Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2865

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
17/00711
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:6142, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2317
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft aangifte VPB over 2013 gedaan. Daarin is een onjuist bedrag aan te verrekenen verliezen opgenomen. Kort daarna heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Ruim 2 jaar later wordt de aangifte in behandeling genomen. De Inspecteur legt na onderzoek de definitieve aanslag op waarbij hij het bedrag aan te verrekenen verliezen corrigeert. Belanghebbende stelt tevergeefs dat in een dergelijk geval de belastingrente dient te worden gematigd. In navolging van de Rechtbank oordeelt het Hof dat de Inspecteur niet in strijd met de abbb heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-10-2018
V-N Vandaag 2018/2140
FutD 2018-2707
V-N 2018/56.1.7
NTFR 2018/2682 met annotatie van mr. N. ten Broek
Viditax (FutD), 14-12-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00711

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 27 september 2017, nummer BRE 17/2704, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is bij de onder aanslagnummer [aanslagnummer] opgelegde aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) voor het jaar 2013 bij beschikking een bedrag van € 646 aan belastingrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de beschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 333. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 27 juni 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , adviseur te [vestigingsplaats] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en mevrouw [C] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op 12 december 2014 de aangifte Vpb voor het jaar 2013 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 23.551, opgebouwd uit een belastbare winst van € 80.204 waarop een bedrag van € 56.653 aan te verrekenen verliezen in mindering is gebracht.

2.2.

Met dagtekening 10 januari 2015 heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag Vpb voor het jaar 2013 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

2.3.

De Inspecteur heeft de aangifte op 18 januari 2017 voor onderzoek in behandeling genomen. Met dagtekening 11 februari 2017 heeft de Inspecteur de aanslag Vpb 2013 opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 38.190. De Inspecteur heeft hierbij de aangegeven belastbare winst van € 80.204 gevolgd, maar de te verrekenen verliezen, in afwijking van de aangifte, op € 42.014 gesteld. Bij de aanslag is bij beschikking een bedrag van € 646 aan belastingrente in rekening gebracht. Deze belastingrente is berekend over de periode 1 juli 2014 tot en met 25 maart 2017.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de in rekening gebrachte belastingrente dient te worden verminderd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking belastingrente tot een bedrag van € 146. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in haar aangifte van een onjuist bedrag aan te verrekenen verliezen is uitgegaan en dat de Inspecteur dit terecht heeft gecorrigeerd bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslag Vpb. Ook is niet in geschil dat deze aanslag binnen de (verlengde) aanslagtermijn van artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) is opgelegd en dat de bij de aanslag bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente volgens de wettelijke regels is berekend.

4.2.

Belanghebbende beroept zich op onderdeel 18, punt 1c, van het Besluit van de staatssecretaris van 15 februari 2016, nr. BLKB 2016/19 (hierna: het Besluit) waarin het volgende is bepaald ten aanzien van heffingsrente:

18. Heffingsrente (artikel 30f e.v. AWR, tekst t/m 2012, vóór invoering belastingrenteregeling)

(…)1c. Beperken van heffingsrente bij aanslagbelastingen

Om te voorkomen dat de inspecteur heffingsrente in rekening brengt als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt, streeft de Belastingdienst er naar om binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag vast te stellen. Als de inspecteur niet binnen drie maanden na het tijdig indienen van de aangifte een definitieve of (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, beperkt hij het in rekening brengen van heffingsrente over de conform de aangifte verschuldigde belasting tot drie maanden. (…)”.

4.3.

Volgens belanghebbende volgt uit het hiervoor geciteerde punt 1c dat de Inspecteur de plicht heeft om de in rekening te brengen schade in de vorm van belastingrente zoveel mogelijk te beperken. Zij stelt voorts dat de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door de aangifte ruim twee jaar te laten liggen, terwijl de computersystemen van de Belastingdienst aangaven dat de te verrekenen verliezen minder waren dan belanghebbende in haar aangifte had vermeld.

4.4.

De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:

“2.8. (…)

De rechtbank overweegt dat er belastingrente is berekend, zodat de geciteerde passage over de heffingsrente uit het Besluit directe toepassing mist. Ook indien het Besluit wel van toepassing zou zijn, zou dat belanghebbende niet baten. De inspecteur heeft immers binnen drie maanden een voorlopige aanslag opgelegd conform aangifte (…). Overigens is een inhoudelijk met het Besluit vergelijkbare regeling voor de belastingrente vastgelegd in het (…) artikel 30f, derde lid, van de AWR. De inspecteur heeft conform die bepaling gehandeld (…).

De ruime strekking die belanghebbende aan het Besluit geeft – een algemene verplichting aan de inspecteur om de belastingrente te beperken –, vindt geen steun in het Besluit en evenmin in het arrest HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524, waarop het Besluit is gebaseerd. Hier gaat het – anders dan in het Besluit en in het voormelde arrest – om een situatie waarin de belastingschuld (terecht) hoger wordt vastgesteld bij de aanslag dan de belastingschuld die uit de aangifte volgt. De bestreden belastingrente ziet ook alleen op dat verschil. Het belopen van de bestreden belastingrente is een gevolg van de omstandigheid dat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gedaan. Dat de onderhavige fout direct geconstateerd had kunnen worden, brengt niet mee dat op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook direct – of binnen drie maanden zoals belanghebbende bepleit – een definitieve aanslag opgelegd had moeten worden. Voor het opleggen van een definitieve aanslag geldt namelijk dat de inspecteur met zorgvuldigheid kennis moet nemen van de inhoud van de aangifte; er had immers ook sprake kunnen zijn van andere fouten dan de onderhavige fout. Die zorgvuldigheid brengt ook mee dat de inspecteur bij de uitvoering van die taak een zekere vrijheid toekomt bij de inrichting van zijn werkzaamheden. Het opleggen van de onderhavige aanslag binnen de (verlengde) aanslagtermijn valt binnen die vrijheid. De inspecteur schendt dan ook niet het zorgvuldigheidsbeginsel (of een ander beginsel van behoorlijk bestuur) door de belastingrente te berekenen over de (…) periode1 [Hof: 1 juli 2014 tot en met 25 maart 2017]. 1 Vgl. voor een en ander HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5536. Gelet op het voorgaande is er in de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden geen grond om van de juiste wetstoepassing af te wijken”.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt deze overwegingen van de Rechtbank dan ook over en maakt deze tot de zijne.

4.6.

Het Hof voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur de aangifte niet ruim twee jaar mag laten liggen in een geval dat, zoals in onderhavige procedure, de computersystemen van de Belastingdienst aangeven dat de te verrekenen verliezen minder waren dan belanghebbende in haar aangifte had vermeld. De Inspecteur stelt terecht dat in een dergelijk geval nader onderzocht zal moeten worden welk bedrag juist is en of de fout is gelegen in de aangifte of in de computersystemen van de Belastingdienst. Er worden vele aangiften door het systeem ‘uitgeworpen’ en de Inspecteur stelt terecht dat het hem vrij staat bij de afhandeling van aangiften de prioritering te kiezen die hem daarbij wenselijk voorkomt. Voor een beperking van de belastingrente is in dit geval geen plaats.

Slotsom

4.7.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 6 juli 2018 door A.J. Kromhout, voorzitter, M. Harthoorn en L.B.M. Klein Tank, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.