Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2873

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
200.235.100_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 5 juli 2018

Zaaknummer : 200.235.100/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/327303 / JE RK 17-1570

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

de gecertificeerde instelling,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 maart 2018, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de GI alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 april 2018, heeft de GI verzocht het door de vader ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van Wijk;

- de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de moeder.

2.4.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 november 2017;

  • -

    het journaalbericht met bijlage van de advocaat van de vader, ingekomen ter griffie op 30 mei 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (ook te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 18 december 2013 onafgebroken onder toezicht van de GI. [minderjarige 1] woont bij de ouders. [minderjarige 2] is op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst en verblijft sinds 12 mei 2017 bij woonvoorziening [woonvoorziening] van Stichting [stichting] (hierna: [woonvoorziening] ).

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 18 december 2017 verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 18 december 2018. Voorts heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, te weten [woonvoorziening] , met ingang van 18 december 2017 verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve uiterlijk tot 18 december 2018.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

De vader erkent dat zowel bij de kinderen als bij de ouders sprake is van problematiek c.q. beperkingen, maar van een ontwikkelingsbedreiging is bij de kinderen geen sprake, en al helemaal niet bij [minderjarige 1] . Mocht al sprake zijn van een bedreiging dan is deze niet zodanig ernstig dat een ondertoezichtstelling nodig is. Bovendien staan de ouders open voor hulpverlening en accepteren zij de zorg die de kinderen nodig hebben. Doordat er nauwelijks contact met de jeugdzorgwerker is, heeft de ondertoezichtstelling ook geen meerwaarde. Daarbij is de ondertoezichtstelling niet bedoeld om een vinger in de pap te houden. Zodra sprake is van een ontwikkelingsbedreiging kan de ingezette intensieve hulpverlening een zorgmelding maken.

De vader betwist dat sprake is van een forse strijd. Na de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] is de rust wedergekeerd. Van een patroon van huiselijk geweld is geen sprake. De ouders bieden de kinderen duidelijke sturing, grenzen, regels en gezag en bij de ouders is sprake van een stabiele en gestructureerde omgeving.

De uithuisplaatsing van [minderjarige 2] moet niet eindigen, maar die moet niet met een machtiging opgelegd worden. Dit is niet noodzakelijk aangezien de ouders zelf vrijwillig een plek voor [minderjarige 2] bij [woonvoorziening] hebben gerealiseerd. Zonder machtiging ontstaat er ook meer rust doordat er dan in het gezin geen druk wordt ervaren en er geen sprake meer is van wisselende berichten over de uithuisplaatsing. Op dit moment komt [minderjarige 2] drie van de vier weekenden naar huis en volgens de vader kan [minderjarige 2] wel gefaseerd naar huis komen.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

De GI verwacht dat de ouders het belang en welzijn van de kinderen in een vrijwillig kader, ondanks hun goede bedoelingen, onvoldoende voor ogen kunnen houden. De inzet van de ouders en de samenwerking met hulpverlening is gerelateerd aan de (on)mogelijkheden en beperkingen van de ouders. De ouders kunnen onvoldoende in gesprek gaan over de inhoud. De vader is rechtlijnig in zijn denken en het lukt hem moeilijk om samen met hulpverlening de juiste beslissingen betreffende de kinderen te maken. De moeder lukt het niet om in contact te blijven met hulpverlening op het moment dat zij het niet eens is met de gang van zaken. Vanwege de complexe problematiek van de kinderen is in het vrijwillig kader het risico te groot dat niet wordt ingegrepen als de ouders denken dat zij het zelf kunnen. Daarbij is het voor gemiddelde opvoeders al lastig om deze kinderen groot te brengen, laat staan voor deze ouders met ieder hun eigen problematiek.

Doordat de relatie van de ouders is verbeterd, is hun thuissituatie stabieler geworden, maar hiervan is nog maar een korte periode sprake. Voorkomen moet worden dat de ouders weer terugvallen in oude patronen en de veiligheid moet gewaarborgd zijn. Het incident van april vorig jaar, waarbij de kinderen aanwezig waren, was heftig en in het verleden is vaker sprake geweest van huiselijk geweld. De ouders moeten nog aan hun relatie werken door het volgen van relatietherapie/mediation, maar zijn hier nog niet aan begonnen. Verder moeten de ouders nog een aantal zaken ondernemen en de GI wil betrokken blijven tot de positieve lijn voldoende geborgd is.

[minderjarige 2] is vanwege zijn kindeigen problematiek extra kwetsbaar in zijn ontwikkeling. Hij heeft opvoeders nodig die structuur en duidelijkheid bieden, geduld met hem hebben en consequent zijn in het toepassen van regels en grenzen. Het verblijf van [minderjarige 2] bij [woonvoorziening] is nog nodig om hem te observeren en zijn weerbaarheid te vergroten. De GI verwacht dat de ouders zonder ondertoezichtstelling en machtiging te snel zullen overgaan tot beëindiging van de uithuisplaatsing omdat zij [minderjarige 2] graag thuis willen hebben. [minderjarige 2] komt nu eenmaal per drie weken een weekend naar huis en dat geeft bij de ouders veel minder druk dan wanneer hij volledig thuis zou wonen. De GI is bang dat de ouders dan weer ruzie krijgen en het bergafwaarts gaat, terwijl er op dit moment een goede balans is waarin draagkracht en draaglast op elkaar zijn afgestemd. Het toewerken naar een thuisplaatsing moet dan ook langzaam gaan.

3.7.

De raad brengt ter zitting, kort samengevat, het volgende naar voren.

Vanwege kindfactoren zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer kwetsbaar en bij de ouders is sprake van beperkingen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld vanwege een totale overbelasting van het gezin. De zorgen ten aanzien van het ernstige incident van april vorig jaar zien niet primair op het geweld tussen de ouders, maar vooral op de impact die dit op de kinderen heeft gehad. Het is voor de kinderen emotioneel heel onveilig geweest om aanwezig te zijn bij een ruzie tussen de ouders die zo is ontspoord en waarbij door de moeder heel onveilig en agressief is gereageerd op de emoties van [minderjarige 1] . Weliswaar is de rust bij de ouders wedergekeerd en is de situatie weer stabiel, maar er bestaan zorgen dat bij een overbelasting de emoties van de ouders zodanig oplopen dat de kinderen niet veilig zijn omdat de situatie nog onvoldoende bestendig is. Wel is het einde van de ondertoezichtstelling in beeld.

3.8.

De moeder brengt ter zitting, kort samengevat, het volgende naar voren. De weekenden waarin [minderjarige 1] een logeerweekend heeft, komt [minderjarige 2] ook niet naar huis, zodat de ouders een rustmoment hebben. De moeder wil graag dat er gedurende een jaar in fases wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige 2] .

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.5.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:255 lid 1 BW als artikel 1:265b lid 1 BW. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat het incident dat in april 2017 heeft plaatsgevonden (emotioneel) uitermate onveilig en ingrijpend voor de kinderen is geweest en in het bijzonder voor [minderjarige 1] . Weliswaar is de relatie van de ouders sindsdien verbeterd en is hun situatie stabieler geworden, maar deze positieve ontwikkeling is nog te pril en daarmee nog onvoldoende bestendig. De ouders dienen in ieder geval nog een aantal stappen te zetten, waaronder het volgen van relatietherapie of andere hulp, teneinde het risico op soortgelijke incidenten ten gevolge van overbelasting van de ouders en hoog oplopende emoties in de toekomst te voorkomen. Dit is noodzakelijk om de kinderen voldoende bescherming te kunnen bieden. Gelet op de hulpverleningsgeschiedenis en het feit dat de ouders (vanwege hun beperkingen) niet altijd in staat zijn de belangen van de kinderen voorop te stellen, is hulpverlening in een vrijwillig kader ontoereikend. De door de GI uitgesproken angst dat de ouders [minderjarige 2] zonder beschermingsmaatregel(en) te snel volledig thuis zullen laten wonen doordat de vader te licht over de uithuisplaatsing denkt, acht het hof aannemelijk. Voordat een eventuele (gefaseerde) thuisplaatsing van [minderjarige 2] aan de orde kan zijn, dient in ieder geval nog een observatie van [minderjarige 2] plaats te vinden en moet zijn weerbaarheid (nog verder) worden vergroot.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en is op 5 juli 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.