Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2895

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
200.180.467_02
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:145
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindoordelen verzoek voorlopig getuigenverhoor en verzoek benoeming paardentaxateur als deskundige. Defungeren raadsheer en volgen aanwijzingen Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3076).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 12 juli 2018

Zaaknummer: 200.180.467/01, in een vervolgstadium tevens bekend onder 200.180.467/02.

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H.A. van Hapert te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde 1] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam] ,

wonende en gevestigd te [woon- en vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. D.A. IJpelaar te Wassenaar,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Academy [Academy] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Academy ,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

[geïntimeerde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 3] ,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

[geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 4] ,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

verweerders.

7 Toelichting op vermelding twee zaaknummers.

De zaaknummers 200.180.467/01 en 200.180.467/02 betreffen beide, opvolgend één en dezelfde zaak, waarin thans einduitspraak wordt gedaan. Bij de administratie van het hof is men echter in een eerder stadium er van uitgegaan dat sprake was van een eindbeschikking terwijl daarvan toen geen sprake was, omdat het om een tussenbeschikking ging. Na afsluiting is het technisch niet mogelijk een zaak onder exact hetzelfde nummer opnieuw te boeken.

8 De tussenbeschikking van 30 november 2017

Bij tussenbeschikking van 30 november 2017 heeft het hof bepaald dat door [verzoekster] voor de kosten van de deskundige een aanvullend voorschot van € 7.929,40 exclusief btw dient te worden voldaan. Voorts heeft het hof de zaak pro forma verwezen naar 8 februari 2018 voor “deskundigenbericht”.

9 Het verdere verloop van de zaak

Het hof heeft na het wijzen van het tussenarrest de volgende (nieuwe) stukken ontvangen:

- het definitieve deskundigenbericht met bijlagen, gedateerd 6 februari 2018;

- de memorie na deskundigenbericht zijdens [verzoekster] d.d. 15 maart 2018;

- de memorie van antwoord na deskundigenbericht zijdens [geïntimeerde 1] d.d. 12 april 2018;

- de memorie van antwoord na deskundigenbericht zijdens de Academy , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] d.d. 12 april 2018;

- de brief van de advocaat van [verzoekster] d.d. 14 juni 2018;

- de brief van de advocaat van [geïntimeerde 1] d.d. 14 juni 2018;

- de brief van de advocaat van de Academy , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] d.d. 14 juni 2018.

10 De beoordeling

10.1.

Naar aanleiding van door de griffie van het hof - met het oog op jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3076) - aan alle partijen verzonden brieven -met bijgevoegd een proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 september 2016 -, inzake, kortgezegd, de mededeling van het defungeren van één van de raadsheren van de kamer van het hof die de mondelinge behandeling van 14 september 2016 heeft verricht, hebben alle partijen, ieder voor zich bij brief van 14 juni 2018, het hof bericht geen nadere mondelinge behandeling ten overstaande van de huidige kamer te wensen.

10.2.

[verzoekster] heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van dit hof op 12 november 2015, het hof verzocht een voorlopig deskundigenonderzoek te bevelen met benoeming van zowel een veterinair deskundige als een paardentaxateur alsmede een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 14 september 2016 heeft het hof, met instemming van alle partijen, de inhoudelijke behandeling van het verzoek van [verzoekster] tot het benoemen van een paardentaxateur als deskundige aangehouden nu de onderzoeksvragen welke aan een dergelijke taxateur kunnen dan wel dienen te worden voorgelegd sterk afhankelijk (zouden kunnen) zijn van de bevindingen van de veterinair deskundige. Tevens is een beslissing inzake het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor met instemming van alle partijen aangehouden.

10.3.

Na afronding van het deskundigenbericht van de veterinair deskundige heeft [verzoekster] bij memorie na deskundigenbericht d.d. 15 maart 2018 gesteld haar verzoeken, in ieder geval op het punt van de te benoemen paardentaxateur, nog steeds relevant te vinden nu de deskundige in zijn deskundigenbericht onder meer heeft aangegeven dat er bij het dressuurpaard U2 sprake is van blijvend letsel en dit, naar de veronderstelling van [verzoekster] , van significante invloed is op de waarde van dit paard. [verzoekster] stelt dat de omvang van deze waardevermindering, en daarmee dus ook de omvang van de door [verzoekster] geleden schade, door een paardentaxateur kan en derhalve dient te worden vastgesteld.

Met betrekking tot het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat getuigen aan de situatie zoals besproken in het deskundigenbericht thans niet zoveel betekenis meer kunnen geven, maar dat dat gedurende de hoofdprocedure nog zou kunnen wijzigen. Of een getuigenverhoor nu of later zal plaatsvinden laat [verzoekster] graag aan het hof.

10.4.

Bij memorie van antwoord na deskundigenbericht hebben de Academy , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zich voor wat betreft het bevelen van een deskundigenbericht door een paardentaxateur primair op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien hoe een paardentaxateur op basis van de antwoorden van de veterinair deskundige op dit moment inzicht kan verschaffen in de hoogte van de door [verzoekster] gestelde schade, te meer nu het letsel mogelijk al aanwezig was toen het paard als wedstrijdpaard op zijn hoogtepunt was. Zij stellen dat uit het deskundigenbericht niet blijkt dat het letsel uitzonderlijk zou zijn, dat het letsel van invloed is op de rijbaarheid en waarde van het dressuurpaard U2 en evenmin aan wie het letsel kan worden toegerekend. Zij wijzen erop dat het causaal verband tussen de eventuele schade en de verweten gedraging geenszins vaststaat.

Bij separate memorie van antwoord na deskundigenbericht heeft [geïntimeerde 1] zich bij dit standpunt aangesloten en net als de Academy , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] verzocht de beide resterende verzoeken af te wijzen.

10.5.

Het hof is van oordeel dat het verzoek tot het benoemen van een paardentaxateur als prematuur en thans niet opportuun moet worden afgewezen. Het hof baseert zijn oordeel hierbij op het feit dat de veterinair deskundige in zijn definitieve rapportage stelt dat het voor hem niet mogelijk is om te beoordelen of het door hem geconstateerde letsel in de mond op dit moment ook daadwerkelijk klinische gevolgen heeft en daarmee beperkingen oplevert voor het huidige alsmede toekomstige presteren van dressuurpaard U2 . Voorts heeft de deskundige in zijn definitieve rapportage gesteld dat hij niet kan beoordelen of dressuurpaard U2 psychisch letsel heeft. Het hof is dan ook van oordeel dat er vooralsnog te veel onduidelijkheden zijn om reeds in deze fase van de procedure een paardentaxateur te benoemen. In de hoofdzaak zal omtrent de onduidelijkheden eerst uitsluitsel moeten worden gegeven en alsdan zal ook duidelijkheid worden verkregen over de vraag of de inschakeling van een taxateur nodig is voor de berekening van de eventueel geleden schade.

10.6.

Ten aanzien van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv stelt hof voorop dat een dergelijk verzoek, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW heeft, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt – waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten –, dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (zie HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938).

10.7.

Het hof overweegt daaromtrent dat het gelet op hetgeen reeds bij r.o. 9.5. van deze beschikking is overwogen, meer in de rede ligt dat ook op dit punt eerst in de hoofdzaak, waarbij immers ook alle inhoudelijke aspecten van deze zaak zullen worden behandeld, zal worden bezien of het gelasten van een getuigenverhoor zinvol is en welke getuigen ter beantwoording van welke vragen alsdan zullen worden gehoord. In zoverre acht het hof het in strijd met een goede procesorde om onder de huidige onzekerheden ten aanzien van het verdere verloop en uitkomsten van deze zaak reeds nu getuigen te doen horen. Dit, overigens in de laatste stukken door [verzoekster] niet althans niet langer, nader onderbouwde, verzoek van [verzoekster] zal derhalve door het hof worden afgewezen.

10.8.

Tot slot bepaalt het hof dat de beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden tot de uitspraak in de hoofdzaak.

11 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [verzoekster] tot het benoemen van een paardentaxateur als deskundige af;

wijst het verzoek van [verzoekster] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor af;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de uitspraak in de bodemprocedure.

Deze beschikking is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.