.3

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Vol appel

5.1

Het hof stelt allereerst vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de man evenwel geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de man in zoverre afwijzen.

Partneralimentatie

Bevoegdheid en toepasselijk recht

5.2

Ingevolge art. 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen) is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de partneralimentatie Nederlands recht van toepassing is en heeft vervolgens ook Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Verbreken lotsverbondenheid

5.3

De man heeft aan de orde gesteld dat door het gedrag van de vrouw jegens hem de lotsverbondenheid is verbroken als gevolg waarvan de vrouw haar recht op alimentatie is vervallen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw hem tijdens het huwelijk zowel psychisch als lichamelijk heeft mishandeld. De vrouw heeft hem diverse malen bedreigd met een mes en opzettelijk meerdere malen met een mes, althans met een scherp voorwerp, gestoken, waarbij zij bewust het risico op de koop toenam dat zij de man levensbedreigend zou kunnen verwonden. Het is louter toeval dat de verwondingen van de man niet levensbedreigend waren en de aard van het uiteindelijke letsel doet niets af aan de ernst van de gepleegde feiten. De man ontkent dat hij de vrouw zou hebben mishandeld. Als gevolg van het feit dat de man zich heeft moeten verweren tijdens een steekincident waarbij hij door de vrouw in zijn onderbuik is gestoken, is de vrouw door de man aan haar neus geraakt. De man heeft aangifte gedaan van laatstgenoemd steekincident, maar de vrouw wordt – ondanks een door de man ingezette art. 12 Sv procedure – niet vervolgd. De man verwijst naar enkele uitspraken (ECLI:NL:GHARL:2015:8558, ECLI:NL:GHARL:2015:3378 en ECLI:NL:GHAMS:2015:481) waarbij geen sprake was van strafbare feiten, althans ernstig grievend gedrag, zoals in deze zaak, maar waarbij wel is geoordeeld dat sprake was van het ontbreken van lotsverbondenheid, dan wel matiging passend werd geoordeeld.

5.4

De vrouw betwist met klem dat zij de man psychisch of lichamelijk mishandeld heeft. Zij heeft dat juist andersom ervaren. De vrouw mocht van de man geen baan zoeken, waardoor zij in Nederland niet haar eigen identiteit heeft kunnen ontwikkelen en zelfstandig kon zijn. De vrouw stelt ook lichamelijk mishandeld te zijn, waarvan zij ook aangifte heeft gedaan. Zij geeft aan nu nog door de man te worden opgezocht. Partijen hebben dus ieder hun eigen lezing van de wijze waarop zij met elkaar omgingen tijdens het huwelijk en dan vooral in de laatste jaren. De man heeft jegens de vrouw aangifte gedaan van mishandeling en andersom, maar geen van partijen is voor mishandeling vervolgd. Het hof heeft ook de klacht van de man ex art. 12 Sv ongegrond verklaard. Op geen enkele wijze is vast komen te staan dat sprake is geweest van grievend gedrag van de vrouw jegens de man.

Voor zover het door de man gestelde vast zou komen te staan, stelt de vrouw zich op het standpunt dat het door de man gestelde gedrag niet dermate grievend is dat sprake kan zijn van het verbreken van lotsverbondenheid. De cases in door de man aangehaalde jurisprudentie zijn heel anders dan de onderhavige, zodat een vergelijk niet op gaat.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

5.6

Vooropgesteld dient te worden dat in uitzonderlijke gevallen grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie kan leiden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet van de onderhoudsplichtige kan worden gevergd. Niet het mogelijke wangedrag op zichzelf, maar het bij dergelijk gedrag vorderen van steun kan in dat geval een zo kwetsende bejegening van de aangesprokene opleveren, dat van deze laatste betaling van onderhoud moreel niet of niet ten volle kan worden gevergd.

5.7

Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo'n beëindiging dan wel matiging. Daarbij dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Derhalve is niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

5.8

Het hof begrijpt de stellingen van de man aldus dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door hem niet gevergd kan worden. Naar het oordeel van het hof heeft de man – tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw – zijn stelling, dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat van hem niet langer gevergd kan worden dat hij partneralimentatie betaalt aan de vrouw, onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst erop dat de door de man gestelde incidenten gemotiveerd door de vrouw worden ontkend. Daarbij komt dat, ondanks een door de man ex art. 12 Sv ingediende klacht, niet tot vervolging van de vrouw wordt overgegaan.

Ingangsdatum

5.9

De ingangsdatum van de eventueel door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zijnde de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is tussen partijen niet in geschil. Aldus zal het hof eveneens deze ingangsdatum tot uitgangspunt nemen.

Huwelijksgerelateerde behoefte vrouw

5.10

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.370,-- netto of wel € 4.139,-- bruto per maand bedraagt.

Aanvullende behoefte vrouw

5.11

Partijen verschillen van mening over de aanvullende behoefte van de vrouw, meer concreet over de verdiencapaciteit van de vrouw, aangezien de vrouw geen eigen inkomsten uit arbeid dan wel anderszins geniet.

5.12

De man is, verkort weergegeven, van mening dat aan de vrouw een dusdanige verdiencapaciteit kan worden toegekend dat zij daarmee, althans deels, in eigen levensonderhoud zou moeten kunnen voorzien. De vrouw woont inmiddels elf jaar in Nederland en zij heeft de Nederlandse nationaliteit, beheerst de Nederlandse taal en heeft een rijbewijs B. Hoewel zij daartoe in staat kan worden geacht, is gesteld noch gebleken dat de vrouw heeft gesolliciteerd naar een baan. De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij geacht kan worden minimaal € 500,-- netto per maand aan inkomsten te genereren naast haar opleiding.

5.13

De vrouw is van mening dat geen rekening gehouden kan worden met enige verdiencapaciteit. Daartoe voert zij aan dat zij al wel lange tijd in Nederland verblijft, maar dat zij gedurende het huwelijk niet heeft gewerkt of zichzelf anderszins heeft kunnen ontwikkelen. In het kader van de Participatiewet wordt zij thans door de gemeente ondersteund bij het vinden naar een passende baan. Ook de gemeente verlangt van de vrouw dat zij zich inspant om zo spoedig mogelijk een eigen inkomen te verwerven. De vrouw heeft echter geen diploma’s of werkervaring. Zij kan zich prima verstaanbaar maken, maar zij dient nog een basisdiploma Nederlands te behalen, voordat zij een beroepsopleiding mag gaan volgen. De vrouw doet vrijwilligerswerk om in het arbeidsproces te geraken, maar gelet op haar opleidingsniveau en arbeidsverleden zijn haar kansen op de arbeidsmarkt beperkt.

5.14

Het hof overweegt als volgt.

5.15

Gelet op het gebrek aan opleiding en werkervaring, ziet het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft, die tezamen met de te bepalen partneralimentatie de vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte overstijgt. De man dient daarom zijn gehele voor partneralimentatie beschikbare draagkracht aan te wenden om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het voorgaande neemt evenwel niet weg, dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij zich tot het uiterste zal inspannen om inkomsten uit arbeid dan wel anderszins te gaan genieten.

Draagkracht man

5.16

Tussen partijen is voorts de draagkracht van de man in geschil. De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te voldoen.

5.17

De vrouw weerspreekt zulks.

5.18

Ten aanzien van de draagkracht van de man zal het hof de door de man als productie 19 behorende bij het journaalbericht van 14 juni 2017 in het geding gebrachte draagkrachtberekening tot uitgangspunt nemen en volgen, voor zover hieronder niet anders wordt geoordeeld.

5.19

De man is in zijn berekening uitgegaan van een bruto pensioen ad € 22.759,-- per jaar.

De vrouw heeft daaromtrent ter zitting naar voren gebracht dat dit inkomen op zichzelf genomen juist is, doch dat dit verhoogd dient te worden met de indexering die geldt voor AOW-uitkeringen en dat – met inachtneming van die indexering – de pensioenuitkering van de man op jaarbasis € 22.897,-- bedraagt.

Het hof zal uitgaan van deze door de vrouw gestelde, geïndexeerde uitkering ad € 22.897,--, nu de man dit ter zitting niet heeft betwist en hij zich noch anderszins heeft verzet tegen dit door de vrouw gestelde jaarinkomen. Daarbij heeft het hof – anders dan de man – in zijn berekening een onderscheid gemaakt tussen bruto AOW-uitkering en bruto pensioen, daar dit van belang is voor een juiste berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

5.20

Partijen verschillen voorts van mening over de hypotheekrente van de man, meer concreet over de aftrekbaarheid hiervan. De man heeft vier hypothecaire schulden op de voormalige echtelijke woning gevestigd, waarvan de betaalde rente van slechts één van deze hypotheken naar zeggen van de man fiscaal aftrekbaar is.

De vrouw daarentegen is van mening dat de volledige door de man betaalde hypotheekrente aftrekbaar is.

Het hof stelt allereerst vast dat de door de man in zijn draagkrachtberekening opgenomen hypotheekrente op zichzelf genomen niet in geschil is, maar dat partijen enkel verdeeld zijn over de fiscale aftrekbaarheid van deze bedragen.

Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat voldoende vaststaat dat de hypotheekrente betrekking hebbende op de hypotheek met een hoofdsom van € 33.255,-- ( [nummer] ) fiscaal aftrekbaar is.

5.21

De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag ad € 200,-- per maand opgenomen ter zake forfait overige eigenaarslasten. De man acht dit bedrag redelijk, nu hij, als gevolg van kapitaaloverheveling naar Marokko in voorgaande jaren, heel weinig geld heeft uitgegeven aan onderhoud van de woning. Nu de plannen van de man om met de vrouw in Marokko te gaan wonen door de echtscheiding niet geëffectueerd zullen worden, zal hij de woning, met het oog op een eventuele verkoop, in redelijke staat van onderhoud moeten brengen.

De vrouw is van mening dat rekening gehouden dient te worden met een forfait overige eigenaarslasten van € 95,-- per maand.

Het hof ziet in het door de man gestelde geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke forfait overige eigenaarslasten, zodat het hof ter zake rekening zal houden met een bedrag van € 95,-- per maand.

5.22

De vrouw verzette zich aanvankelijk tegen het door de man in de draagkrachtberekening opgenomen verplicht eigen risico (ziektekosten) ad € 385,-- op jaarbasis, doch ter zitting is de vrouw hiermee alsnog akkoord gegaan, zodat het hof eveneens hiervan zal uitgaan.

5.23

Met inachtneming van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat de man in staat is de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te voldoen. Daarbij heeft het hof, anders dan de man in zijn draagkrachtberekening, geen rekening gehouden met de door de man opgevoerde door de man betaalde hypotheeklasten ten behoeve van de vrouw. Partijen dienen deze kwestie in het kader van de verdeling onderling te regelen.

Limitering

5.24

Voor zover de man heeft verzocht om limitering van de partneralimentatie, begrijpt het hof de stellingen van de man in dit kader aldus dat hij verzoekt rekening te houden met de einddatum van de lijfrente die de man thans ontvangt – zijnde 24 november 2020 – en hij op voorhand met ingang van die datum een wijziging van de partneralimentatie verzoekt, strekkende tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van die datum wegens het ontbreken van draagkracht.

5.25

Het hof ziet echter geen aanleiding om nu al rekening te houden met deze op handen zijde wijziging, nu thans nog ongewis is welke inkomsten en in het bijzonder welke lasten de man alsdan zal hebben – de man heeft gesteld voornemens te zijn de (voormalige) echtelijke woning te verkopen – en derhalve nog ongewis is wat de draagkracht van de man met ingang van 24 november 2020 zal zijn.

Verdeling

Bevoegdheid

5.26

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

Toepasselijk recht

5.27

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland is gelegen en op basis daarvan Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van partijen heeft toegepast.

De man stelt zich primair op het standpunt dat partijen hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Marokkaans recht op hun huwelijksvermogensregime, althans dat hun huwelijksvermogensregime het nauwst verbonden is met Marokko.

Subsidiair stelt de man dat het toepasselijk recht is gewijzigd van Marokkaans recht naar Nederlands recht in de zin van art. 7 lid 2 sub 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

Ter toelichting voert de man het volgende aan.

Partijen hebben er welbewust voor gekozen te huwen naar Marokkaans recht, dat wil zeggen buiten gemeenschap van goederen. Om naar Marokkaans recht met de vrouw te mogen huwen, heeft de man zich bekeerd tot de islam. De vrouw kwam wel in Nederland wonen, maar dit zou maar tijdelijk zijn. Het was de bedoeling van partijen om na het pensioen van de man naar Marokko te verhuizen om aldaar gedurende acht maanden per jaar te gaan wonen in de woning die zou worden gebouwd vlakbij de moskee op de grond die partijen daar hadden gekocht. De woning in Nederland stond te koop en het Nederlandse vermogen werd overgeheveld naar Marokko omdat daar de toekomst van partijen lag. De vrouw was niet bezig om een bestaan in Nederland op te bouwen; zij verbleef elk jaar een groot deel van het jaar in Marokko.

5.28

De vrouw betwist dat partijen maar tijdelijk naar Nederland gingen en dat het de bedoeling was dat zij zich na het pensioen van de man in Marokko zouden vestigen. Zij betwist voorts dat partijen grond hebben gekocht in Marokko met de bedoeling daar een woning te bouwen en dat zij hun vermogen overhevelden naar Marokko.

5.29

Het hof overweegt als volgt.

5.29.1

Gezien de huwelijksdatum van partijen, 4 oktober 2005, wordt het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1988, nr. 130; hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag is op 1 september 1992 (ook) voor Nederland in werking getreden en heeft, blijkens art. 2, een universeel formeel toepassingsgebied.

5.29.2

Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 voorziet onder voorwaarden zowel in de mogelijkheid van een rechtskeuze vóór het huwelijk (art. 3) als een rechtskeuze staande huwelijk (art. 6). Een rechtskeuze dient uitdrukkelijk te zijn overeengekomen of ondubbelzinnig voort te vloeien uit de huwelijkse voorwaarden. In het geval dat geen – rechtsgeldige – rechtskeuze is uitgebracht, dient het op het huwelijksvermogensregime toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van de in art. 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde verwijzingsregeling.

5.29.3

In het licht van de in de betrokken verdragsregeling neergelegde systematiek dient allereerst te worden bezien of, zoals door de man is gesteld, in het onderhavige geval sprake is van een – rechtsgeldige – rechtskeuze in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Daarbij dient niet enkel acht te worden geslagen op hetgeen in art. 3 c.q. art. 6 is bepaald, maar ook rekening te worden gehouden met de voorwaarden, respectievelijk vormvoorschriften zoals neergelegd in de artt. 11 tot en met 13 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. In de onderhavige zaak staat vast dat partijen geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Van een gedagtekend én door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk waarin een huwelijksvermogensrechtelijke rechtskeuze is gedaan (het in art. 13, laatste zinsnede, van het Haags Huwelijksvermogensrecht 1978 neergelegde minimum voorschrift) is het hof niet gebleken. De Marokkaanse huwelijksakte waarnaar de man in hoger beroep verwijst kwalificeert niet als zodanig. Dit leidt tot de conclusie dat partijen vóór noch staande het huwelijk een rechtskeuze hebben uitgebracht als bedoeld in art. 3 respectievelijk art. 6 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. De vraag naar het op het huwelijksvermogensregime van partijen toepasselijk recht dient derhalve te worden beantwoord op basis van de objectieve verwijzingsregel van art. 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

5.29.4

Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit: de vrouw was (is) Marokkaanse, terwijl de man de Nederlandse nationaliteit had (heeft). Dit heeft, gezien de wijze waarop de in art. 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde objectieve verwijzingsregel is opgebouwd, tot gevolg dat vervolgens dient te worden bezien of in het onderhavige geval sprake is van vestiging door partijen van hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk op het grondgebied van dezelfde staat zoals bedoeld in art. 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, in welk geval het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het interne recht van die staat.

5.29.5

De vrouw is op 2 februari 2006 bij de man in Nederland komen wonen, derhalve binnen zes maanden na de huwelijkssluiting. Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het recht van Nederland van toepassing is. Voor zover de man heeft betoogd dat, gelet op de intentie van partijen, moet worden aangenomen dat partijen hun eerste huwelijksdomicilie niet in Nederland hebben gevestigd, althans dat het huwelijksvermogensrecht van partijen niet door het recht van Nederland maar door Marokkaans recht wordt beheerst, volgt het hof hem daarin niet.

Wat ook moge zijn van de stelling dat de vrouw slechts tijdelijk in Nederland kwam wonen en partijen de bedoeling hadden na de pensionering van de man naar Marokko te verhuizen – dit wordt door de vrouw betwist – feit is dat, ondanks deze beweerdelijke intentie, partijen gedurende nog meer dan tien jaren, samenwonend in Nederland zijn gebleven.

5.29.6

De systematiek van art. 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 brengt mee dat, nu het hof van oordeel is dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd, het hof niet toekomt aan een beoordeling van de zijdens de man opgeworpen stelling dat het huwelijksvermogensregime van partijen het nauwst verbonden is met Marokko (als genoemd in art. 4 .laatste zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978).

Nu het hof van oordeel is dat het Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen komt het hof evenmin toe aan het subsidiaire standpunt van de man dat sprake is van een wijziging van het Marokkaans recht naar Nederlands recht in de zin van art. 7 lid 2 sub 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Dit artikellid vindt immers slecht toepassing indien het huwelijksvermogensregime (aanvankelijk) aan het Marokkaans recht onderworpen zou zijn.

5.29.7

Uit het bovenstaande volgt dat de door de man ter zake opgeworpen grief faalt.

5.29.8.

Bij gebreke van huwelijkse voorwaarden volgt uit de toepasselijkheid van het Nederlands recht dat partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Stuk grond en bankrekening in Marokko

5.30

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat een stuk grond en een bankrekening in Marokko in de huwelijksgemeenschap van partijen vallen en derhalve dienen te worden verdeeld.

Ter toelichting voert de man het volgende aan.

Het stuk grond is aangekocht en er is een aanbetaling gedaan, maar de grond is nog niet op naam gesteld. De grond kan alleen op naam gesteld worden van de vrouw, omdat zij – anders dan de man – de Marokkaanse nationaliteit heeft. In de loop van 2017 zal de vrouw het restantbedrag moeten voldoen waarna de eigendomsoverdracht zal plaatsvinden. De man heeft een plattegrond (plan de masse) in het geding gebracht en getuigenverklaringen over de aankoop van de grond en het bestaan c.q. saldo op de Marokkaanse bankrekening.

Nu in Marokko geen sprake is van gemeenschap van goederen en het vermogen in Marokko op naam staat van de vrouw, kan de man zonder medewerking van de vrouw geen gegevens verkrijgen over het stuk grond en/of de bankrekening. De man verkeert in bewijsnood en kan redelijkerwijs niet meer bewijs aanleveren dan hij heeft gedaan.

5.31

De vrouw betwist dat zij onroerend goed en een bankrekening in Marokko heeft. Zij voert aan dat partijen tijdens hun verblijf in Marokko altijd bij haar ouders verbleven en dat zij wel naar appartementen in Marokko hebben gekeken, maar nooit iets geschikts hebben gevonden. Dat de vrouw geen bankrekeningen in Marokko heeft, blijkt uit de verklaring van de belastingdienst. Het is inderdaad zo dat er weleens een bedrag naar Marokko is overgemaakt. Dit gebeurde omdat de man niet meedeed aan de Ramadan.

5.32

Het hof overweegt als volgt.

5.33

De stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast ten aanzien van het stuk grond en de bankrekening in Marokko ligt in beginsel bij de man. Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet voldoende heeft onderbouwd dat vermogen in Marokko – bestaande uit een stuk grond en een bankrekening – tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorden. Dat er in de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 in totaal € 44.170,-- is gepind, kan niet leiden tot een ander oordeel, nu dit enkele gegeven geen aanwijzing is voor of bewijs levert van het bestaan van een stuk grond en een bankrekening in Marokko. Daartoe is van belang dat onvoldoende duidelijk is geworden waaraan deze pinbedragen zijn besteed. Aldus faalt de door de man ter zake opgeworpen grief.

Verdeling van de inboedel

5.34

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende is gesteld om te kunnen overgaan tot het vaststellen van de verdeling dan wel het gelasten van de wijze van verdeling van de inboedel.

De man heeft in het kader van de verdeling van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen (als productie 18) een overzicht overgelegd waarin gespecificeerd is vermeld welke goederen de vrouw van de man heeft ontvangen met vermelding van de waarde daarvan per zaak, hetgeen in totaal een waarde vertegenwoordigt van € 10.730,--.

De man maakt aanspraak maakt op de helft van de waarde, derhalve € 5.365,--.

De man hecht niet aan spullen en luxe. De vrouw kocht alles nieuw en al deze zaken zijn door de vrouw ontvangen. Het betreft 33 verhuisdozen met spullen en een fiets, die door de vrouw zijn ontvangen. Na afgifte van de spullen aan de vrouw is niet veel meer aan inboedel achtergebleven voor de man. De waarde hiervan bedraagt € 2.000,--. Deze kunnen worden toegedeeld aan de man onder betaling van € 1.000,-- aan de vrouw.

5.35

De vrouw betwist dat zij de goederen heeft ontvangen zoals door de man gesteld. Zij voert aan dat zij slechts het hoognodige heeft ontvangen. Zelfs om haar kleding te krijgen, heeft zij grote moeite moeten doen. Ook het goud van haar familie is nog bij de man in bezit. De vrouw kan echter geen lijst overleggen van de aanwezige inboedel met een opgave van de waarde, nu zij halsoverkop uit de echtelijke woning is vertrokken en deze ook niet kan betrekken.

De vrouw betwist voorts dat de inboedel van partijen een waarde heeft van € 10.730,-- te vermeerderen met de € 2.000,-- waarop de man de waarde van de bij hem achtergebleven inboedel stelt.

5.36

Het hof overweegt evenals de rechtbank dat er ook in hoger beroep onvoldoende is gesteld om over te kunnen gaan tot het vaststellen van de verdeling dan wel het gelasten van de verdeling van de inboedel. Daartoe is van belang dat nog steeds niet inzichtelijk is gemaakt welke inboedelgoederen al dan niet tot de gemeenschap behoren, wat de waarde van deze goederen is en wie welke inboedelgoederen aan zich toegedeeld wenst te zien. De man heeft weliswaar gesteld dat hij een productie in het geding heeft gebracht, met daarop vermeld welke goederen de vrouw van de man heeft ontvangen die volgens de man aan de vrouw toegedeeld dienen te worden met vermelding van de waarde daarvan per zaak, maar de vrouw betwist de door de man overgelegde inboedellijst, zij betwist dat zij alle goederen heeft ontvangen zoals door de man gesteld en zij betwist de door de man op die lijst vermelde waarde. Aldus kan het hof niet overgaan tot het vaststellen van de verdeling dan wel het gelasten van de verdeling van de inboedel en faalt ook deze grief van de man.

Bankrekeningen

5.37

De man stelt dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste saldi op de peildatum van de bankrekening eindigend op [eindcijfer bankrekening 1] en de bankrekening eindigend op [eindcijfer bankrekening 2] .

De en/of bankrekening bij SNS eindigend [eindcijfer bankrekening 2] vertoonde op 31 januari 2016 een negatief saldo van € 2.684,14 en op 29 februari 2016 een positief saldo van € 1.140,13 (vergelijk productie D onder nummer 107 en bijlage 20).

Omdat de man het banksaldo van bankrekening [eindcijfer bankrekening 2] per peildatum niet weet, is hij bij toedeling aan hem uitgegaan van het hoogste saldo, dat wil zeggen het saldo per 29 februari 2016. Op die datum stond derhalve in totaal op beide bankrekeningen een bedrag ad € 1.149,63. Aan partijen komt ieder de helft van dit saldo toe, zodat de man gehouden is de vrouw te betalen € 574,--.

5.38

De vrouw erkent dat de rechtbank is uitgegaan van onjuist saldi van de bankrekeningen. Ter zitting heeft de vrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

5.39

Het hof stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat 18 februari 2016 als peildatum gehanteerd dient te worden en dat evenmin in geschil is dat de bankrekeningen eindigend op [eindcijfer bankrekening 2] en [eindcijfer bankrekening 1] aan de man toegedeeld dienen te worden onder betaling van de helft van de saldi aan de vrouw.

5.40

Hoewel de man stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuist saldo op de peildatum van bankrekening [eindcijfer bankrekening 1] , blijkt uit de toelichting van de man op zijn grief, dat hij, evenals de rechtbank is uitgegaan van een saldo van € 9,50 op de peildatum. Aldus zal het hof eveneens uitgaan van een saldo ad € 9,50.

Nu de vrouw zich heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof omtrent het saldo van bankrekening [eindcijfer bankrekening 2] , zij in het formulier verdelen en verrekenen eveneens een saldo ad € 1.140,-- op de peildatum heeft opgenomen en anderszins gesteld noch gebleken is dat het saldo op de peildatum anders is geweest, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat aan partijen ieder de helft toekomt van voornoemde saldi (€ 9,50 respectievelijk € 1.140,--), hetgeen met zich brengt dat de man gehouden is in totaal € 574,-- te betalen aan de vrouw. Aldus slaagt deze grief van de man.

Waarde auto

5.41

De rechtbank heeft overwogen dat zij de waarde van de auto zal vaststellen op het gemiddelde van de door partijen gestelde waarden, waarmee de man zich kan verenigen. De man heeft de waarde van de auto op € 750,-- gesteld. Echter, de rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de vrouw heeft gesteld dat de waarde van de auto € 5.000,-- bedraagt. De man wijst op het formulier verrekenen en verdelen (productie F), waaruit blijkt dat de vrouw de waarde van de auto op € 2.500,-- heeft gesteld. Aldus heeft de rechtbank ten onrechte de waarde van de auto bepaald op € 2.875,-- en overwogen dat de man aldus € 1.437,50 aan de vrouw dient te betalen.

Het gemiddelde van de door partijen gestelde waarden bedraagt immers € 1.625,--. Dit betekent dat de conclusie dient te zijn dat de man een bedrag ad € 812,50 aan de vrouw dient te betalen.

5.42

De vrouw voert daartegen aan dat zij op het formulier verdelen en verrekenen een onjuist bedrag heeft ingevuld ter zake de waarde van de auto. Naar haar mening bedraagt deze waarde € 5.000,--., zoals zij ter zitting van de rechtbank ook heeft aangegeven.

5.43

Het hof ziet aanleiding om uit te gaan van een (gemiddelde) waarde van de auto van € 1.625,--, zoals door de man gesteld. Daartoe is van belang dat de man met stukken heeft onderbouwd dat de auto in 2015 is aangeschaft voor € 3.500,--, alsook dat dat de inruilwaarde thans € 1.000,-- bedraagt. De vrouw heeft daarentegen niet onderbouwd waarom van een waarde van € 5.000,-- moet worden uitgegaan. Nu de waarde van de auto aldus op € 1.625,-- wordt vastgesteld, dient de man ter zake de auto een bedrag ad € 812,50 aan de vrouw te betalen.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, (gedeeltelijk) vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep tussen partijen compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De beslissing

Het hof:

In de zaak met nummer 200.213.905/01 (partneralimentatie);

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2017;

in de zaak met nummer 200.213.906/01 (verdeling);

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2017, doch uitsluitend voor zover het betreft het gelasten van de wijze van verdeling van de bankrekeningen (dictum in verbinding met rov. 2.4.30 van de bestreden beschikking) en de auto (dictum in verbinding met rov. 2.4.35);

en in zoverre opnieuw beschikkende;

gelast de wijze van verdeling van de bankrekeningen aldus dat de bankrekeningen worden toegedeeld aan de man onder betaling van de helft van de saldi, zijnde een bedrag van

€ 574,-- aan de vrouw;

gelast de wijze van verdeling van de auto aldus dat de auto wordt toegedeeld aan de man, onder betaling van de helft van de waarde van de auto, zijnde en bedrag van € 812,50 aan de vrouw;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

In beide zaken:

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en H.J.M. van Arkel-van Gasselt, bijgestaan door de griffier, en is op 12 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.