Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2894

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
200.199.792_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3830, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6870, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4530, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:10
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4660
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden architect bij de realisatie van twee bedrijfsgebouwen.

Honorariumafspraak gemaakt? Bij gebreke daarvan redelijk loon in de zin van artikel 7:405 lid 2 BW verschuldigd. Hebben diverse aannemers fouten gemaakt bij de uitvoering van het werk. In hoeverre is de architect daarvoor aansprakelijk?

Voorts: procesrecht, appelverboden. Er staat geen hoger beroep open van:

- het tussenvonnis waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast (art. 131 laatste volzin Rv);

- de beslissing van rechtbank om geen re- en dupliek toe te staan (art. 132 lid 4 Rv);

- de beslissing van rechtbank om eisvermeerdering toe te staan (art. 130 lid 2 Rv);

- de beslissing van de rechtbank om geen tussentijds hoger beroep toe te staan van een tussenvonnis.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 405
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 131
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 132
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.792/01

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.P.J. Letschert te Tilburg ,

tegen

Architecten- en Ingenieursbureau [architecten- en ingenieursbureau] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R.J. Boogers te Boxtel,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 september 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 15 oktober 2014, 22 april 2015, 1 juli 2015, 7 oktober 2015 en 22 juni 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/283357 / HA ZA 14-438)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord met vijftien producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [geïntimeerde] is een architecten- en ingenieursbureau.

  • -

    [geïntimeerde] en [appellante] hebben op 25 augustus 2011 een schriftelijke overeenkomst gesloten met betrekking tot het door [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] verrichten van, volgens de aanduiding op blz. 1 van de overeenkomst, “architecten- en ingenieurswerkzaamheden met betrekking tot de realisatie wederopbouw bedrijfsgebouw [papierhandel] papierhandel bv aan de [weg] te [plaats 1] ” (hierna: het project te [plaats 1] ). Volgens deze overeenkomst komt aan [geïntimeerde] voor de door haar te verrichten werkzaamheden een honorarium toe van 5,5% van de bouwsom (exclusief btw).

  • -

    [geïntimeerde] heeft op basis van deze overeenkomst werkzaamheden verricht voor [appellante] met betrekking tot het project te [plaats 1] .

  • -

    [geïntimeerde] en [appellante] hebben een mondelinge overeenkomst gesloten met betrekking tot door [geïntimeerde] in opdracht van [appellante] te verrichten werkzaamheden met betrekking tot de realisatie van een bedrijfsgebouw aan de [street] te [plaats 2] , Engeland (hierna: het project te Engeland).

  • -

    Op basis van die overeenkomst heeft [geïntimeerde] werkzaamheden verricht voor [appellante] met betrekking tot het project te Engeland.

  • -

    [geïntimeerde] heeft voor haar werkzaamheden ten behoeve van de projecten te [plaats 1] en te Engeland verschillende facturen verzonden aan [appellante] , welke door [appellante] gedeeltelijk zijn voldaan.

  • -

    Op 6 mei 2014 heeft [geïntimeerde] – na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter – conservatoir derdenbeslag doen leggen bij de [bank] bank ten laste van [appellante] .

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [geïntimeerde] in het geding bij de rechtbank in conventie, na haar eis meermalen te hebben vermeerderd, veroordeling van [appellante] tot betaling van:

  • -

    I. een hoofdsom van € 178.539,08 (het door [geïntimeerde] genoemde bedrag van € 181.765,25 berust op een kennelijke vergissing, omdat daarin ten onrechte die hierna afzonderlijk te noemen bedragen ter zake buitengerechtelijke kosten en beslagkosten zijn opgenomen), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de dag van verschuldigdheid van het bedrag,

  • -

    II. € 2.534,95 ter zake de kosten van het deskundigenbericht, vermeerderd met wettelijke handelsrente over dat bedrag;

  • -

    III. € 514,50 ter zake kopieerkosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente over dat bedrag;

  • -

    IV. € 836,13 ter zake beslagkosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente over dat bedrag;

  • -

    V. € 2.390,04 ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke handelsrente over dat bedrag;

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De totale bouwsom van het project in [plaats 1] is uitgekomen op € 2.895.500,--. [geïntimeerde] heeft voor zijn werkzaamheden in verband met dat project dus recht op een honorarium van 5,5% van dat bedrag, zijnde € 159.252,50, te vermeerderen met btw. [appellante] heeft van dat honorarium ten onrechte € 45.983,03 inclusief btw onbetaald gelaten. Daarnaast moet [appellante] met betrekking tot het project in [plaats 1] – naast het honorarium van 5,5% van de bouwsom – nog de factuur van 3 september 2014 ten bedrage van € 79.712,92 inclusief btw en de factuur van 4 september 2014 ten bedrage van € 7.392,50 inclusief btw voldoen, zodat [appellante] met betrekking tot het project in [plaats 1] in totaal nog € 133.088,45 moet voldoen.

Met betrekking tot het project in Engeland zijn partijen eveneens een honorarium van 5,5% van de bouwsom overeengekomen. De bouwsom van het project in Engeland is uitgekomen op € 1.250.000,--, zodat [appellante] aan [geïntimeerde] voor dat project een honorarium verschuldigd is van € 68.750,-- te vermeerderen met btw. [appellante] heeft van dat door haar verschuldigde bedrag ten onrechte € 45.540,63 inclusief btw onbetaald gelaten.

[appellante] moet aan [geïntimeerde] dus in totaal nog een hoofdsom van € 178.539,08 inclusief btw voldoen, te vermeerderen met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, beslagkosten, kopieerkosten en deskundigenkosten.

3.2.3.

[appellante] heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. Voortbouwend op haar verweer vorderde [appellante] in reconventie, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

  • -

    schadevergoeding nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente;

  • -

    € 4.825,-- te vermeerderen met btw en wettelijke rente;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

Aan deze vorderingen heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] is met betrekking tot het project in [plaats 1] tekortgeschoten bij de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. [appellante] heeft daardoor aanzienlijke schade geleden. Deze schade moet nog worden opgemaakt bij staat. Daarnaast heeft [geïntimeerde] ondanks herhaald verzoek nagelaten om revisietekeningen te maken met betrekking tot het project in [plaats 1] . [appellante] heeft de revisietekeningen daarom door een derde moeten laten maken, hetgeen € 4.825,-- exclusief btw heeft gekost. [geïntimeerde] moet dat bedrag aan [appellante] vergoeden.

3.2.4.

[appellante] heeft in reconventie voorts op de voet van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening gevorderd. Zij heeft die vordering echter tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen ingetrokken, zodat die vordering geen rol meer speelt.

3.2.5.

In het tussenvonnis van 15 oktober 2014 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.2.6.

In het tussenvonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank in conventie, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    De bouwsom voor het project in [plaats 1] bedroeg € 2.895.500,-- en het totale honorarium voor [geïntimeerde] voor dit project bedroeg 5,5% daarvan, dus € 159.252,50 (exclusief btw) (rov. 3.1 sub b).

  • -

    De partijen zijn als vergoeding voor de werkzaamheden die [geïntimeerde] voor het project in Engeland heeft verricht, een honorarium overeengekomen van 5,5% van de bouwsom, net zoals dit schriftelijk is overeengekomen voor het project in [plaats 1] . Dat resulteert voor het project in Engeland in een honorarium van € 68.750,-- (exclusief btw) bij voltooiing van de overeengekomen werkzaamheden (rov. 3.6).

  • -

    Om te kunnen bepalen op welk bedrag [geïntimeerde] voor het project in Engeland aanspraak kan maken, moet worden vastgesteld welk percentage van de overeengekomen werkzaamheden door [geïntimeerde] is uitgevoerd. De rechtbank is voornemens een architect als deskundige te benoemen teneinde te laten bepalen welk percentage van de overeengekomen werkzaamheden voor het project in Engeland door [geïntimeerde] is verricht. De partijen mogen zich over dit voornemen uitlaten (rov. 3.7).

  • -

    De door [geïntimeerde] nagezonden facturen van 3 september 2014 ad € 79.712,92 inclusief btw en van 4 september 2014 ad € 7.392,50 inclusief btw aangaande werkzaamheden vanaf de betonvloer (onder peil) komen niet (meer) voor vergoeding in aanmerking omdat [geïntimeerde] aan [appellante] heeft toegezegd deze werkzaamheden niet in rekening te zullen brengen en [appellante] daarop heeft mogen vertrouwen (rov. 3.8).

In het tussenvonnis heeft de rechtbank in reconventie, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    Het verwijt van [appellante] dat [geïntimeerde] een ontwerpfout heeft gemaakt met betrekking tot het dak van de loods is ongegrond, aangezien [geïntimeerde] [appellante] voor het risico van condensvorming heeft gewaarschuwd en [appellante] de dakconstructie desondanks op de betreffende voordelige wijze wilde laten uitvoeren (rov. 3.10 sub a).

  • -

    Dat de door [appellante] gestelde problemen met het [systeem] -systeem aan een tekortkoming van [geïntimeerde] te wijten zijn, is niet komen vast te staan (rov. 3.10 sub b).

  • -

    De door [appellante] gestelde fouten bij het construeren en opbouwen van het dak betreffen uitvoeringswerkzaamheden, waarvoor [geïntimeerde] niet aansprakelijk is omdat zij geen hoofdaannemer is en [appellante] zelf met de betreffende derden overeenkomsten heeft gesloten. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] met betrekking tot deze werkzaamheden tekortgeschoten is in haar controlerende en toezichthoudende taak (rov. 3.10 sub c).

  • -

    Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst volgt niet dat [geïntimeerde] belast was met het selecteren en deugdelijk installeren van de brandmeldinstallatie. [geïntimeerde] is daarom niet aansprakelijk voor het door [appellante] gestelde disfunctioneren van de brandmeldinstallatie (rov. 3.10 sub d).

  • -

    De vordering van [appellante] ter zake de kosten van het door een derde laten maken van revisietekeningen is niet toewijsbaar. [geïntimeerde] mocht de nakoming van die prestatie opschorten omdat [appellante] de facturen van [geïntimeerde] onbetaald liet (rov. 3.10 sub e).

  • -

    Ook de vordering van [appellante] ter zake loonkosten in verband met het feit dat [geïntimeerde] na 12 december 2013 geen werkzaamheden meer heeft verricht, is niet toewijsbaar. Omdat [appellante] de facturen van [geïntimeerde] niet tijdig voldeed, is [appellante] in (schuldeisers)verzuim geraakt. [appellante] kon vanaf dat moment niet meer in verzuim raken omdat zij haar werkzaamheden mocht opschorten (rov. 3.10, laatste alinea).

  • -

    Op grond van het voorgaande zal bij het eindvonnis in conventie de vordering in reconventie worden afgewezen met veroordeling van [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het geding in reconventie (rov. 3.11).

In het dictum van het tussenvonnis heeft de rechtbank de partijen in conventie in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het door de rechtbank voorgenomen deskundigenbericht, en iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie aangehouden.

3.2.7.

In het tussenvonnis van 1 juli 2015 heeft de rechtbank een verzoek van [appellante] om tussentijds hoger beroep te mogen instellen tegen het vonnis van 22 april 2015 afgewezen.

3.2.8.

In het tussenvonnis van 7 oktober 2015 heeft de rechtbank in conventie het in het tussenvonnis van 22 april 2015 al aangekondigde deskundigenbericht bevolen. Aan de deskundige, ing. G.J.W.M. van Bebber, zijn de navolgende vragen voorgelegd:

  • -

    1. Kunt u inventariseren welke overeengekomen werkzaamheden [geïntimeerde] ten behoeve van het project in Engeland had dienen te verrichten?

  • -

    2. Kunt u aangegeven welk percentage van deze overeengekomen werkzaamheden daadwerkelijk door [geïntimeerde] is uitgevoerd, zulks aan de hand van de gebruikelijke tijdsbesteding voor dergelijke type werkzaamheden bij een vergelijkbaar project (zonder inventarisatie van de daadwerkelijk door [geïntimeerde] bestede uren)?

  • -

    3. Kunt u bepalen of het percentage aan werkzaamheden dat door [geïntimeerde] in rekening is gebracht, in overeenstemming is met het percentage aan gebruikelijke tijdsbesteding voor dergelijke type werkzaamheden bij een vergelijkbaar project? Zo nee, kunt u aangeven in welke mate dit percentage afwijkt?

  • -

    4. Welke opmerkingen zijn naar uw oordeel verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissingen?

3.2.9.

De deskundige heeft op 29 februari 2016 zijn definitieve rapport uitgebracht. Op bladzijde 11 van dat rapport staat als antwoord op vraag 3 het volgende:

“Zoals bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven heeft [geïntimeerde] 80% van de werkzaamheden bij een vergelijkbaar project verricht. [geïntimeerde] heeft 75% in rekening gebracht. Derhalve heeft [geïntimeerde] 5% minder in rekening gebracht dan een architect bij een vergelijkbaar project in rekening zou hebben gebracht.”

3.2.10.

In het eindvonnis van 22 juni 2016 heeft de rechtbank in conventie, samengevat, als volgt geoordeeld.

  • -

    De bezwaren die [appellante] tegen het rapport van de deskundige heeft aangevoerd, treffen geen doel (rov. 2.6 en 2.7).

  • -

    De vordering van [geïntimeerde] ter zake onbetaald gelaten factuurbedragen is daarom toewijsbaar tot in totaal € 91.433,66, waarvan € 45.983,03 ter zake het project in [plaats 1] en € 45.450,63 ter zake het project in Engeland (rov. 2.8).

  • -

    Ter zake buitengerechtelijke kosten is het gevorderde bedrag van € 2.390,04 toewijsbaar (rov. 2.9).

  • -

    De door [geïntimeerde] gevorderde vergoeding van kopieerkosten is niet toewijsbaar (rov. 2.10).

  • -

    De vordering van [geïntimeerde] ter zake beslagkosten ten bedrage van € 816,13 is toewijsbaar (rov. 2.11).

  • -

    [appellante] dient de kosten van het deskundigenbericht ten bedrage van € 2.534,95, die uit het door [geïntimeerde] gestorte voorschot zijn voldaan, aan [geïntimeerde] te vergoeden (rov. 2.12).

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank [appellante] in conventie veroordeeld tot betaling van:

  • -

    een hoofdsom van € 91.433,66 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de afzonderlijke factuurbedragen vanaf de vervaldata van de diverse facturen;

  • -

    € 2.390,04 ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

  • -

    € 816,13 ter zake de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis;

  • -

    € 2.5634,95 ter zake de deskundigenkosten.

In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft [appellante] in de proceskosten van het geding in conventie en in reconventie veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten, en het in conventie meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

[geïntimeerde] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen. Daarom zijn de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie voor zover door de rechtbank afgewezen, niet meer aan de orde.

3.3.2.

[appellante] heeft in hoger beroep 21 grieven aangevoerd. [appellante] heeft in haar memorie van grieven sub 3 gesteld dat haar hoger beroep is gericht tegen het eindvonnis en tegen alle voorafgaande tussenvonnissen. Naar het hof begrijpt heeft [appellante] bedoeld dienovereenkomstig te concluderen tot vernietiging van het eindvonnis en alle daaraan voorafgaande tussenvonnissen. [appellante] heeft voorts geconcludeerd tot:

  • -

    het alsnog geheel afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie;

  • -

    het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] in reconventie;

  • -

    veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, vermeerderd met wettelijke rente.

Het tussenvonnis van 15 oktober 2014

3.4.

Het hoger beroep is mede gericht tegen het tussenvonnis van 15 oktober 2014. Tegen dat vonnis heeft [appellante] echter geen grieven gericht, terwijl tegen dat vonnis bovendien geen hoger beroep openstaat (artikel 131 laatste volzin Rv). Het hof zal [appellante] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen dat tussenvonnis.

Met betrekking tot grief I: geen gelegenheid geboden voor repliek en dupliek

3.5.

Door middel van grief I betoogt [appellante] dat de rechtbank na de comparitie van partijen die gehouden is op 3 december 2014, de partijen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om conclusies van repliek en dupliek te nemen. Deze grief kan geen doel treffen omdat op grond van artikel 132 lid 4 Rv geen hogere voorziening openstaat tegen de beslissing van de rechtbank om geen gelegenheid te bieden voor conclusies van repliek en dupliek. Voor zover [appellante] meent dat zij in het geding bij de rechtbank onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op de stellingen van [geïntimeerde] te reageren, heeft zij die gelegenheid in haar memorie van grieven alsnog kunnen nemen.

Met betrekking tot grief II: artikel 111 en 130 Rv

3.6.1.

Door middel van grief II voert [appellante] aan dat de rechtbank (naar het hof begrijpt: in het vonnis van 22 april 2015) de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren of [geïntimeerde] niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vorderingen. Naar het hof uit de toelichting op de grief begrijpt, richt het bezwaar van [appellante] zich met name tegen het feit dat de rechtbank [geïntimeerde] heeft toegestaan om bij haar conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging eis in conventie, haar eis in conventie te vermeerderen met vorderingen ter zake het project in [plaats 1] , terwijl die vorderingen in de inleidende dagvaarding wel waren genoemd maar de betreffende bedragen in het petitum van die dagvaarding niet werden gevorderd.

3.6.2.

Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid en op nietigheid van de inleidende dagvaarding. Uit het lichaam van die dagvaarding blijkt voldoende duidelijk waarop [geïntimeerde] hetgeen zij in het petitum van de dagvaarding vorderde, baseerde. De dagvaarding voldeed in zoverre aan het door [appellante] genoemde artikel 111 Rv.

3.6.3.

Het betoog van [appellante] in de toelichting op de grief komt er in essentie op neer dat de rechtbank in de gegeven omstandigheden de eisvermeerdering van [geïntimeerde] ter zake honorarium voor het project te [plaats 1] niet had mogen toestaan. Tegen die op artikel 130 lid 1 Rv gebaseerde beslissing van de rechtbank staat echter ingevolge artikel 130 lid 2 Rv geen hogere voorziening open. De grief kan daarom geen doel treffen.

Met betrekking tot grief III: Het tussenvonnis van 1 juli 2015

3.7.

Grief III is gericht tegen het tussenvonnis van 1 juli 2015. Bij dat tussenvonnis heeft de rechtbank een verzoek van [appellante] om tussentijds hoger beroep te mogen instellen tegen het vonnis van 22 april 2015 afgewezen. Dat is een procedurele beslissing die geen betrekking heeft op de inhoud van de zaak, en waartegen, vanwege het uitsluitend procedurele karakter daarvan, geen hoger beroep open staat. Bovendien heeft [appellante] bij die beslissing geen belang meer omdat zij inmiddels, nu het eindvonnis gewezen is, tegelijk met haar hoger beroep tegen het eindvonnis ook hoger beroep heeft kunnen instellen tegen het tussenvonnis van 22 april 2015. Het hof zal [appellante] daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep, voor zover gericht tegen het tussenvonnis van 1 juli 2015.

Met betrekking tot de grieven IV en V: de vordering in conventie met betrekking tot het project te [plaats 1]

3.8.1.

Het hof zal de grieven IV en V gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.8 van het eindvonnis dat de vordering van [geïntimeerde] in conventie met betrekking tot het project in [plaats 1] tot een hoofdsom van € 45.983,03 toewijsbaar is.

3.8.2.

[appellante] heeft in de toelichting op de grieven niet de stelling van [geïntimeerde] en het dienovereenkomstige oordeel van de rechtbank bestreden dat de totale bouwsom van het project in [plaats 1] is uitgekomen op € 2.895.500,--. Ook heeft [appellante] niet betwist dat de partijen voor het project in [plaats 1] een honorarium zijn overeengekomen van 5,5% van de bouwsom, zodat [appellante] in verband met dit project aan [geïntimeerde] in beginsel een honorarium verschuldigd is van € 159.252,50 exclusief btw. Dit staat in hoger beroep dus vast. Het geschil tussen de partijen spitst zich daarmee allereerst toe op de vraag welk deel van dat honorarium door [appellante] is betaald.

3.8.3.

[appellante] heeft in de toelichting op grief V gesteld dat uit het door [geïntimeerde] als productie 10 bij de inleidende dagvaarding overgelegde overzicht blijkt dat [appellante] van het verschuldigde honorarium al € 130.000,-- exclusief btw, zijnde € 155.225,-- inclusief btw, heeft voldaan, zodat [geïntimeerde] ter zake het project in [plaats 1] hooguit nog € 29.252,50 exclusief btw te vorderen heeft. Het hof constateert dat op het door [appellante] bedoelde overzicht van [geïntimeerde] (van 6 september 2013) inderdaad het door [appellante] genoemde bedrag van € 130.000,-- exclusief btw, zijnde € 155.225,-- inclusief btw, staat vermeld. Dit betreft echter geen overzicht van door [appellante] gedane betalingen, maar een overzicht van de door [geïntimeerde] aan [appellante] in de periode tot en met 15 augustus 2013 verzonden 14 voorschotfacturen, die eveneens bij de genoemde productie 10 zijn gevoegd. Bij productie 10 zijn ook rekeningafschriften gevoegd. Uit die rekeningafschriften blijkt dat [appellante] de eerste 13 voorschotfacturen heeft voldaan. Een betaalbewijs ter zake de veertiende voorschotfactuur (van 15 augustus 2013 ten bedrage van € 8.750,-- exclusief btw, zijnde € 10.587,50 inclusief btw) is echter niet overgelegd, althans is door het hof in het dossier niet aangetroffen. [appellante] heeft ook niet gemotiveerd gesteld of onderbouwd dat, en zo ja wanneer, zij die factuur voldaan heeft. Dit wekt de indruk dat de factuur van 15 augustus 2013 de eerste factuur is, die onbetaald is gebleven. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte wijziging eis in conventie onder 13 echter gesteld dat de oudste factuur die [appellante] onbetaald heeft gelaten de factuur van 6 september 2013 ten bedrage van € 10.112,50 exclusief btw, zijnde € 12.236,10 inclusief btw betreft (overgelegd als onderdeel van productie 10 bij de inleidende dagvaarding). Dit doet de vraag rijzen of de factuur van 15 augustus 2013 ten bedrage van € 8.750,-- exclusief btw, zijnde € 10.587,50 inclusief btw, nu wel of niet betaald is. De informatie die partijen daarover hebben gegeven, is tegenstrijdig. Het hof zal de partijen, [appellante] als eerste, in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten. Indien [appellante] meent dat zij deze factuur voldaan heeft, dient zij daarvan een betaalbewijs over te leggen. [geïntimeerde] mag daarna reageren.

3.8.4.

Indien het bedrag van deze voorschotfactuur (€ 8.750,-- exclusief btw, zijnde € 10.587,50 inclusief btw) wordt opgeteld bij het door [appellante] genoemde onbetaalde bedrag van € 29.252,50 exclusief btw, voert dat tot een onbetaald bedrag van € 38.002,50 exclusief btw. Mede in aanmerking genomen dat het btw-tarief op 1 oktober 2012 is verhoogd van 19 naar 21%, heeft [appellante] gelet op het voorgaande onvoldoende betwist dat zij, uitgaande van de bovengenoemde honorarium-afspraak, in beginsel nog € 45.983,03 inclusief btw aan [geïntimeerde] moet voldoen indien zij de factuur van 15 augustus 2013 nog niet betaald heeft.

3.8.5.

[appellante] heeft in de toelichting op grief IV aangevoerd dat de wijze van facturen door [geïntimeerde] niet inzichtelijk is geweest. De juistheid van dat verwijt, dat door [geïntimeerde] gemotiveerd is betwist, kan in het midden blijven. Vast staat nu eenmaal dat [appellante] op grond van de honorariumafspraak € 159.252,50 exclusief btw aan [geïntimeerde] had moeten voldoen en dat [geïntimeerde] daarvan een deel (waarvan de omvang afhangt van de vraag of de factuur van 15 augustus 2013 al dan niet is voldaan) onbetaald heeft gelaten. Vast staat ook dat het project in [plaats 1] inmiddels al geruime tijd is voltooid. De verplichting van [appellante] om ook het laatste deel van het verschuldigde te voldoen, is dus in beginsel opeisbaar. De overeenkomst is niet ontbonden, zodat de betalingsverplichting van [appellante] niet is vervallen.

3.8.6.

[appellante] heeft in de toelichting op grief IV aangevoerd dat niet is overeengekomen dat het honorarium door middel van voorschottermijnen moest worden voldaan. Het hof overweegt dienaangaande dat in de tussen partijen gesloten overeenkomst (prod. 1 bij inleidende dagvaarding) niet met zoveel woorden betaling van het honorarium door middel van voorschottermijnen is overeengekomen. Betaling in termijnen is wel voorzien in de op de overeenkomst van toepassing verklaarde RVOI 2001 en in de DNR 2005, maar in hoger beroep strekt tot uitgangspunt dat die algemene bepalingen tussen partijen niet ter hand zijn gesteld en om die reden niet kunnen worden toegepast. Dat laat onverlet dat betaling in termijnen naar gelang het vorderen van de werkzaamheden bij opdrachten als de onderhavige als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, en dat [appellante] de eerste dertien voorschotfacturen van [geïntimeerde] telkens binnen enkele weken heeft voldaan. Bij deze stand van zaken mocht [geïntimeerde] er in redelijkheid op vertrouwen dat tussen partijen betaling van het honorarium in termijnen, afhankelijk van het vorderen van het bouwproject, was overeengekomen. [appellante] heeft niet gesteld dat andersluidende afspraken zijn gemaakt. Het verwijt van [appellante] dat [geïntimeerde] “te ver vooruit” heeft gefactureerd, acht het hof onvoldoende onderbouwd.

3.8.7.

[appellante] heeft in de toelichting op grief IV voorts gesteld dat [geïntimeerde] een deel van de werkzaamheden niet helemaal heeft uitgevoerd en dat [geïntimeerde] bij de uitvoering van bepaalde werkzaamheden is tekortgeschoten. Die stellingen doen echter op zichzelf niet af aan de verbintenis van [appellante] om, nu het bouwproject is voltooid, het volledige overeengekomen honorarium aan [geïntimeerde] te betalen. In zoverre kan de grief geen doel treffen. Of [appellante] in verband met het niet of niet goed uitvoeren van werkzaamheden door [geïntimeerde] een tegenvordering op [geïntimeerde] heeft, komt hierna aan de orde bij de beoordeling van de grieven die betrekking hebben op het geschil in reconventie.

3.8.8.

Het hof concludeert dat de partijen, [appellante] als eerste, zich moeten uitlaten over hetgeen hiervoor in rov. 3.8.3 is overwogen. Het hof zal elk verder oordeel over de grieven IV en V aanhouden.

Met betrekking tot de grieven VI, VII en VIII: de honorariumafspraak met betrekking tot het project te Engeland

3.9.1.

[geïntimeerde] heeft aan haar vorderingen in conventie met betrekking tot het project in Engeland de stelling ten grondslag gelegd dat de partijen met betrekking tot dat project eveneens, net als met betrekking tot het project in [plaats 1] , een honorarium van 5,5% van de bouwsom zijn overeengekomen. [appellante] heeft die stelling bij conclusie van antwoord betwist. Volgens [appellante] waren de werkzaamheden van [geïntimeerde] in Engeland veel beperkter dan die in [plaats 1] en zijn die werkzaamheden en onkosten al in redelijkheid voldaan met het bedrag van € 14.000,-- exclusief btw dat [appellante] in verband met die werkzaamheden en onkosten aan [geïntimeerde] heeft betaald.

3.9.2.

De rechtbank heeft rov. 3.6 van het tussenvonnis van 22 april 2015 geoordeeld dat de betwisting door [appellante] van de door [geïntimeerde] gestelde honorariumafspraak niet goed onderbouwd is, en dat moet worden uitgegaan van de juistheid van de genoemde stelling van [geïntimeerde] . De rechtbank heeft daarbij mede betekenis gehecht aan de e-mail van [appellante] aan [geïntimeerde] van 3 januari 2014, waarin onder meer het volgende staat:

“Het door jullie gevolgd beleid is vooral veel rekeningen snel en te vroeg sturen en vervolgens om betaling vragen. (…)

Ook voor [plaats 2] heb je al voor ruim € 50.000 ex BTW rekeningen gestuurd en betaald gekregen, ruim 2/3 van wat een eventuele totale vergoeding aan jullie zou zijn. Daar moeten nog constructietekeningen voor gemaakt worden en de voortgang/opvolging van de bouw totdat die klaar is. ook hier ben je met de facturering en betaling van ons dus (te) ver vooruit.”

Volgens de rechtbank wijst deze e-mail van [appellante] erop dat de werkzaamheden van [geïntimeerde] , anders dan [appellante] betoogt, niet alleen bestonden uit het vervaardigen van tekeningen maar tevens uit werkzaamheden ter zake de voortgang/opvolging van de bouw, zodat de werkzaamheden lijken op die voor het project in [plaats 1] . Ook de in de e-mail betrokken stelling dat een bedrag van € 50.000,-- exclusief btw ruim 2/3e zou zijn van de totale vergoeding die [geïntimeerde] voor het project in Engeland zou toekomen, wijst er volgens de rechtbank op dat de door [geïntimeerde] gestelde honorariumafspraak niet alleen voor het project in [plaats 1] maar ook voor het project in Engeland is overeengekomen.

3.9.3.

[appellante] heeft in de toelichting op de grieven VI, VII en VIII gesteld dat in de omstandigheden van dit geval uit de tekst van de e-mail niet af te leiden is dat de door [geïntimeerde] gestelde honorariumafspraak is gemaakt. Volgens [appellante] had de rechtbank aan [geïntimeerde] moeten opdragen de door hem ten aanzien van het project in Engeland gestelde honorariumafspraak te bewijzen. [geïntimeerde] heeft in zijn reactie op de grieven gesteld dat de tekst van de e-mail er wel degelijk duidelijk op wijst dat de door [geïntimeerde] gestelde honorariumafspraak is gemaakt. [geïntimeerde] heeft in zijn reactie op de grieven voorts aangevoerd dat, indien al niet zou worden uitgegaan van het bestaan van die afspraak, aan haar in elk geval op grond van artikel 7:405 lid 2 BW een redelijk loon verschuldigd is voor haar werkzaamheden. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit het deskundigenbericht dat het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag een redelijk loon is.

3.9.4.

Het hof overweegt dienaangaande dat [appellante] wel de door [geïntimeerde] gestelde honorariumafspraak heeft betwist, maar niet heeft gesteld welke andere honorariumafspraak dan zou zijn gemaakt. In de visie van [appellante] is kennelijk met betrekking tot het werk van [geïntimeerde] voor het project in Engeland geen prijsafspraak gemaakt. Indien daarvan wordt uitgegaan, is het bepaalde in artikel 7:405 BW van belang. Volgens het eerste lid van dat artikel is de opdrachtgever aan de opdrachtnemer loon verschuldigd, als de overeenkomst van opdracht door de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan. Daarvan is in dit geval sprake. Voor het geval de partijen over de hoogte van het loon geen afspraak hebben gemaakt, bepaalt het tweede lid van het artikel dat de opdrachtgever het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon is verschuldigd.

3.9.5.

[appellante] is na de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord niet meer aan het woord geweest in dit hoger beroep. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om zich bij memorie na tussenarrest uit te laten over de stelling van [geïntimeerde] dat in dit geval, indien de door haar gestelde honorariumafspraak al niet als vaststaand kan worden aangenomen, toepassing gegeven moet worden aan artikel 7:405 BW zodat haar vordering ten aanzien van het project in Engeland dan eveneens toewijsbaar is. [geïntimeerde] mag daarna bij antwoordmemorie na tussenarrest reageren.

3.9.6.

Het hof zal elk verder oordeel over de grieven VI, VII en VIII aanhouden.

Met betrekking tot de grieven IX en XVII: honorarium project Engeland

3.10.

De grieven IX en XVII hebben betrekking op de vraag welk honorarium [appellante] aan [geïntimeerde] verschuldigd is in verband met het project in Engeland. Het hof zal elk oordeel over deze grieven aanhouden tot nadat de partijen zich hebben uitgelaten zoals hiervoor in rov. 3.9.5 bedoeld.

Met betrekking tot grief X: condensvorming dak loods [plaats 1] als gevolg van ontwerpfout?

3.11.1.

Het hof zal nu de grieven behandelen die gericht zijn tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellante] in reconventie. Het hof zal daarvan eerst grief X behandelen.

3.11.2.

[appellante] heeft in haar conclusie van eis in reconventie aangevoerd dat [geïntimeerde] ten aanzien van het deel van het project in [plaats 1] dat bestaat uit een open loods, een ontwerpfout heeft gemaakt ten aanzien van het dak. Volgens [appellante] heeft de gekozen stalen dakconstructie zonder isolatie tot gevolg dat bij bepaalde weersomstandigheden condensvorming plaatsvindt aan de binnenzijde van het dak, en druppelt deze condens vervolgens naar beneden op de zich daar bevindende voorraden en machines. Volgens [appellante] had [geïntimeerde] deze problemen moeten voorzien en had zij in verband daarmee deze dakconstructie niet mogen voorschrijven.

3.11.3.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellante] aan haar had opgedragen eenzelfde gebouw te ontwerpen als in de voormalige situatie ter plaatse aanwezig was, te weten een loods die aan drie zijden afgesloten en aan één zijde volledig open is tot een hoogte van 15 meter. Volgens [geïntimeerde] is bij een dergelijke open constructie en de door [appellante] gekozen materialen condensvorming en wateroverlast te verwachten, en heeft zij [appellante] daar ook op gewezen.

3.11.4.

De rechtbank heeft op basis van het verslag van de bouwvergadering van 16 mei 2012 vastgesteld dat [geïntimeerde] [appellante] vooraf heeft gewaarschuwd voor condensvorming / vochtproblematiek bij de door haar gewenste open constructie van de loods en de door haar gewenste dakmaterialen. Volgens de rechtbank mocht [appellante] onder deze omstandigheden niet verwachten dat zij gevrijwaard zou blijven van condensvorming en daarmee verband houdende vochtproblematiek. De rechtbank heeft geconcludeerd dat bij deze stand van zaken niet sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] ter zake het ontwerp van de dakconstructie.

3.11.5.

In de toelichting op grief X heeft [appellante] aangevoerd dat het verslag van de bouwvergadering van 16 mei 2012, zoals door [geïntimeerde] overgelegd als productie 34 bij de conclusie van antwoord inzake de provisionele vordering, uit twee delen bestaat. Volgens [appellante] is het tweede deel, waarop de rechtbank haar vaststelling dat [appellante] vooraf is gewaarschuwd heeft gebaseerd, geen verslag van wat op de vergadering is besproken en is dat tweede deel ook nimmer aan de vergaderdeelnemers toegezonden.

3.11.6.

[geïntimeerde] heeft vervolgens in haar memorie van antwoord sub 42 uiteengezet dat het door [appellante] genoemde “tweede deel” (het document zonder logo van [geïntimeerde] ) geen versie van de notulen is, maar een door [geïntimeerde] voorafgaand aan de bouwvergadering opgestelde lijst van agendapunten. Als reactie op grief X heeft [geïntimeerde] voorts herhaald dat het risico van condensvorming op de bouwvergadering is besproken met de aldaar namens [appellante] aanwezige heren [medewerker 1] en [medewerker 2] van CVB . [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord voorts aangevoerd dat de leverancier van de dakplaten de verschillende dakplaten met [appellante] heeft besproken en dat [appellante] toen bewust heeft gekozen voor een (goedkoperere) niet geïsoleerde dakconstructie. Ter onderbouwing van dit betoog heeft [geïntimeerde] drie producties overgelegd (producties 5, 6 en 7 bij de memorie van antwoord).

3.11.7.

[appellante] is daarna in deze procedure niet meer aan het woord geweest. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om bij memorie na tussenarrest te reageren op de genoemde producties en op hetgeen [geïntimeerde] naar aanleiding van grief X heeft aangevoerd. Het hof zal elk verder oordeel over de gestelde condensvorming aanhouden.

Met betrekking tot grief XI: [systeem] -systeem voor hemelwaterafvoer bij project [plaats 1]

3.12.1.

[appellante] heeft bij conclusie van eis in reconventie gesteld dat [geïntimeerde] voor de afvoer van hemelwater van het dak van de open loods een zogenaamd [systeem] -systeem heeft ontworpen en voorgeschreven. Volgens [appellante] schiet dat systeem ernstig tekort en heeft dat tot gevolg dat wateroverlast optreedt. [appellante] stelt dat zij daardoor schade lijdt, die [geïntimeerde] moet vergoeden.

3.12.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat het [systeem] -systeem niet goed functioneert. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit de door [appellante] zelf overgelegde stukken dat de trechters van de hemelwaterafvoer verstopt raken door veren van de vele aanwezige vogels, en rust op [appellante] zelf de taak om de goten met voldoende regelmaat schoon te maken. Verder heeft [geïntimeerde] gesteld dat de dimensionering van de hemelwaterafvoer is berekend door de leverancier van het systeem, en niet door [geïntimeerde] . Voor zover er al tekortkomingen aan het systeem zouden kleven, moet [appellante] daarvoor de aannemer aanspreken die het systeem heeft aangelegd en die de berekening heeft gemaakt, aldus [geïntimeerde] . De rechtbank heeft, kort samengevat, dit verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd.

3.12.3.

[appellante] is daar met grief XI tegen opgekomen. In de toelichting op de grief heeft [appellante] gesteld dat [geïntimeerde] volledig verantwoordelijk is voor de selectie van de onderaannemers en de door hen toegepaste constructies en materialen. Volgens [appellante] is het [systeem] -systeem dat moet zorgen voor de afvoer van hemelwater onjuist uitgevoerd, verkeerd gedimensioneerd en in de gegeven omstandigheden in feite ongeschikt, en is [geïntimeerde] daarvoor verantwoordelijk te houden.

3.12.4.

Het hof verwerpt deze grief. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] niet heeft betwist dat de dimensionering (en daarmee samenhangend: de capaciteit) van het hemelwaterafvoersysteem is berekend door de leverancier van het systeem en niet door [geïntimeerde] . [appellante] heeft de leverancier/installateur van het systeem in de toelichting op zijn grief betiteld als onderaannemer. [appellante] miskent daarmee dat [geïntimeerde] niet de rol van hoofdaannemer op zich heeft genomen maar slechts de rol van architect, met mede als taak het directie voeren over en begeleiden van de bouw. Omdat [appellante] zelf met de verschillende bij de bouw betrokken aannemers heeft gecontracteerd, waaronder ook met de leverancier/installateur van het [systeem] -systeem, dient zij zich in beginsel met die partij te verstaan indien het door deze partij berekende en geïnstalleerde systeem niet goed functioneert. In hetgeen [appellante] in de toelichting op grief XI heeft aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om [geïntimeerde] voor de gestelde (en door [geïntimeerde] betwiste) gebreken aan het [systeem] -systeem aansprakelijk te achten. [appellante] heeft onvoldoende concreet toegelicht dat de door haar gestelde gebreken een gevolg zijn van een in onvoldoende mate directie voeren en/of van een in onvoldoende mate begeleiden van de bouw door [geïntimeerde] . Het hof komt op dit punt dus tot hetzelfde oordeel als de rechtbank.

Met betrekking tot grief XII: construeren en opbouwen dak project [plaats 1]

3.13.1.

[appellante] heeft bij conclusie van eis in reconventie gesteld dat bij het construeren en opbouwen van het dak ook nog diverse andere fouten gemaakt zijn als gevolg waarvan herhaaldelijk lekkages voorkomen (andere fouten dan het niet toepassen van isolatie met als gevolg de hiervoor genoemde condensvorming, en dan de hiervoor gestelde gebrekkigheid van het [systeem] -systeem voor hemelwaterafvoer. Ter onderbouwing van die stelling heeft [appellante] verwezen naar de producties 22 en 23 bij de conclusie van eis in reconventie. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] onvoldoende toezicht en controle uitgeoefend op de geselecteerde onderaannemers.

3.13.2.

[geïntimeerde] heeft als reactie op dit verwijt betwist dat zij een ontwerpfout heeft gemaakt ten aanzien van de dakconstructie. Voorts heeft [geïntimeerde] benadrukt dat zij niet als hoofdaannemer maar slechts als architect is opgetreden. Voor zover door de aannemers waar [appellante] mee heeft gecontracteerd, fouten zijn gemaakt, dient [appellante] zich met die aannemers te verstaan, aldus [geïntimeerde] . Bij de keuze voor de gebruikte materialen heeft [appellante] zelf een doorslaggevende stem gehad, waarbij [appellante] koos voor een goedkope uitvoering omdat de voormalige loods ook op die wijze was uitgevoerd en er toch alleen oud papier in zou worden opgeslagen, aldus [geïntimeerde] . De in de door [appellante] overgelegde stukken genoemde kwesties zoals een beweerdelijk niet correcte dakhelling en een onjuiste montage zijn door [geïntimeerde] besproken in de conclusie van antwoord in reconventie. [geïntimeerde] heeft daarbij gemotiveerd betwist dat zij ten aanzien van die kwesties in haar taak is tekortgeschoten.

3.13.3.

De rechtbank heeft dit verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd. Volgens de rechtbank betreffen de door [appellante] bedoelde gebreken uitvoeringswerkzaamheden waarvoor [geïntimeerde] niet aansprakelijk is omdat zij niet is aan te merken als hoofdaannemer en [appellante] zelf met de betreffende derden aannemingsovereenkomsten heeft gesloten.

3.13.4.

[appellante] is met grief XII tegen dat oordeel opgekomen. In de toelichting op de grief heeft [appellante] allereerst gesteld dat [geïntimeerde] “volledig verantwoordelijk is voor de selectie van de onderaannemers en de door hen toegepaste constructies en materialen”. Het hof volgt [appellante] niet in die stelling. Van onderaannemers is geen sprake nu [geïntimeerde] niet als hoofdaannemer maar slechts als directievoerder en daarmee als begeleider van de bouw is opgetreden. [appellante] heeft zelf met de betreffende aannemers gecontracteerd. Voor zover de aannemers bij de uitvoering van de met hen overeengekomen werkzaamheden fouten hebben gemaakt, moet [appellante] zich in beginsel met die aannemers verstaan.

3.13.5.

[appellante] heeft in de toelichting op de grief voorts in algemene bewoordingen gesteld dat de keuzes voor de materialen en de toepassing daarvan door [geïntimeerde] zijn voorgeschreven en slechts zijn uitgevoerd door de aannemers. Het hof acht die stelling zo algemeen geformuleerd dat die enkele stelling niet tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] kan leiden. [appellante] heeft in de toelichting op de grief niet op concrete wijze toegelicht dat bepaalde door [geïntimeerde] voorgeschreven constructies en materialen tot de in grief XII bedoelde gebreken aan de dakconstructie hebben geleid. Voorts kan uit de toelichting op de grief niet op voldoende duidelijk wijze worden afgeleid dat de door [appellante] bedoelde fouten aan de dakconstructie een gevolg zijn van tekortschieten van [geïntimeerde] in haar toezichthoudende en bouwbegeleidende taken.

3.13.6.

In een van de door [appellante] overgelegde stukken is ook gesteld dat de dakhelling niet correct zou zijn. [geïntimeerde] heeft dienaangaande gesteld dat [appellante] expliciet om deze dakhelling heeft gevraagd in verband met het in- en uitrijden van de vrachtwagens en dat de uiteindelijke dakhelling is bepaald door de leverancier van het dak, waarbij de dakplaten zijn gemonteerd volgens het voorstel van deze leverancier (conclusie van antwoord in reconventie onder 43). [appellante] heeft dat niet gemotiveerd betwist. Ook in zoverre valt niet in te zien dat [geïntimeerde] dan voor een eventuele onjuiste dakhoek aansprakelijk zou zijn. [appellante] moet zich daarover met de leverancier verstaan. Al met al geldt dat [appellante] in de toelichting op grief XII geen enkel concreet voorbeeld heeft genoemd van een voor rekening van [geïntimeerde] komende onjuistheid in het door haar gemaakte ontwerp, waardoor de gestelde lekkages kunnen zijn veroorzaakt.

3.13.7.

[appellante] heeft in de toelichting op de grief tot slot gesteld dat eventuele fouten van onderaannemers (hof: of leveranciers) [geïntimeerde] niet ontslaan van verantwoordelijkheid in het kader van de aan hem opgedragen controlerende en toezichthoudende taken. Het hof deelt op dit punt het oordeel van de rechtbank dat, indien fouten zijn gemaakt bij de uitvoering (of ondeugdelijke materialen zijn geleverd) dat nog niet meebrengt dat [geïntimeerde] tekort geschoten is in zijn toezichthoudende taken. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] haar desbetreffende stelling niet van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien. Ook in hoger beroep, in de toelichting op grief XII, heeft [appellante] die voldoende concrete onderbouwing niet gegeven. [appellante] heeft geen concrete gebreken in leveranties of uitgevoerde werkzaamheden genoemd en [appellante] heeft niet uiteengezet waarom [geïntimeerde] die (niet concreet genoemde) gebreken uit hoofde van zijn toezichthoudende taak al tijdens de uitvoering van het werk redelijkerwijs had moeten signaleren.

3.13.8.

Het hof concludeert om bovenstaande redenen dat grief XII geen doel treft.

Met betrekking tot grief XIII: brandmeldinstallatie project [plaats 1]

3.14.1.

[appellante] heeft gesteld dat het pand in [plaats 1] is voorzien van een brandmeldinstallatie die door [geïntimeerde] is geselecteerd. Volgens [appellante] functioneert het systeem niet naar behoren en is [geïntimeerde] dus tekortgeschoten in zijn taak om een goed brandmeldsysteem te selecteren en op een deugdelijke installatie daarvan toe te zien. [geïntimeerde] heeft deze stellingen betwist. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] zelf het brandmeldsysteem gekozen en heeft [appellante] daartoe zelf een overeenkomst gesloten met [de vennootschap 2] De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de tussen [appellante] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst niet blijkt dat het tot de taak van [geïntimeerde] behoorde om het brandmeldsysteem te selecteren en de deugdelijke installatie daarvan te verzorgen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor de door [appellante] gestelde problemen met het brandmeldsysteem. Grief XIII is tegen dat oordeel gericht. In de toelichting op de grief stelt [appellante] dat de brandmeldinstallatie “in feite” door [geïntimeerde] in samenspraak met de door [geïntimeerde] aangedragen installateur is uitgezocht, en dat [geïntimeerde] [appellante] heeft geadviseerd om voor deze installatie te kiezen.

3.14.2.

Het hof stelt voorop dat de rol van [geïntimeerde] beperkt was tot die van – kort gezegd – architect. [geïntimeerde] is niet als (hoofd)aannemer opgetreden, maar [appellante] heeft zelf met de verschillende aannemers gecontracteerd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] in de nakoming van haar verbintenissen is tekortgeschoten door een brandmeldsysteem te adviseren waarvan zij redelijkerwijs had moeten weten dat het niet geschikt zou zijn. Indien al zou komen vast te staan dat het brandmeldsysteem niet voldeed aan hetgeen [appellante] daarvan mocht verwachten, hetgeen door [geïntimeerde] overigens gemotiveerd is betwist, dan moet [appellante] zich daarover verstaan met de leverancier en/of installateur van het brandmeldsysteem. Dat is of zijn de partijen waarmee [appellante] ter zake het brandmeldsysteem een overeenkomst is aangegaan. Dat de gestelde (en betwiste) problemen met het brandmeldsysteem een gevolg zijn van een aan [geïntimeerde] toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen [appellante] en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst van 25 augustus 2011, heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd. Het hof verwerpt daarom grief XIII.

Met betrekking tot grief XIV: vervaardingen en afgeven revisietekeningen

3.15.1.

Aan het door haar in reconventie gevorderde bedrag van € 4.825,-- exclusief btw heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] ondanks herhaald verzoek heeft nagelaten om de bij de gemeente in te dienen revisietekeningen te maken met betrekking tot het project in [plaats 1] . [appellante] heeft gesteld dat zij de revisietekeningen daarom door een derde heeft moeten laten maken. Volgens [appellante] moet [geïntimeerde] , nu zij ten onrechte heeft geweigerd de tekeningen te maken, de betreffende kosten aan [appellante] vergoeden.

3.15.2.

[geïntimeerde] heeft als verweer onder meer aangevoerd dat zij de revisietekeningen gereed heeft maar dat zij deze pas aan [appellante] wil afgeven als haar openstaande facturen voldaan worden. De rechtbank heeft dit verweer van [geïntimeerde] gehonoreerd. Volgens de rechtbank was [geïntimeerde] gerechtigd om de nakoming van haar verplichting tot afgifte van de tekeningen op te schorten tot het moment dat [appellante] haar betalingsverplichtingen zou nakomen.

3.15.3.

[appellante] is met grief XIV tegen dat oordeel opgekomen. Het hof zal elk oordeel over deze grief aanhouden tot na de uitlating van partijen over – onder meer – hetgeen in rov. 3.8.3 van dit arrest is overwogen.

Met betrekking tot grief XV: door [appellante] gestelde loonkosten

3.16.1.

[appellante] heeft in reconventie vergoeding van loonkosten gevorderd. [appellante] heeft gesteld dat zij door eigen personeel werkzaamheden heeft moeten laten verrichten omdat [geïntimeerde] die werkzaamheden ten onrechte niet heeft verricht. De rechtbank heeft dit deel van de vordering afgewezen op grond van het oordeel dat [appellante] de verschuldigde factuurbedragen niet tijdig voldeed en in verzuim verkeerde, zodat [geïntimeerde] niet meer in verzuim kon raken.

3.16.2.

[appellante] is met grief XV tegen dat oordeel opgekomen. In de toelichting op de grief heeft [appellante] bestreden dat [geïntimeerde] zich op een opschortingsrecht kon beroepen. Het hof zal elk oordeel over deze grief aanhouden tot na de uitlating van partijen over – onder meer – hetgeen in rov. 3.8.3 van dit arrest is overwogen.

Met betrekking tot grieven XVI, XVIII, XIX, XX en XXI

3.17.

Het hof zal elk oordeel over de grieven XVI, XVIII, XIX, XX en XXI aanhouden.

Tussenconclusie

3.18.

Het hof zal de zaak nu om de hierna te melden redenen naar de rol verwijzen en elke verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 21 augustus 2018 voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellante] , waarbij [appellante] zich moet uitlaten over hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.8.3, 3.9.5 en 3.11.7 is overwogen (waarna [geïntimeerde] de mogelijkheid zal krijgen om bij antwoordmemorie te reageren);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en M.L.A. Filippini en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2018.

griffier rolraadsheer