Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:2864

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
17/00403
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2752, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het vaststellen van de aanslag erfbelasting is belanghebbende de toepassing van de partnervrijstelling terecht onthouden. Er is immers geen sprake van een huwelijk in de zin van het BW. Voorts is geen sprake van schending met artikel 1 EP.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-10-2018
V-N Vandaag 2018/2169
FutD 2018-2706
ERF-Updates.nl 2018-0195
NTFR 2018/2671 met annotatie van mr. L. Bergman
V-N 2018/60.1.6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00403

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] (Zwitserland),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 mei 2017, nummer BRE 16/2701, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van een belaste verkrijging van € 996.130 ten gevolge van het overlijden van [A] in het jaar 2014 een aanslag erfbelasting opgelegd van € 386.730 (hierna: de aanslag). Daarbij is bij beschikking € 16.500 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 april 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, ter bijstand vergezeld van [B] , alsmede, namens de Inspecteur, [C] , [D] en [E] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Op [datum] 2014 is [A] (hierna: erflater) overleden. Belanghebbende is enig erfgenaam van erflater.

2.2.

Erflater heeft aan [adres] 44 te [plaats 2] gewoond en stond ten tijde van het overlijden in de basisregistratie personen op dit adres ingeschreven. Belanghebbende stond niet op dit adres ingeschreven.

2.3.

Belanghebbende heeft aangifte erfbelasting gedaan. Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur van de aangifte afgeweken en is de nalatenschap vastgesteld op € 998.222 en de belaste verkrijging, na toepassing van een vrijstelling van € 2.092, op

€ 996.130. Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking € 16.500 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.4.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

2.5.

Belanghebbende is in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft de vraag of de partnervrijstelling kan worden toegepast op de verkrijging door belanghebbende. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat erflater en belanghebbende feitelijk samenwoonden en dat zij beschikken over een gemeenschappelijk graf.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag naar een belaste verkrijging van (€ 998.222 -/- € 627.367 =) € 370.855. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Wettelijk kader

4.1.

Artikel 32, lid 1, ten vierde, onderdeel a, van de Successiewet 1956 (hierna: SW), bepaalt dat de partner een vrijstelling geniet van € 627.367 (tekst 2014; hierna: de partnervrijstelling).

4.2.

Ingevolge artikel 5a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt als partner aangemerkt: a) de echtgenoot en b) de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.

4.3.

Artikel 1a van de SW luidt, voor zover van belang:

“1. In afwijking van artikel 5a, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen twee ongehuwde personen slechts als partner aangemerkt indien zij gedurende de in het tweede lid genoemde periode:

a. beiden meerderjarig zijn;

b. op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland;

c. ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben;

d. geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn, en

e. niet met een ander aan de in de onderdelen a tot en met d genoemde voorwaarden voldoen.”

Wetsgeschiedenis

4.4.

In de wetsgeschiedenis is omtrent artikel 5a van de AWR opgemerkt:

“Het voorstel komt op het volgende neer. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt een basispartnerbegrip opgenomen dat geldt voor alle belastingwetten. Tot dat begrip behoren gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die in de GBA staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Vervolgens kan het basispartnerbegrip in de afzonderlijke wetten worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. Daarbij geldt dat op basis van objectieve criteria wordt bepaald of er sprake is van partnerschap en wanneer het partnerschap begint en ophoudt te bestaan.” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32130, nr. 3, blz. 25)

“De aanpassing van het partnerbegrip leidt tot vermindering van administratieve lasten voor burgers. Voor de inkomstenbelasting komt de jaarlijkse keuzemogelijkheid voor partnerschap bij ongehuwd samenlevenden te vervallen. Op basis van objectieve criteria zal worden vastgesteld of zij als partner worden aangemerkt. Ook wordt de fiscale behandeling van gehuwden die stappen zetten om het huwelijk te beëindigen afhankelijk van objectieve criteria. De materiële toets of sprake is van duurzaam gescheiden leven van gehuwden vervalt. Omdat het partnerschap afhankelijk wordt van duidelijke, objectieve criteria wordt het mogelijk dat de Belastingdienst in een groot aantal gevallen zelfstandig kan bepalen of er sprake is van partnerschap. Voorts zijn er meer mogelijkheden om ook bij bepaalde categorieën ongehuwd samenlevende partners en bij gehuwden die stappen zetten hun huwelijk te beëindigen de aangifte inkomstenbelasting te gaan voorinvullen met partnergegevens en met de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag.

Tevens wordt met dit wetsvoorstel een vrijwel volledige harmonisatie bereikt tussen het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting en voor de toeslagen. Dit leidt tot duidelijkheid bij burgers. De stroomlijning van het partnerbegrip levert een administratieve lastenreductie op van circa 275 000 uur.” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32130, nr. 3, blz. 35)

“In artikel 5a, tweede lid, wordt bepaald dat indien iemand op grond van het eerste lid als partner wordt aangemerkt, het partnerschap tevens geldt voor de periode in het kalenderjaar waarin hij op hetzelfde woonadres als belastingplichtige staat ingeschreven in de GBA of een naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. Op deze wijze wordt bereikt dat indien een belastingplichtige in de loop van een kalenderjaar huwt of een notarieel samenlevingscontract aangaat, voor de periode voorafgaand aan dit moment ook partnerschap wordt aangenomen wanneer de personen reeds op hetzelfde adres bij de GBA ingeschreven stonden. Hetzelfde geldt bij scheiding van tafel en bed/echtscheiding/ontbinding notarieel samenlevingscontract terwijl de personen ingeschreven blijven op hetzelfde adres in de GBA. De inschrijving bij de GBA is derhalve bepalend voor de duur van het partnerschap. Wanneer twee ongehuwden al op 1 januari van het kalenderjaar op hetzelfde woonadres staan ingeschreven bij de GBA en op 1 maart een notarieel samenleefcontract afsluiten, zijn zij dus vanaf 1 januari partner. Wanneer twee gehuwden op 1 maart zijn gescheiden en zij tot 1 juli op hetzelfde woonadres staan ingeschreven bij de GBA, blijven zij dus fiscaal tot 1 juli elkaars partner” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32130, nr. 3, blz. 80)

“De leden van de fractie van het CDA merken op dat een inschrijving of mutatie bij de GBA niet met terugwerkende kracht wordt doorgevoerd. Zij wijzen erop dat dit onevenredig nadelige effecten kan veroorzaken als een kind bijvoorbeeld niet tijdig op het woonadres van de ouders wordt overgeschreven. Deze fractieleden vragen of het kabinet bereid is om een hardheidsclausule op te nemen voor gevallen dat belastingplichtigen aannemelijk kunnen maken dat het kind wel op het woonadres van de ouders woonde maar nog niet was overgeschreven. Hierover merk ik het volgende op. De Belastingdienst sluit voor de adresgegevens van de belastingplichtigen aan bij de GBA. Op de belastingplichtigen rust de verantwoordelijkheid om mutaties tijdig door te geven. Op de gemeente rust de verantwoordelijkheid om de mutatie zo spoedig mogelijk te verwerken. Pas als de GBA-inschrijving is verwerkt, is het woonadres voor de Belastingdienst kenbaar. In de rechtspraak is deze lijn – GBA-inschrijving is leidend – expliciet bevestigd voor de toepassing van de heffingskortingen. Met de invoering van het nieuwe partnerbegrip verandert dit uitgangspunt niet. Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat de GBA een basisregistratie is en er – per 1 januari 2010 – voor alle afnemers sprake is van verplicht gebruik. Voorts merk ik volledigheidshalve nog op dat voor de toeslagen de GBA-inschrijving ook leidend is, maar dat daar mogelijkheden bestaan om het feitelijke woonadres gelijk te stellen met de GBA-inschrijving. De Belastingdienst/Toeslagen maakt in uitzonderingssituaties gebruik van deze mogelijkheid. Mijn conclusie is dat een hardheidsclausule waarom de leden van de fractie van het CDA vragen niet nodig is.“ (Kamerstukken II, 2009-2010, 32130, nr. 7, blz. 30)

“De leden van de fractie van de VVD vragen of ongehuwd samenwonenden in de toekomst aan minimaal één van de objectieve criteria moeten voldoen om nog als partners te worden aangemerkt. Dat is inderdaad het geval, met dien verstande dat als basisvoorwaarde geldt dat de samenwoners op hetzelfde woonadres in de GBA moeten staan ingeschreven.” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32130, nr. 7, blz. 32)

4.5.

In de wetsgeschiedenis is omtrent artikel 1a van de SW opgemerkt:

“Ik merk hierover op dat het voorstel van het partnerbegrip in de Successiewet 1956 niet op zichzelf staat maar nauw samenhangt met de introductie van het basispartnerbegrip in de fiscale kaderwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij het komende Belastingplan 2010. Dit basispartnerbegrip zal de grondslag zijn voor het partnerbegrip zoals dat in alle belastingwetten wordt toegepast. Tot dat begrip behoren gehuwden, geregistreerde partners en samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract die bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staan ingeschreven op hetzelfde woonadres. Deze elementen zijn coherent en handhaafbaar omdat zij eenvoudig te controleren zijn. Vervolgens kan het basispartnerbegrip in de afzonderlijke wetten worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. Ook deze uitbreidingen of aanvullingen moeten objectieve criteria zijn die goed controleerbaar zijn. Van de voorwaarden van het uniforme basis partnerbegrip kan niet worden afgeweken door toe te staan dat niet aan de formele en objectief toetsbare basiseisen wordt voldaan. Dit zou een inbreuk betekenen op datgene wat met het uniforme basisbegrip wordt beoogd te bereiken, namelijk een coherent, voorspelbaar en handhaafbaar systeem.” (Kamerstukken II, 2008-2009, 31930, nr. 9, blz. 31)

Echtgenoot

4.6.

Ingevolge artikel 1:67, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is voor een huwelijk vereist dat de aanstaande echtgenoten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden verbonden. Het bewijs van het bestaan van een huwelijk kan ingevolge artikel 1:78 van het BW niet anders worden geleverd dan door de huwelijksakte of door een akte van omzetting. Indien het huwelijksregister niet heeft bestaan, verloren is gegaan of indien daaraan de huwelijksakte ontbreekt, kan een huwelijk op grond van artikel 1:79 van het BW worden bewezen door getuigen of bescheiden. Van een huwelijksakte die ‘ontbreekt’ aan het huwelijksregister is naar het oordeel van het Hof, evenals de Rechtbank, sprake indien de in artikel 1:67, lid 1, van het BW, bedoelde verklaring is afgelegd en de ambtenaar van de burgerlijke stand ten onrechte de huwelijksakte niet heeft opgemaakt en aangeboden ter registratie in het huwelijksregister. Nu in het onderhavige geval een huwelijksakte en een akte van omzetting ontbreken, is geen sprake van een huwelijk als bedoeld in het BW.

4.7.

Belanghebbende betoogt dat er sprake is van een huwelijk omdat (i) dat op bijzondere wijze is gesloten, waarvan beeldmateriaal is overgelegd, (ii) zij en erflater feitelijk samenwoonden en (iii) zij en erflater beschikken over een (toekomstig) gemeenschappelijk graf. Het betoog van belanghebbende faalt naar het oordeel van het Hof omdat het geen steun in het recht vindt.

Ongehuwde personen

4.8.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij onder de tot 1 januari 2010 geldende SW werd beschouwd als partner, dat bij de inwerkingtreding per 1 januari 2010 van de (nieuwe) SW niet is voorzien in relevant overgangsrecht en dat derhalve de belastingrechter moet ingrijpen. Bij ontbreken van overgangsrecht moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien af te wijken van het uitgangspunt dat aan nieuwe regels onmiddellijke werking toekomt (vgl. HR 20 oktober 2017, nr. 16/02441, ECLI:NL:HR:2017:2656). Het Hof ziet geen reden om van de onmiddellijke werking af te wijken.

4.9.

Vast staat dat belanghebbende en erflater in de basisregistratie personen niet op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven (zie 2.2).

Artikel 1 EP EVRM

4.10.

In artikel 1 EP EVRM ligt besloten dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Waar het gaat om de beoordeling of een maatregel in het algemeen belang is, komt op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de wetgever. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat oordeel evident van een redelijke grond is ontbloot.

4.11.

Artikel 1 EP EVRM brengt tevens mee dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Verder is vereist dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van diens handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen.

4.12.

Artikel 1 EP EVRM brengt onder meer mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de belanghebbende door de onderhavige regelgeving wordt getroffen met een individuele en buitensporige last. Bij de keus van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe (Hoge Raad 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523).

4.13.

Uit het in 4.4 en 4.5 overwogene, volgt dat de wetgever voor de afbakening van het begrip partner heeft gekozen voor een objectief criterium, namelijk de inschrijving in de basisregistratie personen. Het Hof is van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving de onder 4.10 tot en met 4.12 genoemde uitgangspunten in acht heeft genomen. Met name is hij gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, is zijn oordeel niet evident van redelijke grond ontbloot, is de inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom – zo daarvan sprake is – in overeenstemming met het nationale recht, is voldaan aan de vereisten van precisie en voorzienbaarheid en bestaat er – althans op het niveau van de regelgeving – een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten.

4.14.

Nu op het niveau van de regelgeving niet kan worden gezegd dat sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM, dient te worden onderzocht of de regelgeving niettemin heeft geleid tot een individuele en buitensporige last in het geval van belanghebbende. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld, is voor de vraag of sprake is van een buitensporige last beslissend de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de erfbelasting (vgl. HR 12 augustus 2011, nr. 10/02949, ECLI:NL:HR:2011:BR4868). Daarbij moet worden beoordeeld of die last zich in het geval van belanghebbende beduidend sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle, met eenzelfde erfrechtelijke verkrijging, geconfronteerde belastingplichtigen geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar meebrengen (vgl. HR 17 maart 2017, nr. 15/04187, ECLI:NL:HR:2017:441). Het Hof is van oordeel dat van een heffing van (€ 386.730 / € 998.222 =) 38,7% van de verkrijging niet kan worden gezien als een individuele en buitensporige last.

Redelijk?

4.15.

Voor zover belanghebbende stelt dat het in het onderhavige geval niet toepassen van de partnervrijstelling niet redelijk is, overweegt het Hof het volgende. Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829 houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb 1829, 28) dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Het Hof is, gelet op deze regel over de machtenscheiding binnen het Koninkrijk, niet bevoegd om de wet in strijd met de letterlijke bewoordingen toe te passen. De beoordeling of een rechtsregel billijk en redelijk is, is uitsluitend aan de wetgever voorbehouden.

Natuurlijke verbintenis

4.16.

Voor zover belanghebbende een beroep doet op de vrijstelling van erfbelasting voor een natuurlijke verbintenis faalt het omdat artikel 32, lid 1, aanhef en ten tiende, van de SW, als voorwaarde stelt dat er sprake is van een verkrijging door een werknemer van de erflater of zijn partner of door een nabestaande van zodanige werknemer, voor zover het verkregene kan worden beschouwd als de voldoening aan een ter zake van de verrichte arbeid bestaande natuurlijke verbintenis en aan deze voorwaarde niet is voldaan.

Tot slot

4.17.

Belanghebbende is gelet op het voorgaande niet aan te merken als partner als bedoeld in artikel 5a, lid 1, van de AWR in verbinding met artikel 1a van de SW. Belanghebbende komt derhalve niet in aanmerking voor de partnervrijstelling.

4.18.

Het Hof kan zich het gevoel van belanghebbende voorstellen dat zij, gelet op het feitelijk samenwonen, het beschikken over een (toekomstig) gemeenschappelijk graf, het verlenen van intensieve zorg en het beeldmateriaal, voor de partnervrijstelling in aanmerking zou moeten komen. De tekst van de SW en de wetsgeschiedenis kunnen echter naar het oordeel van het Hof niet tot een andere conclusie leiden dan dat in onderhavig geval de partnervrijstelling niet van toepassing is.

Belastingrentebeschikking

4.19.

Belanghebbendes hoger beroep wordt geacht tevens te zijn gericht tegen de belastingrentebeschikking. Aangezien belanghebbende hiertegen geen concrete grieven heeft ingebracht en het Hof ook niet is gebleken dat die beschikking onjuist zou zijn vastgesteld, is ook het hoger beroep tegen die beschikking ongegrond.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

– verklaart het hoger beroep ongegrond en

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 6 juli 2018 door B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, A.J. Kromhout en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.