Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2880

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
200.203.818_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontevreden cliënt weigert betaling facturen advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.203.818/01

arrest van 10 juli 2018

in de zaak van

1 [de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

verder: afzonderlijk [appellante 1] en [appellante 2] , gezamenlijk [appellante 1] c.s.,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Coevorden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2016 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 28 april 2016 tussen [appellante 1] c.s. als gedaagden en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 4144642/rolnummer 15-5428)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 27 augustus 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 juli 2016;

- de memorie van grieven van [appellante 1] c.s. van 31 januari 2017 met een productie;

- de memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het

incidenteel appel van [geïntimeerde] van 23 mei 2017 met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellante 1] c.s. van 1 augustus 2017;

- de akte van [geïntimeerde] van 12 september 2017;

- de antwoordakte van [appellante 1] c.s. van 10 oktober 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

3.1

Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende.

  1. [appellante 1] is een onderneming die zich volgens de inschrijving in het Handelsregister bezighoudt met Opleiding, exploitatie en consultancy met betrekking tot paarden. [appellante 2] is enig aandeelhouder/bestuurder van [appellante 1] .

  2. [geïntimeerde] is advocaat die zich onder meer bezighoudt met zaken die met paarden te maken hebben.

  3. Tussen [appellante 1] c.s. en de dames [dames] is een geschil ontstaan over een paard. In verband hiermee heeft [geïntimeerde] juridische bijstand verleend die onder meer inhield dat zij als advocaat van [appellante 1] c.s. optrad in een kort geding dat de dames [dames] tegen hen aanhangig hadden gemaakt en dat heeft geleid tot een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2014.

  4. Tussen [geïntimeerde] en [appellante 2] is hierover overlegd op 12 september 2014. [geïntimeerde] heeft dit op 17 september 2014 bevestigd met een brief die was gericht aan [appellante 1] , t.a.v. [appellante 2] . In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Onder verwijzing naar ons aangename gesprek van vrijdag 12 september 2014, bevestig ik u hierbij schriftelijk hetgeen wij hebben besproken. (...) Eveneens bespraken we de financiële kant van de zaak. Ik gaf aan dat u vanwege uw inkomsten niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, maar dat ik het wel voor u zal kunnen aanvragen. Voor het geval u niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand zal ik u mijn honorarium in rekening brengen zijnde € 235 exclusief 6% kantoorkosten en 21% BTW. Ik werk op een voorschotbasis van vijf uur. Hiermee gaat u akkoord. Wij spraken af dat ik u een voorschot ter nadere verrekening zal doen toekomen. Mocht u voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komen dan zal ik het bedrag verrekenen met de opgelegde eigen bijdrage. U gaat hiermee akkoord. Inmiddels heeft u het voorschot voldaan. Ik wees u erop dat de zaak niet eenvoudig is en veel juridische haken en ogen bevat. Deze zaak zal derhalve niet snel klaar zijn, maar dat begreep u. U dient dus financieel hiermee rekening te houden. (...)”

Tegen deze weergave van de gemaakte afspraken hebben [appellante 1] en/of [appellante 2] geen bezwaar gemaakt.

[geïntimeerde] heeft vervolgens juridische werkzaamheden uitgevoerd en daarvoor facturen gestuurd naar ‘ [appellante 1] , mevrouw [appellante 2] ’. De facturen zijn ondanks verdere correspondentie en aanmaningen van de kant van [geïntimeerde] tot een bedrag van € 9.869,15 onbetaald gebleven.

3.2

Bij dagvaarding van 12 mei 2015 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellante 1] c.s. aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat zij in opdracht en voor rekening van [appellante 1] c.s. werkzaamheden heeft verricht overeenkomstig de haar verstrekte opdracht en dat zij deze tegen het afgesproken tarief in rekening heeft gebracht. Volgens [geïntimeerde] dienen [appellante 1] c.s het openstaande factuurbedrag te voldoen. Op grond daarvan vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg hoofdelijke veroordeling van [appellante 1] en [appellante 2] tot betaling van het bedrag van € 9.869,15, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, tot betaling van een bedrag van € 1.050,84 aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van de kosten van een conservatoir beslag en van de proceskosten.

3.3

[appellante 1] c.s. hebben deze vordering bestreden. Volgens hen heeft [geïntimeerde] werkzaamheden uitgevoerd waarvoor geen opdracht was gegeven, heeft zij buitensporig veel uren gewerkt en heeft zij die werkzaamheden deels niet goed uitgevoerd.

3.4

Bij tussenvonnis van 27 augustus 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 3 december 2015 plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 28 april 2016 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar geoordeeld ten aanzien van werkzaamheden van vóór 12 september 2014 (€ 406,90) en ten aanzien van buitengerechtelijke incassokosten. Voor het overige is de vordering van [geïntimeerde] toegewezen met veroordeling van [appellante 1] c.s. in de proceskosten.

3.5

In hoger beroep heeft [geïntimeerde] haar vordering vermeerderd met de kosten die zij stelt te hebben gemaakt voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 april 2016, door haar gesteld op in totaal € 2.787,=. Tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering in eerste aanleg is [geïntimeerde] niet opgekomen, zodat in dit hoger beroep die vordering alleen aan de orde is voor zover door de kantonrechter toegewezen.

Principaal appel

3.6

Met de zes grieven van [appellante 1] c.s. in het principaal appel worden de volgende kwesties aan de orde gesteld:

  1. de positie van [appellante 2] als contractspartij van [geïntimeerde] ;

  2. de hoogte van de facturen;

  3. de uitvoering van de werkzaamheden.

Het hof zal deze kwesties hierna achtereenvolgens bespreken.

Ad 1)

3.7

Volgens [appellante 1] c.s. heeft [geïntimeerde] haar werkzaamheden alleen in opdracht en voor rekening van [appellante 1] uitgevoerd en niet (tevens) in opdracht en voor rekening van [appellante 2] . Dit verweer hebben [appellante 1] c.s. naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Uit de brief van 17 september 2014 waarmee [geïntimeerde] de eerder gemaakte afspraken heeft bevestigd - hiervoor in 3.1 onder d) aangehaald - blijkt dat tussen partijen het eventueel in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand aan de orde is geweest. Dat onderwerp betreft [appellante 2] . Verder is het kort geding dat de dames [dames] hebben aangespannen gericht geweest tegen zowel [appellante 1] als [appellante 2] en is [geïntimeerde] in die procedure mede namens [appellante 2] opgetreden zonder dat daartegen bezwaar is gemaakt. Uit deze omstandigheden blijkt dat (ook) [appellante 2] als opdrachtgever van [geïntimeerde] heeft te gelden. Omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit anders zou zijn, zijn door [appellante 1] c.s. niet gesteld of anderszins gebleken. Dit verweer dient daarom als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd te worden.

Ad 2)

3.8

[appellante 1] c.s hebben niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] de door haar gedeclareerde werkzaamheden, voor zover in dit hoger beroep nog aan de orde, daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Zij achten de hoogte van de facturen buitensporig en stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerde] nauwkeuriger had moeten aangeven welke werkzaamheden zij zou gaan uitvoeren en welke kosten daarmee gemoeid zouden zijn. Verder zeggen [appellante 1] c.s. niet te hebben ingestemd met het indienen van een - tijdrovende - eis in reconventie. Dit verweer is naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. [geïntimeerde] heeft in haar opdrachtbevestiging van 17 september 2014 vermeld dat het niet om een eenvoudige aangelegenheid ging en dat dit financiële consequenties zou hebben. Door [appellante 1] c.s. is niet onderbouwd dat [geïntimeerde] op dat moment reeds een totaalbedrag had kunnen begroten of dat zij om een begroting hebben verzocht. [geïntimeerde] heeft voor haar werkzaamheden voldoende gespecificeerde facturen verstuurd. Uit de factuur van 1 oktober 2014 kon worden afgeleid wat de stand van zaken was op financieel gebied. Met deze factuur is € 4.500,= gedeclareerd voor de werkzaamheden van 10 tot en met 30 september 2014. [appellante 1] c.s. hebben naar aanleiding van deze declaratie geen bezwaar gemaakt, terwijl er na september 2014 nog verschillende proceshandelingen moesten worden verricht, waaronder het (verder) opstellen van de pleitnota (op de declaraties aangeduid als conclusie van antwoord) en het verlenen van juridische bijstand ter zitting.

Dat [geïntimeerde] het instellen van een eis in reconventie vooraf met [appellante 1] c.s. heeft afgestemd blijkt uit de e-mail van 18 september 2014 aan [appellante 2] (productie 11 bij de akte zijdens [geïntimeerde] van 24 november 2015 in eerste aanleg), waarin zij schrijft:

Ik heb de originele dagvaarding nog niet ontvangen, zodra die er is zal ik de pleitnotitie voorbereiden alsmede de reconventionele vordering van €50.000 aan gederfde inkomsten. Stuurt u zo spoedig mogelijk alle ontbrekende stukken naar mij toe en foto’s?”

Voor het overige kan het hof zich vinden in de verwerping van dit verweer in het eindvonnis van 28 april 2016 en sluit het zich daarbij aan.

Ad 3)

3.9

Aan het verweer dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd, hebben [appellante 1] c.s. geen rechtsgevolg verbonden dat aan hun betalingsverplichting uit hoofde van de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst afdoet. Het enkele bestaan van een tekortkoming aan de zijde van de schuldeiser, zonder dat daaraan bijvoorbeeld het rechtsgevolg van ontbinding van de overeenkomst, opschorting of verrekening met schadevergoeding wordt verbonden, ontslaat een schuldenaar niet van zijn betalingsverplichtingen.

Slotsom in het principaal appel

3.10

Het voorgaande brengt mee dat het verweer van [appellante 1] c.s. tegen de vordering van [geïntimeerde] , voor zover door de kantonrechter toegewezen, wordt verworpen zodat de grieven van [appellante 1] c.s. in het principaal appel geen doel treffen. Voor bewijslevering als door [appellante 1] c.s. aangeboden is bij deze stand van zaken geen aanleiding.

Incidenteel appel

3.11

Het incidenteel appel van [geïntimeerde] betreft haar vermeerdering van eis in verband met gestelde kosten van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 april 2016. [appellante 1] c.s. maken bezwaar tegen deze vermeerdering van eis, maar dit bezwaar wordt verworpen aangezien [geïntimeerde] bevoegd is in hoger beroep haar eis bij memorie van grieven in het incidenteel appel te wijzigen tenzij de wijziging van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Dat daarvan in dit geval sprake is, is door [appellante 1] c.s. niet aannemelijk gemaakt.

3.12

De vermeerderde eis, bestaande uit schadevergoeding, is intussen niet voor toewijzing vatbaar aangezien [appellante 1] c.s. deze vordering voldoende gemotiveerd hebben betwist en [geïntimeerde] deze slechts in globale termen heeft toegelicht zonder daarbij te vermelden op welke grondslag de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd, waarom de kosten voor rekening van [appellante 1] c.s. gebracht zouden kunnen worden. De vermeerderde vordering wordt daarom afgewezen. Voor bewijslevering is geen grond aanwezig.

Conclusie

3.13

Een en ander leidt ertoe dat het eindvonnis van 28 april 2016 zal worden bekrachtigd met afwijzing van het meer of anders gevorderde en met veroordeling van [appellante 1] c.s. in de kosten van het principaal appel en van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

bekrachtigt het eindvonnis van 28 april 2016 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante 1] c.s. in de kosten van het principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 314,= aan griffierecht en op € 1.074,= aan salaris advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellante 1] c.s. begroot op € 379,50 aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2018.

griffier rolraadsheer